Ik werd in het jaar 1 van de tegenwoordige eeuw der christelijke jaartelling geboren. Mijne mama noemde mij Karel Eduard Harrington Fitzroy Yellowplush, uit beleefdheid jegens vele adellijke familiën en jegens een beroemden koetsier wien zij kende, die eene gele liverei droeg en in dienst was van den Lord Mayor van Londen. Het is moeijelijk te zeggen, waarom zij mij den naam gaf van dezen heer, of liever den naam van een gedeelte zijner kleeding – hoe het zij, hij is mij mijn geheel leven door bijgebleven, en ik werd knecht, als het ware reeds door mijne geboorte.
Misschien was hij mijn vader, – maar ik kan het niet met zekerheid zeggen, want mama hield mijne afkomst steeds geheim. – Misschien ben ik een onechte zoon, misschien heeft mijne min mij verruild, maar ik heb altijd iets fatsoenlijks in mij [2]gevoeld en zonder twijfel ben ik ook van fatsoenlijke afkomst. Hoe minder ik van mijne moeder zeg, hoe beter; want hoewel de lieve vrouw voor mij zeer goed was, vrees ik, dat zij jegens anderen niet veel goeds aan den dag legde. Ik weet niet waarom, maar ik ging altijd door voor haren neef. Wij leidden een raar leven: nu eens was mama in satijn gedost en had blanketsel op de wangen, dan weder was zij in lompen gehuld en met vuil bedekt; ik werd beurtelings gekust en geschopt; den eenen dag kreeg ik jenever, den anderen champagne. – ’t Was gek! – Zij vloekte tegen mij en liefkoosde mij, – wij hadden twist met elkander en werden weder verzoend. Wij waren dronken of nuchter, wij leden honger of vierden feest, beurtelings – naarmate mama geld verdiende en het weder uitgaf.
Maar ik zal een sluijer voor het tooneel laten vallen – voor den lezer is het genoeg te vernemen, dat mijne moeder mejufvrouw De Montmorency werd genoemd, en dat wij in de Newcut woonden.
Op zekeren morgen stierf mijne moeder – de Hemel zegene haar! – en ik bleef alleen over in deze booze wereld, zonder geld genoeg op zak, om een stuivers broodje voor mijn ontbijt te koopen.
Evenwel waren er onder onze buurvrouwen (en ik moet verklaren, dat er meer liefdadigheid onder deze arme verachte schepselen gevonden wordt, dan onder een half dozijn baronnen en jonkheeren), die medelijden hadden met het kind van het arme Saartje, (want zij proestten het uit van lagchen als ik haar mejufvrouw De Montmorency noemde,) en bij [3]deze vond ik kost en huisvesting. Ik vrees, niettegenstaande hare vriendelijkheid, dat mijne zeden niet zouden verbeterd zijn, zoo ik lang bij haar gebleven ware. Maar een weldadig heer ontmoette mij op zekeren dag en zond mij plotseling naar school. – De akademie, die ik bezocht, werd de armenschool van St. Bartholomeus genoemd. De jonge heeren droegen groene baaijen rokken, gele lederen broeken, eene blikken plaat op den linker arm, en een pet, omstreeks zoo groot als een beschuitsbol. Ik bleef er zes jaren, van mijn zesde tot mijn twaalfde jaar; gedurende drie jaren van dezen tijd onderscheidde ik mij als toonkunstenaar, want ik was orgeltrapper in de kerk, en wij speelden kostelijke stukken.
Het is echter de moeite niet waard, mijne jeugdige streken te verhalen. (Wat hebben wij de appelvrouw geplaagd! en wat hebben wij dikwijls snuif in den bijbel van den koster gedaan – mijn Hemel!) Maar op zekeren dag trad een heer in het schoolvertrek – het was juist op den dag dat ik aan het aftrekken begon – en vroeg den schoolmeester om een jongen, die tot knecht geschikt was.
Zij zochten mij daarvoor uit – blijde genoeg om zij kwijt te worden – en den volgenden dag sliep ik in het waschhuis onder den gootsteen, op het buitenverblijf van den heer Bago te Pentonville.
Bago had een kruidenierswinkel met razend veel klandizie, op de Smithfield-markt. Ik heb hem hooren zeggen, dat hij niet minder dan vijftig pond ’s jaars verdiende door zijne voorkamer te verhuren als er gehangen werd – zijne vensters waren vlak [4]tegenover Newgate, en menigen knappen vent heeft hij daar zien opknoopen.
Wetten waren nog wetten in het jaar tien, en men werd voor eene kleinigheid met eenen naauwsluitenden das beloond. Maar mijne bezigheden werden op zijn buiten verrigt, waar ik mijne eerste intrede in de fatsoenlijke wereld deed. Ik moest de messen slijpen en was tegelijk huis- en stalknecht in dien tijd – ik schaam mij niet, dit te bekennen; want mijne eigene verdiensten hebben mij tot mijn tegenwoordig hoog standpunt verheven – elk jaar twee nieuwe livereijen, veertig pond ’s jaars, bier, bewassching, zijden kousen en waskaarsen, behalve fooijen, die in ons huis van belang zijn, dat kan ik verzekeren.
Ik bleef niet lang in dit huis; er gebeurde iets, waardoor ik eene geheele andere soort van dienst kreeg.
Een knap jong mensch, die een eigen cabriolet hield en een rijpaard huurde, had een jongen noodig. – Ik deed oogenblikkelijk moeite om de dienst, en daar ik een vlugge, nette jongen was, kreeg ik die ook.
Bago gaf gunstige getuigenis van mij, en mijn nieuwe meester gaf mij mijne eerste liverei: men kan zich verbeelden, hoe trotsch ik er op was.
Mijn nieuwe meester had iets in de City te doen, want hij ging er elken morgen heen om tien uur; hij steeg uit zijn cabriolet op den City-road en ik moest hem om zes uur daar afwachten. Des zomers reed hij van daar naar het Park – zijn rijtuig was een der schoonste die er te zien waren. [5]Ik gevoelde mij ook niet weinig trotsch op mijn grijzen rok, met goudomzoomden hoed en rood vest, als ik naast hem zat, terwijl hij reed.
Reeds toen begon ik verliefde blikken te werpen op de dames in de rijtuigen, en die zucht te gevoelen naar eene fatsoenlijke leefwijze, welke mij sedert dien tijd steeds heeft bezield. Terwijl hij in de opera zat, ging ik kegelen, of naar de White-Conduit’s-tuinen, en de jongen van mijnheer Altamont had daar heel wat te beteekenen, dat is zeker; want daar de bevolking te Pentonville meestal uit werkmeiden bestond, waren daar weinige heerenknechts, en om die reden, hoewel slechts veertien jaren oud, was ik er evenzeer man, als of ik de hooge jaren van Jeruzalem1 had bereikt.
