[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Listen.

Mijnheer stond den volgenden morgen op met een bedroefd gelaat; hij scheen zich niets goeds voor te stellen van het bezoek van zijn papa. Ik hoorde hem prevelen bij zijn ontbijt, en zag hem met zijne honderd pond banknoten spelen. Eens legde hij een pakje er van ter zijde: ik begreep wel de reden; namelijk, om ze aan zijn vader te zenden.

„Maar neen!” riep hij eindelijk uit, ze allen weder bij elkander werpende, en in zijne schrijftafel opsluitende, „hoe zoude hij mij schaden kunnen. Indien hij een schurk is, weet ik toch iemand, die even slim is, als hij. Laten wij zien, of wij hem niet met zijne eigene wapens overwinnen kunnen.”

Daarop kleedde zich de heer Deuceace in zijne mooiste kleederen, en maakte zich op weg naar de Place Vendôme, om het hof te maken aan de schoone weduwe en de bekoorlijke wees.

Het was ongeveer tien uur, en, zoodra hij de dames zag, stelde hij haar eene menigte plans voor, [108]om den dag door te brengen: zij zouden met hem rijden naar het Bois de Boulogne; van dáár naar de Tuileries gaan, om koning Lodewijk XVIII (die toen over Frankrijk heerschte) te zien; zij moesten de mis hooren in de koninklijke kapel, en eindelijk moesten zij om vijf uur met elkaâr dineren in het Café de Paris, van waar zij naar het theater Porte St. Martin, zich begeven zouden, om het nieuwe stuk te zien.

De dames namen alles aan, behalve de twee laatste voorstellen.

„Wij hebben ons woord al gegeven, waarde heer Algernon,” zeide Lady Griffin, „zie eens – welk een vriendelijken brief van Lady Bobtail!” En zij overhandigde hem een geparfumeerd briefje van die hooggeplaatste dame.

Het luidde aldus:

„Fbg. St. Honoré, Donderdag, 15 Febr. 1819.

„Beste Lady Griffin! – Het is eene eeuw geleden, sedert wij elkander gezien hebben. Met lastige ambtsbezigheden zijn ik en Lord Bobtail zoo zeer overladen, dat wij naauwelijks een oogenblik kunnen vinden, om onze bijzondere vrienden te zien, onder welke gij, lieve Lady Griffin, u wel wilt laten rangschikken. Zult gij dan ook eene familiare uitnoodiging aannemen, en heden bij ons aan het gezantschaps-hôtel dineren? Wij zijn en petit comité, en zullen, gelijk ik hoop, het genot hebben, om het gezang van uwe bekoorlijke dochter in den loop van den avond te hooren. Ik had misschien eene [109]bijzondere uitnoodiging aan mijne lieve jufvrouw Griffin moeten insluiten; maar zij vergeve dit verzuim aan eene arme diplomate, die zoo vele brieven te schrijven heeft.

Adieu dan, tot zeven uur, wanneer ik u beiden stellig verwacht.

„Steeds ben ik, mijne beste Lady Griffin,

uwe liefhebbende

Elize Bobtail.”

Zulk een brief van de vrouw van den gezant, door den chasseur van den gezant gebragt, en met het groote wapen van den gezant toegelakt, zoude het hoofd op hol gebragt hebben van iedereen uit den middelstand. Lady Griffin werd razend van vreugde; en lang voordat mijnheer bij haar kwam, had zij Mortimer en Fitzclarence, hare twee bedienden, met een beleefd antwoord gezonden, om de uitnoodiging aan te nemen.

Mijnheer las het briefje met zulke opgewondene gevoelens niet. Hij was overtuigd, dat iets gebeurde achter de schermen, en, ofschoon hij niet begreep hoe, was hij tevens verzekerd, dat hem eenig gevaar dreigde. De oude vos van een vader had reeds zijne kuiperijen begonnen!

