HET EINDE VAN DE GESCHIEDENIS VAN DEN HEER DEUCEACE.

[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

Vrij kost en inwoning.

Mijn verhaal nadert weldra de ontknooping: ik bleef niet zeer lang meer in dienst van den heer Deuceace na het gebeurde in het vorige hoofdstuk, in hetwelk ik ook de verbazende list heb beschreven, die ik bezigde om hem te bevrijden, en tevens mijne verwonderlijke zelfopoffering. Zeker is het, dat er weinige dienstboden zijn, die aan zulk eene list zouden gedacht hebben, en nog minder talrijk zijn die, welke, na zoo iets bedacht te hebben, wagen zouden het ten uitvoer te brengen.

Evenwel, behalve het kleine voordeel, dat ik trok door het verkoopen van de robe-de-chambre, welke ik gedragen had – en in een van welker zakken ik een banknootje van vijf pond had gevonden – behalve [157]dit, zeg ik, was het voordeel, dat daaruit ontsproot, voor mijnheer zeer gering.

Het is waar, dat hij ontsnapt was – en dat was goed – maar Frankrijk is niet Groot-Brittanje, en een man in liverei met éénen arm is gemakkelijk te ontdekken en aan te houden.

Dit was ook het geval met mijnheer. Hij kon Parijs niet verlaten, zelfs indien hij het gewenscht had. Zoo hij dat deed, wat moest er gebeuren met zijne bruid – zijne gebogchelde godin? Hij kende het tempérament, gelijk de Parijzenaars zeggen, van de jonge dame al te goed, om haar lang uit zijn gezigt te verliezen. Zij had negen duizend pond ’s jaars. Zij was reeds vroeger verliefd geweest, en kon het gemakkelijk weder worden. De hoog welgeboren Algernon Deuceace was te verstandig, om zich te verlaten op de getrouwheid van zulk een licht ontvlambaar schepseltje. Het was voorwaar een mirakel, dat ze niet al vroeger aan den man was gekomen! Ik geloof waarachtig (te oordeelen na verscheidene tooneelen, die tusschen ons waren voorgevallen), dat ze zelfs met mij zou getrouwd zijn, ware zij niet verleid geweest door den hoogeren stand en de grootere sluwheid van den heer, bij wien ik diende.

Maar verder, om mij van eene gemeene uitdrukking te bedienen: de dienders waren hem op de hielen. Wat moest hij doen? Hij kòn zijne schulder niet ontloopen, en hij wilde het beminnelijke voorwerp zijner liefde niet verlaten. Hij was alzoo genoodzaakt, op zijn Fransch gezegd, zich perdu [158]te houden – ’s avonds uitgaande, gelijk een uil uit zijn nest, en over dag zich daarin schuil houdende. Want er bestaat eene wet in Frankrijk (en ik wenschte, dat die ook in Engeland wierd gevolgd), dat na zonneondergang niemand om zijne schulden mag vervolgd worden, en in alle koninklijke tuinen, bij voorbeeld de Tuileries, in het Palais Royal, of het Luxembourg, mag iedereen van den morgen tot den avond rondloopen, zonder lastig gevallen te worden door zijne schuldeischers: want deze worden in zulke plaatsen van openbare vermakelijkheden niet toegelaten, even min als honden, welke de schildwachten het bevel hebben dood te schieten.

Mijnheer was alzoo in een zeer onaangenamen toestand: ’s avonds er uit loopende, om zijne beminde eventjes te zien, en dan genoodzaakt, hare vragen over de redenen zijner verkleeding te ontwijken en over zijne twee duizend pond ’s jaars te spreken, juist als of hij geen cent, aan wie het ook ware, in de geheele wereld te betalen had.

Natuurlijk werd hij zeer verlangend naar het huwelijk.

Hij schreef nu even vele brieven, als de jufvrouw vroeger had gedaan; hij voer hevig uit tegen uitstel en formaliteiten; hij praatte over de genoegens van het huwelijk en over het ongeluk, dat het vuur van twee beminnende harten te vergeefs zou branden, en over de dwaasheid om op de toestemming van Lady Griffin te wachten. Zij was maar eene stiefmoeder, zeide hij, en daarbij niet vriendelijk jegens hem gezind. De jufvrouw was (voegde [159]hij er bij) meerderjarig en kon trouwen met wien zij verkoos, en voorzeker had zij den vereischten eerbied aan Lady Griffin bewezen, door hare toestemming te vragen.

Op deze wijze gingen zij voort. Het wonderbare van de zaak was, dat, wanneer aan mijnheer gevraagd werd, waarom hij alleen ’s nachts uitging, hij zich geheimzinnig uitliet, terwijl jufvrouw Griffin, wanneer hij haar vroeg, waarom zij niet dadelijk trouwen wilde, eene diergelijke geheimzinnigheid aan den dag legde – of liever, zij legde niets hoegenaamd aan den dag.

Was dat niet hard? De beker scheen beiden vóór de lippen te staan, en toch gelukte het hun niet, op de eene of andere wijze één droppel te krijgen.

Op zekeren morgen echter, in antwoord op een zeer wanhopend schrijven, door mijnheer den vorigen avond opgesteld, ontving Deuceace van de beminde van zijn hart het volgende antwoord:

Jufvrouw Griffin aan den hoog welgeboren heer

A. P. Deuceace.

„Mijn beminde! Gij zegt, dat gij met mij een hutje van klei zoudt willen bewonen; dat is gelukkig niet noodig! Gij spreekt over uwe neêrslagtigheid, dat ons huwelijk uitgesteld wordt – gelooft gij, aangebedene, dat mijn hart door onze scheiding opgeruimder wordt? Gij smeekt mij, de weigering van Lady Griffin te verachten, en gij zegt, dat ik door niets meer aan haar ben gebonden. [160]

„Aangebedene Algernon! Ik kan niet langer uwe wenschen wederstaan. Ik verlangde echter geen gelegenheid te laten voorbij gaan, om mij met eene ontaarde stiefmoeder te verzoenen. Eerbied voor de nagedachtenis van mijn vader zaliger eischte, dat ik alles deed, wat in mijne magt was, om hare toestemming tot onze vereeniging te verkrijgen: ja, ik zal het u bekennen, de voorzigtigheid schreef deze handelwijze voor; want aan wien zou zij het geld nalaten, haar door het testament van mijn vader bestemd, dan aan het eenig kind van mijn vader?

„Er zijn echter palen, binnen welke de grootste verdraagzaamheid moet beperkt worden, en, de Hemel zij gedankt! wij behoeven niet op het verachtelijke geld van Lady Griffin te wachten; ook buiten haar zijn wij ruim daarvan voorzien – niet waar, dierbaarste Algernon?

„Het zij daarom, gelijk gij begeert, dierbaarste, edelste en beste der menschen. Uwe arme Matilda heeft u reeds lang haar hart geschonken, waarom zou zij nu haren naam willen behouden? Bestem gij nu het uur, en ik zal geen verder uitstel zoeken, maar in uwe armen toevlugt zoeken, tegen de verachting en de beledigingen, waarmede ik hier dagelijks wordt overladen.

„Matilda.

„P.S. O, Algernon! wist gij maar, welk een edelen rol uw waarde vader op zich heeft genomen: hij doet zijn best om onze plannen te bevorderen en Lady Griffin te verzoenen! Zijne schuld is het niet, dat zij onverbiddelijk blijft. Ik zend u hierbij een [161]briefje, door haar aan Lord Crabs geschreven; wij zullen er weldra over spotten – n’est-ce pas?

„Lady Griffin aan den Graaf van Crabs.

„Mylord!

„In antwoord op uw aanzoek om de hand van jufvrouw Griffin, ter gunste van uwen zoon, den heer Algernon Deuceace, kan ik slechts herhalen hetgeen ik reeds vroeger mij genoodzaakt zag, aan u te verklaren – namelijk, dat ik niet gelooven kan, dat eene vereeniging met iemand van het karakter van den heer Deuceace bijdragen kan tot het geluk van mijne stiefdochter, en daarom moet ik mijne toestemming weigeren.

„Ik moet u tevens verzoeken, den inhoud van dezen brief aan den heer Deuceace mede te deelen, en u tevens smeeken, niet weder een onderwerp aan te roeren, dat, gelijk gij overtuigd moet zijn, voor mij zeer pijnlijk is.

„Ik heb de eer te zijn, Mylord,

uwe zeer onderdanige dienaresse

L. E. Griffin.”

„De drommel haal Lady Griffin!” riep mijnheer uit, „wat gaat zij mij aan?”

Wat den ouden lord betreft, die zoo gedienstig met zijne vriendelijkheid en zijn goeden raad was geweest, mijnheer schreef zulks daaraan toe, dat hij wist, hoe zijn zoon eene vrouw met tien duizend pond ’s jaars ging trouwen, en dat hij zijn deel er van hoopte te krijgen. Om die reden schreef hij, [162]benevens een vurigen brief aan de jufvrouw, het volgende aan zijn vader:

„Heb dank, waarde vader, voor de vriendelijkheid, mij in deze hagchelijke zaak betoond. Gij weet, in welken onaangenamen toestand ik mij, voor het oogenblik, bevind, en gij kunt wel gissen, welke de oorzaken zijn van mijne onrust. Een huwelijk met mijne beminde Matilda zou mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken. Het lieve meisje stemt daarin toe, en lagcht over de dwaze aanspraken van hare stiefmoeder. Om u de waarheid te zeggen, ik heb mij daarover verwonderd, dat zij reeds zoo lang daaraan heeft toegegeven. Voer uwe vriendelijkheid tot den hoogsten top, en verschaf ons, bid ik u, de noodige papieren en een predikant, om ons te vereenigen. Wij zijn beiden meerderjarig, zoo als gij weet, en daarom wordt de toestemming van ouders of voogden niet vereischt.