Maar het wonderlijkste was, dat mijnheer, die zulk een fatsoenlijk man was, in zulk een gat wilde wonen. Hij had niets meer dan eene benedenste verdieping in de John’s-straat, bestaande uit eene spreekkamer en een slaapvertrek.
Ik sliep in een huis aan den overkant, en trok elken morgen met zijne laarzen en zijn ontbijt over de straat.
Het huis, in hetwelk hij woonde, behoorde aan mijnheer en mevrouw Shum, een arm maar vruchtbaar paar, die het huis voor een zeker aantal [6]jaren hadden gehuurd. Zij en hunne familie hadden er niet te veel ruimte in: dat is buiten kijf.
Shum vertelde, dat hij officier was geweest, en dat was ook waar. Hij was een plaats-vervangend-hulp-vice-commissaris of zoo iets geweest, gelijk ik naderhand gehoord heb, en hij had zijn ontslag moeten nemen om reden van zijne zenuwachtigheid. De waarheid is, dat hij zulk een lafaard was, dat men hem als gevaarlijk beschouwde voor het leger, en hem daarom weder naar huis zond. Hij was met eene weduwe Buckmaster getrouwd, eene geboren Slamcoe. Zij was van Bristol, en daar haar vader, een kaarsenmaker, bankroet ging, erfde zij natuurlijk een heel aardig sommetje van hem. Zij kreeg duizend pond en had niet hoogmoediger en trotscher kunnen zijn, zoo het een millioen geweest was.
Buckmaster stierf en liet zijne vrouw niets anders na dan vier leelijke dochters en veertig pond ’s jaars. ’t Was een eenigzins bekrompen inkomen voor iemand met haren eetlust en hare aanspraken. Ter kwader ure voor Shum, ontmoette zij hem. Hij was weduwenaar met een dochtertje dat drie jaren oud was; hij had ook een huisje te Pentonville, en een klein inkomen, omstreeks zoo groot als dat van mevrouw Buckmaster. Ik geloof, dat zij hem zóó onder de plak kreeg, dat hij niet durfde weigeren haar te trouwen; en zij kwamen overeen, dat zij de benedenste verdieping van zijn huis in de John’s-straat zouden verhuren, om daarmede hun inkomen eenigzins te vergrooten. [7]
Zij trouwden, en de weduwe Buckmaster bleef baas, zonder eenigen twijfel.
Zij praatte en blufte altijd over hare familie, over de beroemdheid van de Buckmasters en de oudheid van het geslacht der Slamcoes. Zij bezaten een huis met zes kamers (behalve keuken- en waschhuis), en op den tijd, waarvan ik spreek, bezaten zij daarenboven twaalf dochters, te weten: vier jonge jufvrouwen Buckmaster, mejufvr. Betsy, mejufvr. Doortje, mejufvr. Biddy en mejufvr. Winny – een jongejufvrouw Shum, met name Mary – de dochter van Shum, en zeven andere, die ik niet zal opnoemen. Mevrouw Shum was eene dikke vrouw met rood haar, ten minste een voet langer dan Shum, die niet meer dan anderhalf el lang was, met een bleek gelaat, een rooden neus, kromme beenen en een kale kruin, – de top van zijn neus en zijn hemd waren altijd bruin van het snuiven.
Voor het huis was een kleine tuin, waar het linnengoed van de familie altijd te droogen hing. Het huisgezin was zoo talrijk, dat dit steeds om beurten geschiedde. Er waren zes palen aan het hek, en op elken paal hing een kous, en er waren vier kleine kruisbessen struikjes, waarop altijd het een of ander kleedingstuk ten toon gespreid was.
De gang was altijd vol water; natte vaagdoeken waaiden de menschen in het gezigt; ingezeepte, dampende flanellen lappen hingen gereed om de voorbijgangers te bedwelmen; als men omhoog keek om het gevaar te ontgaan van zich te verhangen aan de droog-touwen, die dwars over den gang en in de [8]lengte gespannen waren, dan stootte men zich de beenen tegen den rand van een’ emmer, dat men razend werd van de pijn.
De groote, slordige, luije meisjes waren altijd op den trap met akelige bloempotten aan het morsen, of bezig met iets te koken, of zij lagen in de vensterbanken met smerige papillotten in het haar, en smerige boeken in de handen. Eene akelige piano rammelde van den morgen tot den avond; de twee oudste jufvrouwen Buckmaster speelden „the Battle of Prague”, en de zes jongste jufvrouwen Shum speelden „In my cottage”, tot dat ik elke noot van het eene stuk van buiten kende, en den dag vervloekte, dat het andere gecomponeerd werd.
De jongste meisjes liepen en draafden den geheelen dag door het huis, met gescheurde voorspelders en half versletene grammaires en groote sneden brood met stroop daarop. Ik heb van mijn leven zoo’n huishouden niet meer gezien.
En nu vraag ik, wat ter wereld kon den heer Frederik Altamont genoopt hebben, in zulk eene plaats te gaan wonen? De reden is duidelijk: hij aanbad de oudste jufvrouw Shum.
En daarin toonde hij geen slechten smaak, want hoewel de andere dochters even leelijk als hare afschuwelijke mama waren, was Mary Shum een mooi, lief, bedeesd klein ding, met glanzig zwart haar en zachte blaauwe oogen en een hals zoo wit als krijt. Zij droeg gewoonlijk eene oude, versletene, zwarte japon, die te kort en te naauw voor haar was geworden; maar dit diende slechts om hare [9]fijne enkeltjes en slanke leest te meer te doen uitkomen. Mijn meester had, dat is waar, niet zeer hoog gezien toen hij eene beminde zocht, maar hij was voorzeker aan het goede kantoor gekomen. Nooit is er een aardiger en mooijer meisje geweest. Ik gaf haar altijd het geroosterde brood, dat van ons ontbijt overbleef, en een kopje thee of chocolaad, naarmate Altamont het een of ander gebruikte, en het arme kind was er zeer dankbaar voor, want boven werden de kinderen kort gehouden, en zij kreeg het minst van allen.
Het scheen waarachtig, als of de geheele familie Shum haar best deed om het lieve kind te plagen. De vier meisjes van Buckmaster liepen haar altijd achter na. Het was:
„Mary, haal eens wat steenkolen”, of „Mary, ga eens gaauw wat bier halen”, of „Mary, ik ga uwe schoone kousen aantrekken op de wandeling”, of „ik zal eventjes uwen nieuwen hoed opzetten om naar de kerk te gaan.” Haar vader alleen, de oude suffert, hield van baar, doch zijne liefde hielp haar niet veel. Mary verdroeg al het knorren gelijk een engel, want dat was zij, en had zij eene gouden trompet en een paar vleugelen gehad, zij was er niet engelachtiger om geweest.
Ik zal nooit één tooneel vergeten, dat er plaats vond. Het gebeurde toen mijnheer in de City was, en daar ik niets ter wereld te doen had, stond ik op den trap te luisteren.