Deuceace gaf den brief terug; hij spotte daarover; hij haalde den neus op; gaf te verstaan, dat zulk eene uitnoodiging op zijn best eene beleediging was (hetgeen hij een pis-aller noemde), en zeide, dat de beide dames er op rekenen konden, dat Lady Bobtail haar had gevraagd, alleen omdat zij twee plaatsen aan hare tafel wenschte bezet te [110]zien. Maar Lady Griffin en hare dochter luisterden niet naar zijne ingevingen; zij kenden veel te weinige Lords, om eene uitnoodiging, van welken pair die ook mogt komen, af te slaan. Zij hadden besloten om te gaan, en de arme Deuceace moest alléén dineren. Nadat ze uit rijden waren geweest en andere vermakelijkheden genoten hadden, keerde mijnheer weder met haar naar huis, en zat te lagchen en te schertsen; hij was bijzonder aardig jegens Lady Griffin, teeder en sentimenteel met de jufvrouw, en verliet haar in eene zeer opgewondene stemming, toen zij het tijd vonden, om voor het diné haar toilet te maken. Toen ik aan de deur van het salon kwam (want ik was er even goed bekend, als een der dienstboden van de familie), om hem te zeggen dat zijn rijtuig vóór was, zag ik, hoe mijnheer zeer bedaard zijn portefeuille uit den zak nam, en onder een der canapé-kussens verborg.

„Wat moet daarvan groeijen?” zeide ik tot mijzelven.

Ik zal den lezer nu vertellen, wat er van groeijen moest. Na verloop van ongeveer twee uren, toen hij wist dat de dames weg waren, veinsde mijnheer, zeer ongerust te zijn over het verlies van zijn portefeuille, en hij ging dadelijk naar het huis van Lady Griffin om die te zoeken.

„Wees zoo goed,” zeide hij, toen hij binnen trad, „om jufvrouw Kicksey te vragen, of ik haar voor één oogenblik kan spreken?”

Jufvrouw Kicksey kwam glimlagchende naar beneden, verrukt van blijdschap, hem te zien. [111]

„Ach, mijnheer Deuceace,” zeide zij, haar best doende om te blozen, „gij hebt mij geheel en al verrast; ik weet waarachtig niet, of ik een heer mag ontvangen, nu ik alleen te huis ben.”

„O, dat moet gij niet zeggen, waarde jufvrouw Kicksey, want gij moet weten, dat ik met een dubbel doel hier ben gekomen: om naar een portefeuille te vragen, die ik verloren heb, en misschien hier heb gelaten; en dan, u te verzoeken, om zoo goed te willen zijn, medelijden met een armen, eenzamen, ongetrouwden man te hebben, en hem een kopje van uwe lekkere thee te schenken?”

Lekkere thee! Ik dacht stuipen te krijgen, want waarachtig, mijnheer had nog niet gedineerd! Dat deed er niets toe: zij plaatsten zich aan de theetafel.

„Gebruikt gij melk en suiker, mijnheer?” vroeg de arme Kicksey, met de teedere stem van een tortelduifje.

„Beiden, als ik verzoeken mag, liefste jufvrouw Kicksey!” antwoordde mijnheer en hij nuttigde thee en biscuit genoeg, om eene waschvrouw eer aan te doen.

Ik zal het gesprek niet mededeelen, dat tusschen mijnheer en deze jonge dame plaats had. De lezer begrijpt misschien, waarom Deuceace zich de moeite gaf, gedurende een uur met haar te praten, en hare thee te gebruiken. Hij wenschte van haar alles te vernemen, wat zij van de geldzaken der familie kende, om dadelijk te kunnen besluiten, welke van de twee dames Griffin hij tot zijne echtgenoote zou maken. [112]

Het arme meisje was natuurlijk niet tegen mijnheer opgewassen. In den tijd van één kwartier, had hij haar, indien ik de uitdrukking mag gebruiken, van A tot Z uitgehoord.

Hij wist nu alles wat zij hem kon mededeelen; maar het arme schepseltje wist zelf niet veel. Zij had hooren vertellen, dat er negen duizend pond ’s jaars waren, aan geld, aan huizen, in de Indische bank, en ik weet niet wat al meer. Beide dames onderteekenden papieren om te koopen of te verkoopen, en het geld scheen gelijkelijk tusschen beiden te zijn verdeeld.

Negen duizend pond ’s jaars! Deuceace ging weg met tintelende wangen en een kloppend hart. Hij, die geen stuiver bezat, kon den volgenden morgen, indien het hem behaagde, heer zijn over, ten minste, vijf duizend pond ’s jaars!

Ja wel – maar hoe? Wie had het meeste geld: de moeder of de dochter? Al zijn thee drinken had hem dit niet geleerd, en Deuceace dacht, dat het jammer was, dat hij niet met beiden tegelijk kon trouwen.