„Uw genegen zoon

Algernon Deuceace.”

„P. S. Wat spijt het mij, dat er eenigen tijd geleden een verschil van meening tusschen ons ontstond! De omstandigheden zijn nu reeds veranderd, en zullen, na het huwelijk, nog meer veranderen.”

Hetgeen mijnheer bedoelde was zeer duidelijk – hij wilde den ouden lord het geld geven, nadat hij getrouwd was, en daar het waarschijnlijk was, dat de jufvrouw den brief zou zien, rigtte hij dien zoodanig in, dat ze niet al te veel van zijn [163]tegenwoordigen, treurigen toestand zou leeren kennen.

Ik bezorgde dezen brief, tegelijk met het teedere schrijven aan de jufvrouw, en het spreekt, dat ik beiden op weg doorsnuffelde. De jufvrouw, toen zij haren brief ontving, bezag hem met eene onbeschrijflijke uitdrukking in de oogen; kuste het papier, en drukte het aan haar hart. Lord Crabs las den zijnen met veel bedaardheid, en toen raakten ze aan het praten en bevalen mij op antwoord te wachten. Na langdurige beraadslaging, haalde lord Crabs een kaartje te voorschijn en schreef er achter op:

Morgen om twaalf uur aan de ambassade.

„Karel, geef dat aan mijnheer,” zeide hij, „zeg hem, dat hij vooral het uur niet verzuimen mag.”

Ik bragt het kaartje en de boodschap zoo spoedig mogelijk over. Mijnheer scheen met beiden tevreden, maar toch waarlijk niet overgelukkig te zijn: dat is ook geen mensch den dag vóór zijn huwelijk, veel minder den dag vóór zijn huwelijk met een bogcheltje – hoe rijk het ook zij.

Daar hij nu op het punt stond, van den ongehuwden staat afscheid te nemen, deed hij hetgeen iedereen, die in zijne omstandigheden verkeert, behoorde te doen: dat wil zeggen, hij beschikte over zijn eigendom, en schreef brieven aan zijne schuldeischers, hun zijn gelukkige vooruitzigten berigtende, [164]en belovende, dat hij hun na zijn huwelijk tot op een stuiver toe zou afbetalen. Vóór dien tijd kenden zij zijne armoede al te goed, om zoo iets te kunnen verwachten.

Om hem regt te doen wedervaren, moet ik zeggen, dat hij nu genegen scheen, alles behoorlijk af te betalen, nu hem dat niet de minste opoffering van zijn kant meer behoefde te kosten.

„Karel,” zeide hij, mij een bankbriefje ten bedrage van tien pond ín de hand gevende, „daar hebt gij uw loon, en ik dank u wel, dat gij mij uit den nood hebt geholpen met den deurwaarder; als ik getrouwd ben, zult gij mijn valet-de-chambre zijn, zonder liverei, en ik zal uw loon driedubbel verhoogen.”

Zijn valet! – misschien zelfs zijn keldermeester! Ja – dacht ik: bij mijzelven – dat is het ware geluk! Valet de chambre aan tien duizend pond ’s jaars! niets anders te doen, dan hem te scheren, mijn bakkebaard te laten staan, van top tot teen in het pik zwart gekleed te gaan; elken dag een schoon overhemd, beschuitsbollen elken avond bij de thee met de huishoudster; de keuze eener beminde uit de jonge dames onder de dienstboden; een jongen om mijne laarzen te poetsen, en geregeld ééns in de week mijnheers plaats in de opera. Ik wist wel, wat het beteekent, valet-de-chambre te zijn! – en ik verklaar het – een valet is gewoonlijk een gelukkiger, luijer, beter gezien en fatsoenlijker man, dan zijn meester. Hij heeft meer geld te verkwisten, want de heeren hebben altijd [165]de gewoonte, los zilvergeld in de vestzakken te laten; hij maakt meer opgang bij de dames, eet even lekker, en drinkt even goeden wijn als zijn meester – dat wil zeggen, in geval hij goede vrienden blijft met den keldermeester, iets dat hun wèl begrepen eigenbelang van wederzijde mede brengt.

Deze waren echter slechts luchtkasteelen, op zijn Fransch chateaux en Espagne: in het boek des noodlots stond niet geschreven, dat ik valet-de-chambre zou wezen van den heer Deuceace.

De langste dag heeft ook een einde – zelfs de dag vóór het huwelijk, de langste dag, dien een mensch beleeft, behalve misschien den dag vóór zijn hangen – en eindelijk brak het morgenrood aan van den gelukkigen dag, die den hoogwelgeboren heer Algernon Percy Deuceace en jufvrouw Matilda Griffin door den huwelijksband zou vereenigd zien.

De garde-robe van mijnheer was wel niet zoo rijk als vroeger, want hij had al zijne kleinigheden, onnoodige cassettes en robes-de-chambre, zijn bewonderingswaardig museum van verlakte laarzen, zijne hoogst merkwaardige verzameling van rokken van Stulz en Staub, achter gelaten, toen hij genoodzaakt werd onze geliefde woning in het hôtel Mirabeau zoo plotseling te verlaten, en daar hij nu incognito bij een vriend logeerde, had hij zich moeten tevreden stellen, met eenige nieuwe kleedingstukken te bestellen bij een gewoon kleêrmaker, tegelijk met eene toereikende hoeveelheid linnengoed.

Hij trok alzoo zijn besten blaauwen rok aan, en [166]ik voelde mij gedrongen, hem te vragen, of hij zijn jas weder noodig zou hebben; hij antwoordde, met de meeste vriendelijkheid:

„Neem gij hem maar, voor den drommel!”

Om half twaalf uur werd ik uitgezonden, om te zien, of er verdachte menschen op straat waren (ik heb een goeden neus om een deurwaarder uit de verte te rieken, en een oog, dat scherp genoeg is, er een van om den hoek te zien); eenige minuten later kwam eene zeer bescheiden huurkoets vóór, en mijnheer stapte er in. Natuurlijk vertoonde ik mij niet op den bok, omdat, daar ik zoo bekend was geworden, mijne verschijning de aandacht tot mijnheer zou kunnen trekken. Maar ik liep de steegjes door, zoo, hard ik kon, naar de Rue du Faubourg St. Honoré, waar Zijne Excellentie de Engelsche ambassadeur woont en waar huwelijken tusschen Engelschen te Parijs altijd gesloten worden.

Bijna naast de deur van het hôtel van den ambassadeur, is een ander hôtel, van dien gemeenen aard, welke door de Franschen cabaret genaamd wordt, eene soort van kroeg – en juist toen de huurkoets van mijnheer vóór kwam bij de ambassade, reed eene andere koets van de deur weg, waaruit ik twee mij zeer bekende dames zag komen: de eene had een bogchel – de Lezer zal begrijpen, wat zij er kwam doen – de andere was de arme jufvrouw Kicksey, die mede gekomen was, om jufvrouw Matilda te zien trouwen.

De koets van mijnheer hield stil, toen ik op [167]eenige ellen afstands van de deur was – de koetsier klom van den bok af, om het portier open te doen, en ik naderde, om den heer Deuceace er uit te helpen, toen vier menschen uit de cabaret te voorschijn kwamen en zich plaatsten tusschen de koets en het huis van den ambassadeur; twee andere kerels vatten post aan den anderen kant van het rijtuig, en het portier openende, riep de een:

Rendez-vous, Monsieur Deuceace! Je vous arrête au nom de la loi,” hetgeen zeggen wil: „Kom maar over, mijnheer Deuceace, wij hebben u gesnapt, en deze keer komt gij niet weg!”

Mijnheer werd doods bleek, en sprong naar den anderen kant van het rijtuig, als of hij door eene slang was gebeten; hij hoopte aan die zijde te kunnen ontvlugten; maar hij ontdekte de vier menschen, welke tusschen hem en zijne vrijheid zich geplaatst hadden. Toen riep hij door het venster van de koets, zoo hard hij kon, met eene wanhopende stem:

Fouettez cocher! Rij maar voort koetsier!” maar de koetsier deed het niet – hij was ook reeds van den bok geklommen.

In één woord, op het oogenblik, dat ik naderde, sprongen twee deurwaarders in de koets! Ik had alles gezien, ik kende mijn pligt en zeer bedroefd klom ik achter op het rijtuig.

Tiens!” zeide een der menschen, die op straat stond, „c’est ce drôle, qui nous a floué l’autre jour.” Ik herkende hen ook, maar ik was te bedroefd, om te glimlagchen. [168]

Où irons-nous donc?” vroeg de voerman aan een der heeren, die in het rijtuig zaten.

