DE HEER DEUCEACE TE PARIJS.

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

De moeijelijke keus.

De luitenant-generaal Sir George Griffin, ridder van de orde van het Bath, was omstreeks vijf en zeventig jaren oud toen hij dit leven verliet en tegelijk het leger van de Oostindische Compagnie, waarvan hij een groot sieraad was.

Sir George trad het eerst in Indië op, in de rol van kajuitsjongen, aan boord van een koopvaardijschip; daarna werd hij klerk van de scheeps-eigenaren te Calcutta, daarna – op eens – kapitein in dienst van de Compagnie; en zoo klom hij, al hooger en hooger, tot hij luitenant-generaal werd, toen hij ophield te klimmen en te leven – stervende, en alzoo het gemeenschappelijke lot deelende van tamboers, generaals, bedelaars en keizers.

Sir George liet geene mannelijke erfgenamen na, [85]om den naam van Griffin voort te planten. Eene weduwe, omstreeks zeven en twintig jaren oud, en eene dochter, die nagenoeg haar drie en twintigste jaar had bereikt, bleven over, om zijn verlies te beweenen en zijn vermogen te deelen. Na den dood van den ouden Sir George, keerden zijne beminnelijke weduwe en zijn kind, die beiden met hem in Indië waren geweest, naar Engeland terug. – Gedurende eenige maanden leefden ze in Londen; daar de stad haar echter niet beviel, besloten zij een uitstapje naar Parijs te doen, waar zeer geringe Londensche menschen terstond bijzonder gezien zijn, als zij maar geld hebben, gelijk het geval was met deze Griffin’s.

De verstandige lezer zal wel begrijpen, dat mejufvrouw Griffin niet de dochter van Lady Griffin was; want hoewel in Indië de huwelijken tamelijk jong worden aangegaan, zijn de menschen toch zoo vroeg nog niet volwassen. Het ware van de zaak is, dat Lady Griffin de tweede vrouw van Sir George was. Ik voeg hierbij, dat mejufvrouw Matilda Griffin het kind was uit zijn eerste huwelijk.

Jufvrouw Eleonora Kicksey, een mooi levendig meisje uit Islington, werd door haren oom, kapitein Kicksey, onder andere handels-artikelen, naar Calcutta medegenomen, en zeer voordeelig aan den man gebragt. Zij was een en twintig jaren oud, toen, zij met Sir George trouwde, die zijn een en zeventigste jaar bereikt had; en de dertien overige jufvrouwen Kicksey, van welke negen eene kostschool te Islington hadden, en de vier anderen hier en daar [86]in Londen uitgehuwelijkt waren, gevoelden zich zeer trotsch, dat zij met haar verwant waren.

Eéne van haar, jufvrouw Jemima Kicksey, de oudste en niet de minst leelijke van de familie, woonde bij Mylady, en gaf mij deze berigten. Van de overige leden der familie, menschen uit den geringen stand, weet ik natuurlijk niets; mijne kennissen, dank zij den Hemel, zijn niet onder hen of huns gelijken.

Deze jufvrouw Jemima leefde bij hare jongere en gelukkiger zuster, als gezelschaps-dame en dienstbare geest. Ongelukkig wezen! Ik zoude even gaarne een galei-boef wezen, als het leven leiden, waartoe zij gedoemd was! Iedereen in het huis verachtte haar; mevrouw beleedigde haar; zelfs de meiden in de keuken lachten haar uit en bespotteden haar. Zij schreef alle briefjes, zij keek de rekeningen na, zij zette de thee, zij maakte de chocolade, zij voerde de kanarie-vogels, en bezorgde het linnengoed voor de wasch. Zij was eene levende werkdoos, of sleutelmandje, voor mevrouw, en haalde en droeg haar zakdoek, of haar flacon, even als een wèl opgevoed schoothondje.

