– Ik, die sommigen behaag, – op proef stel allen,
De vreugd der goeden en der boozen schrik, –
Ik, die dwaalbegrippen in ’t leven roep,
En dwaalbegrippen ook ophelderen kan,
Neem thans op mij met snelle vlucht voorbij te gaan,
En over zestien jaren heen te vliegen als een pijl –
Zonder te melden wat in dien tijd geschiedt.
Shakspeare.
Ons verhaal gaat hier een tijdvak van omstreeks zeventien jaren, waarin niets merkwaardigs voorviel, met stilzwijgen voorbij. Eene groote gaping voorwaar; maar den lezer, die reeds op zoo vele levensjaren terug kan zien, zal dit tijdperk in de herinnering nauwelijks langer voorkomen, dan de tijd, welken hij noodig heeft, om dit verhaal te doorbladeren.
Zeventien jaren dus na de ongelukkige gebeurtenis, welke wij in het vorige hoofdstuk verhaald hebben, zat een vroolijk gezelschap, op een kouden stormachtigen Novemberavond, aan den haard in de kleine maar gezellige herberg te Kippletringan. Het gesprek dat daar gevoerd werd, maakt het overbodig voor mij om de weinige voorvallen te melden, die in den langen tusschentijd, waarvan ik gesproken heb, gebeurd waren.
De waardin, vrouw Mac-Candlish, zat in een gemakkelijken leuningstoel en onthaalde een paar buurvrouwen op een kopje geurige thee, terwijl de zorgvuldige huisvrouw nochtans niet vergat, een waakzaam oog op de heen en weêr loopende bezige dienstboden te houden. De koster en voorzanger van het dorp zat op eenigen afstand en rookte genoegelijk zijn gewoon zaterdagavonds-pijpje, terwijl hij tusschenbeide de lippen met een teugje brandewijn en water bevochtigde. De diaken en kruidenier Bearcliff, een man van groot gewicht in het dorp, hield het met beide partijen; hij rookte zijne pijp en dronk een kopje thee, waarin hij een weinig brandewijn deed. Een weinig verder zaten een paar landlieden bij een kan dun bier.
„Is de kamer in orde?” vroeg de waardin aan hare kamermeid! „brandt het vuur goed en rookt het er niet?”
Het meisje verklaarde dat alles in orde was.
„Men mag niet onbeleefd jegens hen zijn, vooral niet in hun ongeluk,” hernam de waardin, zich tot den winkelier wendende.
„Zeker niet, vrouw Mac-Candlish, zeker niet”, antwoordde Bearcliff. „Geloof mij, als zij eenige kleinigheden uit mijn winkel noodig hebben, welke niet meer dan zeven, acht of tien pond zwaar zijn, geef ik hun die even gaarne op krediet, als den voornaamste hier uit den omtrek. Komen zij met de oude koets?”
„Dat geloof ik niet;” zei de voorzanger. „juffrouw Bertram rijdt altijd op den grijze hit naar de kerk. Het lieve meisje is eene vlijtige kerkgangster, en [65]het is een lust, haar de psalmen te hooren zingen.”
„Ja, en de jonge heer van Hazlewood rijdt altijd halfweg met haar, wanneer zij, als de kerk uit is, naar huis gaat,” hernam eene der buurvrouwen. „Ik zou wel willen weten wat de oude Hazlewood er van denkt.”
„Wat hij er van denkt, weet ik niet,” hernam een andere uit het gezelschap; „maar er is een tijd geweest, toen Ellangowan het even ongaarne zou gezien hebben, dat zijne dochter zich met den zoon van Hazlewood inliet.”
„Ja, er was een tijd,” antwoordde de eerste met nadruk.
„Ja zeker, buurvrouw Ovens,” sprak de waardin; „het geslacht der Hazlewoods is wel een goede oude familie hier in het graafschap; maar voor een twintigtal jaren dachten zij er nog niet aan, zich met de Ellangowans gelijk te stellen. De Bertrams van Ellangowan zijn de oude Mac-Dingawaies, zoo als een oud lied zegt. Mijnheer Skreigh zou het wel voor ons kunnen zingen.”