Eene diepe stem bulderde uit de koets dit antwoord aan den voerman:

A St. Pélagie!

En nu moest ik u misschien de bijzonderheden beschrijven van de gevangenis van St. Pélagie, die in Frankrijk aan hetzelfde doel beantwoordt, als de Fleet Prison, of de Queen’s Bench, de gevangenissen voor schuldenaars in Engeland; maar dit onderwerp zoude ik liefst vermijden, gedeeltelijk, omdat de zeer uitstekende Boz, in de geschiedenis van den heer Pickwick, eene gevangenis heeft geschilderd, op eene wijze, die mijne beschrijvingen geheel en al overschaduwen zou, en gedeeltelijk, dewijl, om de waarheid te zeggen, ik er niet zeer lang bleef, daar ik volstrekt niet gezind was, om de jaren mijner jeugd in zulk eene treurige plaats te verspillen.

Mijne eerste boodschap was nu, gelijk men zich voorstellen kan, een brief te brengen van mijnheer aan zijne aanstaande echtgenoote. Het arme kind ging verschrikkelijk aan, dat is waar, toen zij zag, na twee uren aan de ambassade te zijn gebleven, dat haar bruidegom niet verscheen.

Nadat zij gewacht en weder gewacht had, zonder, dat haar echtgenoot aankwam, was zij genoodzaakt ongetroost naar huis terug te keeren, waar ik met den brief van mijnheer reeds aangekomen was. [169]

Het hielp nu niet, te ontveinzen, dat hij gearresteerd was, en daarom bekende hij het dadelijk, een lang verhaal opdisschende van het verraad van een vriend, van schandelijke, valsche handteekeningen, en de Hemel weet, wat nog meer. Dat deed er echter niets toe; als hij haar verteld had, dat de man in de maan haar verraden had, zij zou het geloofd hebben.

Lady Griffin was nu nooit meer te zien, als ik een bezoek in het huis aflegde. Zij hield de ééne spreekkamer voor zich alleen, en de jufvrouw at en leefde geheel afgezonderd in de andere kamer; zij hadden zoo veel met elkander getwist, dat het misschien zeer goed was, dat zij gescheiden leefden; Lord Crabs echter kwam bij beide dames, de eene zoo wel als de andere, op zijne eigenaardige, innemende, onschuldige wijze troostende.

Hij trad in de kamer, terwijl de jufvrouw, in tranen badende, naar mijn verhaal luisterde van de gevangenneming van mijnheer. – Zij drukte de hoop uit, dat de gevangenis geen akelig hol was, met een donker, vreesselijk cachot, door een verschrikkelijken cipier bewaakt, en waar men niets dan brood en water te eten kreeg. Zij had zich daarvan een denkbeeld gevormd uit de romans, die zij gelezen had!

„O Mylord, Mylord!” riep zij uit, „hebt gij het noodlottige berigt vernomen?”

„Wat is er gebeurd? – lieve Matilda, wat? Om ’s Hemels wil – spreek – ik ontstel! – Wat – ja – neen – het kan niet zijn! Spreek [170]toch!” brulde Lord Crabs, mij bij den kraag pakkende „wat is er met mijn zoon gebeurd?”

„Met uw verlof, Mylord,” gaf ik tot antwoord, „op dit oogenblik zit hij in de gevangenis – omstreeks twee uren geleden werd hij gevat.”

„Gevangen! Algernon gevangen! onmogelijk – voor welke som? Zeg het mij maar, en ik zal den laatsten stuiver geven, dien ik bezit, om hem te verlossen!”

„Dat is zeer vriendelijk van u, Mylord,” zeide ik, aan het tooneel denkende, dat eenige dagen geleden tusschen hem en mijnheer was voorgevallen, toen hij hem om duizend pond wilde afzetten, „het zal u veel genoegen doen, te hooren, dat hij slechte om eene kleinigheid gevat werd – zoo wat vijf duizend pond, naar ik meen.”

„Vijf duizend pond! – O ellende?” riep Lord Crabs uit, de handen ineen slaande en een blik naar boven werpende, „ach – ik heb voor het oogenblik geen vijf honderd pond! Beste Matilda, hoe zullen wij hem toch helpen?”

„Helaas, Mylord, ik heb maar drie guiné’s in mijne beurs – en gij weet, hoe Lady Griffin de –”

„Ja wel, lief kind, ik begrijp wel, wat gij zeggen wilt; maar houd: moed – Algernon, zoo als gij weet, heeft zelf ruime middelen.”

Denkende, dat Mylord de vijf duizend pond van Dawkins bedoelde, van welke nog het grootste gedeelte overbleef, zweeg ik, maar ik was des niet te min zeer verbaasd over het buitengewone medelijden, dat Lord Crabs voor zijn zoon gevoelde, [171]en ook, dat de jufvrouw, die tien duizend pond ’s jaars bezat, niet meer dan drie guiné’s op zak had.

Ik nam mede naar huis (o, wat een te huis was dat!) een zeer langen en zeer aandoenlijken brief van de jufvrouw, waarin zij hare droefenis te kennen gaf over de teleurstelling en zwoer, dat zij hem des te meer om zijn ongeluk beminde, hetwelk zij overigens voor zeer onbeduidend hield, daar men, om de geringe som van vijf duizend pond, den moed niet moest opgeven, vooral dewijl hij de zekerheid had van een ruim vermogen te bezitten; zij deed ook eene gelofte, dat niets – niets haar zou dwingen van hem af te zien, enz. enz.

Ik beschreef aan mijnheer, wat er tusschen mij en Lord Crabs was gebeurd, zijne milde aanbiedingen en bedroefdheid over de gevangenneming van zijn zoon; en bovendien verhaalde ik, hoe vreemd ik het vond, dat de jufvrouw, die zulk een groot vermogen bezat, slechts drie guiné’s op zak had; want ik onderstelde, dat zij altijd minstens honderd duizend pond in de beurs zou hebben!

Daarop zeide mijnheer slechts „Bah!”, maar het overige van mijn verhaal over zijn vader scheen hem zeer te verontrusten, en ik moest het van den beginne aan vertellen.

Hij wandelde ondertusschen zeer onrustig in de kamer heen en weder; het was, als of een lichtstraal voor hem op ging.

„Karel,” vroeg hij, „hebt gij er op gelet – scheen jufvrouw – scheen mijn vader zeer vertrouwelijk om te gaan met jufvrouw Griffin?” [172]

„Hoe dat, mijnheer?” vroeg ik.

„Scheen Lord Crabs zeer veel van jufvrouw Griffin te houden?”

„Hij was zeker bijzonder vriendelijk jegens haar.”

„Kom, spreek maar op; scheen jufvrouw Griffin zeer ingenomen met hem te zijn?”

„Wel – om de waarheid te zeggen, mijnheer, ik moet bekennen, dat zij buitengewoon veel met hem op scheen te hebben.”

„Hoe noemde hij haar?”

„Hij noemde haar: lief kind.”

„Nam hij haar bij de hand?”

„Ja wel – en hij –”

„En hij – wat dan?”

„En hij kuste haar, en zeide, dat zij niet moest bedroefd wezen – over het ongeluk dat u wedervaren was.”

„Nu begrijp ik het!” riep mijnheer uit, den vuist ballende en verbleekende, „nu begrijp ik het! de vervl.… oude, grijze schelm! de booze, ontaarde schurk! Hij zoude haar mij willen ontvrijen!” en hij eindigde met eene menigte vloeken, die ik niet zal herhalen.

Ik had het al lang gedacht – toen Lord Crabs zijne bezoeken bij Lady Griffin zoo dikwerf herhaalde, en daar zoo bekend werd, wachtte ik den een of anderen streek van dien aard. Ik had ook van de dienstboden der dames vernomen, dat Lord Crabs bijzonder teeder in zijne oplettendheid jegens haar was geworden:

Intusschen was er iets, dat nu niet langer aan [173]iemand, met de uitstekende verstandsvermogen van mijn meester begaafd, kon verborgen blijven: hij moest het meisje dadelijk tot zijne vrouw maken, of hij had zeer geringen kans, haar ooit de zijne te zullen noemen. Hij moest dadelijk uit de gevangenis zien los te komen, of zijn geëerbiedigde vader zou zijn plaats bij haar kunnen innemen.

O! nu begreep hij het alles duidelijk – de eerste poging om hem te arresteren, het huwelijk om twaalf uur vastgesteld, en de deurwaarders, geroepen, om het huwelijk te komen verhinderen – het duel tusschen hem en de l’Orge misschien – maar neen! eene vrouw had daarbij hand in het spel – een man kan zulke verraderlijke streken niet bedenken – vooral niet een vader jegens een zoon; eene vrouw doet wel eens zoo iets, arm schepseltje! zij heeft gene andere middelen in hare magt, om zich te wreken, en is haar geheele leven lang genoodzaakt, met verborgene wapens te strijden.

Hoe dit zij, Deuceace begreep nu duidelijk, dat hij in zijn eigen spel door zijn vader was overtroffen: er was een eerste strik voor hem gelegd geweest, aan welken hij ontgaan was, dank zij mijner tegenwoordigheid van geest – er was een tweede strik voor hem gelegd, – en zijn vader was er in geslaagd, om hem te vangen.