Op de soirées van mevrouw speelde zij, den geheelen nacht door, quadrilles (niemand dacht er ooit aan, om háár tot den dans te vragen); als mejufvrouw Griffin zingen wilde, moest zij op de piano accompagneren, en zij werd beknord, omdat de zangster valsch zong. Ofschoon zij een afkeer van honden had, ging zij nooit mede uit rijden [87]zonder den poedel van mevrouw op schoot te hebben, en hoewel zij altijd ziek werd door de beweging, moest zij toch zitten met den rug naar de paarden gekeerd. Arme Jemima! Ik heb haar nog voor den geest, gekleed in mevrouw’s alleroudste zaken (de kameniers namen altijd hetgeen maar halfsleets was) – in een lila satijnen japon, gekneuterd, gevlakt en smerig; een paar wit satijnen schoenen van de kleur van gom-elastiek; een verschoten geel fluweelen hoed, met een bouquet van verwelkte, nagemaakte bloemen, en daarop een paradijsvogel, die treurig en hangende, slechts twee vederen over had in zijn ongelukkigen staart.

Behalve dit sieraad van het salon, hadden Mylady en jufvrouw Griffin eene groote menigte andere dienstboden in de keuken: twee kameniers; twee lakkeijen, elk zes voet lang, in roode rokken, met gouden lissen en witte pantalons; een dito koetsier; een page en een chasseur; deze laatste is eene soort van knecht, alleen in het buitenland bekend, en die eer op een generaal-majoor, dan op een gewoon sterveling gelijkt; want hij draagt een uniform met zilveren lissen bedekt, een steek, knevels, epauletten en een degen. Al deze menschen waren bestemd om twee dames te bedienen, en bovendien was er een geheel leger van het schoone geslacht: keukenmeiden, waschvrouwen, huishoudster enz.

Lady Griffin had eene woning gehuurd, die haar veertig pond in de week kostte; zeer prachtige [88]kamers op de Place Vendôme te Parijs. En nu ik haar huis en hare dienstboden heb beschreven, moet ik eenige woorden aangaande de dames zelve zeggen.

In de eerste plaats, het spreekt, dat zij elkaâr haatten. Mylady was zeven en twintig jaren oud – twee jaren weduwe – welvarend – blond en blozend. Eene koele, stille, langzame vrouw, naar het uiterlijke, zoo als de meeste blondines zijn; het scheen moeijelijk, haar tot liefde of tot haat te bewegen; vooral tot het eerste. Zij beminde maar één mensch in de wereld – zich zelve. Zij haatte, op hare eigene, bedaarde, stille wijze, bijna iedereen, die in hare nabijheid kwam, van haren buurman den hertog, die op een diné geen notitie van haar had genomen, tot aan Jan, den knecht, die, bij ongeluk, den sleep van hare japon had gescheurd. Ik geloof, dat het hart van deze vrouw veel overeenkomst had met een van die steenen, waarop men teekent; men kan niets weder uitwisschen als het er eens op geschreven is; en mevrouws steen, ik bedoel mevrouws hart, was van denzelfden aard – ten opzigte van alles, wat eene beleediging scheen, of eene nalatigheid, of eene wezenlijke, of ingebeelde verongelijking. Haar goede naam was onbesmet, en de kwaadsprekendheid had nooit het minste tegen haar kunnen bedenken. Men stemde toe, dat er geene betere vrouw ter wereld kon zijn; en dat was ook waar; maar haren armen, ouden man doodde zij in den tijd van twee jaren, even zeker als de heer Thurtell den heer William [89]Weare gedood had1. Zij maakte zich nooit driftig – waarachtig niet – zij zeide nooit een onbeleefd woord; maar zij verstond het kunstje – gelijk vele andere vrouwen – om het huis tot een hel te maken, en de arme schepselen van haar huisgezin te plagen, tot zij bijna waanzinnig werden.

Jufvrouw Matilda Griffin was veel leelijker, en ongeveer even beminnelijk als hare stiefmoeder. Zij was krom en scheel; Lady Griffin, om haar regt te doen wedervaren, had een knap figuur en zag regt uit de oogen. Matilda was donker van kleur; mevrouw blond – zij was sentimenteel; mevrouw was koud. Lady Griffin werd nooit driftig, jufvrouw Matilda was altijd in drift, en verschrikkelijk waren de tooneelen, en allergruwelijkst de twisten, welke tusschen deze twee dames plaats hadden.

Waarom woonden zij te zamen? Dat was een geheim. Daar zij met elkaâr niet verwant waren en elkander, gelijk rattenkruid, verfoeiden, zoude het zeker gemakkelijk voor haar geweest zijn om afzonderlijk te leven, en elkander uit de verte te verachten.

Wat het vermogen aangaat, door den ouden Sir George nagelaten; dat was aanmerkelijk – drie maal honderd duizend pond, op zijn minst, gelijk men mij heeft verzekerd.