Het gewone knorren, was aan den gang en ook de oude dreun van de „Battle of Prague.” De oude [10]Shum zeide iets, en de oudste jufvrouw Buckmaster riep uit: „Och, pa, wat is dat dom van je!”
Al de meisjes begonnen te lagchen en mevrouw Shum ook, allen, behalve Mary, die rood als vuur werd, en, op mejufvrouw Betsy Buckmaster toegaande, haar twee zulke flinke oorvijgen gaf, dat hare groote roode ooren er van tintelden.
De oude mevrouw Shum gilde het uit, en viel haar aan als eene tijgerin. Hare dikke armen vlogen in het rond als molenwieken, en zij sloeg en ranselde de arme Mary, omdat zij haren sukkel van een vader had willen verdedigen. Mary Shum, die anders altijd huilde, stortte nu geen enkelen traan. „Ik zou het nog eens doen,” zeide zij „als Betsy papa beleedigde,” waarop weêr stompen en gillen volgden als te voren, en de oude heks ging voort met het arme meisje te slaan, tot dat zij niet meer kon en blazende als een walvisch op de sofa nederzeeg.
Nu begon de oude Shum: „Schaam je wat, Mary,” zeide hij, „schaam je wat, jou ondeugende meid, dat gij je mama zoo weinig ontziet en je lieve zuster zoo slaat.”
„Ik deed het alleen, omdat zij zeide dat gij zoo d …”
„En als het haar beliefde, dat te zeggen,” zeide Shum met eene deftige houding, „gij onbeschaamde meid, ik had haar daarvoor kunnen straffen en gij niet.”
„Gij mij straffen?” zeide mejufvrouw Betsy, den neus zoo hoog mogelijk ophalende: „ik zou wel eens willen zien dat gij mij bestraftet, leelijkert!” En zij begonnen allen weder hard op te lagchen. [11]
Intusschen was mevrouw Shum weder uitgerust van hare hevige ligchaamsbeweging, en zij begon nu vuur te geven. In de eerste plaats schold zij Mary uit, en daarna Shum.
„O, waarom,” huilde zij, „waarom heb ik ooit mijne deftige familie verlaten, bij wie ik in gemak en weelde leefde, om zulk een schepsel, als dit is, te trouwen? Hij is niet waard, dat men hem man noemt, hij is niet waard dat hij eene fatsoenlijke vrouw heeft getrouwd. En wat die heks daar aangaat: ik verloochen haar. Den hemel zij dank, zij is geene Slamcoe, zij is maar eene Shum.”
„Dat is waar, mama,” antwoordden al de meisjes, want mevrouw Shum had haar deze beleefdheid geleerd, en zij verachtten haren vader van ganscher harte. Inderdaad, ik heb altijd opgemerkt, dat in families, waar de vrouw onophoudelijk praat van de verdiensten van hare familie, de man maar een sukkel is.
Nu dan – toen mevrouw Shum op nieuw uitgeput was, wierp zij zich weder op de sofa; en hare dagelijksche kunstjes begonnen: zij gilde en kreeg het op de zenuwen, en wilde niet bedaren eer Shum haar een maatje van haar gewone geneesmiddel uit den „Blaauwen Leeuw” over de deur had gehaald. Zij kwam langzaam bij, toen zij den jenever binnen had, maar Mary werd uit de kamer gezonden, en kreeg bevel om den geheelen dag niet weder binnen te komen.
„Jufvrouw Mary!” zei ik, want ik had diep medelijden met het arme meisje, toen zij snikkende en [12]ellendig naar beneden kwam. „Jufvrouw Mary,” zei ik, „indien ik zoo vrij mag wezen, de kamer van mijnheer is ledig, en ik weet, waar het koude vleesch en het zuur staat.”
„O Karel,” antwoordde zij, bedroefd het hoofd schuddende, „ik ben veel te ongelukkig om eetlust te hebben.” En zij wierp zich op een stoel, en begon te huilen als of haar het hart zou breken.
Juist op dit oogenblik kwam mijnheer de kamer binnen. Ik weet niet, hoe het gebeurd was, maar ik had mejufvrouw Mary bij de hand genomen, en ik geloof waarachtig dat ik op het punt was om die te kussen, toen, gelijk gezegd is, mijnheer de kamer binnentrad.
„Wat heeft dit te beteekenen?” riep hij uit, mij zoo zwart als een donderbui aanziende, met den donkeren blik van mijnheer Philips, wanneer hij den rol van Hecate speelt in de nieuwe tragedie van Macbeth.
„’t Is maar jufvrouw Mary,” antwoordde ik.
„Scheer je weg, vlegel,” brulde hij woedend, en ìk gevoelde iets (ik geloof haast, dat het de punt van zijn toon was), dat mij van achteren aanraakte, en een oogenblik later lag ik, zoo lang als ik was, uitgestrekt onder de natte flanellen lappen en de emmers en andere zaken in den gang. De menschen van boven kwamen zien wat er gebeurd was, terwijl ik lei te brullen en te vloeken.
„’t Is Karel maar, ma!” schreeuwde jufvrouw Betsy.
„Waar is Mary gebleven?” vroeg mevrouw Shum van de sofa. [13]
„Zij is in de kamer van mijnheer, jufvrouw,” antwoordde ik.
„Zij is in de kamer van mijnheer, ma,” schreeuwde jufvrouw Betsy, als of zij mijne echo ware.
„Best, laat zij daar maar blijven, tot dat hij weder naar huis komt.” En mejufvrouw Betsy vloog de trappen op, zonder te vermoeden dat Altamont reeds te huis was.
Ik had al lang gemerkt, dat mijn meester Mary Shum beminde, en, gelijk ik verteld heb, was het alleen om haar, dat hij kamers te Pentonville gehuurd had.
Ware het niet uit liefde geweest, die niet op een stuivertje ziet, dan waren veertien shillings in de week een klein beetje te veel geweest voor de twee ellendige hokken die hij bewoonde. Ik geloof waarachtig, dat de geheele familie niets had om van te leven, dan mijnheer. Zij ontbeten met zijn theepot, zij hakten geheele ponden van het vleesch weg (hij at altijd te huis), en zijne bakkersrekening was hoog genoeg voor zes menschen. Maar dat ging mij niet aan. Ik zag hem wel eens grijnzen als ik ’s morgens het koud vleesch op tafel zette en hij dan ontdekte hoe weinig van de rib van den vorigen dag was overgebleven, maar hij zeide er nooit een woord van, want de ware liefde bekommert zich niet om een pond of wat vleesch meer of minder.
