[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De kat uit den zak.

Mijnheer had, nu den spijker op den kop geslagen; het is waar, een krommen spijker, maar een die mooi verguld was, hetgeen Deuceace zeer op prijs stelde; want hij kende de waarde der edele metalen, en verkoos het zuivere goud van de jufvrouw boven het vergulde brons van hare stiefmoeder. Zoo was hij nu, in weêrwil van zijn vader (welken ouden edelman de heer Deuceace nu van ganscher harte uitlachte); in weêrwil van zijne schulden, welke, het is waar, hem nooit zeer gehinderd hadden; in weêrwil van alles, was hij er nu boven op – de toekomstige heer over een kolossaal vermogen, de aanstaande echtgenoot van eene zeer domme vrouw. Wat zou een sterveling meer, kunnen begeeren? Droomen van eerzucht vervulden nu zijn geest. Lusthuizen, loges in de opera, steeds gevulde geldkisten, jagtpaarden te Melton, eene stem in het Gemeentehuis; de Hemel weet wat niet al! Zeker weet het een arme dienstknecht [128]niet, die alleen hetgeen onder zijne oogen gebeurde kan beschrijven, en natuurlijk in het hart en in de gedachten der menschen niet lezen kan.

Het is naauwelijks te gelooven, hoe snel de driehoekige briefjes van jufvrouw Matilda nu op elkander volgden. De jufvrouw had vroeger druk genoeg geschreven, en nu, ’s nachts en ’s middags en ’s morgens; bij het ontbijt, aan tafel, ’s avonds, regende het briefjes, tot dat mijn kamertje (want mijnheer las ze nooit, en ik moest ze altijd weêr weg nemen) onverdragelijk werd van de lucht der parfumeriën, waarmede zij doortrokken waren. Hier volgt de inhoud van drie dezer briefjes, die ik gedurende twintig jaren als zeldzaamheden ín mijn lessenaar heb bewaard. Bah! Ik heb er nog de lucht van onder den neus, terwijl ik ze afschrijf.

Billet-doux.

No. I.

„Het is de betooverende tijd van den nacht! Luna verlicht mijn vertrek en straalt op mijne kussens, waaraan de slaap ontvlugt is. – Bij het licht van de maan schrijf ik deze regels aan u, mijn Algernon! O, beminde en eeuwig dierbare! heer van mijn lot, wanneer zal de tijd komen, dat, noch de lange nacht, noch de gezegende dag ons scheiden zal? Twaalf – ! een – ! twee – ! Ik heb de uren – ja, de kwartieren hooren spelen, en steeds denk ik aan mijn aanstaanden echtgenoot. Aangebeden [129]Percy, vergeef de kinderachtige bekentenis: – Ik heb den brief op deze plaats gekust! – Zullen ook uwe lippen hem aanraken en voor één oogenblik op de plek rusten, die ook aan de lippen werd gedrukt van uwe

„Matilda?”

Deze was de eerste brief; hij werd ’s morgens om zes uur, door den armen bediende Fitzclarence, aan ons huis gebragt. Ik dacht, dat het om leven of dood te doen was, en riep mijnheer op dat ontijdige uur uit den slaap. Nooit zal ik vergeten, hoe hij was, toen hij het briefje gelezen had. – Hij kneuterde het in elkaâr, en vloekte en raasde, terwijl hij zulke benamingen gaf aan de dame, die het geschreven, aan den heer, die het gebragt had, aan mij, die het overhandigde, dat ik de weêrga van zijne taal nergens dan te Billingsgate1 heb gehoord. Men moet ook bekennen, dat deze brief, de eerste na het engagement, wat al te krachtige en sentimentele uitdrukkingen bevatte. Maar dat was het eigenaardige van de dame – zij las ook steeds de aandoenlijkste geschiedenissen: Thaddaeus van Warschau; het lijden van den jongen Werther, en dergelijke boeken meer.

Nadat hij ongeveer zes van deze brieven had ontvangen, las mijnheer ze niet meer; maar hij gaf ze aan mij over, om te zien of er iets in stond, waarop [130]hij antwoorden moest, om niet al te onbeleefd te zijn. De volgende brief luidt:

„No. II.

„O mijn beminde! Tot welke razernij wordt men door de hartstogten vervoerd. Sedert uwe bekentenis van gisteren morgen heeft Lady Griffin geen woord gesproken met uwe arme Matilda. Zij heeft ook verklaard, dat zij niemand wil ontvangen – helaas! zelfs u niet, mijn Algernon! en zij heeft zich in hare eigene kamer opgesloten. Ik geloof waarlijk, dat zij ijverzuchtig is en zich verbeeldt, dat gij op háár verliefd waart! Ha! hal – Ik had haar het tegendeel kunnen bewijzen – n’est ce pas? Adieu, adieu, adieu! Duizende millioenen kussen zendt u

„M. G.”

Een derde brief kwam vóór den avond, want hoewel ik en mijnheer een bezoek aflegden bij de Griffin’s, wij werden niet binnen gelaten. Mortimer en Fitzclarence grinnikten tegen mij als of zij zeggen wilden: wij worden toch spoedig familie van elkander; maar ik kan niet zeggen, dat mijnheer zeer bedroefd was, dat hij bij het voorwerp zijner liefde niet toegelaten werd.