Trouwens niemand wist, hoe hij er over beschikt had. Eenigen zeiden, dat het aan Mylady werd [90]nagelaten; anderen, dat het verdeeld was tusschen de beide dames, en weder anderen, dat Lady Griffin slechts het vruchtgebruik had, en dat bij haren dood al het geld (gelijk het behoorde) aan mejufvrouw Matilda moest komen. Deze zaken zijn misschien voor het publiek van geen groot belang, maar ze waren van het hoogste gewigt voor mijn meester, den hoogwelgeboren heer Algernon Percy Deuceace, advokaat, enz. enz.

Want ik heb tot nu toe vergeten, u te zeggen, dat mijnheer op eenen zeer vriendschappelijken voet in dit huis verkeerde; en dat wij omtrent dezen tijd op ons gemak waren ingerigt, in het hôtel Mirabeau, in de Rue de la Paix, te Parijs. Wij hielden onze cabriolet en twee rijpaarden; wij hadden eene openstaande rekening in ons voordeel bij den bankier Lafitte; onze Club was aan den hoek van de Rue de Grammont; wij hadden een gedeelte van een loge in de opera gehuurd; onze apartements waren ruim en prachtig ingerigt; wij bezochten soirées aan het hof en dinés bij Z. E. Lord Bobtail en elders. Dank zij den armen Dawkins en zijn vijfduizend pond, er was geen voornamer man in Parijs, dan wij.

Nu mijnheer zich in het bezit bevond van een aardig sommetje gelds, besloot hij, met de meeste wijsheid, daar hij toch in een land was, waar zijne schulden hem niet plagen konden, voor het oogenblik het spel te laten varen – dat wil zeggen het hooge spel – want om een rouleau Louis d’ors aan de écarté- of whist-tafel te verliezen, dat [91]beteekende niet veel; het bewees, dat wij geld hadden – en dat geeft eene soort van fatsoenlijkheid. „Maar spelen? – o neen! – dat deed hij voor alles ter wereld niet?” „Hij hàd wel eens gespeeld, zoo als jonge lieden uit zijn stand doen, en gewonnen en verloren ook,” (de oude vos zeide niet, dat hij betaald had!); „maar hij had er nu geheel en al van afgezien,” zeide hij, „en had besloten bedaard van zijne inkomsten te leven.” Men ziet het, mijnheer deed zijn best om den fatsoenlijken en eerlijken man te spelen; het is wel een voordeelig spel – maar men moet een geducht sluwe schurk wezen, om het te kunnen volhouden.

Hij ging geregeld naar de kerk – ik droeg een prachtig, in zwart marokijn gebonden gebedenboek en bijbel, met roode lintjes om de psalmen en teksten aan te wijzen, en als ik de boeken deftig voor hem nederleide en hij het gezigt verborg achter zijn keurig geborstelden hoed, dan zou men gedacht hebben dat er geen vromer, beter opgevoed, deugdzamer, jong edelman in den geheelen adelstand te vinden was. Het was stichtelijk om hem aan te zien. Alle oude wijven en douairières, die bij Lord Bobtail in huis kwamen, rolden de oogen als zij van hem spraken, en verklaarden, dat zij nooit zulk een lieven, uitstekenden, innemenden, jongen man hadden gekend.

Wat moet hij toch een voortreffelijke zoon wezen! zeiden ze, en ach! welk een voortreffelijke schoonzoon! – Vóór dat wij drie maanden te Parijs waren geweest, had hij de keuze uit alle engelsche [92]meisjes, welke daar woonden. Maar ongelukkig, de meesten van haar waren arm, en een hutje van klei enz. was niet geheel en al naar mijnheers smaak.

Omtrent dezen tijd verschenen Lady en jufvrouw Griffin te Parijs, en mijnheer, die nog al bij de hand was, begon nu huwelijksplannen te smeden.

Hij zat in de nabijheid der dames in de kerk, en zong mede, uit het gezangboek van mevrouw; hij danste met haar op de bals aan het gezantschapshôtel, hij ging met haar rijden naar het Bois de Boulogne en de Champs Elysées (het fransche Hyde-Park); hij schreef gedichten in het album van mejufvrouw; hij zong duo’s met haar en Lady Griffin; hij kocht zoetigheden voor den poedel; hij gaf fooijen aan de knechten en handschoenen en kussen aan de grinnikende kameniers; hij was zelfs beleefd jegens de arme jufvrouw Kicksey: in één woord, er was niemand in het huis der Griffin’s, die dezen beminnelijken jongeling niet aanbad.

