[Inhoud]

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

De genadige Hemel gaf den menschen het geschrift

Ten baat van minnaars en rampzaalge minnaressen,

Of ook ten dienst van schrijvers, die verkiezen.

Den held zijn eigen weervaren te laten schrijven.

Naar Pope.

Toen Mannering uit Indië naar Engeland teruggekeerd was, had hij zijne dochter dadelijk in een gunstig bekend opvoedingsgesticht voor meisjes geplaatst. Maar reeds na verloop van drie maanden nam hij haar weder van daar weg, daar hare vorderingen in de kundigheden, welke zij, zooals hij wenschte, nog verwerven moest, niet zoo groot waren, als zijn ongeduld verwachtte. Maar Julia had toch tijd genoeg gehad, om eene eeuwige vriendschap met juffrouw Mathilda Marchmont, een meisje van omstreeks negentien jaren, dus ten naastenbij van haren leeftijd, te sluiten. Aan deze getrouwe vriendin werden de dikke brieven gezonden, welke, zoo lang Julia als gast op Mervyn-Hall was, op de vleugels van de post van daar vertrokken. Tot opheldering van onze geschiedenis zal het noodig zijn, eenige uittreksels van deze brieven mede te deelen.

EERSTE UITTREKSEL.

„Helaas, liefste Mathilda, hoe treurig is het verhaal mijner lotgevallen! Sedert de wieg hebben rampen uwe ongelukkige vriendin vervolgd. Om eene beuzeling moesten wij gescheiden worden: om eene onnauwkeurige uitdrukking in mijn Italiaansch opstel en om drie valsche noten in eene sonate van Paesiello! Maar dat ligt in het karakter van mijnen vader, van wien ik onmogelijk zeggen kan, of ik hem meer bemin, bewonder of vrees. Zijn voorspoed in de wereld en in den oorlog, zijne gewoonte om elke hinderpaal, zelfs wanneer ze onoverwinnelijk scheen, door inspanning van eigen kracht uit den weg te ruimen, – dit alles heeft hem zoo opvliegend en onverzettelijk gemaakt, dat hij geene tegenspraak dulden, noch inschikkelijk zijn kan ten opzichte van de gebreken van anderen. Hierbij komt nog, dat hij zelf uitstekend bekwaam is. Weet gij, dat er een gerucht geloopen heeft, dat ook door eenige geheimzinnige woorden, welke mijne arme moeder zich liet ontvallen, ten halve bevestigd werd, dat hij nog andere, thans voor de wereld verlorene kundigheden bezit, die hem in staat stellen de donkere schaduwbeelden van toekomstige gebeurtenissen op te roepen? Moet niet de gedachte aan zulk eene macht, of zelfs aan de buitengewone geestkracht en het verhevene verstand, welke de wereld daarvoor houden mag, – moet niet reede dit den bezitter van zulke kennis met eene geheimzinnige grootheid bekleeden? Gij zult dit dweeperij noemen, lieve Mathilda, maar bedenk, dat ik in het land ben opgevoed, waar bijgeloof en tooverij eene groote rol spelen, en dat ik in mijne kindsheid [93]met sprookjes, welke gij slechts uit eene ellendige Fransche vertaling kent, in slaap gewiegd ben. O Mathilda, ik wenschte wel, dat gij de donkere gezichten van mijne Indiaansche oppassters gezien hadt, terwijl zij in stille aandacht naar het tooversprookje luisterden, dat, half poëzie half proza, van de lippen des verhalers vloeide. Geen wonder dat de Europeesche verdichtselen mij koud en droog voorkomen, na dat ik gezien heb, welken verbazenden indruk de Oostersche verdichtselen op de toehoorders maken.”

TWEEDE UITTREKSEL.

„Gij kent mijn hartsgeheim, lieve Mathilda! Gij weet, welke gevoelens ik voor Brown koester; ik zeg niet, hoe dierbaar mij zijn aandenken is; want ik ben overtuigd, dat hij nog leeft en mij getrouw is. Hij werd in zijne liefde jegens mij door mijne overledene moeder aangemoedigd. Misschien was dit zeer onvoorzichtig, wanneer men de vooroordeelen van mijn vader ten opzichte van rang en geboorte in aanmerking neemt. Maar was het wel van mij, die toen bijna nog een kind was, te verwachten, dat ik wijzer zou zijn dan moeder, onder wier opzicht ik natuurlijk geplaatst was? Mijn vader, die altijd door zijn dienst als krijgsman bezig gehouden werd, zag ik slechts zelden, en men leerde mij meer met eerbiedige vrees, dan met liefdevol vertrouwen tot hem op te zien. Gave God, dat het anders geweest ware! Het zou thans misschien beter voor ons allen zijn!”

DERDE UITTREKSEL.

