[Inhoud]

DERTIENDE DE HOOFDSTUK.

„Zij melden mij, des rechters vonnis luidde,

Dat al wat gij bezit, verbeurd zou zijn. –

Hier stond een woestaard, met een gretig oog

De handen leggend op het zilverwerk;

Daar dreef een tweede, grijnzend, bitteren spot

Over uw val – en had bezit genomen

Van het aloude, zoo beminde huisraad.”

Otway.

„Den volgenden morgen steeg Mannering vroegtijdig te paard, en sloeg, door zijn bediende vergezeld, den weg naar Ellangowan in. Hij behoefde niet naar den weg te vragen, daar eene verkooping ten platte lande als eene algemeene vergaderplaats, waar men zich vermaken zal, beschouwd wordt en van alle kanten nieuwsgierigen of gegadigden naar het slot stroomden. Na een aangenamen rid van omstreeks een uur, ontdekte hij de torens van den ouden burcht. De gedachte aan de verschillende aandoeningen, waarmede hij zoo vele jaren geleden een laatsten blik op deze bouwvallen geworpen had, ontroerde zijne ziel. Het landschap was nog hetzelfde; maar hoe waren de gevoelens, de verwachtingen en uitzichten van den toeschouwer veranderd! Toen waren het leven en de liefde nieuw voor hem, en zijne verwachtingen door beider stralen verguld. En nu, teleurgesteld in zijne liefde, verzadigd van roem en alles, wat de wereld geluk noemt, was zijn hart vervuld met bittere en smartelijke herinneringen, en hoopte hij niets meer, dan een eenzaam verblijf te vinden, waar hij zich ongestoord aan zijne zwaarmoedigheid, die hem tot aan het graf vergezellen zoude, kon overgeven. „Maar waarom,” sprak hij bij zich zelven, „waarom zou ik over verlorene hoop en verijdelde uitzichten klagen? Zouden de oude geweldenaars, welke deze ontzachelijke torens gebouwd hebben, om tot eene vesting voor hun geslacht te dienen en om de zetel van hunne macht te zijn, zouden deze ooit gedroomd hebben, dat er een dag komen kon, waarop de laatste telg van hun geslacht, als bedelaar, uit zijne bezittingen verdreven zou worden! Maar de natuur blijft altijd onveranderlijk goed. Even schoon zal de zon deze bouwvallen beschijnen, of ze het eigendom zijn van een vreemdeling of van eenen lagen bedrieger, die de wet misbruikt, als of het vaandel van den eersten stichter van „de torens wapperde.”

Onder zulke overdenkingen kwam Mannering aan de deur van het huis, dat dien dag voor een’ ieder open stond. Hij trad met anderen binnen, die de vertrekken doorkruisten, om iets van hunne gading uit te zoeken, of enkel om hunne nieuwsgierigheid te bevredigen. Er ligt iets treurigs in zulk een tooneel, zelfs onder de gunstigste omstandigheden. De verwarde toestand van het huisraad, dat van zijne plaats genomen is om gemakkelijk bezichtigd en door de koopers weggehaald te kunnen worden, is onaangenaam voor het oog. Die voorwerpen, welke, behoorlijk en netjes geschikt, er goed en fraai uitzien, schijnen dan oud en slecht, en de vertrekken, ontbloot van alles, wat ze gemakkelijk [77]en aangenaam maakt, hebben een vervallen en treurig voorkomen. Ook stuit het, de heiligdommen van huiselijke gezelligheid en afzondering voor de blikken van nieuwsgierigen en van het gemeen opengesteld te zien, en hunne ruwe aanmerkingen en lompe spotternijen over gebruiken en meubelen, welke hun vreemd zijn, te hooren – eene vroolijke tijdkorting, die door den brandewijn, welke bij zulke gelegenheden in Schotland vlijtig rondgaat, nog meer opgewekt wordt. Dit alles is het gewone gevolg van zulke omstandigheden, als men op Ellangowan zag; maar de gedachte, dat zij hier het geheele verval van een oud en aanzienlijk geslacht aanduidden, maakte ze dubbel gewichtig en pijnlijk

