DE AMOURS VAN DEN HEER DEUCEACE.

[Inhoud]

EERSTE HOOFDSTUK.

De eene dief vangt den anderen.

De naam van mijn volgenden meester was, zoo mogelijk, weidscher en hoogdravender dan die van hem, dien ik pas had verlaten.

Ik werd nu lijfknecht van den HoogWelgeboren heer Algernon Percy Deuceace, jongsten en vijfden zoon van den graaf van Crabs.

Algernon was advokaat – dat is te zeggen, hij woonde in Pump-court, in het Temple, eene gemeene buurt, die misschien aan mijne lezers niet bekend is. Het zij genoeg hun te zeggen, dat het op de grenzen van de City en de uitverkorene woonplaats der regtsgeleerden van deze hoofdstad is.

Indien ik zeg, dat mijnheer Deuceace advokaat was, bedoel ik volstrekt niet, dat hij de zittingen van de hoven bijwoonde, of dat hij pleitte, of naar praktijk [38]uitzag; maar hij had kamers in Pump-court en wachtte op een commissariaat, of eene regtersplaats, of eenig ander ambt, dat de Whig-regering hem wilde geven. Zijn vader was een Whig-pair, gelijk de waschvrouw mij vertelde, en was vroeger Tory geweest. De waarheid is, dat zijne heerlijkheid zoo arm was, dat hij, om zijne kinderen te verzorgen en voor zich zelven een inkomen te krijgen, tot alles gereed was.

Ik geloof, dat hij Algernon twee honderd pond ’s jaars gaf, en deze had er best van kunnen leven, ware het niet geweest, dat de oude heer ze hem nooit uitbetaalde.

Intusschen was en bleef de jonge heer een zeer fatsoenlijk man, hij ontving de belofte van zijn jaargeld zeer geregeld, en gaf het ook uit op de fatsoenlijkste en eervolste wijze. Hij hield rijtuig, hij ging naar Almacks’ en naar Crockford’s – hij bevond zich in de meest uitgezochte kringen – en bemoeide zich zeer weinig met de wetboeken; dat is zeker. Zulke fatsoenlijke lieden hebben middeltjes, om geld te verdienen, die het gemeene volk niet begrijpt.

Hoewel hij slechts eene derde verdieping in Pump-court bewoonde, leefde hij als of hij de rijkdommen van Crassus bezat. De banknoten waren er even menigvuldig als de dubbeltjes – Bordeaux en Champagne even gemeen als jenever; en men kan er op aan, dat ik zeer blijde was – valet de chambre te zijn van een echten spruit van den hoogen adel.

Deuceace had op zijne kamer eene groote teekening – op [39]papier: een’ boom voorstellende, die uit het lijf groeide van een man in eene wapenrusting gedost, en op kleine schilden, tusschen de takken opgehangen, stonden namen te lezen. De schilderij vertelde, dat het geslacht der Deuceace’s naar Engeland was overgekomen in het jaar 1066, met Willem den Veroveraar. Mijnheer noemde het zijn stamboom. Ik geloof dat het was, omdat hij die schilderij bezat, en omdat hij de Hoog Welgeboren heer Deuceace was, dat het hem gelukte, zóó te leven als hij het deed. Indien hij iemand uit den minderen stand ware geweest, dan zoude men hem niets anders dan eenen gemeenen opligter hebben kunnen noemen. Alleen aan hoogen stand en geboorte kunnen die zonderlingheden worden veroorloofd, waarin mijnheer uitmuntte.

Want het baat niets, om er een geheim van te maken: de heer Deuceace was een speler van beroep. Voor iemand van lagen stand is deze de slechtst mogelijke kostwinning – voor iemand, die maar half eerlijk man is, zou zulk een beroep onmogelijk zijn; maar voor een echten edelman, die door en door edelman is, kan men geen gemakkelijker en winstgevender levenswijze bedenken.

Het moge misschien vreemd schijnen, dat een fatsoenlijk man in het Temple woonde, maar men moet zich herinneren, dat niet alleen advokaten in de zoogenaamde Inns of Court wonen.

Vele ongetrouwde heeren, welke niets met de regtsgeleerdheid te, doen hebben, huren daar kamers; en vele zich noemende advokaten, welke geen [40]tweemaal in hun leven bef en toga hebben omgedaan, bewonen het Temple, in plaats van de Bond-street, of Picadilly, of andere fatsoenlijke plaatsen. Bij voorbeeld op onze verdieping (zoo noemt men daar altijd de huizen) waren acht woningen en niet meer dan slechts drie regtsgeleerden te huur. Deze waren, op de onderste verdieping, Screwson, Hewson en Jewson, procureurs; op de eerste verdieping mijnheer Flabber, regter; tegenover zijne deur, mijnheer Bruffy, advokaat; op de tweede verdieping woonde de heer Haggerstone, een Iersch regtsgeleerde, die veel krimineele praktijk aan de Old-Bailey had en tevens was hetgeen men snelschrijver noemt voor de Morning Post. Tegenover zijne deur stond geschreven:

Mr. Richard Blewitt;

en op de derde verdieping woonde mijn heer en een zekere heer Dawkins.

Deze jonge heer was pas in het Temple gekomen – tot zijn ongeluk – beter was het geweest, indien hij nooit geboren ware – want volgens mijne inzigten rigtte het Temple hem te grond, – dat wil zeggen, met de hulp van mijn heer en den heer Richard Blewitt, gelijk men straks zal vernemen.

Mijnheer Dawkins, gelijk ik van zijn bediende vernam, had juist de hoogeschool te Oxford verlaten, en bezat een aardig fortuintje, een duizend pond of zes, in de fondsen. Hij was ook juist meerderjarig geworden, en een wees die zijn vader en moeder had verloren. Daar hij zich aan de hoogeschool onderscheiden en verscheidene medaljes behaald [41]had, was hij naar Londen verhuisd, om vooruit te komen en het advokaten-beroep te aanvaarden.

Daar hij zelf niet van hooge afkomst was – ik heb zelfs hooren vertellen, dat zijn vader kaaskooper was, of iets van dien aard – deed het Dawkins veel genoegen, zijn ouden academie-kennis, den heer Blewitt, den jongsten zoon van den rijken landeigenaar Blewitt in Leicestershire, weder te zien, en kamers in zijne nabijheid te kunnen huren.

Nu dan; hoewel tusschen mij en den knecht van den heer Blewitt eene zeer naauwe vriendschap bestond, was dit niet het geval tusschen onze meesters – daar de mijne een te groot aristokraat was, om zich met iemand van Blewitt’s stand op te houden. Blewitt was hetgeen men „a betting man” noemt; hij ging geregeld naar Tattersall’s, reed op een hit, droeg een witten hoed, eene blaauwe, bonte das en een rijrok. In zijne manieren was hij juist het tegenovergestelde van mijn meester. Deze was een ligt gebouwd, elegant mensch – in den hoogsten graad – hij had bijzonder witte handen, eene eenigzins gele gelaatskleur, met doordringende, donkere oogen, en een kleinen, keurig onderhouden bakkebaard, die zoo zwart als schoensmeer was – hij sprak zeer zacht en zoetjes – hij scheen altijd de menschen, met welke hij sprak, naauwkeurig op te nemen, en hij vleide de geheele wereld. Wat Blewitt betreft, die was van een geheel anderen aard. Hij was onophoudelijk aan het vloeken en aan het zingen, sloeg iedereen op den rug, en scheen de opregtste en vertrouwelijkste mensch op aarde. Hij deed [42]zich voor als iemand van vrolijken, onbezorgden, eerlijken aard, een man aan wien men bloed en goed kon toevertrouwen.

Dit was ook de meening van Dawkins; die, hoewel hij een stil jong mensch was, die van boeken, romans, Byron’s gedichten, fluitspelen en diergelijke wetenschappelijke tijdkortingen hield, een boezemvriend werd van den eerlijken Richard Blewitt, en kort daarop ook van mijn meester, den HoogWelgeboren heer Algernon. Die arme Dawkins! hij verbeeldde zich, dat hij fatsoenlijke kennissen en ware vrienden had gevonden – hij was in aanraking gekomen met twee der schandelijkste opligters, die ooit geleefd hebben.

Vóór de komst van den heer Dawkins in ons huis, had zich de heer Deuceace naauwelijks verwaardigd met den heer Blewitt te spreken: maar, omstreeks ééne maand na deze gebeurtenis, werd mijn meester plotseling buitengewoon vriendelijk jegens hem.

De oorzaak er van was dood eenvoudig: Deuceace had hem noodig. Dawkins was geen uur in gezelschap van mijn heer geweest, of hij begreep, dat hij een vogeltje gevonden had, waaraan iets te plukken viel.

Blewitt wist dit ook; en daar hij zelf er veel van hield, wilde hij dit vogeltje voor zich alleen houden.