In den beginne was hij zeer vriendelijk en oplettend jegens al de meisjes. Jufvrouw Betsy vooral had zeer veel met hem op; zij zaten geheele avonden [14]bij elkaâr te smousjassen; hij rookte zijne pijp en dronk tusschen beiden een slokje; zij kreeg een kopje thee en een krentenbol; daar het echter niet betaamde, dat zij alleen bij hem kwam, bragt zij altijd eene van hare zusters mede, gewoonlijk Mary – want haar noodigde hij bepaaldelijk mede – en op zekeren avond, toen eene van de andere zusters in hare plaats kwam, zeide hij zeer bedaard, dat hij die niet gevraagd had, en jufvrouw Betsy hield te veel van krentenbollen, om zulke kunstjes weder te vertoonen. Bovendien was zij jaloersch op hare drie volwassene zusters, en beschouwde Mary slechts als een kind. Hemel! wat wierp zij hem teedere blikken toe; wat declameerde zij vele gedichten en wat speelde zij de bekende romance „Ontmoet mij bij het licht der maan” op een oude guitarre! Zij wierp zich hem als het ware in den arm, maar hij gaf er niets om, dewijl hij zijn oog reeds elders en beter had gevestigd.
Op zekeren avond kwam hij te huis en bragt op de fatsoenlijkste wijze loodjes mede voor den Astley’s schouwburg, en sloeg voor, om de twee jonge dames – jufvrouw Betsy en jufvrouw Mary natuurlijk – mede te nemen. Ik herinner mij, dat hij denzelfden namiddag mij ter zijde had geroepen, met eene indrukwekkende en geheimzinnige houding, en dat hij mij in het oor fluisterde: „Karel, kun je oppassen?”
„Mijnheer,” antwoordde ik, „het is de algemeene meening, dat ik zoo tamelijk bij de hand ben.”
„Wel,” hernam hij, „ik zal je een goud vijfje [15]geven, als je nu met mij ééne lijn trekt; ik heb opzettelijk een regenachtigen avond afgewacht. Als de komedie uit is, moet gij mij aan de deur met twee parapluies afwachten. Eene daarvan geeft gij mij, de andere houdt gij over mejufvrouw Buckmaster, en, pas nu goed op, als wij weg gaan, dan slaat gij regts den hoek om, en zegt aan jufrouw Buckmaster, dat het rijtuig ons een eindje verder op wacht, om uit het gewoel te wezen.”
Wij gingen er naar toe in eene vigilante, door den heer Altamont besteld, en ik zal het spelen dáár niet ligt vergeten. Men prate mij niet van Kemble! men vertel mij niet van Macready. – Ik ga oneindig liever naar Astley’s theater. Maar dit is eene afwijking van mijn verhaal. Toen het stuk uit was, stond ik aan de deur met de parapluies. Het regende dat het goot!
Mijnheer Altamont kwam naar buiten; hij had jufvrouw Mary aan den arm en mejufvrouw Betsy volgde, eenigzins uit haar humeur.
„Deze weg, mijnheer,” riep ik, naar hem toeschietende, en ik wierp een’ grooten mantel over Jufvrouw Betsy, als of ik haar smooren wilde. Mijnheer en jufvrouw Mary gingen verder, en toen jufvrouw Betsy den mantel in orde had, waren beiden niet meer te zien.
„Zij zijn al naar het rijtuig gegaan, jufvrouw, een eindje de straat op, om uit het gewoel te zijn,” en wij gingen regts den hoek om, natuurlijk.
Nadat wij een eindje door slijk en modder geplast [16]hadden, riep ik uit, met het onschuldigste gezigt van de wereld:
„Heeft niemand de vigilante van Cox gezien?”
„De vigilante van Cox?” schreeuwde iemand. – „Gij meent een vrachtkar misschien?” zeide een tweede.
„Ik ben een vuilniskar te gemoet gekomen,” riep een derde heer, en ik heb van mijn leven zooveel complimenten niet gehoord als men ons toen maakte. Ik zal ze evenwel niet herhalen, omdat er enkele onder waren, die niet al te fatsoenlijk klonken.
„Hemel, jufvrouw,” zeide ik, „wat zal ik nu beginnen? mijnheer zal het mij nooit vergeven, dat is zeker; en ik heb geen stuiver bìj mij om een koets te betalen.”
Toen ik dit zeide, was Jufvrouw Betsy op het punt om eene vigilante te roepen, maar de voerman kon het voor dien prijs niet doen, gelijk hij verzekerde, en ik wist wel dat zij geene vier of vijf shillings had om een rijtuig te betalen. Alzoo te midden van eenen stortregen, om twaalf uur ’s nachts, moesten wij anderhalf uur loopen, van de Westminsterbrug naar Pentonville, en, wat nog als een ongeluk daar bij kwam, bij toeval raakte ik aan het dwalen. Ja, het was al eene heel lieve wandeling, zonder twijfel.
Om half twee uur kwamen wij veilig in de John’s-straat aan. Mijnheer was aan het hek van den tuin. Jufvrouw Mary drukte jufvrouw Betsy aan haar hart, en mijnheer begon te vloeken en te razen omdat ik regts in plaats van links den hoek om was gegaan! Waarachtig, zijne woede en zijn toorn waren even [17]natuurlijk, als die van den eersten held in het stuk. Zij hadden, gelijk hij vertelde, een half uur gewacht, in de vigilante, in de steeg links van den schouwburg; zij hadden op en neêr gereden in den grootst mogelijken angst; en eindelijk waren zij naar huis gereden, omdat zij begrepen dat het te vergeefs was langer te wachten. Zij gaven jufvrouw Betsy warme rhum met water en gestoofde oesters voor dat zij naar bed ging, hetgeen haar eenigzins troostte.
Ik hoop, dat niemand jufvrouw Mary beschuldigen zal van medepligtigheid aan deze gebeurtenis; want zij was het opregtste schepseltje dat ooit leefde, en ik geloof waarachtig, dat zij tot heden van onze kleine list niets weet.
Bovendien staat alles vrij aan de liefde, en mijnheer kon haar anders nooit alleen te spreken krijgen, uit hoofde van hare elf leelijke zusters en hare mama: daarom maakte hij van deze gelegenheid gebruik, om haar zijne liefde te betuigen.
Indien hij haar vroeger beminde, kan men er op aan, dat zij het hem nu vergold. Sedert dien avond in de komedie waren ze zoo teêr voor elkaâr als tortelduifjes – hetgeen zeer natuurlijk verklaart, waarom ik de kamer uitgeschopt werd; en om die reden nam ik dat ook niet kwalijk.
Ik weet niet, of jufvrouw Betsy zich verbeeldde, dat mijnheer op haar verliefd was, maar zij bleef steeds gehecht aan krentebollen met thee, en kwam even druk bij hem, als te voren.
