[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

Spijkers met koppen slaan.

Den volgenden morgen ging ik met mijnheer weder bij Lady Griffin. – Ik vermaakte mij met de meiden in de anti-chambre, terwijl hij zijne opwachting maakte bij de dames in het salon. De jufvrouw was aan het stemmen van de guitar; Lady Griffin zat voor eene groote lessenaar, vol papieren, bezig met rekeningen, kasboeken, brieven van advokaten, en ik weet niet wat al meer. De drommel ook! het is eene bezigheid, die mij best zoude aanstaan; vooral als ik jaarlijks over zeven of acht duizend pond kon beschikken, gelijk Lady Griffin, die al zulke zaken zelve behandelde. De jufvrouw was veel te sentimenteel, om zich daarmede op te houden. „Lady Griffin heeft brieven uit Londen ontvangen,” zeide de jufvrouw, „van advokaten en dergelijke nare menschen, – kom hier naast mij zitten, ondeugd!”

Mijnheer ging zitten.

„Hoe gaarne kom ik bij u,” zeide hij, „mijne lieve [122]jufvrouw; het is waarachtig, op deze wijze, bijna een tête à tête!

„Wel,” zeide de jufvrouw (nadat de eerste gekheden afgeloopen waren) „wij hebben een uwer vrienden aan de ambassade ontmoet, mijnheer Deuceace.”

„O, mijn vader, zonder twijfel; hij is een groot vriend van den ambassadeur, en verraste mij ook eergisteren avond met een bezoek!”

„Welk een allerliefst oud man! Ach! wat houdt hij dol veel van u!”

„O, schrikkelijk veel!” zeide mijnheer, den blik ten hemel slaande.

„Hij sprak van niets anders, dan van u, en hij roemde u zóó!”

Mijnheer begon weder vrij te ademen, en zeide:

„Hij is zeer goed voor mij, mijn beste vader; maar verblind, zoo als alle vaders zijn; hij is geweldig met mij ingenomen en aan mij gehecht.”

„Ja, hij sprak van u als van zijn lieveling, en betreurde het, dat gij zijn oudste zoon niet waart: ik kan hem slechts, zeide hij, het deel van een jongeren broeder geven; maar dat doet er niet toe, hij bezit talenten, een edelen naam, en hij heeft zelf een onafhankelijk vermogen.”

„Onafhankelijk? – Ja wel – o ja! ik ben geheel en al onafhankelijk van mijn vader.”

„Twee duizend pond ’s jaars, u door uwe peettante nagelaten, juist zoo als gij ons verteld hadt.”

„Twee duizend pond – juist;” zeide mijnheer met het hoofd knikkende, „genoeg, lieve vriendin, voor [123]iedereen – meer dan genoeg voor een man met mijne matige behoeften.”

Apropos,” riep Lady Griffin, het gesprek storende, „gij, die daar over geldzaken spreekt, zoudt mij wel eens kunnen helpen. Kom nu ook hier, ondeugd, en help mij met eene lange, lange som.”

Of hij ging! Goede Hemel! Wat glinsterden zijne oogen, toen hij door de kamer vloog en naast Lady Griffin ging zitten!

„Zie eens!” begon zij; „mijne zaakwaarnemers schrijven mij, dat zij zeven duizend twee honderd roepies voor mij hebben ontvangen, tegen twee shillings negen stuivers het roepie. Vertel mij toch, hoeveel dat beloopt in ponden en shillings.” Mijnheer deed dit met de meeste deftigheid.

„Negen honderd en negentien pond? Best, gij zult het wel goed berekend hebben; want waarlijk, ik kan mij de moeite niet geven, om het na te gaan. En nu ontstaat er eene andere vraag: aan wien behoort dat geld: aan Matilda of aan mij? Gij moet weten, dat het de renten zijn van een kapitaal in Indië, dat wij niet noodig hebben aan te raken, en volgens de beschikkingen van het testament van Sir George, weet ik nu waarachtig niet, wat ik met het geld moet doen, als wij het niet dadelijk uitgeven. Matilda, wat moet er mede gedaan worden?”

„Ach, mama, ik wilde wel, dat gij zelve beslistet.”

„Nu dan, Algernon, beslis gij maar!” en zij [124]legde hare hand op de zijne en zag hem verliefd in de oogen.

„O,” zeide hij, „ik weet niet, hoe Sir George over zijn geld beschikt heeft; eer ik aan uw verlangen voldoe, moet gij mij zijn testament laten zien.”

„O, zeer gaarne.”

Mijnheer’s stoel scheen plotseling met veren voorzien te zijn; om te blijven zitten, was hij genoodzaakt, zich vast te houden.