Het was aardig te zien, welke kunstgrepen de heer Algernon aanwendde, om het ongelukkige slagtoffer uit de klaauwen van Blewitt te rukken, die [43]zich verbeeldde, dat hij het vast hield. Hij had ook, juist om die reden, Dawkins naar deze kamers gebragt, waar hij dacht, hem in veiligheid te hebben en hem op zijn gemak tot zijn buit te kunnen maken. Mijnheer ontdekte weldra het spel van den heer Blewitt. Spelers kennen spelers, zoo niet intiem, ten minste bij naam; en hoewel de heer Blewitt in een veel minderen kring zich bewoog, dan de heer Deuceace, waren zij beiden zeer goed van elkanders handelwijze en karakter onderrigt.

„Karel, jou lummel,” zeide op zekeren dag Deuceace tot mij (hij sprak mij altijd op deze vriendelijke wijze aan): „wie is toch die mensch, welke de kamers over onze deur heeft gehuurd, en die zoo vlijtig op de fluit blaast?”

„Het is een mijnheer Dawkins, een rijke jonge heer, van Oxford gekomen, en een groote vriend van den heer Blewitt, mijnheer,” antwoordde ik, „zij schijnen den geheelen dag bij elkander te zijn.”

Mijnheer zeide niets, maar hij grijnsde, o heer, wat grijnsde hij! De duivel zelf kon niet zoo satanisch grijnzen als hij!

Ik wist nu, wat hij in het schild voerde:

1e. Een man, die op de fluit speelt, is een stommerik.

2e. De heer Blewitt is een schoft.

3e. Als een stommerik en een schoft den geheelen dag bij elkander zijn, en als de stommerik bovendien een rijk man is, dan kan men wel raden, wat er van groeijen moet.

Ik was maar een jongen in die dagen, maar ik [44]was op de hoogte der zaken even zoo goed als mijnheer: het zijn niet alleen de heeren, die van alles afweten. O hemel neen!

Wij waren met ons vieren in dat huis; vier der aardigste jonge lieden, die men ooit heeft gezien: mijnheer Bruffy had een jongen man in zijne dienst, en de heer Dawkins had er een, en de heer Blewitt ook, en ik kwam er bij – wij wisten, wat onze heeren begonnen, even goed als zij het zelve wisten.

Bij voorbeeld, wat mij aangaat, ik verklaar, dat er geen papiertje in den lessenaar of in de laden van Deuceace was, geene rekening, briefje of aanteekening, die ik niet, even zoo goed als hij zelf, had gelezen. Bij den heer Blewitt was dit ook het geval – ik en zijn jongen hadden inzage in alles. Er werd geen flesch wijn opengetrokken, of wij kregen er een glas vol uit; er werd geen pond suiker opgedaan, of wij hadden er een klontje of wat van. Wij hadden sleutels van al de kasten – wij keken in al de brieven, die aankwamen of weggezonden werden – wij gingen alle rekeningen en kwitanties na – wij hadden de beste stukjes van het eten, de levers uit de kippen, de balletjes uit de soep, de eijeren van de salade. Wat de steenkolen en kaarsen betrof, die lieten wij aan de schoonmaaksters over.

Men moge dit stelen noemen – gekheid – het zijn alleen onze regten. – De voordeeltjes, aan de betrekking van bediende verbonden, zijn even heilig, als de wetten van Engeland. Maar om kort te gaan – de heer Richard Blewitt verkeerde in de volgende omstandigheden. Hij had een jaarlijksch [45]inkomen van drie honderd pond van zijn vader. Daaruit had hij honderd negentig pond ’s jaars af te doen, voor geld, dat hij opgenomen had, terwijl hij aan de academie was; voor kamerhuur betaalde hij zeventig pond ’s jaars; zijn paard kostte hem nog zeventig pond; zijn knecht, die zijn eigen kost moest vinden, tachtig pond in de twaalf maanden, en eene afzonderlijke huishouding in het Regents’-park kostte hem omstreeks drie honderd en vijftig pond in het jaar; daar kwam zijn zakgeld bij, dat om de honderd pond beliep; zijn eten, drinken, en wijnhandelaars-rekening bedroegen ongeveer twee honderd pond meer. Men ziet alzoo, dat hij een aardig sommetje over had aan het einde van het jaar.

Met mijn heer was het anders gesteld; en daar hij een man van veel hoogeren stand was dan de heer Blewitt, is het natuurlijk, dat hij veel meer geld schuldig was.

Er was in de eerste plaats: p. st. s. d.
Debet bij Crockford: 3711 0 0
Wissels en acceptaties: (de meeste van deze laatste betaalde hij niet) 4963 0 0
21 kleedermakers-rekeningen, in het geheel: 1306 11 9
2 paardenkoopers idem: 402 0 0
2 rijtuigmakers idem: 506 0 0
Rekeningen te Cambridge gemaakt: 2193 6 8
Allerlei: 987 10 0
14069 8 5

Ik geef dit als iets zeldzaams; de menschen weten niet, over het algemeen, hoe, in vele gevallen, eene [46]fatsoenlijke levenswijze wordt ingerigt; en het is reeds leerzaam en aangenaam tevens, als men weet hoe veel een regt fatsoenlijk man schuldig kan zijn.

Maar om mijn verhaal weêr op te vatten.

Juist den dag nadat mijnheer die inlichtingen omtrent den heer Dawkins gevraagd had, van welke ik reeds melding heb gemaakt, ontmoette hij den heer Blewitt op den trap, en het was verwonderlijk te zien, hoe deze heer, dien hij zich tot nu toe naauwelijks verwaardigd had te groeten, nu door hem werd ontvangen. Een van de zoetste glimlachjes, die ik ooit had gezien, was nu op het gelaat van den heer Deuceace zigtbaar. Hij strekte zijne hand, met een wit glacé handschoen bedekt, uit, en, met de vriendelijkste stem mogelijk, zeide hij tot hem: „Wel, mijnheer Blewitt! ’t is wel eene eeuw sedert wij elkander ontmoet hebben. ’t Is waarachtig schande, dat buren elkander zoo weinig zouden zien!”

De heer Blewitt stond aan de deur van zijne kamer met een sigaar in den mond, in een licht groen chamber-cloak gekleed, en bezig om een jagtlied te neuriën. Eerst keek hij verwonderd op, toen scheen hij zich gevleid te voelen, daarop begon hij argwaan te vatten.

„Wel … ja …” zeide hij, „’t is lang geleden sedert wij elkander gezien hebben, mijnheer Deuceace.”

„Ik geloof haast, niet sedert wij zamen bij Sir George Hockey aten – à propos! dat was toch een vrolijke avond; niet waar, mijnheer Blewitt? Uitstekende wijn! heerlijke liederen! Ik herinner mij [47]nog uw lied van „den Meimorgen”; waarachtig, het aardigste, komiekste lied, dat ik van mijn leven gehoord heb. Ik sprak er gisteren avond nog over, met den hertog van Doncaster. Gij kent toch den hertog, niet waar?”

De heer Blewitt antwoordde, zoo knorrig mogelijk: „Neen, ik ken hem niet.”

„Wat, gij kent hem niet!” riep mijnheer uit, „wel, waarachtig, Blewitt! hij kent u, – iedereen, die in Engeland renpaarden houdt, kent u, gelijk ik mij verbeeld. Kom, man, uwe aardigheden zijn te Newmarket in ieders mond.”

En op deze wijze ging mijnheer voort, den heer Blewitt te streelen. In den beginne antwoordde die heer kortaf en knorrig; maar na een weinig meer, vleijerij werd hij zoo beleefd mogelijk; hij liet zich door de schoone woorden van Deuceace foppen, en geloofde al zijne leugens. Eindelijk werd de deur toegedaan, en beiden traden in de kamer van den heer Blewitt.

Natuurlijk is het niet in mijne magt, om hetgeen daar gebeurde over te vertellen; maar na verloop van ongeveer een uur, kwam mijnheer, zoo geel als mosterd, naar zijne eigene kamer terug, eene akelige tabakslucht mede brengende. Nooit van mijn leven heb ik een arm mensch zoo zien lijden, als hij nu deed. Hij had waarachtig bij den heer Blewitt sigaren gerookt.

Ik zeide natuurlijk niets, hoewel ik dikwijls gehoord had, hoe hij zijn afkeer van den tabak lucht gaf, en zeer goed wist, dat hij even gaarne vergift [48]als tabaksrook zoude inslikken. Maar hij was geen mensch om iets zonder bepaalde redenen te doen, en indien hij gerookt had, dan was het ook met het een of ander doel geschied; daarvan was ik overtuigd.

Ik had dan het gesprek tusschen de beide heeren niet vernomen, maar de bediende van den heer Blewitt wel; het was als volgt: „Wel, mijnheer Blewitt, welke heerlijke sigaren! Hebt gij er niet een van over, voor een vriend?” (De oude vos; ’t was niet alleen de sigaar, dien hij inpalmen wilde!)

„Kom binnen,” zeide mijnheer Blewitt, en zij raakten met elkander aan het praten; mijnheer steeds zeer nieuwsgierig omtrent den jongen heer, die pas in onze buurt was komen wonen, den heer Dawkins, en altijd op dat punt terugkeerende; aanmerkende, dat menschen, die hetzelfde huis bewoonden, op een vriendschappelijken voet met elkander moesten leven; hoe aangenaam het hem zijn zoude, met den heer Richard Blewitt en zijne vrienden, wie ze ook waren, nader bekend te worden, en zoo voort. De heer Richard evenwel scheen den strik op te merken, dien men voor hem spande.