Nu volgt het merkwaardige gedeelte van mijn verhaal. [18]
Maar wie was deze heer met den mooijen naam; – deze mijnheer Frederik Altamont? En wat was hij? Hij was de geheimzinnigste heer, dien ik ooit gekend heb. Eens zeide ik tot hem op een bijzonder regenachtigen dag: „Mijnheer, zal ik de cabriolet maar naar het kantoor brengen?” en hij antwoordde mij met een zijner donkerste blikken en een zijner hardste vloeken, en zeide, dat ik mij met mijne eigene zaken moest bemoeijen en op zijne orders letten. Op een ander maal – op den dag toen jufvrouw Mary aan jufvrouw Betsy de oorvijg had gegeven – deed jufvrouw Mary, die, gelijk ik gezegd heb, hem aanbad, herhaalde vragen over zijne afkomst en opvoeding. „Lieve Frederik,” zeì zij „waarom zoo geheimzinnig omtrent u zelven en uwe bezigheden? Waarom verbergt gij voor uwe kleine Mary” – zoo ver waren zij al gekomen – „uwe geboorte en uw beroep?” Ik veronderstel, dat mijnheer Frederik haar een donkeren blik toewierp, want ik was maar aan het luisteren, en hoorde hem met eene ontroerde stem zeggen: [19]
„Mary,” zei hij, „zoo gij mij bemint, vraag mij dat nooit weêr; het zij u genoeg, te weten, dat ik een eerlijk man ben, en dat een geheim, welks ontsluijering u ongelukkig zoude maken, al mijne handelingen moet bedekken, dat wil zeggen tusschen tien en zes uur.”
Zij gingen voort, op deze aandoenlijke en geheimzinnige wijze met elkaâr te praten, en ik miste geen woord van hetgeen gezegd werd, want de huizen te Pentonville hebben maar muren van stroo, zoodat men buiten de kamer even goed kan hooren, als wanneer men er in is.
Maar hoewel hij, op dien dag, zijn geheim bewaarde, bekende hij haar, zonder omwegen, op nieuw zijne liefde. Niets zoude hem verhinderen, zeide hij, haar naar het altaar te leiden, en tot zijne aangebedene echtgenoote te maken. Daarop volgde een kort stilzwijgen.
„Liefste Frederik,” stamelde toen de jonge jufvrouw, met eene stem als of zij stikte, „ik ben de uwe – eeuwig de uwe!” Het werd weder stil, en dan volgde een geluid als van een kus. Op dit oogenblik achtte ik het geraden, aan het slot van de deur te rammelen, want, zoo waar ik leef, daar kwam de oude mevrouw Shum den trap af.
Het bleek, dat een van de jongere meisjes, die uit het venster van de slaapkamer keek, mijnheer had zien binnenkomen, en toen zij, een half uur later, naar beneden ging, om thee te drinken, het toevallig verteld had.
De oude mevrouw Shum, die een monster van [20]deugd was, stoof den trap af naar beneden, hijgende en brommende, zoo vet en zoo kwaadaardig als een oud varken op etenstijd.
„Waar is je baas, jongen?” riep zij mij toe.
Ik antwoordde zoo hard, dat men mij aan het einde van de straat had kunnen hooren:
„Indien gij mijn meester bedoelt, mevrouw, den weledelen heer Frederik Altamont, die is pas naar huis gekomen; Z. E. is in zijne slaapkamer, om drooge schoenen aan te trekken.”
Zij gaf mij geen antwoord, maar vloog mij voorbij, en de deur van de zitkamer openende, ontdekte zij mijnheer, die eenigzins verlegen scheen, en jufvrouw Mary, die het hoofd liet hangen als eene geknakte lelie.
„Zijt gij in mijn huis gekomen,” begon zij, „om mijne dochters te verleiden, en de onschuld van dat schandelijke schepsel te bevlekken? Zijt gij onder dit dak gekomen als verleider, of als huurder van kamers? Spreek, mijnheer, spreek!” en zij kruiste de armen en zag er even verontwaardigd uit, als mevrouw Siddons in de rol van de Muze van het Treurspel.
„Ik ben hier gekomen, mevrouw Shum, omdat ik uwe dochter beminde; anders zou ik mij nooit verwaardigd hebben, in zulk een ellendig hok te wonen. Ik heb in alle opzigten als fatsoenlijk man jegens haar gehandeld, en op dit oogenblik, mevrouw, is zij even onschuldig, als op het uur harer geboorte. Indien zij mij tot echtgenoot wil aannemen, ben ik gereed; indien zij u wil verlaten, zal zij een tehuis [21]hebben, waar zij noch geplaagd noch uitgehongerd zal worden; waar noch kwaadaardige leelijke zusters zijn, noch zwartgallige stiefmoeders; – maar waar zij een minnend echtgenoot zal vinden en al de onschuldige genoegens van het huwelijk smaken.”
Mary wierp zich in zijne armen. „Lieve, beste Frederik!” zeide zij, „ik zal u nooit, nooit verlaten!”
„Mejufvrouw,” zeide daarop mevrouw Shum, „ik dank den Hemel, dat gij noch eene Slamcoe, noch eene Buckmaster zijt. Wat mij betreft, kunt gij dezen mensch trouwen, zoo uw pa dat verkiest; en uw beminde kan mij beleedigen, mij trotseren, mij in mijn eigen huis vertrappen, als het hem goed dunkt; want er is nie … niemand hier om mij te verdedigen!”
Ik wist wel, wat nu volgen zou. Zij kreeg het natuurlijk weder op de zenuwen, en begon te schreeuwen en te brullen als eene razende.
Het spreekt, dat daarop de elf overige dochters en de oude Shum naar beneden vlogen.
Het was een raar spektakel.
„Ziedaar, mijnheer!” zeide mevrouw, „hoe dat gemeen schepseltje, uwe dochter, zich gedraagt – alleen met dezen mensch – aan het kussen en het vrijen, en de Hemel weet, wat nog meer.”
„Wat – hij?” riep jufvrouw Betsy uit – „hij verliefd op Mary! O, de ellendeling! monster! bedrieger!” En ook zij viel ter aarde, even luid schreeuwende als hare mama; want het onzinnig schepsel verbeeldde zich waarachtig, dat Altamont háár bedoeld had.
„Laat die vrouwen zwijgen!” bulderde Altamont, [22]met donderende stem. „Mijnheer Shum, ik bemin uwe dochter. Ik wil haar zonder een stuiver nemen, en ik kan haar onderhouden. Zoo gij uwe toestemming niet wilt geven, dan neem ik haar zonder die. – Is dat voldoende – mag ik haar tot vrouw hebben?”
„Wij zullen nader over de zaak spreken, mijnheer!” zei de oude Shum, die zoo deftig keek als een burgemeester. „Meisjes, gaat naar boven met uwe lieve mama.”
Zij trokken allen weder den trap op, en hiermede eindigde de slag. Men kan er op aan, dat het den ouden Shum niet zeer ergerde, een man te vinden voor zijne dochter Mary, want de oude vent hield meer van haar, dan van de geheele troep, die mevrouw Buckmaster medegebragt, of hem in het huwelijk geschonken had. Maar vreemd bleef het, dat, toen hij begon te spreken van schikkingen en diergelijke, mijn meester geen woord er van wilde hooren. Hij beweerde, dat hij geregeld alle jaar vier honderd pond verdiende – hoe, verkoos hij niet te zeggen – dat, indien Mary met hem trouwde, zij alles met hem deelen moest, en geene vragen doen; maar hij herhaalde, wat hij reeds had gezegd, dat hij een eerlijk man was.
