[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

INSPECTEUR BAXTER VAN SCOTLAND YARD.

Een tot dusverre ongekende angst had zich meester gemaakt van de Londensche kunstvrienden, ten gevolge van een kort artikel in de „Times”, dat tot opschrift had:

„Schilderijendiefstal in het Kensington-Museum.”

De Engelschen, die tot dusverre met onverschilligheid hadden gelezen over de internationale bende museumdieven, geraakten in grootste opgewondenheid, nu in hun eigen land een schilderij was ontvreemd. Het was een klein landschap van den beroemden schilder Constable uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

Scotland Yard was in rep en roer. Inspecteur Baxter vloog heen en weer en alleen zijn secretaris, detective Marholm, bijgenaamd de vloo, keek met een kalmen glimlach naar het zenuwachtige gedoe.

Onophoudelijk was men in telephonische gemeenschap met Kensington-Museum.

Plotseling meldde het hoofdkantoor een buitenlandsche aansluiting. Florence vroeg gehoor.

„Hallo? Wie daar?”

„Professor Ciatti, directeur van het Koninklijk Museum [22]te Florence. Is inspecteur Baxter aanwezig?” klonk het.

„Ik ben zelf aan de telephoon! Hier Baxter!” riep de inspecteur in slecht Italiaansch.

„Nu, inspecteur, hoe staat het met onze Madonna van Rafaël?”

„Welke Madonna van Rafaël?” riep Baxter verbaasd.

„Maar gij herinnert u toch zeker wel ons gesprek hier in Florence, twee maanden geleden, betreffende den diefstal?” klonk het terug.

„Voor twee maanden?” schreeuwde Baxter met een somber voorgevoel, „ik ben in zeventien jaar niet te Florence geweest!”

Een uitroep van verbazing klonk door de telephoon en professor Ciatti had afgebeld.

Nu volgde een drukke wisseling van telegrammen tusschen Londen en Florence. Eindelijk kwam inspecteur Baxter buiten zichzelf bij Marholm:

„Een ongehoord geval—in het Museum van schilderijen te Florence heeft het een of andere individu zich onder mijn naam voorgesteld!”

„Ik vind dat geen ongehoord geval,” antwoordde Marholm spottend. „Zullen wij eens wedden, inspecteur, dat onze vriend Raffles daar achter steekt? Dat zou niet de eerste keer zijn!”

„Ik wed niet met u!” schreeuwde Baxter en woedend vervolgde hij:

„Alweer die vervloekte Raffles!”

Onmiddellijk begaf Baxter zich met Marholm naar het hun welbekende huis van Lord Lister.

Maar daar stond hun een oude, grijze bediende te woord, die hen mededeelde, dat Lord Lister dit huis, hetwelk hij reeds sinds langen tijd niet meer bewoonde, onder zijn bewaring gesteld.

Met hen beiden stelden de politiebeambten een huiszoeking in. Maar de kamers maakten werkelijk den indruk van verlatenheid en alleen het kleine dienstbodenvertrek was met allerlei goedkoope prullen gevuld, zooals een oude man die gaarne om zich heen ziet.

De dikke Marholm klopte lachend met zijn hand op een plaat en sprak: „Nu, de concurrentie met het Kensington-Museum is niet heel groot!”

„Houd uw ongepaste aardigheden voor u!” riep Bakker hem woedend toe. Hij was prikkelbaarder dan ooit, omdat zij bij de huiszoeking niets hadden gevonden en nu onverrichterzake moesten heengaan.

Geen van hen beide had gezien, hoe de oude huisbewaarder bij de schertsende woorden van Marholm een weinig bleek was geworden.

Nauwelijks waren de beide beambten van politie verdwenen, of de bediende ontdeed zich van zijn grijze haren en livrei en van onder de vermomming kwam te voorschijn de vriend van Lord Lister, Charly Brand, die zich nu als een Engelsch koopman ging kleeden.

Daarop ging hij naar het dienstbodenvertrek, waar de plaat uit het geïllustreerde tijdschrift aan den muur hing.

Voorzichtig haalde hij er de punaises uit. De plaat scheen op carton geplakt te zijn. Maar dit was slechts schijn, want daarachter kwam het verrukkelijke Theems-gezicht van den beroemden schilder te voorschijn.

Charly rolde het schilderij, dat op linnen was, op, haalde een cylinderhoed, haalde er de zijden voering uit en bevestigde op die plaats het opgerolde schilderij. Daarop naaide hij de zijden voering daarover en met opgewekt gelaat kwam eenige oogenblikken daarna een jonge heer uit het huis te voorschijn met een hoogen hoed op, het type van den Londenschen beursbezoeker, zooals men die bij honderden in de City ziet.

Nog dienzelfden dag vertrok Charly Brand van uit Dover met de stoomboot, die hem over het Kanaal naar Calais zou brengen.

Des avonds tikte op Scotland Yard in de kamer van inspecteur Baxter het telegraaftoestel. Baxter was juist afwezig en daarom nam Marholm het telegram op. En wat hij op de papierstrook las, ontlokte hem, zooals altijd in dergelijke gevallen, een vergenoegden glimlach:

„Parijs.
Politie-inspecteur Baxter,
Scotland Yard,
Londen.

Kan u mededeelen, dat gestolen schilderij uit Kensington-Museum niet in Londen, maar te Parijs is.

Raffles.

„Zoo, zoo,” lachte Marholm, „wat zal Baxter vloeken, als hij dit telegram leest!”

Toen Charly Brand te Parijs op het perron aankwam, kwam een magere pakjesdrager naar hem toe, die hem zijn koffertje bijna uit de hand rukte. Charly, die bijna duizelig werd van de drukte om hem heen en die vreemd was in de Fransche reuzenstad, volgde den man op den voet. [23]

Maar plotseling zag hij, dat de kruier, achter wien hij liep, terwijl hij tegelijkertijd naar alle kanten uitzag om Lord Lister te ontdekken tusschen de menschenmenigte, hem niet naar den uitgang van het station had gebracht, maar dat zij zich bijna aan het eind van het perron bevonden.

Reeds wilde Charly wantrouwend den kruier zijn koffertje afnemen, toen een welbekende stem hem lachend vroeg:

„Maar Charly, wie vertrouwt zijn bagage zoo blindelings den eersten den besten toe? En als ik nu eens een politiebeambte was?”

De kruier nam zijn pet af en Charly herkende tot zijn groote vreugde zijn vriend Raffles.