Ik heb reeds gezegd, dat mijnheer door iedereen in het huis der Griffins werd aangebeden. Ik had moeten zeggen: met uitzondering van één persoon – een jongen franschen edelman, die, eer wij optraden, zeer bekend met mevrouw was geweest, en juist in dezelfde betrekking tot haar had gestaan, als tegenwoordig de hoogwelgeboren heer Deuceace.
Het was aardig, en stichtelijk tevens, te zien, hoe koelbloedig deze jonge edelman den armen Chevalier de l’Orge van zijn post verdreef, en met hoe veel bevalligheid hij er zich zelven indrong. Monsieur de l’Orge was een knap, jong mensch, die omtrent even veel jaren telde en even veel schoonheid bezat, als mijnheer; maar die niet meer dan de helft van zijne onbeschaamdheid had – niet dat deze hoedanigheid in Frankrijk schaars te vinden zij – maar slechts weinigen, zeer weinigen, bezaten ze in zulk eene hooge mate, als mijn uitstekende meester, de heer Deuceace. [96]
Bovendien, was de l’Orge wezenlijk verliefd op Lady Griffin, en mijnheer veinsde zijn hartstogt, waardoor hij natuurlijk voordeelen verkreeg, die buiten het bereik van den armen Franschman waren. Hij was ook steeds vrolijk en opgeruimd, terwijl de heer de l’Orge steeds bedeesd en droefgeestig was.
Mijnheer had wel twintig aardigheden gezegd aan Lady Griffin, eer de Franschman gedaan had met in zijn hoed te kijken, haar aan te staren, en zuchten te lozen, die zwaar genoeg waren, om de knoopen van zijn vest te doen afspringen. O liefde, liefde! dit is niet de wijze om eene vrouw te winnen, of ik heet niet Fitzroy-Yellowplush! Ik zelf, toen ik mijn carrière: onder het schoone geslacht begon, was altijd aan het zuchten en steunen, gelijk de ongelukkige Franschman. Wat waren dan ook de gevolgen? De vier eerste vrouwen, die ík aanbad, lachten mij uit, en verlieten mij, om iemand, die opgeruimder was. Met de overige heb ik een geheel ander plan gevolgd – en, onder ons gezegd, met tamelijk veel voorspoed. Maar dit is eigenliefde, die ik van harte verfoei.
Het einde van deze historie is, dat de heer Ferdinand Hyppolite Xavier Stanislaus Chevalier de l’Orge, geheel en al uit het veld werd geslagen door den heer Algernon Percy Deuceace. De arme Ferdinand verliet het huis niet; daartoe had hij het hart niet, en mevrouw wenschte hem ook niet de deur uit te jagen. Hij maakte zich op honderdvoudigewijzen nuttig – hij bezorgde loges in de opera en invitaties naar fransche soirées; hij werd gezonden [97]om handschoenen te koopen en eau de Cologne; hij schreef fransche briefjes voor de dames enz.
Elke engelsche familie, die naar Parijs gaat, raad ik ten stelligste aan, op het minst één jongen man van dezen aard bij zich in huis te nemen. Het doet er niet toe, al is mevrouw nòg zoo oud, hij zal haar het hof maken; op welke boodschappen men hem ook moge uitzenden, hij zal ze op een drafje gaan ten uitvoer brengen.
Bovendien is zoo iemand altijd bedaard, gaat netjes gekleed, en drinkt nooit meer dan een half fleschje wijn aan tafel; hetgeen, volgens mijne inzigten, iets is, dat men wèl in aanmerking mag nemen.
De Chevalier de l’Orge was dan een van die gedienstige menschen, en aan mevrouw in den hoogsten graad nuttig en aangenaam; hij gaf steeds aanleiding tot onderhoud, al was het maar dat men over zijne slechte uitspraak van de engelsche taal lagchte. Het aardigste was echter om hem aan het praten te zetten met de arme jufvrouw Kicksey; zij in het Fransch en hij in het Engelsch.
Mijnheer was, om de waarheid te zeggen, uiterst beleefd jegens dezen jongen Franschman, en hem van zijn post verdreven hebbende, behandelde hij den gevallen vijand met de meeste onderscheiding en eerbied. De arme, bescheidene, demoedige Ferdinand aanbad Mylady als eene godin; en daarom was hij ook, van zijn kant, zeer vriendelijk jegens mijnheer – hij waagde het niet, ijverzuchtig op hem te wezen; nog veel minder waagde hij het, aan [98]Lady Griffin het regt te betwisten, om van minnaar te veranderen. Alzoo had mijnheer twee vogeltjes in zijne strikken en kon hij de weduwe of de wees nemen, naar keuze, „comme bon lui semblait,” gelijk de Franschen zeggen. Het eenige, wat hij te doen had, was, te ontdekken, hoe over het geld beschikt was, dat klaarblijkelijk uitsluitend aan de eene of de andere behoorde; of misschien tusschen beiden verdeeld was. – De ééne der dames was zeker in zijne handen; dat wil zeggen, zoo zeker als het zijn kan op deze ondermaansche wereld, waar niets dan de onzekerheid stellig zeker is.