Zij trouwden dan ook, binnen weinige dagen, en huurden een zeer deftig huis te Islington; maar elken morgen ging mijnheer uit, om zijne zaken te doen, en niemand wist waarheen.
Wie kon hij zijn? [23]
Indien ooit een jong paar uit den middelstand het leven begon met een vooruitzigt op geluk, dan waren het mevrouw en mijnheer Frederik Altamont. Hun huis, in de Cannon-Row te Islington, was zoo gemakkelijk mogelijk ingerigt: van boven tot beneden lagen kleeden op den vloer; de belastingen waren gering; de meubels prachtig, en zij hadden drie dienstboden, onder welke natuurlijk ook ik geteld werd.
Ik had niet meer zulk een gemakkelijk leven, als in de dagen toen de heer Altamont nog ongehuwd was; maar wat deed er dat toe? Ik heb altijd van de drie W’s gehouden: werk genoeg, wijn genoeg, en winst in overvloed,
Altamont hield geen cabriolet meer, maar hij reed elken morgen naar de stad met den omnibus.
Men zou zich verbeelden, dat mevrouw Altamont – met zulk een liefdevollen man zoo gelukkig had moeten zijn, als de koningin zelve, gelijk ik gezegd heb. Er was niets van aan. Gedurende de eerste [24]zes maanden ging alles goed, maar daarop werd zij van dag tot dag droefgeestiger, hoewel Altamont al het mogelijke deed om aan haar te behagen.
De oude Shum kwam geregeld viermaal in de week naar de Cannon-Row, waar hij zijn tweede ontbijt gebruikte, des middags at en thee bleef drinken, en des avonds soupeerde. De arme sukkel hield een weinig te veel van wijn en sterken drank; en meer dan eenmaal heb ik hem naar huis moeten brengen. Men kan zich ook verzekerd houden, dat jufvrouw Betsy hare zuster nu niet verliet; zij was bij ons ’s morgens, ’s middags en ’s avonds; wel niet naar den zin van mijnheer, maar hij was te goedaardig om zijne vrouw over kleinigheden te kwellen.
Maar Betsy had de herinnering van vorige dagen niet uit haren geest gezet, en zij haatte Altamont gelijk den boozen. Zij bragt de arme, onschuldige mevrouw allerhande verkeerdheden in het hoofd, die nu, in plaats van vrolijk en opgeruimd te zijn, droefgeestig, bleek en ellendig werd, als of zij de beklagenswaardigste vrouw der wereld ware geweest. Nog drie maanden en er kwam een kind, dat spreekt, en met het kind kwam ook mevrouw Shum, die aan de zijde van mevrouw Altamont als een vampijr bleef hangen, en haar met elken dag ongelukkiger maakte.
Als Altamont te huis kwam, barstte zijn vrouw in tranen uit; dan zat zij te zuchten en te huilen bij het kind, en zeide: „Kind, kind, uw vader bedriegt mij,” – of „uw vader is een verrader” – of „wat zult [25]gij beginnen, als uwe arme moeder er niet meer is?” en diergelijken aandoenlijken onzin meer.
Dit was alles toe te schrijven aan moeder Shum en hare kunstjes: dat had ik al spoedig ontdekt. De waarheid is, dat als er een geheim van dien aard in een huisgezin bestaat, het de pligt der dienstboden is, het af te luisteren. Dit deed ik dan ook, op zekeren dag toen mevrouw zat te snikken, en de dikke mevrouw Shum bij haar zat, om haar te troosten, gelijk zij het noemde, hoewel de Hemel weet, dat zij door al dat troosten maar erger en erger werd.
Nu dan, ik was aan het luisteren; mevrouw Shum wiegde het kindje, en mevrouw snikte als gewoonlijk.
„Arm, onnoozel wichtje!” zei mevrouw Shum, met een zwaren zucht, „gij zijt het kind van eenen onbekenden vader en van eene ongelukkige moeder!”
„Spreek geen kwaad van Frederik, mama,” zei mevrouw, „hij is de goedheid zelve voor mij.”
„O ja, de goedheid zelve! hij geeft een goed huis en een mooije japon, en gij kunt in eene vigilante uit gaan rijden, wanneer gij verkiest; dat is waar, maar waar haalt hij het geld van daan? Wie is hij – wat is hij? Wie verzekert u, dat hij geen moordenaar, geen dief, geen vervaardiger van valsche banknoten is? Hoe zou hij bij mogelijkheid zijn geld eerlijk kunnen verdienen, daar hij niet zeggen wil, waar hij het krijgt? Waarom verlaat hij u acht uren lang elken dag, zonder u te willen zeggen, waar hij heen gaat? O Mary, Mary! nooit is [26]er eene vrouw geweest, die zoo schandelijk mishandeld wordt als gij!”
En daarop begon mevrouw Shum te snikken, en mejufvrouw Betsy te huilen als eene kat in de klem; en mevrouwlief begon ook te huilen; – tranen zijn zoo aanstekelijk.
„Misschien, mama,” snikte zij, „is Frederik een winkelbediende, en wenscht hij dat ik het niet weet, uit vrees dat ik hem niet meer voor een fatsoenlijk man mogt houden.”
„Een winkelbediende!” schreeuwde Betsy, „hij een winkelbediende! O! neen – neen – neen! – ’t is veel waarschijnlijker, dat hij een verachtelijke moordenaar is, die den geheelen dag aan het doodslaan en het plunderen is, en u onderhoudt met de vruchten van zijne misdadig verkregene winsten!”
En nu begonnen zij op nieuw te huilen en te schreeuwen, en het kindje deed ook mede, waardoor natuurlijk een allerliefst concert ontstond.
„Hij kan geen struikroover zijn,” riep mevrouw uit, „daarvoor is hij te goed, te lief; bovendien gebeuren de moorden altijd ’s nachts, en Frederik komt nooit later dan om acht uur te huis.”
„Maar dat verhindert niet, dat hij een valsche munter kan zijn,” hernam Betsy: „ik zeg u een valsche munter, een schurk. Waarom gaat hij elken dag weg? Natuurlijk om valsche banknoten te maken. Waarom gaat hij altijd naar de City? Om in de nabijheid te zijn van de Bank en diergelijke plaatsen, waar hij dat op zijn gemak kan doen.” [27]
„Maar des avonds brengt hij steeds baar geld naar huis – omstreeks dertig shillings – somtijds vijftig; en dan lacht hij en zegt, dat hij eenen goeden dag heeft gehad. „Dat gelijkt niet op een valschen munter,” zei de arme mevrouw Altamont.