„Ziedaar, ik heb maar een afschrift, dat ik zelve gemaakt heb van het oorspronkelijke van Sir George. Krijgslieden, zoo als gij weet, geven aan advokaten niet veel werks, en dit werd gemaakt den nacht vóór den slag, en zij las: „Ik George Griffin, enz., enz., enz. – gij weet wel, hoe die zaken beginnen – – laat na aan mijne vrienden Thomas Abraham Hicks, kolonel in dienst der Oost-Indische Compagnie, en aan John Monro Mackirkincroft (van de firma Huffle, Mackirkincroft en Dobbs te Calcutta), als mijne executeurs, mijn geheel vermogen, dat zij zoo spoedig doenlijk zullen realiseren (zonder de belangen van de erfgenamen te benadeelen), ten voordeele mijner eenige erfgenamen Leonora Emilia Griffin, geboren Kicksey, en van mijn eenig wettig kind, Matilda Griffin. De renten, komende van dit vermogen, zullen in gelijke deelen tusschen, beiden worden verdeeld; het kapitaal moet echter onaangeroerd blijven, ingeschreven op naam van voormelde T. A. Hicks en J. M. Mackirkincroft, tot na den dood van mijne echtgenoote Leonora Emilia Griffin, wanneer het in handen zal moeten worden [125]gesteld van mijne dochter Matilda Griffin, hare erfgenamen of regtverkrijgenden, of, bij gebreke van deze, aan den naast bestaanden. – Dáár,” eindigde Lady Griffin, „wij zullen er niet meer van lezen; het overige heeft niets te beteekenen. Maar nu, nu gij de geheele zaak kent, zeg ons, wat wij met het geld moeten beginnen?”

„O, het geld moet zonder twijfel tusschen u beiden worden verdeeld.”

Tant mieux, zeg ik,” antwoordde Mylady, „want ik verbeeldde mij, dat het alles aan Matilda toebehoorde.”

Toen het testament gelezen was, volgde een oogenblik van stilzwijgen. Mijnheer stond op van den lessenaar, waaraan hij naast Lady Griffin gezeten had; hij wandelde gedurende eenigen tijd de kamer op en neder, en naderde de plaats waar jufvrouw Matilda zich bevond. Eindelijk zeide hij, met eene zachte, bevende stem.

„Bijna spijt het mij, dat onze dierbare Lady Griffin het testament heeft voorgelezen; het spijt mij om den wil eener liefde, die de menschen geneigd zullen zijn, baatzuchtig te noemen, omdat zij zoo zeer begunstigd wordt door het tijdelijk geluk – Jufvrouw Griffin – Matilda! Ik weet, dat ik dien naam mag gebruiken, uwe lieve oogen geven mij daartoe de toestemming; ik behoef, noch aan u, noch aan uwe beminnelijke stiefmoeder, te zeggen, hoe lang, hoe vurig ik u aangebeden heb! Beminde, schoonste Matilda, ik wìl niet ontveinzen, dat ik reeds lang in uw hart heb gelezen, en dat [126]ik dáár de vooringenomenheid heb ontdekt, waarmede gij mij vereerd hebt. O, dierbaar meisje, geef woorden aan uwe liefde, van uwe eigene, schoone lippen; laat mij, in tegenwoordigheid van eene teedere moeder, het woord vernemen, dat mij voor eeuwig zal gelukkig maken. Matilda, aangebedene Matilda! zeg, o zeg, dat gij mij bemint!”

Jufvrouw Matilda beefde, zij werd bleek, rolde de oogen, en, mijnheer in de armen vallende, riep zij uit:

„Ja – ik bemin u!

Lady Griffin zag het paar een oogenblik aan, op de tanden knarsende, met vlammende oogen en kloppend hart, en met een gezigt, dat wit was als krijt; zij was het evenbeeld van madame Pasta in de opera Medea, waar die op het punt is, hare kinderen te vermoorden, en zij vloog uit de kamer zonder een woord te spreken, mij ongelukkige, die toevallig vlak voor de deur stond, omverstootende, en mijnheer alleen latende met zijne gebogchelde beminde.

Ik heb zijne aanspraak aan haar zeer getrouw wedergegeven. Ik maakte er eene ruwe schets van dadelijk na de gebeurtenis, en iedereen kan de copie zien bij den heer Fraser1; er staat echter bij abuis in bet afschrift: „Lady Griffin – Matilda!” in plaats van: jufvrouw Griffin – Matilda! enz, gelijk men boven heeft gelezen.

Mijnheer begreep, dat hij dezen keer spijkers met koppen had geslagen; maar zijne lotgevallen waren nog niet ten einde. [127]


1 De „Yellowplush papers” verschenen eerst in Fraser’s Magazine