„Beste vrouw,” antwoordde de koster, zijn glaasje met veel deftigheid aan den mond brengende; „onze talenten zijn ons tot andere doeleinden gegeven, dan om, zoo kort voor den dag des Heeren, zulke oude dwaze liedjes te zingen.”
„Wel zoo! ik heb u toch meer dan eens op een zaterdagavond een vroolijk liedje hooren zingen. Maar om weder op de koets terug te komen, buurman Bearcliff, die is sedert den dood van Mevrouw Bertram niet uit het koetshuis geweest, en dat is nu omstreeks zeventien jaren geleden. Ik heb Hans Jabos met zijn wagen gezonden, om hen te halen. Het verwondert mij, dat hij nog niet terug is. Het is wel stikdonker, maar de weg is over het algemeen goed; er zijn slechts een paar gevaarlijke plaatsen en de brug over de beek te Warroch is veilig genoeg, als men aan den rechterkant blijft, Het eindje moeras, wat verder op, is ook wel lastig voor de paarden, maar Hans kent den weg best.”
Hier hoorde men hevig aan de deur kloppen.
„Dat zijn ze niet, ik hoor geen rijtuig,” zei de waardin; „Grietje! loop eens zien wie er is.”
„Het is een heer alleen,” berichtte de meid „zal ik hem in de zaal brengen?”
„Bij je leven niet! ’t zal wel de een of ander Engelsche reizende koopman zijn, die zoo laat ’s avond zonder bediende aankomt. Heeft de stalknecht hem zijn paard afgenomen? Leg maar een kooltje vuur in de roode kamer aan.”
„Ik wenschte wel,” zei de reiziger, naar den algemeenen haard tredende, „dat ik mij hier maar eerst wat warmen kon; het is een zeer koude nacht.”
Zijn uiterlijk, zijne stem en manieren maakten dadelijk een gunstigen indruk. Het was een schoon, rijzig man, in het zwart gekleed, zoo als men zag toen hij zijn mantel afgelegd had, tusschen de veertig en vijftig jaren oud, met ernstige belangwekkende gelaatstrekken, iets krijgshaftigs in zijne houding, die zoo wel als zijne bewegingen den fatsoenlijken man verraadden. Vrouw Mac-Candlish had het, door lange ondervinding, zeer ver gebracht in de kunst, om den rang harer gasten op het eerste gezicht te raden, ten einde hen dien overeenkomstig te ontvangen. Bij deze gelegenheid was zij zeer mild met hare komplimenten en beleefde woorden; en toen de vreemdeling verzocht, dat zijn paard toch goed opgepast mocht worden, ging zij zelve naar den stal, om er naar te zien. De knecht verzekerde, dat er nog nooit een schooner dier in den stal te Kippletringan gestaan had, en deze verklaring vermeerderde den eerbied der waardin jegens den ruiter.
Daar de vreemdeling niet verkoos in eene andere kamer te gaan, die, zoo als zij zelve bekende, kil en vol rook zou zijn tot het vuur flink doorbrandde, [66]bezorgde zij hem de beste plaats bij den haard, en bood hem alles aan, wat kelder en keuken konden opleveren.
Hij verlangde niets dan een kopje thee. Zij haastte zich, om een kopje beste heisan voor hem gereed te maken, bood het den vreemdeling beleefd aan, en zeide tot hem: „Wij hebben eene zeer aardige zitkamer, Mijnheer, met alles, wat een fatsoenlijk man verlangen kan; maar die is ongelukkig voor dezen nacht besproken door een heer met zijne dochter, die deze plaats verlaten willen. Ik laat hen met mijn wagen halen; zij zullen wel aanstonds hier zijn. Het gaat hun tegenwoordig niet zoo goed, als voorheen; doch zoo gaat het in de wereld, nu vóor dan tegen den wind, zoo als Mijnheer zeker wel meer gezien zal hebben. Maar hindert u de tabaksrook niet, Mijnheer?”