„Waarachtig,” zeide hij, „ik ken dezen Dawkins niet; hij is de zoon, gelijk ik hoor, van een kaaskooper, en, hoewel ik hem eene contra-visite heb gebragt, ben ik niet geneigd verder kennis met hem te maken, daar ik niet wensch, met zulke menschen om te gaan.” [49]

En op deze wijze gingen zij voort; mijn heer steeds aan het uitvisschen, en de heer Blewitt geenszins geneigd aan den hengel te bijten, wat het ook kostte.

„De drommel haal den gemeenen schoft!” bromde mijnheer, nadat hij mislijk was geweest. „Hij heeft mij met zijn vervloekten tabak vergeven, en mij toch teleurgesteld. Die verd.…. schurk, die boer! hij heeft voor, dien armen kaaskooper te grond te rigten; maar ik zal naar hem toegaan en hem waarschuwen.”

Ik dacht, dat ik het uitproesten zoude van lagchen, toen ik hem op deze wijze hoorde spreken. Ik wist, wat zijne waarschuwing beteekende: – zoo veel als de staldeur toesluiten, maar eerst het paard stelen.

Den volgenden dag werd zijn plan ten uitvoer gebragt, om met den heer Dawkins in kennis te komen; het was een aardige zet.

Ik moet u dan verhalen, dat de heer Dawkins, behalve de poëzij en het fluitspelen, ook andere liefhebberijen had; – hij hield namelijk zeer veel van lekker eten en drinken.

Na den geheelen dag over zijne muzijk en zijne boeken gehangen te hebben, ging de jonge heer gewoonlijk des avonds uit, om hier of daar deftig te dineren en met zijn vriend, den heer Blewitt, allerhande fijne wijnen te drinken. In den beginne was hij een rustig jong mensch, maar het was de heer Blewitt, die hem, voor zijn eigen doel, aan deze levenswijze had gewend. Nu behoef ik niet te zeggen, dat hij, die ’s middags lekker eet en ’s nachts [50]te veel wijn drinkt, ’s morgens eene flesch soda-water en misschien eene kotelette daarbij lust. Dit was het geval met den heer Dawkins, en geregeld, klokslag twaalf uur, kwam de oppasser van Dick’s koffijhuis onzen trap op, met het warme ontbijt van den heer Dawkins.

Niemand voorwaar zoude iets hebben kunnen ontdekken, wat hem in eene zoo onbelangrijke omstandigheid van dienst kon zijn, maar met mijnheer was het anders: hij viel er op aan, als eene kip op een graankorrel.

Hij zond mij naar Picadilly, om een Straatsburger paté – in het Fransch paté de foie gras – te halen. Hij nam een kaartje, spijkerde het er boven op, (de patés komen gewoonlijk in ronde houten trommeltjes) – en wat denkt de lezer, dat hij er op schreef?

Hij schreef het volgende:

„Aan den hoog welgeboren heer Algernon Percy Deuceace, enz. enz. enz. Met vriendelijken groet van Prins Talleyrand.”

„Met vriendelijken groet van Prins Talleyrand” waarachtig! Ik moet nog lagchen als ik er aan denk, de lepe vent, waarachtig! – hij was een lepe vent, die Deuceace.

Nu gebeurde het, zeer ongelukkig, den volgenden dag, juist op het oogenblik, dat het ontbijt van den heer Dawkins den trap opkwam, dat de heer Algernon Percy Deuceace den trap afging. Hij was vrolijk als een leeuwerik, hij neuriede een operadeuntje en speelde met zijn wandelstok, die voorzien was van een zwaren gouden knop. [51]

Hij liep den trap af zoo snel hij kon, en, op de toevalligste en ongelukkigste wijze der wereld, sloeg hij met zijn stok tegen het blad, dat de oppasser naar boven bragt, en weg was de kotelette, de Cayenne-peper, de saus en het soda-water van den heer Dawkins! Ik kan niet begrijpen, hoe mijnheer zoo juist het oogenblik had kunnen treffen; maar het is waar, dat zijn venster het uitzigt had op de plaats, en dat hij iedereen kon waarnemen, die de deur binnen kwam.

Zoodra het ongeluk gebeurd was, werd mijnheer zoo woedend, dat ik zijn weêrga daarin niet gezien heb; hij vloekte tegen den knecht, dreigde hem met zijn stok, en kwam eerst een weinig tot bedaren, toen hij bemerkte, dat de oppasser een veel sterker man was, dan hij.

Hij keerde naar zijne kamers terug, en Jan de oppasser draafde weg, om een ander ontbijt te halen, van Dick’s koffijhuis.

„Dit is een allerongelukkigst geval, waarachtig, Karel,” zeide mijnheer, na een kort stilzwijgen, gedurende hetwelk hij een briefje had geschreven, in een couvert gedaan en met zijn groot zegel, met het wapen daarop, toegelakt. „Maar zie eens, – daar komt mij iets in de gedachten – breng dit briefje bij den heer Dawkins, met de paté, die gij gisteren gehaald hebt, en hoor eens, vriendje, als gij vertelt, waar het van daan komt, dan sla ik u alle botten stuk!”

Daar ik wist, dat deze soort van belofte onder de weinige behoorde, waaraan hij gewoonlijk voldeed, [52]en daar ik grooten prijs op mijne botten stelde, bragt ik het briefje weg en verklapte niets. Na eenige oogenblikken in de kamers van den heer Dawkins te hebben gewacht, keerde ik, met zijn antwoord, naar mijn heer terug.

Het zal misschien niet ongepast zijn, om deze beide stukken mede te deelen, daar ik van beiden afschriften gemaakt heb.

I.

De hoog welgeboren heer A. P. Deuceace aan den heer T. S. Dawkins.

„Het Temple, Dingsdag.

„De heer Deuceace zendt vriendelijke groeten aan den heer Dawkins, en neemt de vrijheid om zijn leedwezen te betuigen, en zijne excuses te maken, over het ongeluk, dat zoo even gebeurd is.

„De heer Deuceace, gebruik makende van de voorregten van een buurman, neemt ook de gelegenheid waar, om, zoo goed mogelijk, het kwaad, dat hij veroorzaakte, te herstellen. Indien de heer Dawkins hem de eer wil bewijzen, den inhoud aan te nemen van het bijgevoegde kistje (direkt uit Straatsburg, en de gift van een vriend, op wiens smaak als gourmand de heer Dawkins vertrouwen kan), zal hij misschien ondervinden, dat het eenigzins waardig is, de plat te vervangen, van welke de onhandigheid van den heer Deuceace den heer Dawkins heeft beroofd.

„Tevens zal het, zonder twijfel, den oorspronkelijken [53]zender van de paté hoogst aangenaam zijn, te vernemen, dat het in de handen is gekomen van een zoo bekenden bon vivant, als de heer Dawkins.

„Aan den wel edelgeboren heer T. S. Dawkins, enz.”

II.

„Van den heer T. S. Dawkins, aan den hoog welgeboren heer A. P. Deuceace.

„De heer Thomas Smith Dawkins is hoogst gevoelig voor het kostbare geschenk van den heer Deuceace, en hij verzekert aan zijn hoog welgeboren, dat hij het, met de meeste dankbaarheid, heeft aangenomen.

Het zoude een der gelukkigste dagen zijn uit het leven van den heer Dawkins, indien de heer Deuceace het van zijne edelmoedigheid kon verkrijgen, om met zijne tegenwoordigheid den maaltijd te vereeren, dien de heer Dawkins aan zijner hoog welgeboren mildheid heeft te danken.

Menigmaal heb ik over deze twee brieven gelagchen, welke ik van de oorspronkelijken, door den klerk van den heer Bruffy, heb doen afschrijven. De list van Deuceace, betreffende Prins Talleyrand werd met den besten uitslag bekroond. Ik zag den jongen Dawkins van vreugde bloozen, toen hij het briefje doorlas. Hij verscheurde vier of vijf vellen postpapier, eer hij het antwoord gereed had, dat ik boven heb medegedeeld, en dat met eene van [54]vreugde bevende hand geschreven werd. Men had maar den zegevierenden blik in de booze, zwarte oogen van Deuceace moeten lezen, toen hij dezen brief ontving! Ik heb nooit een echten duivel gezien, maar ik kan er mij best een verbeelden, hoe hij eene ongelukkige, gepijnigde ziel tusschen zijne klaauwen houdt, en glimlacht even als de heer Deuceace. Deze trok echter zijne beste kleederen aan en ging den gang over, naar den heer Dawkins, bij wien hij mij vooraf had gezonden, om te zeggen, dat hij zijne beleefde uitnoodiging zeer gaarne aannam.

