Hertog des Esseintes behoorde tot een der alleroudste families van Frankrijk. Hij was de laatste afstammeling van zijn geslacht, dat met hem uitstierf.
Na een stormachtige jeugd, die hij in de Parijsche salons had doorgebracht, verdween de hertog opeens.
Alleen zijn allerintiemste vrienden wisten, waar hij zich bevond, maar ook zij mochten hem niet bezoeken.
Aan den rand van het Bois de Boulogne dichtbij de woning van Talbott, stond zijn paleis, omgeven door een groot park. Niet het geringste geluid drong door tot den bewoner van het kasteel.
Hij leefde daar met een ouden bediende, den Vlaam Huysmans en diens vrouw en deze twee moesten telkens, wanneer zij de vertrekken van den hertog binnengingen, viltpantoffels aantrekken.
Alles in huis was zoo ingericht, dat hij nimmer behoefde te bevelen of iets te zoeken. De edelman ontving geen bezoek, de post bracht hem brieven noch couranten en de vrijwillige kluizenaar wist niets van alles, wat er in de wereld gebeurde.
Zijn eenig gezelschap waren zijn boeken, zijn kunstvoorwerpen en zijn bloemen.
Zijn zenuwen waren echter mettertijd zoo zwak geworden, dat hij reeds eenmaal bewusteloos in een der broeikassen was gevonden, verdoofd door de sterke geuren der bloemen.
Eveneens was de bonte kleurenpracht der schilderijen te sterk voor zijn zenuwen en daarom vertoefde hij het meest in de bibliotheek en de groote zalen, welke zijn kunstverzamelingen bevatten, lagen als een oud kerkhof, eenzaam en verlaten terneer.
Het was een heldere lentemorgen, toen Raffles het kasteel van des Esseintes bereikte. Aan de zware massieve deur, die zorgvuldig gesloten was, vond hij bel noch klopper: deze ingang was niet voor vreemdelingen berekend.
De Groote Onbekende moest geruimen tijd kloppen, voordat de oude bediende, verbaasd over de ongewone storing, verscheen.
„Gij vergist u zeker?” vroeg hij kortaf.
„Neen, ik zou gaarne den Hertog des Esseintes willen spreken,” antwoordde Raffles.
De verbaasde bediende nam hem van het hoofd tot de voeten op.
„De hertog is nooit te spreken,” sprak hij met bijzonderen nadruk op het woordje „nooit”.
Maar Raffles liet zich niet afwijzen.
Dringend verlangde hij te worden ontvangen en ten slotte bleef den ouden man niets over dan het den hertog zelf te gaan vragen.
Ook deze scheen over dit ongewone, ongevraagde bezoek zoo verbaasd te zijn, dat hij, tot groote verbazing van den bediende, den heer liet verzoeken, in zijn salon te komen.
Ook Raffles moest vilten pantoffels aantrekken, als bij het betreden van een zaal, wier kostbare mozaïekvloer niet geschonden mag worden.
Door een lange reeks vertrekken werd de bezoeker door den bediende geleid en wat hij daar zag, was meer dan zeldzaam.
De eetzaal was laag en zag er uit als de hut van een stoomboot. Van uit de vensters zag men geen landschap, maar door middel van een kunstig mechaniek, helder, golvend water, zoodat men zich verbeeldde, dat daar buiten de blauwe zee golfde.
Een andere zaal zag er uit, alsof alles uit ijs was gehouwen. Het vertrek, waar de hertog zijn bezoeker ontving, was geheel met zwart fluweel bekleed. De [20]kamer had den vorm van een zwarten halven kogel, waarvan de bodem de doorsnede was.
De bleeke, bloedelooze gestalte van den hertog geleek op een schim in dat donkere vertrek. Hij was nog jong, maar het bloed zijner voorouders liep langzaam en traag door zijn aderen.
Nadat de gebruikelijke beleefdheidswoorden waren gewisseld, sprak Lord Lister tot den hertog:
„Ik ben gekomen om uwe hoogheid te vragen, of uwe hoogheid Mr. Talbott kent.”
„Het spijt mij, monsieur,” antwoordde de ander, „alles wat daar buiten leeft, heb ik aan de andere zijde van den drempel gelaten.”
De Groote Onbekende was verbaasd. Hoe zat dit? Weigerde de hertog te antwoorden? Dan zou hij niet veel verder komen. Hij vroeg daarom na een korte pauze verder:
„Zou Uwe Hoogheid mij willen toestaan, de kunstverzamelingen te bezichtigen?”
„Vraag dat mijn bediende!” antwoordde de hertog.
Lord Lister kon dus heengaan.
Toen hij den bediende naar Talbott vroeg, kon de oude man hem niets vertellen. Daar niemand den hertog bezocht, wist de bediende niet, of des Esseintes den Amerikaan kende of niet.
John Raffles vroeg nu naar de kunstverzameling van den hertog.
De oude man werd verlegen.
„Daar heeft niemand toegang,” sprak hij.
„Waarom?” vroeg Lord Lister.
„De hertog wil het niet hebben,” antwoordde de bediende.
„Maar als Zijne Hoogheid het veroorlooft …” sprak Raffles.
De bediende zweeg een poosje, daarop sprak hij, zachtjes het hoofd schuddend:
„Het zijn doode dingen, die schilderijen. Men voelt zich daarbij niet op zijn gemak.”
„Niet op zijn gemak?” vroeg Raffles.
„Ja,” knikte de bediende. „Ziet gij, ik ben een verstandig mensch en geloof niet meer aan geesten of spoken, maar ik verzeker u, als ik alleen ben in de groote zaal en aan de muren een zacht geritsel hoor—het is misschien niets anders dan het geratel van een ver verwijderden spoortrein—dan voel ik, oude man, mij niet op mijn gemak.”