Nu was Lord Crabs, hoewel hij een schurk mogt wezen, veel te goedaardig, om iemand te benadeelen, alleen met doel om kwaad te doen. Hij had eene hoogte bereikt, van welke hij op alle beleedigingen nederzag – zij waren voor hem iets gewoons – hij deed [174]ze anderen aan – en zij werden hem door anderen aangedaan, zonder dat hij in het minste wrok voedde. Daarom, zoo hij wenschte zijnen zoon te benadeelen, dan was het ook, om zich zelven te bevoordeelen. En hoe kon hij dat doen? Natuurlijk, door zelf het vermogende meisje te trouwen. – De hoogwelgeboren heer Deuceace zeide dit alles niet hard op, maar ik was met zijne gevoelens volmaakt bekend: het speet hem zeer, dat hij den ouden heer het geld, dat hij verlangde, niet gegeven had.

De arme jongen! hij dacht, dat hij het geraden had – het was echter geheel en al misgezien!

Wat bleef hem te doen over? Het was klaarblijkelijk, dat hij met het meisje moest trouwen – coute qui coute, op zijn Fransch gezegd – dat is, trouwen moest hij, en de drommel haal de onkosten.

Om dat te kunnen doen, moest hij eerst uit de gevangenis komen – om uit de gevangenis te komen, moest hij zijne schulden betalen – en om zijne schulden te betalen, moest hij elken stuiver opofferen, dien hij ter wereld bezat.

Maar dat kwam er niet op aan – vier duizend pond is geene groote zet voor een geregelden speler, vooral als hij het moet zetten, of zijn leven lang in de gevangenis blijven; terwijl, indien hij met geluk speelt, het hem tien duizend pond ’s jaars zou opbrengen.

Dit alles overwegende, nam hij zijn besluit en schreef dien volgens den onderstaanden brief aan Jufvrouw Griffin: [175]

„Aangebedene Matilda! Uw brief is een wezenlijke troost geweest voor een armen mensch, die gehoopt had, dat deze nacht de gelukkigste van zijn geheele leven zou zijn, en zich nu gedoemd ziet, dien tusschen de vier muren eener gevangenis door te brengen. Gij kent de schandelijke zamenspanning, waardoor zulk eene zware verantwoordelijkheid op mijne schouders werd gelegd, en de dwaze vriendschap, die mij zoo duur is te staan gekomen. Maar dit is van geen belang. Wij bezitten, zoo als gij met regt zegt, genoeg, zelfs in het geval, dat ik deze onregtmatige schuld moet afbetalen, en vijf duizend pond zijn niets in vergelijking met het geluk, dat ik verlies, door één nacht langer van u te zijn gescheiden! Maar moed gehouden! Indien ik eene opoffering breng, zoo is het eene opoffering aan u, en ik zou waarlijk ongevoelig moeten zijn, indien ik voor één oogenblik mijne eigene verliezen wilde opwegen tegen uw geluk!

„Is het niet aldus, mijne beminde? Is niet uw geluk afhankelijk van eene verbinding met mij? Ik ben trotsch, als ik er aan denk – trotsch ook dit gering bewijs te mogen geven van de kracht en de zuiverheid mijner liefde.

„O, zeg mij nu, dat gij nog morgen de mijne wilt wezen – en morgen zullen deze vernederende ketenen worden afgeschud en ik zal weder vrij zijn – of, indien ik weder geketend word, zal het slechts in uwe boeijen zijn!

„Aangebedene Matilda! mijne dierbaarste bruid, [176]schrijf mij nog dezen avond – want ik zal in mijne gevangenis het oog niet kunnen toedoen, voor dat ik verlicht ben door het gezigt van eenige woorden van uwe pen! O schrijf mij dan, beminde! Schrijf! Ik verlang vurig naar het antwoord, dat mij voor altijd gelukkig of ellendig zal maken.

„Uw liefhebbende

A. P. D.”

„Dit briefje opgesteld hebbende, vertrouwde het mijnheer aan mij, om het te bezorgen; mij tegelijk bevelende, mijn best te doen, om het aan jufvrouw Griffin, zonder dat iemand anders tegenwoordig was, over te leveren.

Ik spoedde mij er mede naar Lady Griffin. – Ik vond jufvrouw Matilda, gelijk ik wenschte, alleen, en overhandigde haar het geparfumeerde briefje van mijnheer. Zij doorlas het, en de zuchten, welke zij daarbij loosde, en de tranen, welke zij stortte, zijn niet te beschrijven. Zij weende en steunde zóó, dat ik mij verbeeldde, dat ze op punt was den geest te geven. Zij drukte mij zelfs de hand en zeide:

„O, Karel, hij is zeer, zeer ongelukkig!”

„Dat is hij, mejufvrouw,” zeide ik, „zeer ongelukkig – het is niet mogelijk, ongelukkiger te worden.”

Toen zij deze aandoenlijke opmerking vernam, nam zij dadelijk haar besluit; en voor de schrijftafel zich plaatsende, vereerde, zij mijnheer met een antwoord – hier is bet, zwart op wit. [177]

„Mijn gevangen duifje zal niet meer treuren, maar toevlugt zoeken in zijn nest, in mijne armen! Aangebedene Algernon, ik zal u morgen, op dezelfde plaats, op hetzelfde uur, weder afwachten. Het zal dan onmogelijk zijn, dat iets anders dan de dood ons scheide!

„M. G.”

Deze onzinnige schrijftrant is, gelijk men begrijpt, het gevolg van romanlectuur en van kleingeestige, letterkundige bezigheden. Hoe veel beter is het, de kunst van schrijven in het geheel niet te kennen, en zich te verlaten op de ongekunstelde uit drukkingen van het hart.

Dat is mijn stijl – ik veracht de kunst; ik laat alles aan de natuur over: maar revenons à nos moutons, gelijk de Franschen zeggen; aan dat onschuldig, wit schaap, mijnheer, aan den grijzen ouden ram, Lord Crabs, en aan het lieve, teedere lammetje, mejufvrouw Matilda Griffin.

Deze had juist het briefje, dat ik boven afgeschreven heb, opgevouwen, en ik was op het punt, om, volgens de bevelen van mijnheer, te zeggen:

„Als het u belieft, jufvrouw, mijnheer Deuceace zou zich zeer verpligt rekenen, indien gij de plegtigheid, die morgen zal plaats hebben, als een diep geh …”, toen de vader van mijnheer in de kamer trad en ik mij naar de deur terug trok.

De jufvrouw, zonder een enkel woord te zeggen, wierp zich in zijne armen, gaf, zoo als gewoonlijk, den vrijen loop aan hare tranen, en [178]hem den brief van zijn zoon in handen gevende, riep zij uit:

„Ziedaar, waarde Lord Crabs, op welk een edele wijze uw Algernon, onze Algernon, mij schrijft! Wie zou nu nog de zuiverheid, de onbaatzuchtigheid van zijne onvergelijkelijke liefde kunnen betwijfelen?”

Lord Crabs nam den brief, las hem door, scheen zich zeer daarmede te vermaken, en hem terug gevende aan haar, aan wie hij gerigt was, zeide hij, tot mijne groote verwondering:

„Mijne waarde jufvrouw Griffin, zeker schijnt het hem volkomen ernst te zijn, maar zoo gij dit huwelijk, zonder de toestemming uwer stiefmoeder, verkiest aan te gaan, gij kent de gevolgen, en kunt naar uw eigen goeddunken handelen.”

„De gevolgen kennen! Foei, Mylord! Een weinig geld meer of minder, wat is dat voor twee zulke harten als de onze?”

„Harten zijn wel aardige dingen, mijne schoone jonge dame, maar drie per cents zijn nog aardiger.”

„Ja, maar hebben wij niet een ruim inkomen van ons zelven, zonder de hulp van Lady Griffin?”

Lord Crabs haalde de schouders op.

„Het zij zoo, mijne waarde,” zeide hij, „natuurlijk kan ik geene reden hebben, om eene verbindtenis tegen te werken, die op zoo onbaatzuchtige liefde steunt.”

Hiermede eindigde het gesprek: mejufvrouw Griffin verliet ons, de handen ineen slaande, en het wit van de oogen vertoonende.

Lord Crabs begon in de kamer op en neêr te [179]draven, met de vette handen in de broekzakken, terwijl zijn gelaat van buitengewone vreugde straalde en hij tot mijne verbazing zong:

Zie, de overwinnaar nadert!

Tol-de-rol-doll–tol-de-rol-doll!

Hij ging voort met zingen en, als of hij bezeten was, in de kamer heen en weêr te loopen. Ik stond versteend – daar was plotseling een licht voor mij opgegaan. – Hij was niet verliefd op jufvrouw Griffin! Hij wilde wel, dat mijnheer met haar trouwde! Had zij dan niet het vermo–?