Zoo de dames vroeger elkaâr haatten, men kan er op aan, dat zij nu elkander, meer dan ooit te voren, verfoeiden. Er had altijd eene zekere ijverzucht tusschen beiden bestaan; mejufvrouw benijdde mevrouw hare schoonheid; en mama was jaloersch op het verstand van hare stiefdochter – mejufvrouw verweet aan mevrouw de kostschool te Islington, en Mylady plaagde de jufvrouw om haren krommen rug en hare schele oogen. Er ontstond nu een nieuwe bron van twist: zij werden beiden verzot op mijnheer Deuceace; Mevrouw natuurlijk slechts in [93]zoo ver overeenkomstig was met hare koele, zelfzuchtige geaardheid. Zij hield van Deuceace omdat hij haar vermaakte en deed lagchen. Zij was met zijne manieren ingenomen, met zijn paardrijden en zijn uiterlijk voorkomen, en daar zij zelve eene parvenue was, bezat zij meer dan gewonen eerbied voor echt aristokratisch vleesch en bloed.

De liefde van de jufvrouw integendeel was vuur en vlam. Dat was haar manier van doen, sedert het oogenblik dat zij ter schole was gegaan, toen zij eerst bijna met den franschen meester, en naderhand met een knecht, op den loop ging (welk laatste, in vertrouwen, noch ongewoon gezegd, noch onnatuurlijk is; zoo als ik bewijzen kon, indien ik maar wilde), – en op deze wijze was zij, sedert haar vijftiende jaar, aan den gang geweest. Zij wierp zich letterlijk den heer Deuceace in de armen; van mijn leven heb ik zulke zuchten niet gehoord; zulke tranen en zulke blikken niet gezien. Ik was dikwijls op het punt om in lagchen uit te barsten, als ik aan mijnheer ontelbare billet-doux overhandigde, op rozen-rood papier geschreven, in den vorm van een driehoek gevouwen, en met de reuk van een geheelen parfumerie-winkel doortrokken, en door deze teedere maagd aan hem gerigt. Niettegenstaande dan dat mijnheer een ontwijfelbare schurk was, bleef hij toch fatsoenlijk man – hij had eene goede opvoeding gehad – en naar zijn zin – men vergeve mij de uitdrukking! – was de jufvrouw een weinig al te dol op hem. Bovendien had zij een krommen rug en zag scheel; zoodat (indien het geld maar eenigzins [94]gelijk verdeeld was) Deuceace waarachtig aan de stiefmoeder de voorkeur zou gegeven hebben.

Daarom was het zaak voor hem, te ontdekken, welke van beiden het meeste geld had. Met eene Engelsche familie zoude dit eene gemakkelijke taak geweest zijn – hij behoefde slechts te Doctor’s Commons2 het testament na te kijken, en de zaak ware dan opgehelderd geweest; maar het testament van dezen Indischen Nabob was te Calcutta of op eenige andere ver verwijderde plaats gebleven, en daarom kon hij er geen afschrift van vinden.

Ik moet den heer Algernon Deuceace het regt doen wedervaren, te verklaren, dat zijne liefde voor Lady Griffin zoo onbaatzuchtig was, dat hij haar liever dan jufvrouw Matilda zoude getrouwd hebben, al had zij ook tien duizend pond minder gehad. Intusschen was het voor hem zaak, beiden aan het lijntje te houden, tot hij de beste vangst kende, en voor zich uitzoeken kon. – Dit was geene moeijelijke onderneming voor een man van zijn geest; en bovendien was de jonge jufvrouw reeds zoo goed als gevangen. [95]


1 Toespeling op een verschrikkelijken moord, omtrent veertig jaren geleden in Engeland gepleegd. 

2 Aan Doctor’s Commons, eene regtbank te Londen, is een bureau verbonden, waar afschriften van alle testamenten, eer zij uitgevoerd worden, gedeponeerd en geregistreerd worden: dit noemt men „publishing a will” Tegen betaling van één shilling, kan iedereen inzage, van welk testament hij verkiest, verkrijgen.