„In het minste niet,” antwoordde de vreemdeling; „ik ben een oud krijgsman, en wel aan den rook gewoon. – Mag ik u wel eenige vragen doen aangaande eene familie, welke verscheidene jaren geleden hier in den omtrek woonde?”
Op dit oogenblik hoorde men een rijtuig aankomen. De waardin ijlde naar de deur, om hare gasten te ontvangen, maar kwam oogenblikkelijk met den voerman alleen terug. „Neen,” zeide deze, „zij kunnen volstrekt niet komen; Mijnheer is zoo ziek.”
„Dan helpe hen God!” antwoordde de waardin; „en morgen is reeds de laatste, de allerlaatste dag, dat zij nog in het huis blijven kunnen. Er is geen uitstel te krijgen.”
„Ja,” hernam de voerman, „maar zij kunnen onmogelijk komen, zeg ik. Mijnheer Bertram kan niet vervoerd worden.”
„Wie,” vroeg de vreemdeling, „Mijnheer Bertram? Ik hoop toch niet Bertram van Ellangowan?”
„Juist dezelfde,” was het antwoord. „Indien gij zijn vriend zijt, komt gij juist op een tijd, dat het hem heel slecht gaat.”
„Ik ben lang uitlandig geweest,” hernam de vreemdeling. „Is zijne gezondheid in zulk een slechten toestand?”
„Ja, beide zijne gezondheid en zijne zaken,” hervatte de kruidenier. „Zijne schuldeischers vervolgen hem en zijne goederen zullen verkocht worden. Menschen, die het meest aan hem verdiend hebben, – ik zal geen naam noemen, maar vrouw Mac-Candlish weet wel, wien ik bedoel – vervolgen hem het ergst. Ik zelf heb ook iets te vorderen, maar liever zou ik het verliezen, dan den ouden man nu, terwijl hij stervende is, uit zijn huis zetten.”
„Dat geloof ik wel,” zei de koster; „maar Glossin wil gaarne van den ouden heer ontslagen zijn en den verkoop bespoedigen, uit vrees dat de naaste erfgenaam weder optreden mocht. Ik heb hooren zeggen, dat het goed niet om de schulden van den ouden Ellangowan verkocht kan worden, als er een mannelijke erfgenaam was.”
„Hij heeft immers verscheidene jaren geleden een zoon gekregen. Is deze dan dood?” hernam de vreemdeling.
„Dat kan niemand beslissen,” antwoordde de koster op geheimzinnigen toon.
„Zonder twijfel dood!” viel Bearcliff hem in de rede, „ik wed, dat hij reeds lang dood is. Sedert twintig jaren, of daaromtrent, heeft men niets van hem gehoord.”
„Het is nog geen twintig jaren,” hervatte de waardin; „het is in het laatst van deze maand niet meer dan zeventien jaren geleden. De zaak maakte hier veel indruk. Het kind verdween op denzelfden dag, toen de opzichter Kennedy om het leven kwam. Indien gij hier in de omstreken reeds lang [67]bekend zijt, Mijnheer, zult gij den opzichter Frans Kennedy ook wel gekend hebben. Dat was een prettig, aardig mensch; hij heeft ons hier menigen vroolijken dag bezorgd. Ik was toen nog jong, Mijnheer, en kortelings met mijn nu overleden man gehuwd,” hier zuchtte zij, „en heb menige grap met den opzichter gehad. Het was een doorslepen vogel; hij had de smokkelaars maar met rust moeten laten. Maar hij waagde zich al te veel. En zie, Mijnheer, er lag een koninklijk wachtschip in de Wigton’s baai: en Frans Kennedy liet het komen om jacht te maken op Dirk Hatteraick – gij herinnert u Dirk Hatteraick toch nog, Bearcliff! gij hebt immers zelf met hem te doen gehad?” – De aangesprokene kuchte en knikte toestemmend. „Het was een stoute kerel en hij verdedigde zijn schip tot het in de lucht vloog. Frans Kennedy, die het eerst op het schip was, werd verscheidene duizend voeten ver geslingerd en viel bij kaap Warroch, aan den voet van de rots, die nog heden ten dage de „opzichterssprong” heet, in het water.”