De dames keerden des avonds naar huis, zeer tevreden over de ontvangst bij den gezant, en uit het rijtuig stappende, gelastten zij den koetsier, een heer, die haar daarbij geholpen had, naar huis te brengen. Het was een bejaard, lijvig heer, die bij het afscheidnemen haar zeer teeder de hand drukte en beloofde, dikwijls bij Lady Griffin te komen. Hij was zoo beleefd, dat hij volstrekt de dames naar [113]boven wilde brengen; maar Lady Griffin wilde daar niet van hooren. „Eduard,” riep zij den koetsier toe, met luider stem, en zeer vergenoegd dat alle menschen in het hôtel haar konden hooren, „ga met het rijtuig, en breng Mylord naar huis.”

Kan de lezer nu gissen, wie Mylord was? Niemand anders dan de hoogwelgeboren heer, graaf van Crabs – dezelfde oude heer, dien ik den vorigen dag op zulk een aangenamen voet met zijn zoon had gezien.

Mijnheer vernam dit den volgenden dag, en begon te denken, dat hij dwaas had gehandeld, met zijn vader de duizend pond te weigeren.

Hoewel ik eerst jaren later vernam wat aan het diné gebeurd was, geloof ik wèl te doen, met het hier, woord voor woord, te verhalen, gelijk het mij werd medegedeeld door den heer, die aan tafel, achter den stoel van Lord Crabs, had gestaan.

Men was slechts „en petit comité” bij het diné geweest, zoo als Lady Bobtail had geschreven, en Lord Crabs werd tusschen de beide dames Griffin geplaatst; jegens beiden was hij uiterst beleefd en hoffelijk.

„Vergun mij,” zeide hij tot Lady Griffin (tusschen de soep en den visch), „u hartelijk te danken, Mylady, voor uwe vriendelijkheid jegens mijn armen jongen. Gij, Lady Griffin, zijt zelve te jong om het bij ondervinding te kennen, maar ook te goedhartig, om de dankbaarheid niet te kunnen beseffen, waarmede een liefderijk vaderhart vervuld wordt, wegens vriendelijkheid aan een kind bewezen. Geloof [114]mij,” voegde Lord Crabs er bij, haar strak, maar teeder in de oogen starende, „dat de gunstbewijzen, waarmede gij zekeren persoon hebt overladen, mij, evenzeer als hem, hebben getroffen, en dat ze in mijn hart dezelfde gevoelens van dankbaarheid en genegenheid hebben verwekt als die, waarmede mijn zoon Algernon reeds bezield is.”

Lady Griffin bloosde en liet het hoofd hangen, zoodat hare krullen rustten op het bord met visch, dat vóór haar stond; zij vond den onzin van Lord Crabs even smakelijk als truffles.

De oude Lord (wiens praatvermogen onuitputtelijk was) hield nu eene aanspraak aan jufvrouw Griffin. Hij zeide, dat hij vernomen had, in welke positie Deuceace zich bevond – de jufvrouw bloosde – hij was toch een benijdenswaardig jong mensch – de jufvrouw bloosde tot zij paarsch en rood werd – toen haalde lord Crabs een diepe zucht, en vestigde zijne aandacht op den tarbot met kreeftensaus.

Mijn heer verstond zich wèl op de vleijerij; maar, goede Hemel! hij kwam niet méér in aanmerking, als men hem met den ouden heer vergeleek, dan een molshoop tegen over een berg. Eer de avond ten einde liep, had deze grootere vorderingen gemaakt, dan een ander in een jaar zoude gedaan hebben. Men vergat bijna zijn rooden neus, zijn vooruitstekenden buik en zijne ondeugende, verliefde blikken, als men zijne innemende stem, zijne onuitputtelijke menigte van anecdoten, en vooral den aandoenlijken, godsdienstigen en stichtelijken [115]toon van zijn gesprek vernam. Men zal misschien denken, dat deze dames, daar zij zoo rijk waren, zich niet zoo gemakkelijk hadden moeten laten om den tuin leiden; maar herinner u, waarde lezer, dat zij versch uit Indië waren gekomen, dat zij niet vele lords hadden gezien, dat zij alle pairs aanbaden – gelijk het pligt is van elke fatsoenlijke vrouw in Engeland, die eene behoorlijke opvoeding heeft genoten en de romans van den dag heeft gelezen – en dat zij hier te Parijs voor het eerst in de groote wereld kwamen.