„Gij vraagt mij, waarom ik niet aan mijn vader zeg dat Brown nog leeft, of ten minste, dat hij de wonde, die hij in hun ongelukkig tweegevecht ontving, overleefd, en aan mijne moeder geschreven heeft, dat hij geheel hersteld was en veel hoop had, spoedig uit zijne gevangenschap te ontvluchten. Ik heb gewichtige redenen daartoe. Een krijgsman, die in den oorlog, zijn dagelijksch werk, zoo dikwijls zijn natuurgenoot verslagen heeft, gevoelt waarschijnlijk geene onrust bij de herinnering aan het vermeende ongeluk, dat mij bijna van schrik deed versteenen. Indien ik hem den brief aan mijne moeder toonde, moest er dan niet uit volgen, dat de levendige Brown, die zijne aanspraken, waarom mijn vader voorheen naar zijn leven gestaan heeft, hardnekkig volhoudt, veel gevaarlijker voor de rust van zijn gemoed zou zijn, dan nu bij zijn vermeenden dood. Indien hij uit de handen dier roovers ontsnapt, dan zal hij, hiervan ben ik overtuigd, spoedig in Engeland komen, en dan is het ook nog steeds vroeg genoeg, om te overleggen, hoe ik mijn’ vader zijn bestaan ontdekken zal. Maar indien, helaas! mijne vaste en onwankelbare hoop mij bedroog, waartoe zou ik dan een geheim ontsluieren, waaraan zoo vele smartelijke herinneringen verbonden zijn? Mijne waarde moeder vreesde de ontdekking er van zoo zeer, dat ik geloof, dat zij mijn vader liever in den waan wilde laten, dat Brown’s oplettendheden haar golden, dan hem te openbaren dat Brown eigenlijk mij op het oog had. Mathilda! hoeveel eerbied ik ook aan de nagedachtenis van mijne moeder verschuldigd ben, ik mag toch niet onrechtvaardig jegens mijn vader zijn. Het dubbelzinnig gedrag van mijne moeder kan ik, als onrechtvaardig jegens mijn vader en hoogst gevaarlijk [94]voor haar en mij, nooit goedkeuren. Doch, vrede zij hare asch! Hare daden werden meer door haar hart, dan door haar hoofd geregeld; en zou hare dochter, die al hare zwakheden geërfd heeft, de eerste wezen, die den sluier voor hare gebreken wegtrekt?”

VIERDE UITTREKSEL.

Mervyn-Hall

„Is Indië het land der wonderen, waarde Mathilda, dan is hier het land der poëzie. De natuurtooneelen zijn prachtig en verheven: donderende watervallen, hooge bergen, die hunne kruinen tot aan den hemel verheffen, meren, die door schaduwrijke valeien kronkelen en met iedere bocht naar nog meer romaneske plekken voeren, en rotsen, die tot aan de wolken reiken. Hier het wilde en woeste van Salvator Rosa, dáár de betooverende tooneelen van Claude Lorrain. Het verheugt mij ook ten minste één voorwerp te vinden, waarvoor mijn vader met geene mindere geestdrift is bezield, dan ik. Als schilder en dichter beide, is hij een bewonderaar der natuur, en dikwijls heb ik met het grootste genoegen hem den aard en de oorzaak van deze heerlijke bewijzen harer scheppende kracht hooren ontleden. Ik wenschte maar dat hij zich hier, in deze betooverende landstreek wilde nederzetten! Maar hij wil verder naar het noorden en is thans juist op reis, om, naar ik me verbeeld, in Schotland een landgoed te koopen, waar hij zich voor goed vestigen wil. Herinneringen uit zijne jeugd boezemen hem eene bijzondere liefde voor dat land in. Ik moet mij dus nog verder van u verwijderen, lieve Mathilda, voor dat ik eene vaste woonplaats heb. En welk eene vreugde zal het voor mij zijn, als ik eens zeggen kan: „kom Mathilda, en wees de gast van uwe getrouwe Julia!”

„Ik bevind mij thans ten huize van den heer en Mevrouw Mervyn, oude vrienden van mijn vader. De dame is eene goede, zorgvuldige, eerbare huisvrouw; maar fijne beschaving en verbeelding moet gij bij haar evenmin zoeken als bij Juffer Julia. Lees maar: – gij ziet, dat ik de bijnamen, die wij op school uitvonden, niet vergeten heb! De heer Mervyn verschilt véel van mijn vader, ja is een geheel ander mensch; maar hij vermaakt mij en heeft van zijn kant geduld met mij. Hij is een gezet man, zeer goedaardig, heeft veel gezond verstand en scherp oordeel, schertst gaarne. Daar hij denkelijk in zijne jeugd een beau garçon was, is hij niet geheel zonder verbeelding op dat punt en is bovendien met hart en ziel landbouwer. Ik vind er vermaak in, met hem op de toppen der bergen en tot aan den voet der watervallen te klimmen; maar daarentegen moet ik dan zijne rapen, zijn klaver en zijne vreemde grassoorten bewonderen. Me dunkt, hij beschouwt mij als een eenvoudig, romanesk, goedaardig meisje, dat (het woord wil er uit) niet van schoonheid ontbloot is, en ik houd het er voor, dat Mijnheer goeden smaak betoont wat vrouwelijke bevalligheid betreft, maar verwacht geenszins, dat hij verder in mijn binnenste zou weten door te dringen. Hij schertst met mij, laat zich door mij bij de hand leiden en klautert naast mij voort (want de lieve man is thans door de jicht gekweld), terwijl hij oude geschiedenissen uit de groote wereld, waarvan hij veel gezien heeft, vertelt, waarbij ik toeluister, grimlach en zulk een vriendelijk en mooi gezichtje zet, als ik maar kan, en mij zoo eenvoudig mogelijk voordoe. Op deze wijze leven wij zeer tevreden met elkander voort. [95]