Het duurde vrij lang, voor dat de Kolonel Mannering iemand vond, die geneigd was, zijne herhaalde vragen naar den heer Ellangowan zelven te beantwoorden. Eindelijk verhaalde hem eene oude meid, die zich, toen hij het haar vroeg, de oogen met haar voorschoot afdroogde, dat Mijnheer iets beter was en men hoopte, dat hij dienzelfden dag het huis nog zou kunnen verlaten. „juffrouw Lucie,” vervolgde zij, „verwachtte ieder oogenblik het rijtuig, en, in aanmerking van het jaargetijde dat het weêr zoo schoon was, had men den ouden heer in zijn gemakkelijke stoel naar het grasperk voor het oude slot gedragen, opdat hij dit treurig tooneel niet zou zien.”

Mannering ging daarheen, om hem op te zoeken, en zag spoedig de kleine groep, die uit vier personen bestond. De heuvel was steil, zoo dat hij tijd had, hen te beschouwen en te overleggen op welke wijze hij hen aanspreken zou.

Bertram, verlamd en bijna niet in staat zich te bewegen, zat in zijn gemakkelijken armstoel, met eene slaapmuts op het hoofd, in een kamerjapon gehuld, de voeten in dekens gewikkeld. Achter hem stond dominé Sampson, dien Mannering oogenblikkelijk herkende; met de handen over elkander op de rotting, waarop hij leunde. De tijd had geenerlei verandering bij hem te weeg gebracht, behalve dat zijn zwarte rok valer van kleur was geworden en zijne magere wangen nog meer ingevallen waren, dan toen Mannering hem het laatst gezien had. Aan de eene zijde van den ouden man stond eene bloeiende schoonheid, een meisje van omstreeks zeventien jaren, die de kolonel voor zijne dochter hield. Zij keek van tijd tot tijd angstig naar de laan, als of zij het rijtuig verwachtte, en tusschenbeide legde zij de dekens terecht, om haren vader voor de koude te beschutten, of beantwoordde de vragen, die hij gemelijk en verdrietig scheen te doen. Zij waagde het niet naar het woonhuis te zien, ofschoon de stemmen van de vergaderde menigte hare aandacht tot zich trekken moesten. De vierde persoon was een rank, welgekleed jongeling, die in de bekommering van juffrouw Bertram en in hare bezorgdheid voor den toestand van haar vader scheen te deelen.

Deze jongeling was de eerste, die den kolonel bespeurde, en hij ging hem aanstonds te gemoet, alsof hij hem op eene beleefde wijze beletten wilde, de treurige groep te naderen. Mannering bleef staan en verklaarde zich. Hij verhaalde hem, dat hij een vreemdeling was, dien de heer Bertram voorheen vriendelijk en gastvrij onthaald had; dat hij zich op zulk een treurig tijdstip niet opgedrongen zou hebben, indien het hem niet voorgekomen was, dat de ongelukkigen ook van hunne vrienden verlaten waren, en dat hij alleen wenschte om de diensten, die in zijne macht stonden, aan den heer Bertram en diens dochter aan te bieden.

Hierop bleef hij op eenigen afstand van den armstoel staan. Zijn oude kennis staarde hem met verdoofde oogen aan en scheen hem volstrekt niet te [78]herkennen. Sampson scheen te diep in treurigheid verzonken te zijn, om zijne tegenwoordigheid te bemerken. De jongeling sprak alleen met Lucie, die bedeesd nader trad en Mannering voor zijne goedheid dankte; „maar,” vervolgde zij, terwijl er tranen in hare oogen kwamen, „ik vrees, dat mijn vader zich niets meer van u herinneren kan.”

Nu ging zij met den kolonel naar den armstoel en zeide: „Vader! hier is de heer Mannering, een oud vriend, die u komt bezoeken, om naar uwen welstand te vernemen.”