Er gebeurde nu iets zeer onverwachts, waardoor de berekeningen van mijnheer gestoord werden.
Op zekeren avond, nadat hij de twee dames naar de opera had vergezeld; nadat hij bij haar in de Place Vendôme had gesoupeerd met patrijzen en witte soep en Champagne glacé, reden ik en mijnheer in zijn cabriolet naar huis, in de opgewondendste stemming, die men zich denken kan.
„Karel, vervl.… schelm,” zei hij tot mij, want hij was buitengewoon in zijn schik, „als ik getrouwd ben, dan zal uw loon verdubbeld worden!”
Dit kon hij dan ook doen zonder zich zelven te benadeelen, daar hij mij tot nu toe niets had betaald. Maar wat deed dat er toe? De zaken zouden schoon staan, indien wij bedienden van ons loon moesten leven! Van onze buitenkansjes? ja, dat is wat anders! Ik betuigde hem mijne dankbaarheid zoo goed ik kon; ik verklaarde, dat ik hem [99]niet voor geld diende – dat ik hem even gaarne voor niets zoude willen oppassen, en dat ik nooit – nooit van mijn leven, met mijn eigen zin, zulk een uitstekenden meester zoude willen verlaten. Toen deze twee redevoeringen, de mijne en de zijne, uitgesproken waren, kwamen wij aan het Hôtel Mirabeau aan, hetwelk, gelijk bekend is, niet ver van de Place Vendôme verwijderd is. Wij gingen naar onze kamers; ik voorop met de kaarsen en de mantels; mijnheer een dreuntje van de opera neuriënde, zoo vrolijk als een vogeltje.
Ik deed de deur van ons salon open. Er was reeds licht opgestoken; eene ledige Champagneflesch rolde over den grond, eene andere stond op de tafel, naast welke men de sofa geplaatst had, en op de sofa lag uitgestrekt een lijvige, oude heer, bezig met een sigaar te rooken, juist als of hij zich in een koffijhuis bevond.
Deuceace, die, gelijk ik reeds gezegd heb, sigaren verfoeide, werd woedend op den ouden heer, dien hij door den rook naauwelijks zien kon, en met een groote menigte vloeken, die ik niet herhalen zal, vroeg hij hem: wat hij daar deed?
De rooker hief zich op van de sofa; legde de sigaar op tafel, en proestende van lagchen, riep hij uit:
„Wat, Algernon, jongelief, kent gij mij niet?”
De lezer zal zich misschien een zeer aandoenlijken brief herinneren, dien ik in het voorgaande hoofdstuk van deze gedenkschriften heb medegedeeld, in welken de schrijver vijfhonderd pond ter leen vroeg van den heer Algernon Deuceace, en welke [100]brief onderteekend was met den zeer achtingswaardigen naam van den graaf van Crabs, eigen vader van den heer Deuceace. Het was deze aanzienlijke aristokraat, die nu lagchende en rookende zich in onze kamers bevond.
Lord Crabs was, naar het mij voorkwam, ongeveer zestig jaren oud, een dikke, vette edelman, met een kaal hoofd en eene hoog roode gelaatskleur; zijn neus scheen steeds te blozen over hetgeen zijn mond verslond; zijne hand beefde meer of minder; zijn been was niet zoo gevuld, zijn voet niet zoo vast, als in vroegere dagen. Evenwel hij was een deftig, schoon oud man, en hoewel ik bekennen moet, dat hij half dronken was toen wij in het salon traden, was hij toch niet méér dronken, dan zulks een echten edelman betaamt.
„Wat, Algernon, mijn jongen!” brulde Mylord, naderende, en hem bij de hand vattende, „kent gij uw eigen vader niet meer?”
Mijnheer scheen zich alles behalve gelukkig te gevoelen.
„Mylord,” zeide hij, zeer bleek en eenigzins langzaam sprekende, – „ik moet – bekennen – ik weet niet – het onverwachte genoegen u in Parijs te zien – inderdaad,” voegde hij er bij, een weinig zich herstellende „inderdaad de vervl … tabaksrook belette mij te zien, wie de vreemdeling was, die mij de eer van zulk een verrassend bezoek aandeed.”
