[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

Mr. BAXTER EN DE VLOO TE PARIJS.

Een dag later kreeg de directeur van het Huis van Bewaring te Parijs tot zijn verbazing bezoek van twee Engelschen, die zich als beambten van Scotland Yard legitimeerden. Hunne papieren en onderscheidingsteekenen toonden aan, dat het inspecteur Baxter en Marholm waren. Baxter verzocht den directeur een onderhoud met den in voorarrest zittenden Dent.

Toen de beide Engelsche politiebeambten naar het kleine vertrek werden gebracht, waar zij Dent zouden spreken, fluisterde de als Baxter voorgestelde tot den ander:

„Charly, gij blijft dus buiten voor de deur wachten en meldt mij, wanneer er gevaar mocht dreigen!”

De voorkamer van het kleine vertrek, waarin de voorgewende Baxter met Dent zou spreken, gaf met zijn ramen juist uitzicht op de groote aparte trap, die naar het Huis van Bewaring leidde. En terwijl Raffles onder de vermomming van den inspecteur van politie binnen met Dent sprak, ging Marholm uit verveling bij het raam zitten om te kijken naar het voorbijgaande Parijsche leven. Eenig gevaar of een plotselinge overval scheen hem voor het oogenblik buitengesloten.

Dent werd binnengebracht. De voorgewende Baxter gaf den bewaker een wenk zich te verwijderen, trad daarna op den met somber gelaat voor hem staanden persoon toe en zei met gedempte stem, hem scherp aankijkend:

„Het baat u niet te zwijgen, meneer Dent. Ik weet alles. Kitty Potter heeft uit de school geklapt!”

Als door den bliksem getroffen keek de in voorarrest zittende den spreker aan. Opeens sprong hij als een wild dier op Raffles toe. Doch deze bedwong den woesteling met zijn doordringenden blik, en langzamerhand liet Dent zijn armen omlaag zakken. Een diepe zucht kwam over zijn lippen.

„Hebt gij in Florence Pasini vermoord?” vroeg Raffles.

Een stom knikje met het hoofd was het antwoord.

„Gij wildet hem uit den weg ruimen, omdat hij medeplichtig was aan den diefstal in het museum?” vroeg Raffles, Dent met zijn scherpen blik als het ware hypnotiseerend.

„Dat vervloekte wijf!” zuchtte de gevangene, „het was beter geweest, dat ik haar nooit had gekend!”

„Het was dus Kitty Potter, die u tot den schilderijdiefstal aanzette?” vroeg Raffles op beslisten toon, alsof hem inderdaad alles was meegedeeld, terwijl het toch slechts een gelukkige combinatie was van zijn vorschenden geest.

„Dat duivelsche wijf behoorde aan Talbott; hij maakte haar buigzaam, die vervloekte millionair. En zij ving mij in haar netten; de prijs voor de diefstallen in de musea zou zij zelf zijn!”

„Maar gij hebt beproefd, bij Talbott afpersingen te plegen, dat was dom van u, mijn waarde,” zei Raffles.

Op hetzelfde oogenblik werd er aan de deur geklopt. Marholm stak zijn hoofd opgewonden door de reet:

„Een enkel woord, inspecteur!”

Tijdens het verhoor van Dent was er iets zeer verontrustends geschied.

Charly had, in het masker van Marholm, heel goedmoedig uit het raam zitten kijken. Plotseling ontwaarde hij, dat beneden bij het portaal een automobiel stilhield. Twee mannen verlieten het gevaarte en bestegen [24]de groote trap. Het was inspecteur Baxter en zijn makker Marholm, bijgenaamd de vloo! Het telegram van Lord Lister had hen naar Parijs doen komen.

Snel deelde Charly zijn vriend de situatie mee.

„Slechts brutaliteit kan ons redden, mijn beste!” lachte de Groote Onbekende.

En terwijl hij den bewaker op bevelenden toon toeriep: „Bewaak den gevangene goed! Ik moet naar den directeur!” vloog hij met Charly Brand weg.