Ik stond als versteend – met starenden blik, verstijfde handen en gapenden mond; verrassende gedachten overstelpten mijne ziel, en Mylord was aan het laatste „doll!” van zijn lied gekomen, op hetzelfde oogenblik, dat ik tot aan de lettergrepen „vermo-” van mijne buik- of alleenspraak kwam – toen wij beiden, de beschrevene punten bereikt hebbende, in onze overdenkingen plotseling daardoor gestoord werden, dat Mylord, te midden van zijn zingen en draven, met zoo veel geweld tegen mij aan liep, dat ik naar het eene einde van de kamer terug vloog, en hij in de tegenovergestelde rigting achteruit deinsde: het was eerst, na met groote moeite onze wederzijdsche ontroering overwonnen te hebben, dat wij weder in evenwigt kwamen.

„Hoe – gij hier, vervl.…. schelm?” riep Mylord uit.

„Het is zeer vriendelijk van u, Mylord, eenige notitie van mij te willen nemen,” zeide ik, „ja – [180]hier ben ik?” en ik wierp hem een veel beteekenenden blik toe.

Hij zag, dat ik het geheele spel had begrepen.

Nadat hij een tijdlang gefloten had, gelijk zijne gewoonte was, als hij verlegen werd (ik geloof waarachtig, dat hij niets anders gedaan zou hebben dan fluiten, als hij over vijf minuten had moeten opgeknoopt worden) – nadat hij alzoo een tijdlang gefloten had, hield hij plotseling stil en, mij naderende, zeide hij:

„Hoor eens, Karel, dit huwelijk moet morgen voltrokken worden!”

„Zoo, Mylord,” zeide ik, „ik, voor mij, geloof niet –”

„Wacht eens eventjes, vriendje: als het niet voltrokken wordt, wat wint gij er bij?”

Dit deed mij aarzelen – indien het niet plaats had, verloor ik maar mijne dienst, want mijnheer had niet meer geld, dan noodig was, om zijne schulden te betalen, en het zou niet met mijne bedoelingen overeengekomen zijn, hem in de gevangenis of in ellende te bedienen.

„Goed!” vervolgde Lord Crabs: „gij vat de kracht van mijne gronden. Zie nu eens hier –” en hij bragt eene zuivere, splinternieuwe banknoot te voorschijn van honderd pond: „indien mijn zoon en mejufvrouw Griffin morgen met elkander trouwen, zult gij dit hebben; daarenboven zal ik u in mijne dienst nemen en uw tegenwoordig loon verdubbelen.”

Vleesch en bloed waren tegen zóó iets niet bestand. [181]

„Mylord,” zeide ik, de hand op het hart leggende, „geef mij maar securiteit, en ik ben eeuwig de uwe!”

De oude edelman grinnikte en klopte mij op den schouder.

„Goed zoo, mijn jongen!” zeide hij, „goed zoo – gij zijt een veelbelovend jong mensch. Hier hebt gij de beste securiteit, die ik u geven kan;” en hij trok zijn portefeuille uit den zak, legde de honderd pond banknoot er in, en nam eene van vijftig er uit: „Daar hebt gij heden de helft – morgen zult hij het overige hebben!”

Mijne vingers beefden, toen ik het kostbare, mooije stukje papier ontving, dat ongeveer vijfmaal zoo veel geld waard was, als ik ooit van mijn leven in handen had gehad. Ik wierp een blik op het bedrag: vijftig pond, waarachtig – een Bank-post-bill, betaalbaar aan Eleonora Emilia Griffin, en door haar onderteekend.

De kat was uit den zak. Ik veronderstel, dat de aandachtige Lezer nu het spel begrijpt.

„Herinner u, dat gij van dit oogenblik in mijne dienst zijt!”

„Mylord, ik ga gebukt onder uwe weldaden!”

„Loop naar den d.…., vriend!” zeide hij, „doe uw pligt en zwijg!”

Op deze wijze ging ik over, uit de dienst van den hoog welgeboren heer Deuceace, in die van Zijne Exec. den hooggeboren heer graaf van Crabs.

Toen ik in de gevangenis terug kwam, vond ik [182]Deuceace in die akelige plaats opgesloten, waarheen hij door zijne verkwisting, naar verdienste, werd gebragt, en ik moet bekennen, ik gevoelde jegens hem de grootste minachting. Een booswicht van zijne soort, een opligter, die den armen Dawkins van de middelen van bestaan beroofd had, die zijn medepligtige, den heer Richard Blewitt, had bedrogen, en die nu op het punt was, uit eigenbelang een huwelijk aan te gaan met zoo een walgelijk schepsel als Matilda Griffin, alleen uit geldzucht, verdiende geen medelijden van mijnen kant, en ik besloot, alle omstandigheden, die op mijne geheime afspraak met mijn tegenwoordigen meester betrekking hadden, geheim te houden.

Ik overhandigde hem den brief van mejufvrouw Matilda, dien hij met een vergenoegden blik doorlas, en zich tot mij wendende, zeide hij:

„Gij gaaft mijn brief aan mejufvrouw Griffin, toen zij alleen was?”

„Ja, mijnheer.”

„En gij bragt haar daarbij mijne boodschap over?”

„Ja wel, mijnheer.”

„En gij weet zeker, dat Lord Crabs er niet bij was, toen gij den brief en de boodschap aan haar overbragt?”

„Hij was er niet, op mijn woord van eer!” zeide ik.

„De drommel haal uw woord van eer! Borstel mijn hoed en jas, en ga een rijtuig bestellen, verstaat gij?” [183]

Ik deed gelijk mij bevolen werd, en toen ik terug kwam, vond ik mijnheer in hetgeen men de greffe noemt van de gevangenis. De ambtenaar, die tegenwoordig was, haalde een groot register te voorschijn, en praatte met mijnheer in de Fransche taal; eene menigte arme gevangenen waren nieuwsgierige toeschouwers.

„Laat ons zien, Milor,” zeide hij, „de schuld is acht en negentig duizend zeven honderd francs; voor de arrestatie en de onkosten: zóó veel – zoodat de geheele som beloopt honderd duizend francs – min dertien.”

Deuceace haalde met de meeste deftigheid uit zijn portefeuille: vier banknoten, elk van duizend pond.

„Dit is geen Fransch geld,” zeide hij, „maar ik veronderstel, dat gij het toch kent, mijnheer de Griffier.”

De Griffier keerde zich om tot den ouden Salomon, een wisselaar, die een paar kalanten in de gevangenis had en zich toevallig daar bevond.

Les billets sont bons,” zeide hij, „moi je les prendrai pour cent mille douze cent francs, et j’espère, milor, vous revoir.”

„Best,” zeide de Griffier, „nu weet ik, dat ze goed zijn, en ik zal Milor teruggeven, wat hem toekomt, en hem eene kwitantie ter hand stellen.”

Dit gebeurde, en de arme gevangenen uitten een flaauwen vreugdekreet, toen de groote, dubbele, ijzeren deuren opengedaan en weder digt geslagen werden, terwijl Deuceace er uit stapte en ik [184]hem volgde, regt verheugd weder versche lucht te scheppen.

Hij was maar zes uren in die plaats geweest, en nu was hij weder vrij, en op het punt, om den volgenden dag met tien duizend pond ’s jaars te trouwen – niettegenstaande dit, zag hij er zeer zwakjes en bleek uit. Hij hàd nu den grooten inzet gewaagd, en toen hij uit de gevangenis van Sainte Pélagie kwam, had hij niet meer dan vijftig pond in de wereld over!

Maar dat hielp niets – het geld stond nu op het spel – en moed geschept! Zoo dacht ook Deuceace. Hij reed terug naar het hôtel Mirabeau, waar hij eene veel prachtiger woning dan te voren bestelde, en ik vertelde weldra aan Toinette en aan de overige dienstboden, hoe edel bij zich gedragen had, en hoe hij niet meer om vier duizend pond gaf, dan om zoo vele droppels water. Mijne loftuitingen en de daaruit gevolgde eerbied, welken men ons bewees, waren oorzaak, dat de verrukte eigenares van het hôtel mijnheer nog eens zoo veel voor alles deed betalen, dan zij zonder mijne vertelseltjes gedaan zou hebben.

Hij bestelde alzoo prachtige kamers, tegen de volgende week, een rijtuig met vier paarden, om den volgenden dag naar Fontainebleau te rijden – met het slaan van twaalf uur – en deze zaken beschikt hebbende, ging hij bedaard eten in de Rocher de Cancale, waartoe het wel tijd was, daar het al acht uur geslagen was.

Ik zelf spaarde ook dien avond den Champagne [185]niet, dat moet ik bekennen, want toen ik later mijnheers briefje aan jufvrouw Matilda overbragt, in hetwelk hij haar zijne bevrijding mededeelde, en de jufvrouw mijn stamelende stem en onzekeren tred opmerkte, zeide zij:

„Eerlijke Karel! hij is ontroerd, door hetgeen heden gebeurd is – daar, Karel, hebt gij een Louis d’or, om op de gezondheid uwer aanstaande meesteres te drinken.”

Ik stak het op, maar ik moet zeggen, dat het geld mij niet toelachte – het was strijdig met mijn geweten, om het in den zak te steken. [186]

[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

Het huwelijk.

De volgende dag verscheen: om twaalf uur wachtte het rijtuig, met vier paarden bespannen, aan de deur van de ambassade, en mejufvrouw Griffin en de getrouwe Kicksey waren stipt op den bepaalden tijd aanwezig.