„En in welke betrekking staat dit alles tot den zoon van Bertram?” vroeg de vreemdeling.
„In eene zeer nauwe betrekking. De knaap was altijd bij den opzichter, en men gelooft algemeen, dat hij met hem op het schip is gegaan, zoo als kinderen er altijd gaarne bij mogen wezen, wanneer er iets kwaads te doen of te zien is.”
„Neen, neen,” hernam Bearcliff, „gij hebt het geheelenal mis. Het kind is door eene Heidin, Meg Merrilies genaamd (ik herinner mij haar nog zeer goed), geroofd, uit wraak tegen Ellangowan, om dat hij haar, om het stelen van eene zilveren lepel, met trommelslag door Kippletringan had doen rondleiden.”
„Neem mij niet kwalijk,” hervatte nu de voorzanger, „gij hebt het evenzeer mis, als onze goede waardin.”
„En wat zegt gij dan van deze geschiedenis?” vroeg de vreemdeling, zich vol belangstelling tot hem wendende.
„Daarover spreek ik niet gaarne,” antwoordde de voorzanger met groote plechtigheid.
Daar hij nochtans van alle kanten gedrongen werd ronduit te spreken, maakte hij zich tot zijn verhaal gereed. Hij zette zich in postuur, blies eenige zware tabakswolken uit, kuchte een paar malen, en liet nu, terwijl hij zoo veel mogelijk de welsprekendheid, welke hij iederen zondag van den kansel boven zijn hoofd hoorde klinken, trachtte na te volgen, uit de rookwolk, die hem omgaf, het volgende sprookje hooren:
„Wat wij nu voor te dragen of te behandelen hebben, mijne broederen – waarde vrienden wil ik zeggen – is niet in het verborgen geschied, en kan tot een antwoord voor heksenverdedigers, godloochenaars en ongeloovigen van allen aard dienen. – Gij moet weten, dat de achtbare heer van Ellangowan niet zóo stipt was, als het behoorde, in het zuiveren van zijn grondgebied van heksen – van welke geschreven staat: „gij zult geene heks laten leven,” – noch van dezulken, die omgang met booze geesten hebben, of zich met waarzeggerij en tooverij bezig houden, gelijk de zoogenaamde Heidenen en andere rampzalige landloopers. En de heer was drie jaren gehuwd geweest zonder een erfgenaam te hebben verwekt, en men dacht algemeen, dat hij Meg Merrilies, de beruchtste tooverheks en waarzegster in de graafschappen Galloway en Dumfries, daarover raadpleegde, en buitendien veel met haar te doen had.”
„Dat zal zeker wel zoo zijn,” hernam de waardin; „hij heeft haar hier eens in huis twee glazen brandewijn laten geven.” [68]
„Waarlijk, goede vrouw? dit pleit dan ook weder voor mijn verhaal; doch laat ik den draad daarvan weder opvatten. De dame verkeerde eindelijk in gezegende omstandigheden, en in den nacht, toen zij van een zoon verloste, kwam er aan de deur van hun huis, gewoonlijk het slot Ellangowan genaamd, een oud man, in eene vreemde kleeding, en bad om nachtverblijf. Zijn hoofd, zijne beenen waren niettegenstaande het gure jaargetijde, naakt, en hij droeg een grijzen baard, die hem tot de knieën reikte. Hij werd binnengelaten en toen de dame bevallen was, verzocht hij het juiste oogenblik van de geboorte des kinds te mogen weten, en ging toen naar buiten, om de sterren te raadplegen. En toen hij terugkwam, zeide hij aan den heer, dat de booze macht zou hebben over het zoontje, dat dien nacht geboren was, en raadde hem, het knaapje in de vreeze Gods op te voeden en een geestelijke aan zijne zijde te plaatsen, die met en voor hem zoude bidden. En de grijsaard verdween, en niemand hier te lande heeft hem ooit weder gezien.”