Nu dan, na het eten, terwijl jufvrouw Matilda bezig was, met het zingen van „di tanti palpiti”, of „di piacer” of een ander van die beroemde Italiaansche aria’s – als zij er eens aan begon dan kwam er geen einde aan – naderde lord Crabs weder Lady Griffin, en begon haar langzamerhand op een geheel anderen toon toe te spreken.

„Het is voor ons allen een zegen, Mylady,” zeide hij, „dat Algernon eene zoo achtenswaardige vriendin heeft gevonden, als gij zijt.”

„Zoo, Mylord, en hoe dat? Ik veronderstel, dat de heer Deuceace nog andere achtenswaardige vrienden heeft, behalve mij?”

„Ja – zeker; hij heeft andere vrienden gehad; zijne geboorte, en, vergun mij te zeggen, zijne verwantschap met mij hebben hem vele vrienden bezorgd; maar – –” en hier loosde lord Crabs eene zware zucht.

„Maar wat dan?” vroeg Lady Griffin, glimlagchende over de treurige uitdrukking op zijn gelaat: [116]„gij wilt toch niet zeggen, dat de heer Deuceace ze verloren heeft, of dat hij zich hunner onwaardig heeft gemaakt?”

„Ik hoop van neen, Mylady, ik hoop van neen; maar hij is wild, onbedachtzaam, verkwistend zelfs, en steekt in schulden, en gij weet wel, dat een man, die zich in zulke omstandigheden bevindt, niet zeer keurig is in zijn omgang.”

„Hij heeft schulden! goede Hemel! Hij zegt, dat zijne peettante hem tweeduizend pond ’s jaars heeft nagelaten; hij schijnt zelfs zijn inkomen niet uit te geven – en het is toch een aardig sommetje voor een ongetrouwd heer.”

Lord Crabs schudde bedroefd het hoofd en zeide:

„Wilt gij mij uw woord van eer geven, het geheim te bewaren, Lady Griffin? Mijn zoon heeft niets meer dan duizend pond ’s jaars, die ik hem geef, en hij heeft ontzettende schulden. Ik vrees, mevrouw, dat hij gespeeld heeft, en om deze reden ben ik zoo blijde te vernemen, dat hij een fatsoenlijken kring heeft gevonden, waar hij, te midden van veel grootere en zuiverder genoegens, het dobbelspel zal leeren vergeten, en tegelijk het ellendige gezelschap, dat gedurende langen tijd zijn ongeluk is geweest.”

Lady Griffin zag er zeer bekommerd uit. – Was dit waar? Was Deuceace opregt in zijne liefdesbetuigingen, of was hij alleen een opligter, die haar om haar geld wilde trouwen? Kon zij aan de verkregene berigten twijfelen? – deze kwamen toch van zijn eigen vader – en, wat nog meer zegt, van [117]een echten, onvervalschten pair van het rijk. Zij besloot, Deuceace te beproeven; misschien wist zij niet, hoeveel zij van hem hield, totdat zij begon te gevoelen, hoe zeer zij hem haten kon, indien hij haar verraderlijk had behandeld.

De avond was voorbij en zij gingen naar huis, gelijk wij gezien hebben. – Lord Crabs reed weg, in het rijtuig van Lady Griffin, terwijl zij en de jufvrouw naar boven gingen, naar hare eigene kamers.

Daar vonden zij, tot hare verwondering, de arme jufvrouw Kicksey zeer gelukkig en glimlagchende, en blijkbaar met een geheim bezwaard; naar hare blikken te oordeelen, iets buitengewoon aangenaams.

Zij bewaarde haar geheim niet lang.

Terwijl zij thee schonk voor de dames (eene vaste gewoonte vóór zij naar bed gingen), zeide zij:

„Wel, zuster, wie denkt gij dat hier is geweest, om thee met mij te drinken?” Arm schepseltje! een vriendelijk gezigt was eene merkwaardige gebeurtenis voor haar – eene theevisite maakte diepen indruk.

„O, misschien Lenoir, mijne kamenier,” gaf me vrouw tot antwoord, met een knorrigen blik: „ik wenschte zeer, jufvrouw Kicksey, dat gij u niet vernederde, door met dienstboden om te gaan. Herinner u, als het u belieft, dat gij de zuster zijt van Lady Griffin.”