Ik zal de huwelijksplegtigheid niet beschrijven – hoe de kapellaan van de ambassade de handen van dit beminnend paar vereenigde – hoe een der dienstboden binnen geroepen werd, om tot getuige te dienen – hoe de bruid weende en flaauw viel, zoo als het behoorde – en hoe Deuceace haar in onmagtigen toestand in het rijtuig bragt en naar Fontainebleau reed, waar zij de eerste acht dagen van de wittebroodsweken zouden doorbrengen.

Zij namen geene dienstboden mede, omdat zij zoo stil mogelijk wenschten te blijven.

Alzoo – toen ik het portier toegedaan en aan den postillon gezegd had, dat hij oprijden [187]kon, nam ik afscheid van den heer Deuceace en begaf mij regtstreeks bij zijn zeer achtingswaardigen vader.

„Is alles afgeloopen, Karel?” vroeg hij.

„Ik zag hen kwart over twaalf trouwen, Mylord,” zeide ik.

„Hebt gij aan jufvrouw Griffin het papier gegeven, dat ik u beval, haar vóór het trouwen te overhandigen?”

„Ja wel, Mylord, ik deed het in tegenwoordigheid van den heer Brown, den knecht van Lord Bobtail, die bij eede kan verklaren, dat zij het in handen heeft gehad.”

Ik heb tot nu toe vergeten te zeggen, dat Lord Crabs mij een papiertje had doen lezen, dat door Lady Griffin geschreven was, en dat mij bevolen werd, op bovengemeld tijdstip te bezorgen. Het luidde aldus:

„Krachtens de magt, mij door den uitersten wil van mijn overledenen, dierbaren echtgenoot gegeven, verbied ik het huwelijk van mejufvrouw Griffin met den heer Algernon Percy Deuceace. Zoo me-. jufvrouw Griffin op het huwelijk blijft staan, moge zij zelve de gevolgen verantwoorden.

Eleonora Emilia Griffin.”

Toen ik dit briefje aan jufvrouw Griffin overhandigde, op het oogenblik dat zij uit het rijtuig stapte, eene minuut of wat voor de komst van mijnheer, las zij het vlugtig door, en zeide: „Ik lach om de [188]bedreigingen van Lady Griffin!” Daarop scheurde zij het papiertje midden door, en ging verder, op den arm leunende van de getrouwe en gedienstige jufvrouw Kicksey.

Ik raapte het papier op, uit vrees voor ongelukken, en bragt het aan Mylord. Dat was echter niet noodig geweest, want hij had er een afschrift van gemaakt, en aan mij en een ander getuige (de zaakwaarnemer van Lady Griffin) liet hij beiden lezen, voor hij ze uit handen gaf.

„Best!” zeide hij daarop en haalde uit zijn portefeuille eene even schoone banknooot van vijftig pond te voorschijn, als hij mij den vorigen dag had gegeven: „ik houd mijn belofte, Karel! zoo als gij ziet, gij zijt nu in dienst van Lady Griffin, in plaats van den heer Fitzclarence, die ontslagen is. Ga bij den kleêrmaker en bestel eene nieuwe liverei.”

„Maar, Mylord,” viel ik hem in de rede, „dat is niet volgens de afspraak; ik moest niet in de dienst van Lady Griffin treden, maar bij –”

„Het komt op hetzelfde neêr!” zeide hij, zich omkeerende.

Ik ging bij den heer Frojé en bestelde eene nieuwe liverei, en ik ontdekte, dat onze koetsier en de heer Mortimer ook bij hem geweest waren.

De liverei van Lady Griffin was veranderd, en was van dezelfde kleur als mijn rok, toen ik bij den heer Deuceace diende, en op de knoopen was eene verbazend groote grafelijke kroon, in plaats van het wapen der Griffins, gelijk vroeger het geval geweest was. [189]

Niettegenstaande dit alles, deed ik geene onbescheidene vragen, maar ik liet mij de maat nemen, en ging dien nacht slapen in de Place Vendôme. Met het rijtuig ging ik evenwel, gedurende eenige dagen niet uit, daar Lady Griffin slechts één knecht medenam, in afwachting, zeide zij, dat haar nieuw rijtuig klaar zou zijn.

Men zal nu wel kunnen gissen, wat er moest gebeuren.

Ik kocht voor mijzelven eene cassette met toiletbehoeften voorzien, een kistje Eau de Cologne, eenige dozijnen fijne linnen overhemden en witte dassen, en andere benoodigheden van een man van mijn stand. Zijden kousen werden ons met de liverei gegeven. Ik eindigde, met den volgenden, beleefden brief aan mijn vroegeren meester te schrijven:

De weledel geboren heer Karel Yellowplush aan den hoogwelgeboren heer Deuceace.

„Mijnheer! Omstandigheden hebben plaats gehad, sedert ik de eer had in uwe dienst te zijn, die het mij onmogelijk maken, langer bij u te blijven. Daarom zoudt gij mij verpligten door mijn linnengoed ter zijde te leggen, als het Zaturdag van de wasch te huis komt.”

Uw dienstwillige dienaar

Karel Yellowplush.”

Ik moet bekennen, dat de stijl van dit briefje niet overheerlijk is – maar que voulez vous? Ik was [190]toen slechts achttien jaren oud, en had niet die ondervinding in het stellen verkregen, welke ik nu bezit.

Mijn pligt op deze wijze jegens iedereen vervuld hebbende, zal ik in het volgende hoofdstuk voortgaan, met te vertellen wat in mijne nieuwe dienst gebeurde. [191]

[Inhoud]

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De wittebroodsweken.

De week te Fontainebleau was spoedig ten einde, en met den laatsten dag er van keerden onze schoonzoon en dochter – een aardig paar tortelduifjes – naar hun nest in de Rue Mirabeau terug. Ik veronderstel dat het mannetje al lang berouw had over zijn koopje.

Het eerste, dat zij op tafel vonden, was een groot pak in mooi papier gerold, en eene courant er bij, en twee kaartjes met een wit satijn lintje aan elkander verbonden. Het pakje bevatte een groot stuk koek, met suiker bedekt1. Op het eene kaartje was gedrukt met eene gothische letter:

Graaf van Crabs.

[192]

op het andere, in zeer klein kursief schrift:

Gravin van Crabs.

In de courant was het volgende te lezen:

Huwelijk in de groote wereld. – Gisteren, aan de Britsche ambassade, werden vereenigd de hooggeboren heer John Augustus Altamont Plantagenet, graaf van Crabs, met Eleonora Emilia, weduwe van wijlen den luitenant-generaal Sir George Griffin, ridder van de Bath-orde, enz. enz. Een prachtig déjeuné werd aan het gelukkige paar gegeven door Zijne Excellentie Lord Bobtail, die de bruid tot aan het altaar vergezelde. De élite van de buitenlandsche diplomatie, de prins Talleyrand en de maarschalk hertog van Dalmatië, van wege Z. M. den koning der Franschen, vereerden de feestelijkheden met hunne tegenwoordigheid.

„Lord en Lady Crabs zullen eenige weken te St. Cloud doorbrengen.”

De bovenstaande stukken en mijn brief begroetten mijnheer en mevrouw Deuceace bij hunne terugkomst van Fontainebleau.

Daar ik niet aanwezig was, kan ik natuurlijk niet zeggen, hoe zich Deuceace daarover uitliet, maar ik kan mij zijne verbazing en die der arme Matilda zeer goed voorstellen. Zij hadden geen groote behoefte om uit te rusten na de vermoeijenissen van de reis, want een half uur na hunne aankomst te Parijs, werden de paarden weder voor het rijtuig [193]gebragt, en zij kwamen aanhollen, zoo hard zij maar konden, naar ons buiten te St. Cloud, om onze kuische liefde en ons huwelijksgenot te stooren.

Mylord lag in een rood satijnen robe de chambre gedost, zeer op zijn gemak, op een sofa uitgestrekt, zoo als gewoonlijk met eene sigaar in den mond. Mylady, die niets om de tabakslucht gaf, zat aan het andere einde van de kamer, bezig met een paar pantoffels, of een overtrek voor een paraplui, of voor een turfmandje, of eene diergelijke zotternij, in wol te borduren. Als men dit paar toen gezien had, zou men zich verbeeld hebben, dat zij minstens eene eeuw lang getrouwd waren geweest.

Dit huisselijk tête à tête werd door mij gestoord, daar ik zeer ontsteld binnen trad en uitriep:

„Mylord, daar komen uw zoon en uwe schoondochter aan!”

„Nu – en wat dan?” zeide Lord Crabs, met de meeste bedaardheid.

„Mijnheer Deuceace hier!” riep Mylady uit, zeer ontsteld.

„Ja wel, lieve, mijn zoon komt; maar gij behoeft niet te ontstellen. – Karel, wees zoo goed en zeg, dat Lady Crabs en ik zeer verblijd zullen zijn, mijnheer en mevrouw Deuceace te ontvangen, en dat zij het ons niet moeten euvel duiden, dat wij ze maar zoo en famille afwachten. – Blijf maar zitten, lieve vrouw – men moet zulke zaken met koelbloedigheid behandelen.”