„Zoo?” vroeg Raffles nieuwsgierig. „Hoort gij geluiden in de schilderijengalerij?”
„Neen, ik durf dat niet stellig beweren,” antwoordde de oude ontwijkend. „Het kan wel toeval zijn, maar in elk geval ben ik daar niet graag.”
„Hm,” bromde Raffles. „Maar dit is voor mij geen bezwaar!”
En terwijl hij den ouden bediende vriendelijk op zij schoof, trad hij de schilderijenzaal binnen.
John Raffles keek in de groote zaal om zich heen zonder iets verdachts te ontdekken. Hij begaf zich naar een kleiner aangrenzend vertrek, waarin ook schilderijen hingen. Daar beklopte hij de muren, maar ook hier vond hij niets bijzonders.
Nu bukte hij zich en begon den vloer te bekloppen. Plotseling ontdekte hij een plek, die hol klonk.
Met zijn zakmes onderzocht hij de naden van den parketvloer en stak eindelijk op de plek, die verdacht klonk, zijn mes in een der naden, waar hij, zonder veel moeite het eene houten blokje na het andere over een oppervlakte van ongeveer een vierkanten meter uit den vloer oplichtte.
Zijn verwachting kwam uit, want hij ontdekte al spoedig daaronder een donkere, gapende opening.
Snel had hij nog meer blokjes opgelicht en voor hem lag een hellend vlak, dat zorgvuldig met metselsteenen was geplaveid en dat toegang gaf tot een onderaardsche gang.
John Raffles dacht bij deze ontdekking het zijne. Hij wilde niets te vlug doen, daarom dekte hij de opening vluchtig weer toe, begaf zich naar den ouden bediende en verzocht dezen, hem den catalogus te willen geven van de kunstverzameling van den hertog.
Toen de Groote Onbekende den catalogus in handen had, onderzocht hij eerst zorgvuldig of de vermelde voorwerpen werkelijk alle aanwezig waren en hij was in het geheel niet verbaasd, dat eenige der kostbaarste stukken, welke vermeld stonden, ontbraken.
Daaronder was een zeldzame Renaissance-beker van gedreven goud en een kostbaar gobelin uit den tijd van Lodewijk XVI, dat met talrijke juweelen was gezet. Bovendien ontbraken nog meerdere zeldzame edelsteenen, die op gouden en andere sieraden bevestigd waren.
Raffles begaf zich nu in de geheime gang, die ontegenzeggelijk door misdadige handen was gegraven.
Het was een lang, smal en donker gewelf, dat maandenlangen arbeid moest hebben vereischt. In het huis van den hertog vermoedde natuurlijk niemand iets van het bestaan der onderaardsche gang.
Reeds had Raffles volgens zijn berekening zooveel afstand in de gang afgelegd, dat hij zich buiten het [21]hertogelijk park moest bevinden, toen hij plotseling op een muur stiet.
Het scheen alsof hier het eind der gang was, alsof het gewelf bij het huis van den hertog behoorde.
Maar Raffles liet zich niet misleiden. Met de kleine zaklantaarn, die hij bij zich had, verlichtte hij de wanden. En hij vond een voeg in het metselwerk, waarin hij zijn mes als hefboom kon zetten.
En ziedaar—gemakkelijk kon hij de schijnbaar zoo zware steenen verwijderen, zoodat een opening ontstond, waardoor gemakkelijk een man kon kruipen.
Lord Lister liet het licht door de opening vallen.
Doch wat hij daar zag, deed hem bijna een luiden gil slaken.
Vlak tegenover hem, in het schijnsel van het electrische licht, keek hem, bijna als een levende vrouw, de Madonna van Rafaël aan.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Nu begreep Raffles alles.
De onderaardsche gang leidde van het huis, waarin de hertog woonde, naar een verblijf, dat de dief van het wereldberoemde schilderij, hetwelk aan het Koninklijke Museum te Florence behoorde, voor zichzelf had ingericht. Hij twijfelde er geen oogenblik aan, of hij bevond zich hier onder het huis van den Amerikaanschen millionnair Talbott.
Het stond bij Raffles reeds lang vast, dat Talbott de museumdief was!
De Groote Onbekende kroop het onderaardsche verblijf binnen en keek om zich heen. Onmiddellijk ontdekte hij een kraantje, waarmee hij het electrische licht kon ontsteken.
Toen dit brandde, zag hij, dat het geheele vertrek een met prachtige meubelen en schilderijen versierde rustkamer was. Vanuit een aangrenzende ruimte leidde een houten trap met kostbaar beeldhouwwerk naar boven, ongetwijfeld naar de kamers in het paleis van Talbott.
Hier was dus de zoo lang gezochte Madonna!
Toen Lord Lister het schilderij bij het dagheldere licht der electrische lampen zag, moest hij met de verrukking van een kunstliefhebber erkennen:
Dit was het echte schilderij, het origineel!
Maar wat nu te doen? Naar boven gaan, het huis binnendringen en alarm maken, zou dwaasheid zijn.
Hij bedacht ook, dat het onzin was om de politie in den arm te nemen, want hij wist uit eigen ervaring, hoe moeilijk juist op het gebied van kunst een diefstal te bewijzen was. Er zou een langdurige strijd ontstaan, of de Madonna van Rafaël het origineel dan wel een uitstekende copie was en Talbott zou met zijn invloed en zijn millioenen stellig en zeker als overwinnaar uit den strijd treden.
Er bleef dus niets anders over dan den millionnair te slim af te zijn. Raffles moest het schilderij stelen, evenals indertijd Talbott of zijn medeplichtigen het uit het Museum hadden gestolen.