Dingsdag gebeurde weder hetzelfde; ’s woensdags dito, – maar toen wij aan de deur waren, zagen wij onzen vader, Lord Crabs, vriendelijk met de hand jufvrouw Kicksey groetende, en hoorden hem zeggen, dat hij „om zeven uur, op etenstijd, terug zoude komen.” – [131]

Dit gebeurde terwijl wij op den trap stonden – wij werden evenwel niet ontvangen.

„Nu, nu! dat doet er niets toe,” zeide Lord Crabs, zijn zoon vriendelijk de hand gevende, „wat! twee vogeltjes in het net, Algernon? De mama een weinig ijverzuchtig, de dochter een weinig al te verliefd. Maar de toorn van Lady Griffin zal wel overgaan, en ik beloof u, mijn jongen, dat gij morgen uwe beminde zult zien.”

Met deze woorden ging de graaf van Crabs den trap af, mijnheer vriendelijk en zelfs liefderijk aanziende en zoo hartelijk mogelijk tot hem sprekende. Mijnheer wist niet, wat hij er van denken moest. Hij begreep volstrekt niet, wat zijn oude heer voorhad; maar op de eene of andere wijze vreesde hij, niettegenstaande zijn geluk van den vorigen zondag, dat hij in den strik was geloopen. Ik wist het wel – ik begreep het dadelijk, zoodra ik bemerkte, dat de oude heer hem gade sloeg, met eene soort van glimlach op de lippen, die half duivelsch en half engelachtig was.

Maar de vermoedens van mijnheer werden den volgenden morgen opgehelderd. Onder het ontbijt ontving hij een brief met een tweeden daarin gesloten. Ik geef afschrift van beiden:

No. III.

„Aan ons is de overwinning! aan ons! Mama heeft eindelijk moeten toestemmen – niet, dat wij in het huwelijk treden – maar, dat gij gelijk te [132]voren bij ons moogt komen, en zij heeft beloofd het gebeurde te vergeten. Dwaze vrouw! hoe kon zij ooit anders aan u denken, dan als de minnaar van uwe Matilda? Ik ben verrukt, betooverd door vreugde en hartstogtelijke teederheid. Dezen geheelen langen nacht heb ik gewaakt, om aan u, mijn Algernon, te denken, en om te verlangen naar het zalige uur onzer ontmoeting. O kom!

„M. G.”

Het volgende was door Lady Griffin ingesloten:

„Ik zal u niet zeggen, dat ik gisteren niet zeer geschokt werd door uw gedrag. Ik was zoo onverstandig geweest, om aan andere plannen te denken, en mij te verbeelden, dat uw hart (zoo gij een hart hebt) ten minste niet vervuld was met liefde voor iemand, wier zwakheden dikwijls door u, met mij, bespot werden, en wier uiterlijk u zeker niet heeft bekoord.

„Ik kan niet veronderstellen, dat mijne stiefdochter zonder mijne toestemming in het huwelijk zal treden; en die toestemming kan ik nog niet geven. Heb ik geene reden te twijfelen, of het haar geluk zal bevorderen, als zij zich aan u overgeeft?

„Evenwel, zij is meerderjarig en heeft het regt, in haar eigen huis al diegenen te ontvangen, die haar aangenaam zijn – vooral u, die, naar alle waarschijnlijkheid, vroeger of later, in zulk eene naauwe betrekking tot haar zult staan. Indien ik overtuigd word, dat uwe liefde voor jufvrouw Griffin opregt gemeend is, indien ik na verloop van eenige maanden ondervind, dat gij nog verlangt haar tot uwe [133]echtgenoote te maken, mag ik natuurlijk van mijne zijde geene verdere zwarigheden in den weg leggen.

„Het staat u alzoo vrij, om weder naar ons hôtel te komen. Ik kan niet beloven, u op dezelfde wijze als vroeger te ontvangen; gij zoudt mij verachten indien ik het deed. Ik kan evenwel beloven, niet meer te denken aan al hetgeen tusschen ons is gebeurd, en mijn eigen geluk wil ik gaarne opofferen aan dat van de dochter mijns beminden echtgenoots.

„L. E. G.”

Is dit nu niet een opregt, eerlijk schrijven; meer dan wij met regt hadden kunnen verwachten van eene vrouw, die wij, men moet het bekennen, allerschandelijkst hadden behandeld? Mijnheer was ten minste van deze meening, en hield een teedere, eerbiedige aanspraak aan Lady Griffin; schoone woorden zijn goedkoop. Met alle blijken van ernst en droefenis, kuste hij haar de hand, en met eene zachte en ontroerde stem riep hij den hemel tot getuige, dat hij diep betreurde, dat zijn gedrag tot ongelukkige denkbeelden aanleiding had gegeven; maar dat, indien hij haar hoogachting, eerbied, de vurigste en teederste bewondering durfde aanbieden, hij tevens hoopte, dat zij deze van hem wilde aannemen; met veel meer onzin van denzelfden aard, vergezeld van donkere, aandoenlijke blikken, en het herhaalde gebruik van een witten zakdoek.

Hij dacht, dat hij alles in orde had. De arme dwaas! Hij was in den strik geloopen – in den akeligsten strik, die ooit gespannen werd, om een schurk te vangen. [134]


1 Billingsgate is de groote vischmarkt te Londen, en de dames dáár zijn even bekend om hare schandelijke taal als de poissardes van Parijs en de vischvrouwen in Holland.