Mylady wees met den vinger op eene groote [194]verlakte kist; dezelfde waaruit zij de papieren had genomen, toen zij ze aan Deuceace het eerst had laten zien, en gaf den fraaijen gouden sleutel er van aan Mylord. Ik ging naar buiten, ontmoette Deuceace en zijne vrouw op de stoep, bragt mijne boodschap over, en geleidde hen, met de meeste hoffelijkheid, naar binnen.

Lord Crabs stond niet op, maar rookte voort (misschien een weinig harder dan anders), Mylady zat regt op haren stoel en zag er jeugdig en bekoorlijk uit. Deuceace trad in de kamer – den linker arm in eene bandage, aan den regter arm zijne vrouw, en zijn hoed in de hand. Hij zag zeer bleek en scheen verstoord te zijn; zijne echtgenoote, arm schepseltje! verborg het gezigt achter den zakdoek, en snikte als of haar hart gebroken was.

Jufvrouw Kicksey, die in de kamer was (van haar had ik niet gesproken; in ons huis telde men haar minder dan niets), ging dadelijk naar mevrouw Deuceace toe en strekte de armen uit – zij had wel een hart die oude Kicksey, en ik heb haar daarom lief. Het arme bogcheltje wierp zich in hare armen, met eene soort van gil, en bleef een tijd lang, weenende en snikkende, als of zij het op de zenuwen kreeg.

Ik begreep, dat er een tooneel plaats zou hebben, en liet daarom de deur van de kamer even open.

„Welkom te St. Cloud, Algernon mijn jongen!” zeide Mylord, met harde, hartelijke stem. „Gij dacht, dat gij ons gefopt hadt, – niet waar, schelm, die gij zijt? Maar wij wisten van alles, [195]beste jongen, wij kenden de geheele zaak – niet waar, vrouwtjelief? En, zoo als gij ziet, wij wisten ons geheim beter te bewaren, dan gij het uwe.”

„Ik moet bekennen,” zeide Deuceace buigende, „dat ik mij het geluk niet voorstelde, dat mij in de gestalte van eene schoonmoeder heeft verrast.”

„Neen, mijn jongen, neen – neen!” zeide Lord Crabs lagchende: „oude vogels kan men niet, zoo als de jonge, met lijm vangen. – En zoo zijn wij dan nu eindelijk allen getrouwd, en gelukkig ook. – Ga zitten, Algernon, laat ons eene sigaar opsteken, en praten over de gevaren en avonturen, die de vorige maand heeft opgeleverd. Kom, liefste,” ging Mylord voort, zich tot zijne echtgenoote wendende, „gij zijt, hoop ik, niet meer boos op den armen Algernon? Geef hem toch de hand!” voegde hij er grinnikende bij.

Lady Crabs evenwel stond op en zeide: „Ik heb reeds aan den heer Deuceace verklaard, dat ik wenschte hem nooit weder te zien of te spreken; ik zie nu geene reden, om van meening te veranderen.”

Met deze woorden zeilde zij deftig uit de kamer, door de deur, welke jufvrouw Kicksey open had gelaten, toen zij de arme mevrouw Deuceace in hare armen naar buiten bragt.

„Nu, nu,” zeide Mylord, toen Lady Crabs de kamer verliet, „ik hoopte, dat zij u vergeven had; maar ik ken nu de geheele geschiedenis, en wáár is het, gij hebt haar wreed behandeld. Twee vogeltjes onder hetzelfde net: dat was uw spel, niet waar, schelm?” [196]

„Meent gij, Mylord, dat gij alles weet, wat tusschen mij en Lady Griffin – ik bedoel Lady Crabs – gebeurd is – voor onze – onze oneenigheid?”

„O ja – alles! Gij hebt haar het hof gemaakt, en zij was bijna op u verliefd – gij hebt haar, om het geld, in den steek gelaten – en uit wraak zocht zij iemand, om u de hand af te schieten. – Dat is gek voor het dobbelspel, Deuceace, geen sauter la coupe nu meer. – Ik begrijp waarachtig niet, hoe gij zonder de dobbelsteenen zult kunnen leven.”

„Dat is wel vriendelijk van u, Mylord,” zeide Deuceace, zeer kwaadaardig en tevens ongerust wordende, „maar ik ben voornemens, om in het geheel niet meer te spelen.”

„O – zóó? De getrouwde Benedict2 gaat zich bekeeren! Het wordt hoe langer hoe beter – zijt gij voornemens op den duur geestelijke te worden?”

„Mag ik u verzoeken, Mylord, een weinig ernstiger te willen spreken?”

„Ernstiger? A quoi bon? Ernstig ben ik – ja, ernstig in mijne verwondering, dat, toen het in uwe keuze was, de eene of andere van deze vrouwen te nemen, gij de voorkeur kondt geven aan uwe tegenwoordige, afschuwelijk leelijke echtgenoote!”

„Mag ik nu, op mijne beurt, vragen, hoe het komt, dat gij zoo weinig moeijelijk in de keuze van eene echtgenoote zijt geweest, dat gij eene vrouw [197]hebt willen nemen, die pas op uw zoon was verliefd geweest?” vroeg Deuceace, kwaad wordende.

„Hoe kunt gij toch zulke vragen doen? Ik heb schulden, ten bedrage van veertig duizend pond – men heeft beslag op alles gelegd te Sizes-hall – ieder morgen lands, dat ik bezit, is in de handen mijner schuldeischers; daarom heb ik haar getrouwd. Lady Crabs is eene schoone vrouw – gek is ze ook lang niet – zij trouwde met mij, om gravin te worden – ik met haar, om het geld.”

„Nu; dan behoeft gij mij niet te vragen, waarom ik met hare stiefdochter getrouwd ben.”

„Ja, maar dat moet ik toch doen, beste jongen; hoe drommel kunt gij leven? De vijf duizend pond van Dawkins zullen niet eeuwig duren, en wat moet gij naderhand doen?”

„Gij wilt doch niet zeggen, Mylord – gij kunt toch niet – gij bedoelt waarachtig niet – verd.…!” brulde hij opspringende: „gij durft toch niet beweren, dat jufvrouw Griffin niet tien duizend pond ’s jaars bezit?”

Mylord was bezig met eene sìgaar op te rollen en tusschen de lippen te bevochtigen – hij keek eventjes op, toen hij ze opgestoken had, en zeide zeer bedaard:

„Mejufvrouw Griffin hàd zekerlijk een vermogen van tien duizend pond ’s jaars –”

„Wel – en hoe zoude zij het nu niet hebben? Heeft zij alles in ééne week doorgebragt?”

Nu heeft zij geen cent meer: zij trouwde zonder de toestemming van hare stiefmoeder![198]

Deuceace viel verpletterd op een stoel – nooit heb ik zulk eene vreesselijke uitdrukking van wanhoop gezien, als op het gezigt van dien ellendigen te lezen was – hij kromp in één op den stoel – hij knarste met de tanden – hij verscheurde zijne kleederen – hij trok stuipachtig met den stomp van den linker arm – tot dat hij, geheel en al uitgeput, zijn bleek gelaat er mede bedekte, en zich op den stoel achterover werpende, vrijen loop liet aan zijne tranen.

Bah! het is iets verschrikkelijks, een man te zien weenen – zijne aandoeningen moeten, als het ware met de wortels, uit de diepte van zijn hart worden gerukt, eer hij zich op deze wijze lucht geeft. – Intusschen rolde Mylord zijne sigaar op, begon te rooken en ging voort te zeggen:

„Mijn waarde jongen, het meisje heeft geen stuiver meer ter wereld. – Ik had gewenscht, u in vrede te laten, met uwe vier duizend pond; daarvan hadt gij fatsoenlijk in Duitschland kunnen bestaan, waar men vijf per cent voor zijn geld krijgt; waar uwe schuldeischers u niet ontdekt zouden hebben, en waar gij en uwe vrouw van twee honderd pond ’s jaars best had kunnen leven. Maar Lady Crabs wilde er niet van hooren. Gij hadt haar beleedigd, en nadat zij getracht had u te dooden en dit haar mislukt was, besloot zij u te gronde te rigten, en daarin is zij geslaagd. Ik moet evenwel bekennen, dat ik uwe gevangenneming bestuurde en haar overhaalde, om uwe wissels op te koopen; zij kreeg ze overigens voor eene kleinigheid, en daar gij alles [199]hebt betaald, heeft zij ruim twee duizend pond aan de zaak verdiend. Het is waar, het was pijnlijk voor een vader, zijnen zoon te doen gevangen nemen, mais que voulez vous? In het openbaar trad ik niet tegen u op. – Zij wilde bepaaldelijk u tot een bedelaar maken, en het was noodzakelijk, dat gij getrouwd moest wezen, om dat doel te bereiken; daarom bepleitte ik uwe zaak bij mejufvrouw Griffin en hielp u tot den gelukkigen mensch maken, die gij op dit oogenblik zijt. – O, gij schelm! gij schelm! gij dacht, dat gij tegen uw ouden vader opgewassen waart – niet waar? Maar dat doet er nù niet toe – het ontbijt zal straks op tafel zijn; intusschen steek eene sigaar op, en drink een glas Sauterne.”