Zij snelden door de lange gangen van het Huis van Bewaring, steeds op hun hoede, op hun vlucht niet te zeer de aandacht te trekken.

Eindelijk hadden zij den uitgang van het huis bereikt. Reeds wilden zij de groote aparte trap afgaan, toen plotseling, als uit den grond gerezen, de werkelijke Baxter en de werkelijke Marholm, die juist de trap waren opgeklommen, voor hen stonden.

Zonder de beide naderbijkomenden den tijd te laten hen aan te kijken, liepen Raffles en Charly, als in groote haast, met een vaart tegen hen aan, en zonder zich te verontschuldigen, snelden ze weg over de lichamen der beide politiebeambten heen, die door den hevigen stoot op den grond waren gevallen.

Lang keken beiden elkaar aan, totdat Marholm voorzichtig het woord nam:

„Hoor eens inspecteur, we zouden immers eerst dit huis binnentreden—doch het is mij juist, alsof we er pas uitgeloopen zijn. In elk geval leek die andere kerel verduiveld veel op mij!”

Inspecteur Baxter bukte zich ondertusschen naar een klein, wit kaartje, dat voor hem op den grond lag, las het, en met een woedenden kreet riep hij:

„Raffles!”

— — — — — — — — — — — — — — — —

Terwijl de twee Engelsche politiebeambten nog in de grootste opgewondenheid met den directeur van het Huis van Bewaring confereerden, ontving deze juist een telegram. Het was geadresseerd aan inspecteur Baxter, Scotland Yard. Tijdelijk Huis van Bewaring, Parijs. Directeurskamer.

„Wie kan nu weten, dat ik op ’t oogenblik hier ben?” sprak de inspecteur verbaasd, terwijl hij het telegram openscheurde. Doch de inhoud deed hem blijkbaar nog meer versteld staan:

Het waren de volgende woorden, die Marholm, over Baxter’s schouder heen, las:

„Raffles houdt zich verborgen in het huis van Charles L. Talbott, Bois de Boulogne.”

Alles kwam in opschudding. Wie kon dat telegram hebben verzonden? Alleen een verrader van Lord Lister.

Niemand kwam natuurlijk op de gedachte, dat de Groote Onbekende zelf, ten dienste van zijn doel, het telegram had verzonden.

Dadelijk vroeg Baxter aan den heer Lépine, den Parijschen prefect van politie, verlof, het huis van den rijken Amerikaan, onder leiding van een Franschen beambte te mogen binnendringen.

Toen de Engelschen met de beambten der Fransche politie bij den Amerikaan verschenen, was deze aanvankelijk weinig geneigd, hun wensch tot een huiszoeking toe te staan. Dat Raffles zich in zijn huis zou bevinden, scheen hem de vinding van een dolleman. Maar aan de schriftelijke verklaring met de handteekening van den prefect van politie moest hij zich onderwerpen. Met een handbeweging stelde hij zijn huis ter beschikking van de beambten:

„Ga uw gang, gij zult niets vinden!”

Geen der beambten vermoedde natuurlijk de aanwezigheid van een onderaardsch gewelf. Reeds wilden zij onverrichter zake vertrekken, toen plotseling als diep uit den schoot der aarde een gedempte stem klonk:

„Zoek dieper!”

Ontsteld keken zij elkaar aan. De Amerikaan was bleek geworden.

„Och, ik vergat nog,” zei hij geërgerd, „dat ik beneden een gewelf heb, waarin ik eenige sieraden bewaar. Nu, daar zal nauwelijks iemand kunnen binnendringen.”

Doch de beambten verzochten dringend te worden toegelaten tot de zich beneden bevindende ruimte.

De Amerikaan bedacht zich, dat feitelijk in het eerste gewelf slechts een paar onbeduidende kasten met brokaten stonden, en dat de deur, die naar het vertrek met de geroofde kunstwerken leidde, direct in den muur was aangebracht. Hij behoefde dus de beambten alleen te verklaren, dat dit de eenige ruimte was beneden in huis; van de aanwezigheid van geroofde schatten zoo dicht bij zouden zij niet het geringste vermoeden hebben.