De pastei werd aangesneden, en er begon een zeer, vriendelijk gesprek tusschen de beide heeren. Deuceace was betooverend. Hij sprak tegen den heer Dawkins op de meest eerbiedige en vleijende wijze – hij stemde alles toe, wat deze zeide – hij roemde zijn smaak, zijne meubels, zijn rok, zijne klassieke geleerdheid en zijn fluitspelen; als men hem gehoord had, zoude men zich verbeeld hebben, dat zulk een voorbeeld van voortreffelijkheid, als de heer Dawkins was, niet meer op deze aarde bestond, en dat zulk een bescheiden, opregt, eerlijk man als Deuceace, nergens dan in Pump-court te vinden was. De arme Dawkins was geheel en al ingepakt. Mijnheer beloofde hem bekend te maken met den hertog van Doncaster, en de Hemel weet hoe veel dergelijke groote heeren meer, zoodat Dawkins buiten zich zelven van vreugde was. Ik weet zeker (en deze daadzaak verschaft eenen diepen blik in het karakter [55]van den jongen heer), dat hij op denzelfden dag twee nieuwe rokken bestelde, ten einde gekleed te zijn, als hij kennis met de hooge personaadjen ging maken.

Maar het beste volgde nog. – Zingende, schreeuwende en vloekende komt de heer Richard Blewitt op eens den trap op. – Hij stiet de deur bij den heer Dawkins open, hem toeroepende: „Dawkins, mijn jongen, hoe gaat het?” toen hij plotseling den heer Deuceace ontwaarde. Zijn gezigt werd lang; hij werd wit als krijt, en dan weder vuur rood; hij zag er uit, alsof men hem met eene veêr zoude kunnen omverstooten.

„Waarde heer,” zeide Deuceace, hem met een glimlach de hand gevende, „wat doet het mij pleizier, u te zien. Mijnheer Dawkins en ik waren juist aan het praten over uw hit – ga maar zitten, als het u belieft.”

Dat deed ook de heer Blewitt, en nu was de vraag, wie bet langst zou blijven zitten. Maar mijn Hemel! Blewitt kon mijn meester niet aan. Gedurende den geheelen tijd was hij onrustig, en stil, en knorrig: mijnheer integendeel was allerliefst. Ik heb nooit iemand zoo spraakzaam, of zoo geestig gezien. Eindelijk, geheel en al uit het veld geslagen, stond de heer Blewitt op, om afscheid te nemen; mijn heer volgde hem oogenblikkelijk, en, den heer Richard bij den arm vattende, bragt hij hem naar onze kamers, en begon met hem op de vriendelijkste, liefste wijze te praten, die mogelijk was.

Maar Richard was te knorrig om te luisteren, en [56]eindelijk, terwijl mijnheer bezig was, hem een of ander lang verhaal op te disschen aangaande den hertog van Doncaster, barstte Blewitt uit, met:

„De drommel haal den hertog van Doncaster! kom, kom, mijnheer Deuceace, blijf maar t’ huis met uwe gekheden; ik ben geen man om gefopt te worden door langdradige vertelseltjes van hertogen en hertoginnen. Gij gelooft, dat ik u niet ken – maar iedereen kent u en uwe manier van leven. Ja wel! – gij loopt dien jongen Dawkins na, en denkt hem te plukken; maar dat zal niet gebeuren – zoo waar ik leef, daarvan zal niets komen!”

(De lezer herinnere zich, dat ik de vloeken, waarmede de heer Blewitt aan zijne woorden klem bijzette, weggelaten heb.) Nadat hij er dan eene menigte had geuit, antwoordde hem de heer Deuceace, met de meest mogelijke koelbloedigheid:

„Hoor eens, Blewitt, ik weet, dat gij een der vervloektste gaauwdieven en schurken zijt, die nog niet gehangen zijn. Indien gij het waagt, mij bang te willen maken, zal ik mijn stok op uwe schouders stuk slaan; als dat niet voldoende is, zal ik u door den kop schieten; als gij durft te treden tusschen mij en Dawkins, doe ik beiden. Uw geheel leven is mij bekend, ellendige bedrieger en lafaard! Ik weet, dat gij reeds twee honderd pond van dezen jongen hebt gewonnen, en dat gij gaarne alles zoudt hebben. Ik voor mij wil de helft hebben, of gij voor u zult er nooit éénen cent van zien,”

Wáár is het, dat mijnheer al deze dingen wist; maar hoe? Daar zat de knoop. [57]

Ik kon het gezigt van den heer Blewitt gedurende dit gesprek niet zien, omdat ik aan den verkeerden kant van de deur stond; maar er volgde een langdurig stilzwijgen na deze wederzijdsche complimenten tusschen de twee heeren – de een wandelde snel op en neder door de kamer, terwijl de ander, knorrig en verlegen, stil bleef zitten, en van tijd tot tijd met den voet stampte.

„Nu luister eens verder, mijnheer Blewitt,” zeide eindelijk mijn heer, „zoo gij bedaard zijt, zult gij de helft hebben van het geld van dezen mensch; maar als gij het waagt, om éénen cent van hem te winnen als ik er niet bij ben, of zonder mijne toestemming, dan moet gij zelf voor de gevolgen instaan.”

„Ja, maar, mijnheer Deuceace,” riep Richard uit, „ik moet zeggen, dat het zeer hard voor mij, en niet mooi van u is; het wild heb ik opgejaagd, en gij hebt geen regt, u met mijn vriend te bemoeijen.”

„Mijnheer Blewitt, gij zijt niet bij uw verstand! gisteren verklaardet gij, dat gij dezen mensch niet kendet, en ik was genoodzaakt, hem zelf op te sporen. Ik zoude nu wel eens willen weten, door welke wet van eer ik verpligt ben, hem aan u over te leveren?”

Het was alleraardigst, die twee schurken over de eer te hooren spreken. Ik verklaar, dat ik het over mij had kunnen verkrijgen, om den jongen Dawkins te waarschuwen voor de mooije plannen, welke deze menschen omtrent hem hadden gesmeed. Maar hoewel zij geen eergevoel hadden, ik bezat het zelf, en nooit heb ik iets van mijne heeren verklapt, [58]zoolang ik in hunne dienst was – nadat ik hen verlaten had, bestond de verpligting natuurlijk niet meer.

Den volgenden dag was er een groot diné op onze kamers. Witte soep, tarbot en kreeftensaus, Schotsch lamsvleesch en macaroni, wijn in overvloed; Champagne, Rijnwijn, Madera, eene flesch port, en de Hemel weet, hoe vele flesschen Bordeaux. Het gezelschap bestond uit drie personen, namelijk: de hoog welgeboren heer Deuceace, en de heeren Blewitt en Dawkins. Wat hadden wij heeren in de keuken er genot van! De knecht van den heer Blewitt at zoo veel wild (nadat het van binnen was gehaald), dat ik waarachtig voor zijne gezondheid bezorgd werd; de jongen van den heer Dawkins, die slechts dertien jaren oud was, werd zoo misselijk van de macaroni en den plum-pudding, dat hij genoodzaakt werd verscheidene van de pillen van den heer Dawkins in te nemen, die hem half dood maakten. Maar dit is eene afwijking; ik spreek nu niet van de knechten, maar van hunne meesters.

Zoude men het willen gelooven? Na het eten (en na misschien acht flesschen wijn onder hen drieën gedronken te hebben) zetten zich de heeren neder, om écarté te spelen. Het is een spel, dat slechts door twee menschen kan gespeeld worden; natuurlijk dus, dat, als er drie bij elkaâr zijn, één altijd moet toekijken.

In den beginne speelden zij maar vijf shillings de partij, met weddingschappen tusschen beiden van één pond. Bij dit spel was het geluk buitengewoon [59]regtvaardig; en tegen het avondeten (toen gebraden ham, nog meer Champagne, devilled biscuits en meer van dien aard op tafel werd gezet) stond de rekening aldus: de heer Dawkins had twee pond gewonnen; de heer Blewitt een pond tien shillings; terwijl de heer Deuceace drie pond tien shillings verloren had. Na het souper en den Champagne, speelde men een weinig hooger – de partij om één pond, weddingschappen vijf pond. Ik dacht zeker, na de complimenten, die des morgens tusschen Blewitt en mijn heer gewisseld waren, dat het uur van den armen Dawkins geslagen had.

Maar dit was het geval niet. Dawkins won maar altijd door; de heer Blewitt wedde op zijn spel en gaf hem steeds den besten raad. Tegen het einde van den avond (omstreeks vijf uur ’s morgens) scheidden zij. Mijnheer telde de rekening na, op eene kaart.

„Blewitt,” zeide hij, „ik hen ongelukkig geweest. Gij moet van mij hebben – laat ik eens zien – ja – vijf en veertig pond?”

„Vijf en veertig,” antwoordde Blewitt – „juist!”

„Ik zal het oogenblikkelijk afdoen,” zeide mijn zeer eerlijke meester.

„O!! spreek er niet van, waarde heer!”

Maar mijn heer nam een groot vel papier en gaf hem dadelijk een wissel op zigt, op de heeren Pump, Aldgate en Comp, die niet bestonden en zijne bankiers waren.