„Ik heb het gevonden! – ik heb het gevonden!” gilde nu mevrouw Shum. „De ellendeling – de geheimzinnige – verraderlijke Jonas! Hij is met iemand anders getrouwd, en daarom verlaat hij u, de bigamist!”
Op deze woorden raakte mevrouw Altamont geheel en al van haar stuk – zij viel flaauw. Het was eene leelijke historie – zij had het op de zenuwen, en mevrouw Shum kreeg het natuurlijk ook op de zenuwen; zij trokken aan de bel, het kind schreeuwde en de dienstboden vlogen den trap op en af, om water te halen.
Ik ken waarachtig niets akeligers, dan een huis waar de menschen aanhoudend flaauw vallen. Ik zou er niet willen dienen, al kon ik er eerste knecht zijn en twee honderd pond ’s jaars verdienen.
Het was om acht uur ’s avonds dat deze verwarring plaats greep, en het was zulk een warboel, dat niemand, behalve ik, mijnheer hoorde te huis komen. Hij trad binnen, en vernam het gekerm en geschreeuw en gehuil. In den beginne schrikte hij zeer en zeide: „Wat is er toch gebeurd?”
„Mevrouw Shum is hier,” zei ik, „en onze mevrouw heeft het op de zenuwen.”
Altamont werd verschrikkelijk kwaad, en gebruikte eene uitdrukking, die ik hier liefst niet wil herhalen – genoeg, [28] indien ik zeg, dat het met bl- begon en op m eindigde; en hij liep den trap op als of hij razend was.
Hij stiet de deur van het slaapvertrek open; mevrouw lag bleek en stijf op de sofa; het kind schreeuwde in de wieg; jufvrouw Betsy was over mevrouw uitgestrekt; en mevrouw Shum half op het bed en half op den grond; allen aan het huilen en schreeuwen, zonder ophouden, net als een hond blaft tegen de maan. Toen Altamont binnen kwam bedaarden moeder en dochter oogenblikkelijk. Zij hadden al verscheidene malen hooge woorden met elkander gehad, en zij vreesden hem als den duivel.
„Wat beteekent dit akelig gehuil en geschreeuw?” vroeg hij.
„O, mijnheer Altamont!” schreeuwde de oude vrouw, „gij weet het maar al te goed; het is uwe schuld, dat dit lieve kind ongelukkig is!”
„Mijne schuld, mevrouw – en hoe dat?”
„Wat, mijnheer, gij durft nog waarom te vragen? Omdat gij haar bedriegt, mijnheer, omdat gij een valsche, lafhartige verrader zijt, mijnheer; omdat gij op eene derde plaats eene andere vrouw hebt, mijnheer!” En de oude mevrouw en jufvrouw Betsy begonnen even hard als te voren te schreeuwen.
Altamont bedacht zich een oogenblik; toen trok hij de deur open; daarop greep hij jufvrouw Betsy en draaide haar de kamer uit, naderde toen mevrouw Shum.
„Sta op,” brulde hij, „gij lage, nietsdeugende, kwaadsprekende, valsche zottin! Sta op en verlaat [29]dit huis! Gij hebt mijn geluk verstoord, sedert het oogenblik dat gij den voet over mijn drempel hebt gezet. Met uwe vervloekte leugens, en romanlectuur, en zenuwachtigheid, hebt gij Mary bedorven, en haar bijna even gek gemaakt, als gij zelve zijt.”
„Mijn kind! mijn kind!” gilde mevrouw Shum en klemde zich aan mevrouw vast.
Maar Altamont plaatste zich tusschen beiden, en de oude dame bij den arm vattende, sleepte hij haar naar de deur. „Volg uwe dochter, mevrouw,” zeide hij, en zij ging naar beneden. „Karel,” riep hij, „wijs deze dames de deur en laat haar nooit weder binnen komen.”
Wij gingen allen met elkaâr den trap af, en zij vertrokken naar huis; mijnheer sloot en grendelde de deur van de slaapkamer, natuurlijk met het voornemen om een tête à tête, gelijk men het noemt, met mevrouw te hebben.
Men begrijpt wel, dat ik, zoo spoedig mogelijk, den trap opsnelde, om den afloop van hun gesprek te hooren. Gelijk men te St. Stephen’s1 zegt, liepen de debatten nog al hoog.
„Mary,” zeide mijnheer, „gij zijt niet meer het opgeruimde dankbare meisje, dat ik te Pentonville leerde kennen en beminnen; het een of ander geheim drukt u op het hart; gij verwelkomt mij niet meer met een glimlach, gelijk vroeger! Uwe moeder en stiefzuster hebben u bedorven, Mary, en daarom heb ik haar uit mijn huis weggezonden, [30]en zij zullen, zoo lang ik leef, nooit den voet weder over den drempel zetten.”
„O Frederik! gij zijt de oorzaak van mijne droefheid, en niet ik. Waarom hebt gij geheimen voor mij? Waar brengt gij den dag door? Waarom verliet gij mij, zelfs op onzen trouwdag, gedurende acht uren, en waarom doet gij het nog alle dagen?”
„Omdat ik,” zei hij, „den kost daarmede verdien. Ik verlaat u daarom, en ik zeg niet, hoe ik het verdien, want gij zoudt daardoor niet gelukkiger worden.”
Op deze wijze werd het gesprek voortgezet: hoe meer tranen en vragen van mevrouw, des te meer ontevredenheid en stilzwijgen van den kant van mijnheer; het eindigde, voor de eerste maal na hun huwelijk, met ernstige oneenigheid. Het was geheel anders dan al het vrijen en malen, dat hun trouwen voorafging: dat is zeker.
Mijnheer ging uit en sloeg de deur met woede achter zich digt, en hij had gelijk. Hij zeide: „Indien ik geen aangenaam leven kan hebben, dan wil ik ten minste vrolijk zijn,” en hij ging naar de voornaamste herberg van de buurt, en kwam dien avond vreesselijk dronken naar huis. Als hooge woorden in een huisgezin plaats hebben, dan ziet men gewoonlijk, dat mijnheer, op den duur, aan den drank raakt; en dan is het met het huwelijksgeluk gedaan. Deze twee menschen, die elkaâr zoo zeer bemind hadden, waren nu knorrig en stil en vol ontevredenheid. Mijnheer ging vroeger uit en kwam later [31]te huis; mevrouw weende meer en zag er bleeker uit, dan te voren.
De zaken gingen op deze akelige wijze voort, mijnheer steeds in kwaden luim, mevrouw steeds door jaloerschheid en nieuwsgierigheid geplaagd, toen een zonderling toeval de handelingen van den heer Altamont aan het licht bragt. Het was op den tienden Januarij; ik herinner mij zeer goed den dag, want de oude Shum gaf mij een rijksdaalder (het eerste en laatste stuk geld, dat ik ooit van hem kreeg): hij was aan tafel met mijnheer, en zij waren aan het feestvieren met elkaâr. Mijnheer zeide, terwijl hij zijn vijfde glas punch klaar maakte, en de kleine Shum zijn twaalfde glas, of daaromtrent: „Ik zag u heden twee maal in de City, mijnheer Shum.”