„Neen, dat kan ik niet laten voorbijgaan,” zei nu Hans, de voerman, die tot hiertoe op een eerbiedigen afstand naar het verhaal geluisterd had. „Mijnheer Skreigh zal het mij, hoop ik, niet kwalijk nemen, en met verlof van alle aanwezigen moet ik zeggen, dat die zoogenaamde toovenaar geen langer baard had, dan de koster zelf, en dat hij een paar beste laarzen en ook handschoenen aan had en ik ben oud genoeg om te weten wat goede laarzen zijn.”
„Stil toch, Hans! stil,” riep de waardin, en op trotschen toon voegde de koster er bij: „wat kunt gij daarvan weten, Hans?”
„Zeker niet veel, Mijnheer Skreigh; alleen weet ik, dat ik destijds geene honderd schreden ver van het huis Ellangowan afwoonde, en dat er in den nacht, toen de jonge heer geboren werd, een man aan onze deur klopte, met wien mijne moeder mij, die toen een opkomende jongen was, naar het slot zond. Indien hij een toovenaar geweest was, had hij, dunkt mij, zelf den weg kunnen vinden. Het was een welgekleed, aardig jongmensch; het scheen een Engelschman te zijn. Ik verzeker u, hij droeg een hoed, laarzen en handschoenen, zoo goed, als de grootste heer van het land. Hij zag, wel is waar, met huivering naar het oude slot, en er is, zoo als ik gehoord heb, ook zoo iets van tooverij of waarzeggerij voorgevallen; maar wat het verdwijnen betreft, daar is geen woord van waar. Ik heb hem zelf den stijgbeugel gehouden, toen hij wegreed, en hij gaf mij een flinke fooi. Hij had een paard van George te Dumfries, het was eene spattige, stijve vos; ik heb het dier voor en na dien tijd dikwijls gezien.”
„Nu, nu, Hans!” antwoordde de koster op een vriendelijken, plechtigen toon, „onze verhalen verschillen niet in hoofdzaken; ik wist maar niet, dat gij den man gezien hadt. Nu, vrienden, om voort te gaan: de waarzegger voorspelde, zoo als ik reeds gezegd heb, ongeluk aan het kind, en de vader nam eenen geestelijke bij zich, om dag en nacht bij den knaap te waken.”
„Ja, dat was dominé Sampson,” zei de voerman.
„Dat is een onnoozele bloed,” hernam de kruidenier. „Men zegt, dat hij geen tien woorden van eene preek achter elkander kan opzeggen.”
„Nu ja!” hervatte de koster, en wenkte met de hand, als of hij het woord gaarne weder alleen wilde voeren; „hij bewaakte den jongen heer dag en nacht. Toen nu de knaap bijna vijf jaren oud was, begon de oude heer zijne dwalingen in te zien en besloot zich te bekeeren en de Heidenen van zijn grondgebied te verdrijven; en de straksgenoemde Frans Kennedy, een ruwe knaap die veel vloekte, werd afgezonden, om hen te verjagen. En hij vervloekte [69]en verwenschte hen en zij vervloekten hem, en Meg Merrilies, die door hare verbintenis met den booze de machtigste was, zwoer hem, dat zij hem met lichaam en ziel in hare macht zoude hebben, voor dat de zon driemaal ondergegaan was. Meg Merrilies verscheen ook aan den heer, toen hij van Singleside naar huis reed, en bedreigde hem met hetgene zij den zijnen aandoen zoude. – Ik heb dit van goederhand, van den rijknecht van den heer zelven; hij heeft haar zelf gezien, maar kon niet zeggen of het Meg zelve of een booze geest in hare gestalte was; want zij scheen hem veel grooter toe dan een gewone sterveling.”
„Dat kan wel zoo zijn,” zei de voerman, „ik kan daar niets tegen zeggen, ik was destijds niet hier; maar die rijknecht was een bange ziel, zonder hart in het lijf.”