„Nu,” zeide mijn heer, „moet ik met u afrekenen, waarde heer Dawkins. Indien gij iets meer [60]had gewaagd, dan was ik u eene aardige som schuldig geweest. Voyons: dertien partijen, elk om één pond – dat is gemakkelijk te berekenen;” en zijne beurs trekkende, liet hij dertien goudstukken op tafel blinken; zij schitterden zóó, dat mij de oogen er van zeer deden.

De arme Dawkins ontstelde ook, toen hij zijne bevende hand uitstrekte, om ze op te steken.

„Vergun mij, u te verzekeren,” zeide mijnheer, „vergun mij, u te verzekeren, en ik heb een weinig ondervinding gehad, dat gij de beste écarté speler zijt, tegen wien ik ooit mijn geluk heb beproefd.”

De oogen van Dawkins glinsterden, terwijl hij het geld in den zak deed, en hij zeide:

„Kom, Deuceace, gij vleit mij!

Vleijen! Ja wel – dat was juist mijnheers bedoeling; die ging nu voort:

„Maar let er op, Dawkins, ik moet revanche hebben; want waarachtig gij hebt mij arm gemaakt – totaal arm – door uw geluk.”

„Nu, nu,” zeide de heer Thomas Smith Dawkins, even tevreden alsof hij een millioen had gewonnen – „wilt gij het morgen hebben? Blewitt, hoe denkt gij er over?”

Den heer Blewitt was dit natuurlijk zeer aangenaam. Na zich een weinig bedacht te hebben, stemde mijn heer ook toe.

„Wij zullen op uwe kamers bij elkander komen,” zeide hij, „maar niet te veel wijn, denk er aan; ik kan er nooit goed tegen, en vooral niet als ik met u écarté moet spelen.” [61]

De arme Dawkins verliet onze kamers zoo gelukkig als een vorst.

„Daar Karel!” riep hij, mij een goud tientje toe werpende. Arme jongen! arme jongen! Ik wist maar al te goed, wat volgen zoude.

Maar het beste van de grap was, dat die dertien pond, welke Dawkins gewonnen had, door mijnheer van den heer Blewitt geleend waren! Ik had ze, tegelijk met zeven pond er bij, denzelfden morgen van hem afgehaald; want sedert zijne ontmoeting met mijnheer durfde Blewitt hem niets ter wereld weigeren.

Zal ik nu mijn verhaal voortzetten? Indien de heer Dawkins de minste wijsheid ter wereld had bezeten, dan zoude hij zes maanden noodig gehad hebben, om al zijn geld te verliezen; hij was echter zoo allerbespottelijkst onverstandig, dat maar zeer korte tijd vereischt werd, om dat doel te bereiken.

Den volgenden dag (het was een donderdag, en de kennismaking met den heer Deuceace dagteekende van dingsdag), gaf de heer Dawkins zijne partij, – een diné om zeven uur. Tegenwoordig waren de heer Blewitt en de beide heeren D., gelijk te voren. Het spel begon om elf uur. Nu begreep ik, dat de zaak ernstig was gemeend; want om twee uur werden wij heeren knechten naar bed gezonden. Op vrijdag ging ik naar onze kamers – mijnheer was niet te huis – tegen twaalf uur kwam [62]hij, voor een minuut of vijf, eventjes binnenloopen, bestelde meer eten en soda-water, en ging weder terug naar den heer Dawkins.

Dáár dineerden zij ook weder om zeven uur, maar niemand gebruikte iets; want al het eten kwam naar beneden, bij ons; zij dronken echter meer wijn, op zijn minst twee dozijn flesschen in zes en dertig uren.

Om tien uur evenwel, ’s vrijdags avonds, kwam mijnheer naar zijne kamers terug. Ik zag hem toen, zoo als ik hem nooit te voren had gezien – geheel en al dronken. Hij rolde over de kamer – danste – had den hik – vloekte – wierp mij een handvol zilvergeld toe, en eindelijk viel hij, geheel en al uitgeput, op zijn bed neder. Ik trok hem de laarzen en kleederen uit, en maakte hem alles gemakkelijk.

Toen ik zijne kleederen had weggenomen, deed ik hetgeen de pligt is van elken bediende. Ik ledigde al zijne zakken, en keek zijne portefeuille en brieven door: vele ongelukken werden op deze wijze voorgekomen. Ik vond eene menigte zaken bij elkander, en daaronder het volgende mooije stuk:

Goed voor 4700 p. st.

Op zigt betaal ik vier duizend zeven honderd pond sterling aan den heer A. P. Deuceace of order.

Thomas Smith Dawkins.

[63]

Er was nog één stuk papier van denzelfden aard, voor eene som van vier honderd pond, geteekend „Richard Blewitt”; maar dit was natuurlijk van geene beteekenis.

Den volgenden morgen om negen uur was mijnheer al op; hij had zijn roes geheel uitgeslapen. Hij kleedde zich, en ging weder naar den heer Dawkins. Om tien uur bestelde hij eene vigilante, en de twee heeren stegen met elkander in het rijtuig.

„Waar naar toe, mijnheer?” zeide ik.

„O! – ja – zeg den voerman maar, dat hij naar de Bank moet rijden.”

Die arme Dawkins! zijne oogen waren rood van berouw en slapelooze dronkenschap – hij gaf een snik, en eene huivering overviel hem als hij zich in het rijtuig achterover wierp toen zij weg reden.

Op dien dag moest hij alles verkoopen wat hij bezat, op vijf honderd pond na.

Tegen twaalf uur keerde mijnheer naar huis terug, en de heer Richard Blewitt kwam den trap op met eene plegtige en indrukwekkende deftigheid.

„Is mijnheer te huis?” zeide hij.

„Ja wel, mijnheer!” zeide ik, en hij trad binnen. Ik hield mijn oor natuurlijk zoo digt mogelijk bij het sleutelgat, en luisterde zoo goed, als ik maar eenigzins kon.

„Wel,” zeide Blewitt, „wij hebben nog al een goeden avond gehad, mijnheer Deuceace. Gij hebt al afgerekend met Dawkins, niet waar?” [64]

„Afgerekend?” zeide mijn heer – „o! ja wel – ja – ik heb met hem afgerekend.”

„Vier duizend zeven honderd pond, niet waar?”

„Omtrent dat – ja.”

„Dat maakt voor mijn aandeel – laat ik zien – twee duizend drie honderd en vijftig pond; die gij de vriendelijkheid zult hebben, mij dadelijk te overhandigen.”

„Op mijn woord – mijnheer Blewitt!” riep mijn heer uit, „waarachtig – ik begrijp u niet!”

Gij begrijpt mij niet?” schreeuwde Blewitt met eene verschrikkelijke stem. „Gij begrijpt mij niet! Hebt gij mij niet beloofd, dat wij eerlijk deelen zouden? Leende ik u dien avond niet twintig pond, om onze verliezen aan Dawkins te betalen! Hebt gij mij niet uw woord van eer, als fatsoenlijk man, gegeven, om mij de helft uit te keeren van alles, wat bij deze zaak te verdienen was?”

„Dat stem ik u toe, mijnheer,” zeide Deuceace, – „dat is waar.”

„Wel, mijnheer! en wat hebt gij er nu tegen in te brengen?”

Niets anders, dan dat ik niet voornemens ben mijne belofte te houden! Ellendige, dwaze deugniet! gelooft gij, dat ik voor u heb gewerkt? Verbeeldt gij u, dat ik mij op kosten joeg, om een diné te geven aan dien gek, ten einde u het voordeel te bezorgen? Pak u weg van hier, mijnheer! Verlaat deze kamer, mijnheer! Maar wacht eens – hier – ik zal u vier honderd pond geven – uwe eigene acceptatie voor die som, mijnheer, indien gij maar [65]alles, wat tusschen ons is voorgevallen, wilt vergeten, en ook dat gij ooit den heer Algernon Deuceace hebt gekend!”

Ik heb in mijn tijd vele razende menschen gezien, maar nooit iemand die Blewitt evenaarde. Hij woedde – hij brulde – hij steunde en vloekte! Eindelijk begon hij te snikken; daarbij nu eens vloekende en op de tanden knarsende, dan weder den goeden, besten heer Deuceace smeekende, genade met hem te hebben.

Eindelijk wierp mijnheer de deur open – jongen, jongen! het was een groot geluk, dat ik niet, hals over kop, de kamer binnen viel! – en hij zeide: „Karel, breng dien heer naar beneden!”

Mijnheer keek hem daarbij strak in ’t gezigt. Blewitt sloop den trap af, in den ellendigsten toestand, dien men zich denken kan. Wat Dawkins betreft; de Hemel weet, waar hij gebleven was!

„Karel,” zeide mijnheer tot mij, ongeveer een uur later: „ik ga naar Parijs; als gij verkiest kunt gij mede gaan.” [66]

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Buiten ’s lands.

Het was een opmerkelijk bewijs van de bescheidenheid van mijnheer, dat hij, hoewel die mooije som van den heer Dawkins hebbende gewonnen en genegen zijnde om de meest mogelijke pracht en vertooning aan den dag te leggen, toch, toen hij besloten had, naar Parijs te reizen, aan geen enkelen vriend een woord vertelde van zijne groote winsten; hij gaf ook aan zijn vader, lord Crabs, geen berigt van zijn voornemen, om zijn geboorteland te verlaten; ja, hij riep niet eens zijne schuldeischers bij elkaâr, om vóór zijn vertrek zijne kleine rekeningen af te doen.