„Neen, Mylady, Lenoir is niet bij mij geweest; het was een heer – en bovendien een zeer deftige heer!”

„O, dan was het Monsieur de l’Orge;” merkte [118]jufvrouw Matilda aan, „hij beloofde, mij eenige guitar-snaren te bezorgen.”

„Neen, Monsieur de l’Orge was het niet. Hij is óók hier geweest – maar hij had niet de beleefdheid, naar mij te vragen. Wat zegt gij er van, als ik verklaar, dat het niemand anders was, dan uw eigen galant, de heer Algernon Deuceace?” en met deze woorden klapte de arme Kicksey in de handen, en keek even vrolijk, als of zij een groot vermogen had geërfd.

„De heer Deuceace hier! en wat deed hij hier, indien ik het weten mag?” vroeg Lady Griffin, die zich alles voor den geest riep, wat zijn deugdzame vader haar had verteld.

„O, in de eerste plaats had hij zijn portefeuille hier gelaten, en in de tweede plaats verzocht hij een kopje van mijne „lekkere thee”; hij bleef wel een geheel uur, of langer, bij mij.”

„En zoude ik mogen vragen,” begon jufvrouw Matilda op den meest verachtelijken toon, „wat het onderwerp uitmaakte van uw gesprek met den heer Algernon? Spraakt gij over staatkunde, of muzijk, of de schoone kunsten, of de metaphysica?” Daar jufvrouw Matilda was, hetgeen men een bas-bleu noemt (zoo als de meeste leelijke vrouwen in het dagelijksche leven zijn), sprak zij altijd over zulke verhevene onderwerpen.

„Neen, waarlijk niet, hij praatte met mij niet over zulke geleerde zaken. Indien hij het gedaan had, dan weet gij wel, Matilda, dat ik hem niet zoude begrepen hebben. In de eerste plaats spraken [119]wij over het weder, dan over beschuitsbollen en theekoekjes; en toen spraken wij” (hier verflaauwde de stem van jufvrouw Kicksey) „over den armen Sir George zaliger, – of hij gen goed echtgenoot was – en welk –”

„En welk een groot vermogen hij bij zijn dood naliet, niet waar, jufvrouw Kicksey?” zeide Lady Griffin met eene harde, vernederende stem en een satansch grijnzen,

„Ja wel, lieve Leonora, hij sprak met zoo veel gevoel over uw echtgenoot zaliger, en scheen zoo veel belang in u en Matilda te stellen, dat het aandoenlijk was, om hem te hooren, dien goeden man!”

„En wat hebt gij hem verteld, jufvrouw Kicksey?”

„O, ik vertelde hem, dat gij, Leonora, en Matilda negen duizend pond ’s jaars hadt en –”

„En wat nog meer?”

„Wel niets meer; ik weet er ook niets meer van – maar dat weet ik, dat, had ik maar negentig –” zeide de arme Kicksey, de oogen ten hemel slaande.

„Negentig lafheden! Vroeg de heer Deuceace niet, hoe het geld vermaakt was, en aan welke van ons beiden?”

„Ja wel, maar dat kon ik hem niet zeggen.”

„Dacht ik het niet!” schreeuwde Lady Griffin, haar kopje over de tafel schuivende, „dacht ik het niet!”

„En wat dan?” vroeg jufvrouw Matilda, „wat dan, Lady Griffin? Het is geene reden om uw kopje te breken, dat Algernon eene onschuldige [120]vraag heeft gedaan. Hij ís niet geldzuchtig; hij is de opregtheid, de onschuld en de edelmoedigheid zelve. Hij is met wereldsche goederen ruim genoeg gezegend, om daarmede tevreden te kunnen zijn, en herhaaldelijk, herhaaldelijk, heeft hij mij zijn wensch te kennen gegeven, dat de vrouw van zijne keuze geen stuiver mogt bezitten, om haar de belangeloosheid van zijne genegenheid te kunnen bewijzen.”

„Ik twijfel er volstrekt niet aan,” zeide mevrouw, „misschien is ook jufvrouw Matilda Griffin de dame zijner keuze,” en te gelijk vloog zij de kamer uit, de deur achter zich toeslaande en jufvrouw Matilda Griffin in tranen achter latende, om hare liefde en haar leed in het gevoelig hart van jufvrouw Kicksey uit te storten. [121]