Doch toen hij de beambten naar beneden had geleid en deze onderzoekend rondkeken, weerklonken plotseling drie slagen op de geheime deur. Een stem riep:

„Ik heb u hierheen gebracht om u den bedrijver van den museumdiefstal aan te wijzen. Breek de geheime deur open—daar vindt gij opheldering!”

De stem zweeg. Men hoorde een zacht geruisch en alles was stil. De aanwezigen stonden als versteend. Opeens zag Marholm, dat de Amerikaan zich plotseling [25]uit de voeten wilde maken. Doch de beambte plaatste zich breed voor den uitgang en riep:

„Niemand verlaat deze ruimte! Geef een breekijzer!”

De dunne houten deur, die er als een steenen muur uitzag, was spoedig opengebroken en men drong het nevenvertrek binnen, Marholm dicht achter den Amerikaan aan.

Van het plafond scheen getemperd electrisch licht omlaag, de geroofde kunstwerken en geheel vooraan het groote Madonnabeeld van Rafaël bestralend. Daarvoor, op een rijk besneden kast stond een elegante Engelsche cylinderhoed, en daarop lag een brief in een deftig-langwerpig couvert met het opschrift:

Den inspecteur van politie Baxter, Scotland Yard, tijdelijk Bois de Boulogne, ten huize van den rijken schurk Talbott.

Een kreet van verbazing klonk uit den mond van alle aanwezigen. Baxter maakte haastig den brief open. Er viel een kleine fotografie uit, die den Amerikaan voorstelde met miss Kitty Potter in het café te Rome. Daarbij bevond zich het volgend schrijven:

Zeer geachte Mr. Baxter!

Ik deel u mede, dat zich in dezen cylinderhoed tusschen de zijden voering het gestolen landschapje uit het Kensington-museum in ongeschonden staat bevindt. Ik liet het stelen en hierheen brengen, om eindelijk eens de aandacht der politie te vestigen op Mr. Charles L. Talbott, die met behulp van zijn millioenen de arme menschen berooft van het laatste geluk, dat hun geschonken kan worden, het kunstgenot der musea. Bovenal maak ik u opmerkzaam op het groote kostbare Madonnabeeld, dat u zeker ook in de grootste verrukking zal brengen.

Welnu, om de Engelsche politie op het spoor der schurken te brengen, pleegde ik den diefstal van het landschap van Constable. Zoek niet naar mij, ik ben reeds lang in veiligheid en behoud den cylinderhoed als souvenir.

Uw
John Raffles,
de groote onbekende.

Daarnaast lag een brief met het opschrift:

Aan den Rechter van instructie.

De bijzonderheden der diefstallen zal u de in voorarrest zittende gevangene Dent meedeelen, die tevens de moordenaar is van den Florentijnschen Pasini. Als getuigen der diefstallen heeft u professor Ciatti uit Florence en professor Grombeck uit Rome uit te noodigen.

Raffles.

Opeens wilde de Amerikaan door een plotselingen uitval den schijnbaar onoplettenden Marholm op zij duwen om den uitgang te bereiken. Doch de vloo was op zijn hoede. Met een sprong wierp hij zich op Talbott, en voordat de van woede kokende het wist, waren zijn handen geboeid.

Waar was Raffles echter gebleven? Eindelijk ontdekte men een opening in den muur, die toegang gaf tot de lange gang, die naar het paleis van den hertog des Esseintes voerde.

De beambten snelden naar binnen en stonden plotseling voor den ontstelden ouden Huysmans, den bediende van den hertog. Doch deze kon alleen meedeelen, dat even tevoren uit het geheimzinnig vertrek, dat de kostbaarheden van den hertog bevatte, een zwarte gedaante was geslopen, die hij echter als gezichtsbedrog had beschouwd.