Integendeel – „Karel,” riep hij mij toe, „plak een stukje papier op de deur,” – dit is gebruikelijk onder de advokaten – „en schrijf er op „vóór zeven uur niet te huis.

Ik schreef natuurlijk: „vóór zeven uur niet te huis” en plakte het op de deur.

Zoo geheimzinnig was Deuceace omtrent deze [67]buitenlandsche reis, jegens alle stervelingen (behalve mij), dat toen de waschvrouw hem hare rekening bragt van de vorige maand (bedragende ten minste twee en een half pond), mijnheer haar beval, die dáár te laten, om maandag morgen alles behoorlijk te regelen. Het is opmerkelijk, hoe zuinig een mensch wezen kan, als hij niet meer dan vijf duizend pond op zak heeft.

„Om zeven uur terug!” Ja wel! – Om zeven uur reden wij den weg op naar Dover, met de diligence – mijnheer er binnen in – en ik er boven op. Er was een wonderlijk mengelmoes van menschen in het rijtuig. Boven op waren drie zeelieden; een Italiaan met een draaiorgel en een aap; een missionaris die op weg was, om de heidenen in Frankrijk te bekeeren; twee dames van de opera (figurantes, gelijk men haar noemt) – de moeders der figurantes zaten binnen in – dan nog vier Franschen, met bonte petten en knevels, zingende, pratende, en gesticuleerende op eene allerwonderlijkste wijze. Zij waren uiterst beleefd jegens de figurantes – en deelden krakelingen en brandewijn en water met haar, afgewisseld met ontelbare Qu’il fait froid’s! – O mon Dieu’s! O sacré’s! Ik verstond toen de taal niet en kan alzoo niet veel van hun gesprek mededeelen; maar ik schepte er toch vermaak in, want ik gevoelde nu, dat ik wezenlijk op weg was naar vreemde landen, iets dat ik, sedert mijne opvoeding voltooid werd, steeds zeer vurig had gewenscht. Goede Hemel! dacht ik, als deze menschen modellen zijn van echte Franschen, wat moet dat [68]dan een raar volk zijn! De aap van den armen Italiaan, die treurig en kwijnende boven op zijn hok gezeten was, zag er niet half zoo leelijk uit, en scheen even verstandig te zijn als zij.

Best – wij kwamen dan te Dover aan en gingen naar het Ship-hôtel – eene kalfscarbonnade: een half guinéa – een glas ale: een shilling – een glas wijn en water: twee shillings en zes stuivers – voor een dubbeltje waskaarsen: vier shillings enz. Maar mijnheer betaalde zonder te morren – zoo lang het voor zich zelven was, bekommerde hij zich om de onkosten niet – en den volgenden dag scheepten wij ons in naar Boulogne-sur-Mer, hetgeen op zijn Fransch zeggen wil, de stad Boulogne gelegen op zee. Ik, die reeds veel van buitenlandsche wonderen had gehoord, verwachtte, dat dit een der grootste van allen zoude zijn; men verbeelde zich dan mijne teleurstelling, toen wij daar aankwamen, en toen ik ontdekte, dat Boulogne niet op zee, maar aan wal gelegen was. Maar ach! het daarheen komen; dat was het moeijelijke! Wat verlangde ik weder naar Pump-court, terwijl wij in het kanaal geslingerd werden! Lieve lezer, zijt gij ooit op den oceaan geweest: „de zee, de zee, de ruime zee”? gelijk Barry Cornwall zingt. Zoodra wij aan boord van ons kleine schip waren, en ik mijnheer’s bagage en de mijne (die in een zeer kleinen zakdoek gerold was) had geborgen; zoodra, zeg ik, als wij aan boord waren, en ik de golven zag, donker en schuimend, als pas afgetapt bier, tegen de ribben van ons dapper vaartuig aanbruisende; de kiel, als [69]een hakmes de baren klievende; toen ik de zeilen zag heen en weêr fladderen in den wind, den standaard van Engeland boven in den mast wapperen, den hofmeester de kommen en zoo voort gereed maken; toen ik den kapitein zag, fier op het verdek op en neder stappende en zijne bevelen aan de zeelieden gevende; toen ik de witte rotsen van Albion en de bad-koetsen in de verte zag verdwijnen – toen – toen gevoelde ik voor het eerst – de verhevenheid – de onbekrompenheid van het menschelijke leven.

„Yellowplush, mijn jongen,” zeide ik in gesprek met mij zelven – „uw leven is nu op het punt van te beginnen – uwe loopbaan als man dagteekent van het oogenblik, dat gij den voet aan boord van dit schip hebt gezet. Zijt wijs – zijt moedig en voorzigtig – vergeet de dwaasheden uwer jeugd. Gij zijt niet meer een loopjongen – gij zijt nu reeds een bediende – werp ter zijde uwe tollen – uwe knikkers – uwe kinderspelen – trek uwe kinderschoenen uit, tegelijk met het bemorste buis, dat gij als schoolknaap hebt gedragen – werp – –”

Hier herinner ik mij, dat ik genoodzaakt werd, uit te scheiden. Een gevoel, dat, in de eerste plaats, buitengewoon was, in de tweede plaats pijnlijk en eindelijk ten derde geheel en al overweldigend, had mij overvallen, terwijl ik deze redevoering uitsprak, en ik bevond mij nu in een toestand, dien de welvoegelijkheid mij verbiedt, te beschrijven. Genoeg zij het, te verzekeren, dat ik nu ontdekte, [70]waartoe men kommen kon gebruiken – dat ik, gedurende vele uren, in eene pijnlijke uitputting daarneder lag – als het ware overleden en dood, terwijl de regen kletterde op mijn aangezigt en de matrozen stampten op mijn ligchaam, dat van binnen door de martelingen van het vagevuur werd gepijnigd.

Toen wij omstreeks vier uren in dezen toestand geweest waren (mij schenen zij vier jaren te duren), kwam de hofmeester naar dat gedeelte van het verdek, waar wij dienstboden allen bij elkander lagen.

„Karel!” riep hij.

„Ja!” antwoordde ik, met eene stervende stem, „ja, wat is er te doen?”

„Men heeft u noodig.”

„Waar?”

„Uw heer is zeer ziek,” zeide hij grinnikende.

„Mijnheer kan naar de maan gaan, voor mijn part!” was mijn antwoord, en ik keerde mij om, nog ellendiger dan te voren. Ik was op dat oogenblik voor twintig duizend mijnheers niet opgestaan; neen, niet eens voor den keizer van Rusland of den paus van Rome.

Nu dan, om van dit treurig onderwerp af te komen; ik heb sedert dien tijd vele reizen gedaan, op hetgeen Shakspeare „het ruime sop” noemt; maar nooit heb ik zooveel uitgestaan als op de reis van Dover naar Boulogne in het jaar 1848. Stoombooten waren in die dagen niet menigvuldig, en wij deden den overtogt in een zeilschip. Eindelijk, toen ik zoo uitgeput en wanhopend was, dat ik mij begon te verbeelden aan den rand van het graf te [71]zijn, bereikten wij het doel van onze reis. Des avonds laat begroetten wij de gallische kusten en wierpen het anker in de haven van Boulogne-sur-Mer. Het was de ingang van het Paradijs voor mij en voor mijnheer, en toen wij in het stille water kwamen en de heldere lichten zagen schitteren in de huizen op het strand, en gevoelden dat de beweging van het schip hoe langer hoe minder werd, toen kende onze blijdschap geene palen.

Wij bereikten den wal, onze reize was ten einde; maar van mijn leven heb ik zulk een gewoel en geschreeuw, babbelen en gillen, vloeken en verwenschen niet gehoord, als dat, waarmede wij begroet werden, toen wij landden. In de eerste plaats kwamen er aan boord tolbeambten met steken op, die onze bagage bemagtigden, en naar onze paspoorten vroegen; daarop volgde eene menigte oppassers uit de verschillende logementen, de een vóór, de ander na, over het dek vliegende. – „Dezen kant uit, mijnheer!” riep er één. „Hôtel Meurice!” schreeuwde een tweede. „Hôtel des Bains!” gilde de derde. De toren van Babel was niets, in vergelijking daarmede.

Het eerste, dat mij trof, toen ik aan wal stapte, was een groote kerel met oorringen, die mij bijna omver stootte, terwijl hij mij den reiszak van mijnheer, dien ik naar het hôtel droeg, uit de hand rukte. Maar eindelijk kwamen wij er veilig aan, en voor de eerste maal van mijn leven, sliep ik in een vreemd land.