„Het rooken is eene slechte gewoonte, Algernon, eene zeer slechte gewoonte,” zeide Mylord eene andere sigaar opstekende – „eene gewoonte, die even [101]walgelijk is als vuil, en welke gij, mijn waarde zoon, zeer wèl doet te vermijden. Op zijn best genomen, lieve Algernon, is het een akelig, lui tijdverdrijf, dat een man even ongeschikt maakt voor inspanning van den geest, als voor fatsoenlijke gezelschappen; men offert er aan op, terzelfder tijd, de vermogens van het verstand en de bekoorlijkheid van het ligchaam. Apropos, men heeft allerellendigsten tabak hier in het hôtel. Kunt gij uw knecht niet zenden, om mij eenige sigaren te halen in het Café de Paris? Geef hem maar een vijf francs stuk, en laat hem dadelijk gaan, beste jongen.” Lord Crabs kreeg hier den hik en ledigde weder een bierglas vol Champagne. Mijnheer trok zijne beurs, met een zeer knorrig gezigt, gaf mij het geld, en beval mij de boodschap te doen.
Wetende, dat het Café de Paris op dàt uur gesloten was, zeide ik geen woord, maar trok met de meeste stilte naar de anti-chambre, waar ik allertoevalligst elk woord van het gesprek tusschen deze twee beminnelijke bloedverwanten vernam.
„Schenk u zelven in, en krijg een andere flesch,” zeide Lord Crabs, na een plegtig stilzwijgen.
Mijn arme meester, de koning van alle kringen in welke hij zich bewoog, scheen hier maar tweede viool te spelen, en ging naar de kast, waaruit zijn vader reeds twee flesschen van zijn Sillery-mousseux gehaald had.
Hij zette den wijn voor zijn vader op tafel, hoestte, proestte, opende het venster, gaapte, streek met de hand over het voorhoofd, en scheen volstrekt [102]niet op zijn gemak te zijn. – Maar het baatte hem niet; de oude bleef stilletjes zitten.
„Bedien u zelven,” zeide hij weder, „en geef dan de flesch aan mij.”
„Dank je wel, vader,” zeide mijnheer, „maar wezenlijk, ik kan noch drinken, noch rooken.”
„Gij hebt weder gelijk, mijn jongen, volmaakt gelijk. – Men prate mij van een goed geweten in dit leven – men heeft meer aan een goede maag. – Geen slechte nachten – geen hoofdpijn – niet waar? Des morgens altijd frisch en bij de hand voor de juridische studiën – niet waar?” En bij deze woorden grijnsde de oude edelman op eene wijze, die den heer Grimaldi1 eer zoude hebben aangedaan.
Mijnheer zat bleek en op de lippen te bijten, als een arme soldaat, die gegeesseld wordt. Hij gaf geen letter antwoord. Zijn uitmuntende vader ging voort; naarmate hij sprak geraakte hij in vuur, en, bij het einde van elke zinsnede, ledigde hij op nieuw zijn glas.
„Wat moet gij toch vooruitkomen met zulke grondbeginselen en zulke bekwaamheden! Geheel Londen spreekt, Algernon mijn zoon, van uw vlijt en uwe volharding. Gij zijt niet slechts wijs, jongen, neen, bij den drommel! gij hebt ook den steen der wijzen ontdekt! Schoone vertrekken – schoone paarden – Champagne – en dat alles voor twee honderd pond ’s jaars!” [103]
„Gij bedoelt misschien,” zeide mijnheer, „de twee honderd pond, die gij mij uitbetaalt?”
„Juist geraden, mijn jongen, juist geraden!” riep Lord Crabs uit, zich half dood lagchende. „Dat is juist het wonder! Ik betaal u de twee honderd pond niet, en gij leeft in deze pracht – voor niets! Deel mij toch uw geheim mede, o jeugdige Trismegistus! Vertel aan uw ouden vader, hoe men zulke wonderen kan verrigten, en dan, ja, op mijn woord dan zal ik u twee honderd pond ’s jaars uitkeeren!”