Deuceace, die deze aanspraak met stilzwijgen had aangehoord, sprong razend op:

„Ik geloof het niet!” zeide hij, „het is een leugen, een vervl.…. leugen! gesmeed door u, grijze schurk, en door de moordenares en ligtekooi, die gij tot uwe vrouw hebt gemaakt. Ik wil het niet gelooven; laat mij het testament zien! Matilda! Matilda?” brulde hij met heesche stem, de deur open werpende, door welke zij uit de kamer was gegaan.

„Wees bedaard, mijn jongen, wees bedaard; gij zijt ontsteld en ík heb medelijden met u, maar gebruik toch zulke gemeene taal niet – geloof mij, het is geheel en al onnoodig.”

„Matilda!” schreeuwde Deuceace weder, en het arme, kromme schepseltje kwam de kamer in, gevolgd door jufvrouw Kicksey. [200]

„Is dit waar, wijf?” riep hij uit, haar bij den arm grijpende.

„Wat dan, lieve Algernon?” zeide zij.

Wat?” schreeuwde Deuceace – „wat? Dat gij eene bedelaarster zijt, omdat gij zonder de toestemming van uwe stiefmoeder met mij getrouwd zijt – dat gij mij verraderlijk belogen hebt, om dit huwelijk tot stand te brengen – dat gij eene bedriegster zijt, in verbond met dien ouden duivel daar, en zijne helsche vrouw?”

„Wáár is het,” snikte de arme vrouw, „dat ik geen geld heb, maar –”

„Maar – maar – waarom spreekt gij niet op, onnoozele gekkin?”

„Ik heb niets –! Maar gij, waarde man, hebt twee duizend pond ’s jaars. Is dat niet genoeg voor ons? Gij bemint mij, om mijzelve, niet waar, Algernon? Gij hebt het mij wel duizend maal gezegd – o, zeg het toch weder, lieve man, wees toch niet zoo hard tegen mij!” En met deze woorden zonk zij op de knieën, sloeg den arm om hem heen, en trachtte zijne hand te, vatten en die te kussen.

„Hoe veel zeidet gij?” vroeg Lord Crabs.

„Twee duizend pond ’s jaars – hij heeft het ons honderd maal verteld.”

Twee duizend, pond! twee dui … ho, ho, ho! ha! ha! ha!” proestte Mylord, „ik verklaar, dat ik in mijn leven niets gehoord heb, dat aardiger bedacht was. – Mijn lief kind, hij heeft geen cent – geen enkele cent, bij alle goden en godinnen!” En deze voortreffelijke edelman begon harder dan te [201]voren te lagchen; men moet bekennen, dat hij een zeer fijngevoelig mensch was.

Er volgde een kort stilzwijgen, en toen begon mevrouw Deuceace, niet te vloeken en te razen tegen haren echtgenoot, zoo als hij tegen haar had gedaan, maar zij zeide tot hem:

„O, Algernon, is dit alles wáár?” Toen hief zij zich op, ging naar een stoel en weende in stilte.

Mylord opende de groote kist: „Indien gij, of uw advokaat, lust mogt hebben, het testament van Sir George na te zien, het staat tot uwe dienst – Gij zult de bepaling er in vinden, van welke ik gesproken heb; volgens deze, is het geheel vermogen nu in het bezit van Lady Griffin, de tegenwoordige Lady Crabs; en nu begrijpt gij, mijn lieve jongen, hoe gevaarlijk het is, onberadene gevolgtrekkingen te maken. Lady Crabs liet u slechts de eerste bladzijde van het testament lezen – zij wilde u natuurlijk op de proef stellen. Gij dacht, dat gij een slimmen zet deedt, toen gij mejufvrouw Griffin ten huwelijk vroegt! Let er niet op, mijne lieve, hij houdt nu van u met de meeste opregtheid – maar gij, Algernon, hadt beter gedaan, om vooraf het overige van het testament te lezen. Gij werdt geheel en al gefopt, mijn jongen, om den tuin geleid, overlist, door uw ouden vader – schurk, die gij zijt. Ik had het u beloofd, dat weet gij wel, toen gij weigerdet, mij een gedeelte van het geld, dat gij van Dawkins hadt gekregen, te leenen. Ik had het u beloofd, en ik heb woord gehouden. Den volgenden dag reeds had ik u in mijne magt. [202]Laat dit eene les voor u wezen, Percy, mijn jongen; beproef uw geluk niet weder tegen menschen van ondervinding; verzin eer gij begint; audi et alteram partem, vriendje, hetgeen zeggen wil, lees het begin en het einde van een testament. Maar ik geloof, dat het ontbijt op tafel staat, en ik zie, dat gij niet rookt – Zullen wij naar binnen gaan?”

„Één oogenblik, Mylord,” zeide Deuceace zeer nederig geworden, „ik zal geen gebruik van uwe gastvrijheid maken – maar – maar – gij kent mijn toestand; ik ben van alle middelen beroofd – gij weet ook, op welke wijze mijne echtgenoote werd opgevoed –”

„Mevrouw Deuceace, mijnheer, zal steeds hier een te huis vinden; even als of er niets gebeurd was, wat de vriendschap tusschen hare lieve moeder en haar kon verstoren.”

„En wat mij aangaat,” zeide Deuceace, met eene zeer flaauwe stem, en zeer langzaam, „ik hoop – ik vertrouw – dat gij mij niet zult vergeten?”

„U vergeten –? O neen – zeker niet!”

„En dat gij mij eenige hulp zult verleenen –?”

„Algernon Deuceace,” zeide Lord Crabs, van de sofa opstaande en hem met eene opgeruimde, lagchende kwaadaardigheid aanziende, wier weerga ik nooit meer heb gezien, „ik verklaar, bij alles, wat heilig is, dat ik u geen cent zal geven!”

Met deze woorden bood hij de hand aan mevrouw Deuceace, en zeide: [203]

„Kom, mijne lieve, willen wij bij uwe moeder gaan? Hier zijt gij, ik heb het reeds gezegd, te huis.”

„Mylord,” antwoordde het arme schepseltje, met eene diepe buiging, „mijn te huis is bij hem!

Ongeveer drie maanden later, toen het saison begon te Parijs, en de herfstbladeren afvielen, gingen Mylord, Mylady, ik en Mortimer wandelen in het Bois de Boulogne; het rijtuig reed langzaam vooruit; wij waren in eene zeer gelukkige stemming, onder het genot van de schoone gezigten en het gouden avondrood.

Mylord was aan het praten met Mylady, over de verrukkelijke schoonheid van het tooneel, en gaf lucht aan zijne gevoelens in eene menigte heerlijke en stichtelijke uitdrukkingen, die met het oogenblik in volmaakte overeenstemming waren. Het was aandoenlijk, hem te hooren spreken.

„Ach,” zeide hij, „het hart moet ongevoelig zijn als steen, dat niet getroffen wordt door de schoonheid der natuur; dat niet, als het ware, van den hemel, van waar de zon ons hare vriendelijke stralen toezendt, eene zee van zaligheid inzwelgt, niet met elken polsslag de genietingen inademt, die de aarde haren gelukkigen bewoner biedt!”

Lady Crabs gaf geen antwoord, maar zij drukte hem den arm, en rigtte een blik ten hemel.

Mortimer en ik gevoelden ook iets van den indruk van dit tooneel, en leunden zwijgende op den [204]gouden knop van onze rottingen. Het rijtuig bleef op ons wachten, en Lord en Lady Crabs slenterden langzaam er op toe.

Juist op deze plaats was eene bank, en op de bank zat eene armoedig gekleede vrouw; tegen een boom leunde een man, dien ik mij verbeeldde, vroeger gezien te hebben. Hij droeg een kalen blaauwen rok, met witte naden en blinkende knopen, een versleten hoed bedekte zijn hoofd, lang haar en een groote baard gaf hem iets buitengemeen afzigtelijks: daarbij was hij ongeschoren en wit als marmer.

Mylord en Mylady sloegen in het minst geen acht op hem, maar gingen voorbij naar het rijtuig. Ik en Mortimer namen ook onze plaatsen, achter op. Op het oogenblik, dat wij hen naderden, had de man de hand op den schouder van de vrouw gelegd; zij liet het hoofd hangen en weende bitter.

Zoodra Lord en Lady Crabs in het rijtuig zaten, proestten beide het uit van lagchen – met de meeste kieschheid en gevoeligheid – harder en harder gillende en schreeuwende, zoo zelfs, dat de plegtige avondstilte er geheel en al door gestoord werd.

Deuceace keerde zich om – ik kan mij nog zijn gezigt voorstellen – het gezigt van een duivel uit de hel! Eerst zag hij naar het rijtuig, en wees er op met, zijn verminkten arm; toen hief hij den anderen arm op, en sloeg de vrouw aan zijne zijde met den vuist. – Zij gaf een gil en viel op den grond!

Arme vrouw –! Arme vrouw!

EINDE.


1 Het is gebruikelijk in Engeland, huwelijken, op in den tekst beschrevene wijze, aan vrienden en bloedverwanten aan te kondigen – de koek wordt bruidskoek genaamd. – Sommige buitengewoon teedervoelende jonge dames leggen het ontvangene stuk koek ’s nachts onder het hoofdkussen, in de hoop dat zij van hun aanstaanden echtgenoot zullen droomen. 

2 Toespeling op het karakter van Benedict in Shakspeare’sTaming of the Shrew.”