Ik zal de stad Boulogne niet beschrijven, wijl [72]zij, sedert ik daar voor de eerste maal was, nu twintig jaren geleden (om er een slag in te slaan), door niet minder dan twee millioen Engelschen werd bezocht, en daarom reeds voldoende bekend is. Het is, volgens mijn gevoel, eene treurige, sombere plaats; het eenige, dat zich in de straten beweegt, is de goot, die er door heen stroomt. Klompen heb ik daar weinig gezien, en wat kikvorschen aangaat; ik zag nooit, dat een Franschman er een opat, hoewel men mij heeft doen gelooven, dat zulks hunne geregelde, maar zeer verachtelijke gewoonte is,

De stad is, gelijk iedereen weet, verdeeld in de Haute-ville (op een berg gelegen, door een hoogen muur of boulevard omgeven) en in de Basse-ville op den rand van den oceaan gebouwd. Het was in de Basse-ville dat Deuceace ging wonen, in het hôtel des Bains, in eene zeer kromme straat, de Rue de l’Écu genoemd; en voorwaar, indien hij de hertog van Canterbury of de aartsbisschop van Devonshire ware geweest, had hij zich niet hoogmoediger kunnen gedragen.

Niets was ons nu te goed; wij huurden eene suite kamers, op de eerste verdieping, welke anders altijd door den eersten minister van Frankrijk werden bewoond (ten minste de waard zeide, dat zij au premier waren), en de hoog welgeboren heer Algernon Percy Deuceace, die zijde waschvrouw niet betaald had en met de diligence naar Dover was gereisd, scheen zich nu te verbeelden, dat goud te gemeen voor hem was, en dat eene koets met [73]zes paarden naauwelijks een man van zijn gewigt kon dragen. De Champagne-kurken vlogen als of het maar gember-bier was, behalve Bordeaux-, Bourgogne- en andere wijnen, en al de lekkernijen van de tafels van Boulogne. Wij bleven veertien dagen in deze treurige plaats, en deden niets anders, van den vroegen morgen tot den laten avond, dan op het strand wandelen, om door middel van instrumenten, die men verrekijkers noemt, de schepen de haven te zien uit- en inloopen. Onze vermaken, gedurende deze veertien dagen, waren talrijk en bekoorlijk tevens, inderdaad niets kon meer piquant zijn, gelijk men zegt.

Des morgens, vóór het ontbijt, wandelden wij, met ons beiden, rondom de haven; mijnheer droeg een blaauw zeemans-buis en ik mijne nieuwe liverei; wij waren beiden met de pas gemelde werktuigen – de verrekijkers (deze is de kunstnaam) – gewapend. Door dezelve beschouwden wij zeer aandachtig, ten eerste, den oceaan, dan het zeegras, dan de rotsen, dan de doode katten en de vischwijven, en dan de golven, die gelijk kleine kinderen over elkander rolden, en haar best deden, het eerst aan wal te komen. Mij dacht, dat zij zich moeite gaven, om daar heen te komen, juist als of ze zeeziek waren en naar de gezegende en vreedzame terrafirma verlangden.

Na het ontbijt gingen wij weder naar het strand – ieder op zijn eigen houtje – (want mijne dienst in deze buitenlandsche stad was zoo goed als eene sine-cure), en onze oogen weder in aanraking [74]brengende met onze verrekijkers, beschouwden wij, op nieuw, beurtelings den oceaan en de rotsen, de doode katten en het overige; dit duurde tot etenstijd, en het eten duurde tot het tijd was om naar bed te gaan, en het slapen duurde tot den volgenden dag; dan kwam het ontbijt, en het eten, en de verrekijkers, gelijk den dag te voren. Op deze wijze brengt de geheele bevolking van deze stad het leven door; er zijn daaronder, gelijk ik vernomen heb, tien duizend gelukkige Engelschen, die deze aangename bezigheden volhouden, van het begin tot het einde van het jaar.

Behalve dit heeft men het billard en het spel voor de heeren, eenige weinige danspartijen voor de meisjes, en het kwaadspreken voor de oude dames. Wij namen deel aan geen van deze vermaken. Wij achtten ons iets te goed, om kaart te spelen voor rijksdaalders, en nooit betaald te worden als wij wonnen; veel minder gevoelden wij ons geroepen, de armoedige meisjes na te loopen, of ons den tijd te verkorten met jonge dames om stuivers te spelen, en thee te drinken met de oude wijven. Neen, neen! – mijnheer was nu een voornaam man, en gedroeg zich dien overeenkomstig. Indien hij zich ooit vernederde, om in het salon van het hôtel des Bains, door de Franschen de salle à manger genoemd, te treden, vloekte hij meer en harder dan iemand der aanwezigen; hij schold op de knechten, het eten en den wijn. Met zijn lorgnet in het oog geknepen, staarde hij iedereen in het gezigt. Hij nam altijd de plaats in voor het vuur. Hij sprak over „mijn rijtuig” – „mijn [75]koerier” – „mijn lijfknecht”, en hij had gelijk. Ik heb altijd gezien, dat indien men zich door Engelschen wil doen eerbiedigen, men onbeschoft jegens hen moet wezen, vooral indien men een adellijke spruit is. Wij houden er van, om door edellieden te worden mishandeld; het bewijst, dat ze zeer vertrouwelijk met ons omgaan. Geloof mij, ik heb vele mannen van de wereld gekend, die liever zouden hebben, dat een edelman hun een schop gaf, dan dat hij toonen zoude hen niet te kennen. Zij hebben zelfs mij een zekeren graad van eerbied bewezen, alleen omdat ik de knecht van een edelman was. Terwijl mijnheer den baas speelde in het salon te Boulogne, kan men er op aan, dat ik het in de keuken niet minder deed; het gevolg er van was, dat wij beter bediend en meer bemind werden, dan vele menschen, die tweemaal zooveel verdiensten bezaten.

Deuceace had zonder twijfel eenige bijzondere plannen, welke hem zoolang te Boulogne ophielden, en klaarblijkelijk was het zijn wensch, om een tijdlang dáár den vermogenden man te spelen, eer hij die rol te Parijs op zich nam. Hij kocht een rijtuig, hij huurde een koerier, hij gaf mij een splinternieuwe liverei met galons bedekt. Voor duizend pond van het geld, dat hij van den armen Dawkins gewonnen had, liet hij zich een credietbrief geven op een huis in Parijs; ter zelfder tijd liet hij aan den bankier te Boulogne zien, dat bij nog een groote som in zijn portefeuille bezat. Daardoor bereikte hij een dubbel doel: de bankiersklerken verspreidden het nieuws door de [76]geheele stad, en den dag, nadat mijnheer zijn geld had laten zien, had elke oude vrouw in Boulogne den stamboom der Crab’s in het Peerage opgezocht, en was naauwkeurig bekend geworden met den naam en de bezittingen der Deuceace’s. Indien Satan zelf een pair van het rijk ware, dan geloof ik opregt, dat vele deugdzame Engelsche moeders hem gaarne tot schoonzoon zouden hebben.

Hoewel mijnheer goedgevonden had, Londen te verlaten, zonder aan zijnen vader zijn voornemen mede te deelen, dat hij eene buitenlandsche reis wilde doen, schreef hij, zoodra hij zich te Boulogne bevond, een brief aan lord Crabs, waarvan ik toevallig een afschrift bezit. Het luidt aldus:

„Waarde vader!

„Sedert langen tijd heb ik, in den loop mijner juridische studiën, de noodzakelijkheid gevoeld, om de Fransche taal grondig te kennen, daar de vroegere geschiedenis van alles wat mijn vak betreft, in die taal is geschreven; tevens heb ik besloten een weinig uitspanning te nemen, daar mijn altijd zittend leven een hoogst nadeeligen invloed op mijne gezondheid heeft gehad. Indien mijne geringe middelen eene afwezigheid van twee maanden toelaten, en voldoende zijn voor een verblijf in Parijs, ben ik voornemens, gedurende dien tijd dáár te blijven.

„Wilt gij de goedheid hebben mij een aanbevelingsbrief te zenden aan onzen ambassadeur, lord Bobtail? [77]Mijn naam alleen, en zijne oude vriendschap voor u, ik weet het, zouden mij, ook zonder iets meer, eene goede ontvangst bij hem verzekeren; maar een dringende brief, regtstreeks van u, zoude tevens beleefder zijn, en met meer kracht voor mij werken.

„Mag ik u ook verzoeken om het laatste kwartaal van mijne jaarwedde? Ik geef niet veel geld uit, waarde vader, zoo als gij weet; maar ik ben geen kameleon, en vijftig pond, gevoegd bij de kleinigheden, die ik in mijn vak heb verdiend, zouden de agrémens van mijn buitenlandsch reisje zeer vergrooten.

„Hartelijke groeten aan al mijne broeders en zusters. Ach! hoe vurig wenschte ik, dat het harde lot van een jongeren zoon mij niet had getroffen, en dat ik leven kon, zonder in de noodzakelijkheid te zijn, den kost te verdienen, gelukkig, in de landelijke tooneelen mijner jeugd, en in uw en mijner lieve zusters gezelschap! De Hemel schenke u zijn besten zegen, waarde vader, en aan allen, die nog het lieve, oude huis te Sizes bewonen.

„Steeds uw liefhebbende zoon

Algernon.

Den hoog geboren heer, grave van Crabs, enz, enz.