„Hij is van harte welkom,” hernam de oude heer, terwijl hij zich in zijn stoel ophief en eene buiging poogde te maken. Een glans van gastvrije tevredenheid scheen hierbij over zijn bleek gelaat te zweven. – „Maar, lieve Lucie! laat ons naar huis gaan; gij kunt dien heer niet in de koude laten staan. – Dominé krijg den sleutel van den wijnkelder; mijnheer Man … Ma … onze gast zal, na zijn rid, wel iets willen gebruiken.”

Mannering was onuitsprekelijk getroffen, terwijl hij deze verwelkoming vergeleek met de wijze, waarop hij door denzelfden man ontvangen was, toen hij hem voor de eerste maal ontmoette. Hij kon zijne tranen niet weerhouden; en door deze zichtbare ontroering won hij aanstonds het vertrouwen van de hulpelooze dochter.

„Ach!” zeide zij, „dit treft zelfs een vreemdeling! maar het is misschien beter voor mijn vader, dat hij in zulk eenen toestand is, dan dat hij alles wist en zien kon.”

Op dit oogenblik kwam een livereibediende op den heuvel en zeide zachtjes tegen den jongeling: „Mevrouw uwe moeder wacht ginds met ongeduld op u, om voor haar op het zwart ebbenhouten kabinet te bieden, en Lady Johanna Devorgoil is bij haar: gij moet oogenblikkelijk komen.”

„Zeg hun, dat gij mij niet vinden kondt, Tom, – of, wacht – zeg, dat ik naar de paarden zie.”

„Neen, neen!” zeide Lucie Bertram ernstig; „indien gij de ellende van dezen ongelukkigen dag niet verzwaren wilt, ga dan zonder dralen naar uw gezelschap. Deze heer zal ons wel naar het rijtuig willen geleiden.”

„Zonder twijfel,” hernam Mannering; „uw jonge vriend kan op mijne dienstvaardigheid vertrouwen.”

„Vaarwel dan!” zeide Karel, nadat hij Lucie iets in het oor gefluisterd had, en snelde toen van den heuvel af, als of hij vreesde, bij langzamere schreden zijn voornemen niet getrouw te zullen blijven.

„Waar loopt Karel Hazlewood heen?” vroeg de zieke, die waarschijnlijk reeds aan zijne tegenwoordigheid en oppassing gewoon was; „waar loopt Karel Hazlewood toch heen? waarom gaat hij nu weg?”

„Hij komt dadelijk terug,” zeide Lucie vriendelijk.

Nu hoorde men onderscheidene stemmen van den kant der bouwvallen (de lezer herinnert zich, dat het oude slot met het strand gemeenschap had) en de sprekers kwamen den trap op. „Ja,” zeide een stem „hier is overvloed van schelpen, zoo als gij te recht aanmerkt, en indien iemand een nieuw huis wilde bouwen, wat zeker wel noodig is, die vindt eene menigte goede gehouwen steenen in dit oude duivelsnest.”

„Mijn hemel!” riep juffrouw Bertram tegen Sampson, „dat is de stem van den ellendigen Glossin. Als mijn vader hem ziet, zal de arme man het met den dood bekoopen.”

Sampson keerde zich dadelijk om, en ging met groote schreden heen, om te zien of Lucie goed gehoord had. Toen Glossin van onder de poort der [79]bouwvallen trad, riep Sampson hem toe: „verwijder u! verwijder u! wilt gij eerst dooden en dan bezit nemen?”

„Zachtjes, zachtjes, dominé Sampson!” antwoordde Glossin trotsch, „indien gij op den kansel niet preeken kunt, hier verlangen wij geene predicatie. Wij houden ons aan het recht, vriend! en laten het Evangelie aan u over.”