„Wel, dat is vreemd,” zei Shum, „ik ben dezen dag in de City geweest; dat is waar. Heden werden de renten van de fondsen, de Hemel zegene ze, betaald, en ik en mevrouw Shum gingen er naar toe, om de helft van onze jaarlijksche inkomsten te halen. Maar wij zijn tegenover de Bank slechts even uit den omnibus gegaan, om ons geld te ontvangen, en zijn er dadelijk weder in gestapt. Hoe is het mogelijk, dat gij mij twee keer kondt zien?”
Altamont stamelde en stotterde, en kuchte en proestte.
„O!” zei hij, „ik ging juist voorbij, toen gij er uit en in kwaamt”; en dadelijk gaf hij eene andere wending aan het gesprek, en begon over staatkunde en het weder en diergelijke gekheden te babbelen. [32]
„Ja wel, manlief?” zeide mevrouw, „maar hoe kwam het toch, dat gij papa tweemaal hebt gezien?”
Mijnheer antwoordde niet, maar rammelde steeds door over de staatkunde. Evenwel hield zij niet op met: „maar waar waart gij toch, mannetje, toen gij pa ontmoettet? Wat deedt gij toch, lieve Frederik, om pa twee keer te zien?” en zoo voort. Mijnheer keek hoe langer hoe knorriger, en zijne vrouw plaagde hem hoe langer hoe meer.
Dit gebeurde, gelijk ik zeide, terwijl de kleine Shum bezig was met zijn twaalfde glas, en ik wist zeer goed, dat hij het niet veel verder kon brengen; want bij het dertiende glas was hij altijd dronken. Het dertiende glas kwam met de gewone gevolgen. Ik was genoodzaakt, hem naar de St. John’s-straat naar huis te brengen, waar ik hem in de armen van de vertoornde mevrouw Shum achterliet.
„Wat weêrga!” stamelde hij herhaaldelijk onderweg, „wat weêrga! hoe is het mo-mo-mogelijk, dat hij mij heden twe-twee maal kon zien?” [33]
Altamont had zich geweldig vergist, toen hij gezegd had, dat hij den heer Shum had gezien, want den volgenden dag, zoodra mijnheer uitging, verliet ook mevrouw het huis.
Zij vloog de straat uit en hield niet op eer zij haar papa’s huis te Pentonville had bereikt. Gedurende een uur was zij met mama opgesloten, en toen zij deze verliet reed zij regtstreeks naar de City. Zij wandelde voor de Bank, achter de Bank en om de Bank, en kwam ontmoedigd te huis, omdat zij niets had ontdekt.
Het viel nu bijzonder in het oog, dat de volgende tien dagen geregeld togten ondernomen werden van Shums huis naar de City. Mevrouw Shum, hoewel hare waterachtige beenen haar nooit te voren zoo ver hadden gedragen, was gedurig op het qui vive, gelijk de Franschen zeggen. Indien zij zelve er niet heen ging, dan trok jufvrouw Betsy daar naar toe, of mevrouw Altamont; zij schenen iets aantrekkelijks in de Bank te zien, en gingen er even natuurlijk heen als een omnibus. [34]
Eindelijk op zekeren dag kwam de oude mevrouw Shum naar ons huis – (men liet haar niet binnen als mijnheer te huis was, maar als hij uit was kwam zij er nog). – Zij had een zegepralenden blik toen zij binnentrad.
„Mary,” zei ze, „waar is het geld, dat uw man gisteren naar huis bragt?” Mijnheer was altijd gewoon, het aan mevrouw te geven als hij naar huis kwam.
„Het geld, ma?” zeì Mary, „daar is het!” en hare beurs trekkende toonde zij een goud tientje, een hoop zilver en een raar, ouderwetsch klein geldstukje.
„Dat is het! Dat is het!” riep mevrouw Shum uit, „Een halve schelling van den tijd van koningin Anna – geslagen in zeventien honderd drie, niet waar?”
Zoo was het zonder twijfel: een halve schelling van den tijd van koningin Anna, juist in dat jaar geslagen.
„Wel, lieve,” zei mevrouw Shum, „nu heb ik hem ontsluijerd! Ga morgen met mij en gij zult alles vernemen!”
Nu volgt het einde van mijn verhaal.
Den volgenden morgen gingen de dames naar de City, en ik volgde haar op den voet, zoo als dat bij fatsoenlijke leden behoort, met een bouquet en een rotting met vergulden knop.
Wij gingen den New-road af, wij sloegen den City-road in – wij kwamen tot aan de Bank. Wij [35]gingen over de straat, – van het gebouw naar Cornhill, – toen plotseling mevrouw een luiden gil gaf en daarop flaauw viel.
Ik liep naar haar toe, ondersteunde haar in mijne armen, en bedierf daardoor een nieuw vest en een vuur rooden korten broek. – Evenwel – zoo als gezegd is – ik liep op haar toe, in de haast, bijna den ouden straatveger omver stootende, die zoo snel mogelijk uit den weg sukkelde. Wij droegen haar in den suikerbakkerswinkel van Birch; wij bezorgden haar eene vigilante en elke mogelijke verligting, en bragten haar te huis naar Islington.
Mijnheer kwam dien avond niet te huis. Den volgenden avond kwam hij ook niet – en even min den derden avond. Op den vierden dag kwam er een vendumeester; hij maakte eene lijst op van de meubels en plaatste eene aankondiging van den verkoop op het venster.
Op het einde van de week verscheen Altamont. Hij was bleek en verstoord; evenwel was hij niet zoo bleek als zijne ongelukkige echtgenoote.
Hij zag haar zeer teeder aan. (Ik wil wel bekennen, dat ik zijn blik nabootste bij eene zekere jufvrouw, die ik niet noemen wil. –) Hij zag haar, zeg ik, zeer teeder aan, en strekte zijne armen uit. Zij uitte een hartverscheurenden gil en viel hem om den hals.
„Mary,” zeide hij, „gij weet nu alles. Ik heb mijne plaats verkocht; ik heb er drie duizend pond voor gekregen, en twee duizend pond heb ik opgespaard. [36]Mijn huis en mijne meubels heb ik verkocht, en daarvan nog duizend pond gekregen. Wij zullen buiten ’s lands gaan wonen en elkander als van ouds beminnen.”
En nu vraagt men mij, wie hij was? Ik huiver, het uit te brengen. – De heer Altamont – veegde de straat tusschen de Bank en Cornhill!!
Natuurlijk verliet ik zijne dienst. Eenige jaren later ontmoette ik hem te Baden-Baden, waar hij en mevrouw Altamont zeer gezien waren, en voor vermogende menschen doorgingen. [37]