„Sizes-court, Buckinghamshire.”

Op dezen beminnelijken brief antwoordde zijne heerlijkheid, met omgaanden post, gelijk volgt: [78]

„Waarde Algernon!

„Uwen brief heb ik ontvangen, en ingesloten vindt gij den verlangden aan lord Bobtail. Hij is een best mensch, en heeft een der uitstekendste koks in Europa.

„Wij waren allen zeer getroffen door de hartelijke gevoelens, waarmede gij jegens ons bezield blijft, vooral daar wij u in zeven jaren niet gezien hebben. Zeer aandoenlijk is de teedere liefde, waarmede, in weêrwil van tijd en afwezigheid, gij nog zoo sterk aan het vaderlijke huis gehecht zijt. De wereld is slecht en vol zelfzucht, en zeer weinigen, die er in zijn, kunnen die jeugdige gevoelens bewaren, die u, mijn dierbare zoon, bezielen.

„Ik ben zeer bedroefd – van harte bedroefd – dat mijne balans bij den bankier Coutts voor het oogenblik zoo gering is, dat ik niet in staat ben, om uwe jaarwedde uit te keeren.

„In mijn boek zie ik, dat ik u nu negen kwartalen – vier honderd en vijftig pond in het geheel – schuldig ben. Reken daarop, waarde zoon, dat zij u stiptelijk zullen uitbetaald worden, bij de eerste gelegenheid,

Apropos – ik heb eenige uittreksels uit de couranten ingesloten, waarin gij misschien belang zult stellen.

„Ik heb ook een wonderlijken brief ontvangen van een heer Blewitt, eene speelschuld betreffende, waarop ik veronderstel, dat in de dagbladen gedoeld wordt. Hij zegt, dat gij vier duizend zeven honderd pond hebt gewonnen van een zekeren [79]Dawkins; dat deze mensch ze u ook betaald heeft; dat hij, Blewitt, zoo als hij het noemt, „gelijk op” met u, de winsten had zullen deelen, maar dat gij later weigerdet, hem zijn deel van den buit te geven. Hoe kunt gij toch, waarde zoon, u vernederen door twisten met zulk gemeen volk, of u bloot geven, op welke wijze het ook zij, aan hunne aanvallen? Ik heb in mijn tijd ook veel gespeeld, maar er leeft niemand, die mij van iets dubbelzinnigs kan beschuldigen. Gij hadt dezen Blewitt, òf moeten doodschieten, òf hem betalen. Zoo als de zaken nu gesteld zijn, is het te laat, om het eerste te doen, en wat het laatste betreft, dat zou misschien overtollig zijn. Herinner u steeds, mijn dierbare jongen, dat gij het nooit wagen moet, omtrent een schurk oneerlijk te zijn. Maar het is zeker, twee duizend vier honderd pond waren een groote coup.

„Daar uw beurs nu goed voorzien is, zult gij, beste Algernon, mij wel vijf honderd pond kunnen leenen – op mijn woord van eer, zoo waar ik leef – ik zal ze u terug betalen. Uwe broeders en zusters zenden u hun hartelijken groet. Behoef ik er nog bij te voegen dat gij den zegen hebt van

„Uwen liefhebbenden vader

Crabs.

„P.S. Leen mij vijfhonderd en vijftig pond en ik zal u eene acceptatie voor duizend pond zenden.”

Het is natuurlijk, dat het niet geheel en al overeenkomstig [80]de oogmerken van den heer Deuceace was, zijn vader vijfhonderd pond te leenen! Hij zoude hem even gaarn een pak slaag gegeven hebben! In de eerste plaats, hij had den ouden Crabs in zeven jaren niet gezien, gelijk die oude edelman in zijn brief had opgemerkt; in de tweede plaats haatte hij hem, en in de derde plaats, al had mijnheer hem nog zoo zeer bemind, bestond er toch iemand, dien hij nog meer beminde, namelijk den zoon van zijn vader; eerder dan dien uitstekenden jongen man van één enkelen stuiver te berooven, zoude hij alle vaders ter wereld liever te Newgate zien hangen, en „zijne beminde zusters”, gelijk hij de freules Deuceace noemde, als veroordeelden naar Botany-Bay zien zenden.

De uittreksels uit de dagbladen bewezen, dat, hoezeer wij ook wenschen mogten, al hetgeen omtrent het spelen was gebeurd, geheim te houden, het publiek er volmaakt mede bekend was. Ik heb later ontdekt, dat Blewitt de schrijver was van de volgende lasteringen, welke overal verspreid werden:

het spel in de groote wereld. Alweêr de hoog welgeboren heer De–e–ce! – Deze beroemde whist-speler heeft weder zijne bekwaamheden tot zijn voordeel aangewend. Op Vrijdag den 16 Januarij won hij vijfduizend pond van een zeer jongen heer, Th–m–s Sm–th D–wk–ns genoemd, terwijl hij tweeduizend vijfhonderd pond verloor aan den heer R. Bl–w–tt, van het T–mple. De heer D. betaalde, met de meeste naauwgezetheid, de som door hem verloren aan den hoog welgeboren whist-speler, maar [81]wij hebben niet vernomen, dat de heer De–ce–ce, vóór zijne onverwachte afreis naar Parijs, hetgeen hij verloren had, aan den heer Bl–w–tt afbetaald heeft.”

Daarop volgde een „Berigt aan onze correspondenten.”

Eerlijk duurt het langst vraagt, of wij bekend zijn met de heldendaden van den beruchten speler Deuceace? – Wij antwoorden hem, dat wij van alles onderrigt zijn, en dat wij voornemens zijn, in het volgende nommer het een en ander dienaangaande aan het publiek bekend te maken.”

Dit gebeurde echter niet; integendeel, hetzelfde dagblad, dat Deuceace uitgescholden had, verhief nu luid de stem, om hem te roemen; men zeide daarin:

„Er werd verleden week, door een misverstand, een berigt in onze courant opgenomen, dat, op eene hoogst onregtvaardige wijze, het karakter aanrandde van eenen heer van hooge geboorte en uitstekende verdiensten, den zoon van den algemeen geachten gr–f van Cr–bs. Wij verklaren, met de meeste verontwaardiging, geen deel te hebben aan de lafhartige leugens van den kwaadaardigen lasteraar, die den heer De–ce–ce heeft gesmaad, en wij nemen deze gelegenheid waar, om aan dien heer de eenige vergoeding, die wij in onze magt hebben, aan te bieden, voor het misbruik dat wij van zijn onbesmetten naam hebben gemaakt. Wij verloochenen in alle opzigten den schurk, die ons het bewuste verhaal heeft [82]opgedischt, en het doet ons hartelijk leed, dat zulk een schrijver (!) ooit aan de lezers van deze courant is voorgesteld geweest.”

Dit was zonder twijfel voldoende; en wij waren uiterst tevreden over de verontschuldigingen van den naauwgezetten uitgever. – Inderdaad, wij waren zoo zeer met hem ingenomen, dat mijnheer een bankbillet van tien pond, met zijne complimenten, in een couvert sloot, en aan hem toezond. Hij had hem reeds dezelfde som gezonden vóór dat die paragraaf werd opgenomen; waarom begrijp ik niet; want ik kan mij bij geene mogelijkheid voorstellen, dat men een uitgever zoude kunnen omkoopen.

Nadat deze zaak afgedaan was, huurde mijnheer een koerier; het rijtuig werd opgeknapt; ik had, gelijk gezegd is, eene nieuwe liverei gekregen, en wij vertrokken van Boulogne, met de grootste pracht die men zich denken kan. Het was eene heerlijke vertooning! Vooral waren de postillons sierlijk uitgedost: een steek op het hoofd, een buis uit een oud koe-vel vervaardigd (het weder was koud), een staartje, bijna drie voet lang, en rijlaarzen! O, zulke laarzen! Een bisschop had uit één daarvan kunnen prediken, en eene niet al te groote familie in den anderen wonen. Ik en mijnheer Schwigschnaps, de koerier, zaten deftig achter het rijtuig; mijnheer geheel alleen binnen in, zoo trotsch als een Turk, in zijn schoonen mantel van bont gehuld. Na de menigte bevallig te hebben gegroet, reden wij weg; de belletjes aan het tuig klonken, de groote witte paarden hinnikten, sloegen achteruit en steigerden; de [83]postillon klapte met de zweep, even hard als of hij hare majesteit de koningin wegbragt.

Ik zal onze reis niet beschrijven. Wij trokken door verscheidene steden, dorpen en hoofdsteden, en sliepen den eersten nacht te Amiëns. Den volgenden dag zetteden wij onze reis voort, en ik moet gul uit bekennen, dat hoe langer ik reisde, hoe meer ik van de wereld zag, ik des te meer mijn eigen vaderland heb leeren beminnen en hoogschatten, terwijl ik met verachting nederzie op de vooroordeelen en de erbarmelijke onwetendheid van het overige Europa.

Mijne opmerkingen omtrent Parijs zal ik dadelijk laten volgen – ik en mijnheer hebben daar eene belangrijke rol gespeeld; daaraan zal toch wel niemand twijfelen. [84]