„Enfin, Mylord,” zeide mijnheer Deuceace opspringende, en al zijn geduld verliezende, „zult gij de goedheid hebben, mij te vertellen, wat dit bezoek beteekent? Wat u betreft, gij laat mij verhongeren; en nu zijt gij bijzonder grappig, omdat ik mijn brood verdien. – Gij vindt mij in voorspoed en –”
„Juist zoo, mijn jongen, juist zoo; maak u niet driftig, en geef mij de flesch; ’t is waar, ik vind u in welvaart – en een jongeling van uw geest en uwe bekwaamheid vraagt mij, waarom ik hem opzoek? O Algernon! Algernon! Dat is den wijsgeer niet waardig! Waarom kom ik u opzoeken? Wel, juist omdat het u goed gaat, mijn zoon! Om welke andere reden zoude ik mijn hoofd om u breken? Heb ik, of heeft uwe arme moeder, of iemand anders van uwe familie, ooit een enkel liefderijk gevoel in u ontdekt? Hebben wij, of heeft iemand van uwe vertrouwden en vrienden, u ooit op eene enkele eerlijke, of edele daad betrapt? Hebben wij ooit liefde voor u, of gij genegenheid voor ons, betoond? Algernon Deuceace, hebt gij noodig, dat uw [104]vader u komt vertellen, dat gij een bedrieger en een verkwister zijt? Duizenden heb ik betaald om u en uwe broeders van schulden te bevrijden, en, zoo gij al niemand anders betaalt, ik heb besloten, dat ge mij zult betalen. Gij wildet het niet in der minne doen, toen ik u schreef en geld ter leen vroeg. Ik dacht ook niet, dat gij het geven zoudt. – Had ik geschreven, om u te waarschuwen, dat ik voornemens was te komen, dan waart gij ontsnapt, en daarom kwam ik zonder uitnoodiging, om u te dwingen mij af te betalen. Dáárom ben ik nu hier, mijnheer. Algernon, en nu schenk u zelven in, en geef dan de flesch maar aan mij.”
Na deze redevoering te hebben uitgesproken, wierp zich de oude heer weder op de sofa, en rookte even hard als de schoorsteen van eene stoommachine. Ik moet bekennen, dat dit tooneel mij vermaakte; het deed mij goed, dien eerwaardigen, deugdzamen, ouden man zijn zoon evenzoo te zien overbluffen, als deze den heer Blewitt gedaan had, gelijk ik vroeger heb verhaald. Het gezigt van mijnheer werd eerst vuurrood, daarna wit als krijt, en eindelijk paars. – Hij begon er uit te zien, als de heer T. P. Cooke in het treurspel Frankenstein. Eindelijk kwam hij aan het woord.
„Mylord,” zeide hij, „toen ik u zag, verwachtte ik, dat er iets van dezen aard gaande was. Bedrieger en verkwister zoo als ik ben, zijn deze gebreken in mijn geslacht erfelijk; mijne deugden ben ik verschuldigd aan het kostelijk voorbeeld van mijn vader. Ik heb opgemerkt dat uwe heerlijkheid [105]de dronkenschap bij uwe vroegere deugden heeft gevoegd, en ik veronderstel, dat gij, op deze fatsoenlijke wijze opgewonden, hier komt, om mij de meest bespottelijke voorstellingen te doen. Als gij den roes hebt uitgeslapen, zult gij misschien begrijpen, dat, hoe gek ik ook zijn moge, ik toch zóó gek niet ben, als gij u verbeeldt; en dat, als ik geld heb, ik voornemens ben het te bewaren – elke cent daarvan – al waart gij nog tien maal zoo dronken, en tien maal zoo boosaardig, als gij nu zijt!”
„Best – best mijn jongen,” zeide Lord Crabs, die bijna scheen te slapen gedurende de aanspraak van zijn zoon – „best – als gij niet toegeven wilt, tant pis pour toi. – Ik wensch uw ongeluk volstrekt niet; denk daaraan, ik ben in het minst niet knorrig; maar ik moet en ik wil duizend pond hebben. Gij zoudt wèl doen, mij het geld dadelijk te geven; het zal u meer kosten op den duur, als gij het weigert.”
„Vader,” antwoordde de heer Deuceace, „ik zal ook met openhartigheid spreken – ik gaf u geen cent, om u te redden van de eeuwige –”
Ik begreep, dat het nu tijd was om de deur te openen, en den hoed afnemende, zeide ik:
„Mylord, ik ben naar het Café de Paris geweest, maar het is al gesloten.”
„Bon – gij zijt een vlugge vent – de vijf francs zijn voor u – en nu haal licht, en breng mij naar beneden.”
Maar mijnheer greep naar het waslicht. – „Waarachtig niet, Mylord!” riep hij. „Wat? een knecht [106]zoude u den weg wijzen, terwijl uw zoon in de kamer is, om het te doen! Par exemple, waarde vader, gij schijnt te denken, dat wij alle beleefdheid afgeleerd hebben!”
En met deze woorden, bragt hij den ouden heer naar beneden.
„Goeden nacht, beste jongen,” zeide Lord Crabs.
„De Hemel zij met u, vader!” antwoordde Deuceace, „Hebt gij u ook warm ingepakt? Let toch wel op den stoep!”
Met deze woorden scheidde het beminnelijke paar. [107]