„En wat was het einde van dit alles?” hernam de vreemdeling met ongeduld.
„Nu,” vervolgde de koster, „het verdere of het einde was, dat deze Kennedy, terwijl zij allen naar een koninklijk schip keken, dat een smokkelaar vervolgde, eensklaps wegliep, zonder dat iemand wist waarom – koorden noch banden hadden hem ook kunnen houden – en zoo hard zijn paard loopen kon, naar het bosch van Warroch snelde. Onderweg ontmoette hij den knaap met zijn leermeester, nam den knaap bij zich op het paard en zwoer, dat, als hij behekst was, het kind hetzelfde lot zou deelen, als hij. En de geestelijke volgde zoo snel hij kon, ja bijna zoo snel als zij: want hij was verwonderlijk vlug ter been; en hij zag dat Meg, de tooverheks, of haar meester in hare gestalte, plotseling uit den grond opsteeg en het kind uit de armen van den opzichter scheurde. Deze wilde zich verdedigen en trok zijn hartsvanger: want, zoo als gij weet, iemand, die den dood vinden zal, vreest zelfs den duivel niet.” „Dat is volkomen waar,” viel de voerman in.
„Maar zij greep hem aan en slingerde hem als een steen over de rotsen bij kaap Warroch, waar hij des avonds gevonden werd. Wat er echter van den knaap is geworden, kan ik wezenlijk niet met zekerheid zeggen. Maar de predikant, die destijds hier was en thans in betere gewesten leeft, was van gevoelen, dat het kind slechts voor eenigen tijd naar het tooverland overgebracht was.”
Onder dit verhaal kon de vreemdeling zich niet langer weerhouden, van nu en dan te glimlachen. Voor dat hij echter antwoorden kon, hoorde men paardenhoeven en trad een net gekleed bediende met een kokarde op den hoed in het vertrek met een eenigszins luidruchtig: „Plaats, vrienden, as je blieft! Plaats!” Zoodra hij den vreemdeling echter bemerkte, trad hij eerbiedig tot hem met den hoed in de hand, overhandigde hem een brief, en zeide zeer onderdanig: „de heer van Ellangowan is zeer gevaarlijk ziek en de familie buiten staat om bezoeken af te wachten.”
„Dat weet ik,” antwoordde de vreemdeling, en zich tot de waardin wendende, zeide hij: „nu uwe gasten uitblijven, juffrouw, zou ik me verplicht achten, als ik de kamer mocht betrekken voor hen bestemd.”
„Van harte gaarne,” zei deze, en lichtte haren gast met vele komplimenten voor.
De kruidenier vulde een glas en bood het den jongen bediende aan, met de woorden: „Dat zal u goed smaken na uwen rid.”
„Dat geloof ik, Mijnheer,” antwoordde deze; „ik dank u. Op uwe gezondheid.”
„En wie is uw heer, vriend?” vroeg de eerste weder.
„Hoe? Mijnheer, die pas hier was? Dat is de beroemde kolonel Mannering, uit Oost-Indië.” [70]
„Van wien wij in de nieuwsbladen lezen?”
„Ja, dezelfde. Hij heeft Cuddiborn ontzet, Chingalore verdedigd en het groote opperhoofd der Maratten, Ram Jolli Bundleman, verslagen. Ik was, gedurende de meeste zijner veldtochten, bij hem.”
„God zegene ons!” hernam de waardin; „ik moet hem oogenblikkelijk gaan vragen, wat hij tot zijn avondmaal wil hebben. Hoe kon ik hem ook hier laten zitten!”
„Dat is niets, daar houdt hij veel van, moedertje! gij hebt nooit een eenvoudiger en beter mensch gezien, dan den kolonel, en toch heeft hij somtijds iets van den duivel in het lijf.”
Het overige van het gesprek in de keuken was te onbeduidend, om er langer bij stil te staan. Wij zullen ons dus naar het eenzame vertrek van den kolonel begeven.