Reeds sedert eenigen tijd kon de ongelukkige zieke den naam van dezen man niet zonder de hevigste ontroering hooren noemen, en ook nu had zijne stem eene oogenblikkelijke uitwerking. Bertram sprong zonder hulp op, en wendde zich tot hem. De doodelijke bleekheid van zijn gelaat stak verschrikkelijk af bij de hevigheid zijner taal. „Uit mijne oogen, slang!” riep hij; „uit mijn gezicht, koude slang, die ik gekoesterd heb, tot ze mij beet! Vreest gij niet, dat de muren van mijne vaderlijke woning neerstorten en u armen en beenen verbrijzelen zullen? Vreest gij niet, dat de grond in het slot van Ellangowan gapen zal om u te verslinden? Waart gij niet zonder vriend, zonder huis, zonder geld, toen ik u liefderijk de hand bood? en wilt gij niet mij en dat onschuldige meisje, van alles ontbloot uit het huis verdrijven, waarin wij en de onzen gedurende duizend jaren huisvesting gevonden hebben?”

Indien Glossin alleen geweest ware, zou hij waarschijnlijk weggeslopen zijn; maar de gedachte dat er buiten zijn begeleider, een landmeter, nog een vreemdeling tegenwoordig was, deed hem zijne toevlucht tot onbeschaamdheid nemen. Maar zelfs voor zijne schaamteloosheid was deze onderneming te moeielijk. „Mijnheer, – Mijnheer Bertram!” stamelde hij; „gij moest mij niet beschuldigen, maar uwe eigene onvoorzichtigheid –”

Mannering’s verontwaardiging steeg ten top. „Mijnheer,” sprak hij tot Glossin, „zonder in bijzonderheden over dezen redetwist te willen treden, moet ik u zeggen, dat gij daartoe een zeer ongeschikten tijd, plaats en gezelschap hebt gekozen. Gij zult mij verplichten met te vertrekken, zonder iets meer te zeggen.”

Glossin, een groot, sterk, gespierd man, wilde het liever tegen een vreemdeling opnemen, dien hij hoopte door zijn snoeven schrik aan te jagen, dan zijne slechte zaak tegen zijnen beleedigden begunstiger vol te houden en sprak op trotschen toon: „Ik weet niet, wie gij zijt, Mijnheer! maar ik zal niet dulden, dat iemand zich zulke verwenschte vrijheden tegen mij veroorlooft.”

Mannering was driftig van aard. Zijne oogen schoten vlammen. Hij naderde Glossin toornig en zeide: „Dat gij mij niet kent, doet niets ter zake. Ik ken u; indien gij niet oogenblikkelijk van dezen heuvel afgaat, zonder éen enkel woord te spreken – bij den hemel, die boven ons is, dan zult gij met ééne schrede van boven naar beneden vliegen.”

De gebiedende toon van den rechtvaardigen toorn bracht eensklaps de woede van den zwetser tot bedaren. Hij weifelde, keerde zich om, mompelde tusschen de tanden, dat hij het alleen deed om de dame geen’ schrik aan te jagen, en bevrijdde het gezelschap van zijne hatelijke tegenwoordigheid.

De knecht van de waardin te Kippletringan, welke den heer en zijne dochter met een rijtuig zou afhalen, was intusschen genaderd. Toen hij hoorde, wat hier voorviel, zeide hij overluid: „Indien hij was blijven staan, zou ik hem geholpen hebben, dien lagen schelm!”

Hij berichtte nu, dat bet rijtuig gereed stond. Het was echter reeds te laat. Door de hevige inspanning bij deze laatste uitbarsting van zijne verontwaardiging waren de zwakke krachten van Bertram geheel uitgeput, en toen hij weder op zijn stoel nederzeeg, blies bij, bijna zonder doodstrijd, den laatsten adem uit. [80]

Het uitdooven der levensvonk veroorzaakte zoo weinig verandering in zijne trekken, dat het weeklagen van zijne dochter, toen deze zag dat zijn oog gebroken was, en voelde dat zijn pols stil stond, het eerst zijn dood aan de omstanders aankondigde.