„Maar ach, liefste Mathilda! hoe zou ik mijn tijd, zelfs in dit betoverend paradijs, aan de zijde van een paar menschen, die zoo weinig passen bij de natuurtooneelen rondom hen, kunnen doorbrengen, indien gij mij niet zoo getrouw op mijne weinig belangrijke brieven wildet antwoorden! Ik bid u, schrijf mij toch ten minste iedere week drie malen. Aan stof kan het u zeker niet ontbreken.”

VIJFDE UITTREKSEL.

„Hoe zal ik u mededeelen, wat ik u nu te zeggen heb? Mijne hand en mijn hart sidderen nog zoo hevig, dat het schrijven mij bijna onmogelijk is. Zeide ik u niet, dat hij nog leefde? Zeide ik u niet, dat ik niet wanhopen wilde? Hoe kondet gij denken, waarde Mathilda, dat mijn voorgevoel, omdat ik zoo jong van hem gescheiden ben, eer uit eene vurige verbeelding dan uit mijn hart ontsproten was? Neen, hoe dikwijls wij ons ook in de gevoelens van ons hart mogen bedriegen, ik was zeker, dat dit gevoel echt was. Maar laat ik u alles verhalen, lieve vriendin, en deze bekentenis, het sterkste bewijs van mijne openhartigheid jegens u, zij het heiligste pand van onze vriendschap.

Men gaat hier vroeg te bed, vroeger, dan mijn met zorg belast hart rust kan vinden. Ik breng daarom gewoonlijk nog een paar uren op mijne eigene kamer met lezen door, waar, zoo als ik u reeds meen gezegd te hebben, een klein balkon op het schoone meer uitziet, waarvan ik u eene kleine schets heb pogen te geven. Mervyn-Hall, gedeeltelijk een oud en oorspronkelijk tot verdediging ingericht gebouw, ligt op den steilen oever van het meer, zoo dat een steen, van dit balkon afgeworpen, in het water, dat hier aan den oever zelfs bevaarbaar is, nedervalt. Ik had mijn venster gedeeltelijk opengelaten om, vóor dat ik naar bed ging, als naar gewoonte, nog eens het heldere maanlicht op het meer te zien. Geheel verdiept in het schoone tooneel in den koopman van Venetië, waar twee minnenden, als om strijd, het bekoorlijke van een stillen zomerschen nacht schilderen, gaf ik mij langzamerhand over aan soortgelijke herinneringen en gevoelens, welke het tooneel bij mij opwekte, toen ik eensklaps den toon eener fluit op het meer hoorde. Ik heb u reeds gezegd, dat de fluit Brown’s lievelings-instrument was. Wie kon het toch zijn, die deze tonen voortbracht, daar de nacht wel stil en helder, maar veel te koud en het jaargetijde te ver gevorderd was, om iemand tot een tochtje op het meer, alleen tot zijn genoegen, uit te lokken? Ik ging naar het venster en luisterde met ingespannen aandacht. De tonen zwegen eenige oogenblikken, lieten zich toen weder hooren, verstomden nogmaals en verhieven zich, al nader en nader komende, weder. Eindelijk onderscheidde ik duidelijk het kleine Hindo-liedje, dat gij altijd mijn lievelingsstukje noemdet – gij weet, van wien ik het geleerd heb. Het was zijne fluit, het ware zijne tonen. Was het aardsche muziek of zweefden deze tonen op de vleugelen van den wind tot mij, om mij zijn dood aan te kondigen?

„Er verliep eenige tijd, voor dat ik moed vatte om op het balkon te treden. Niets kon mij daartoe den moed schenken, dan mijne vaste overtuiging dat hij nog leefde en dat wij elkander zouden wederzien. Deze overtuiging bemoedigde mij en ik waagde het, schoon met een kloppend hart. Ik zag eene boot met een enkel man; o Mathilda! hij was het zelf! Ik herkende hem, na zulk eene lange scheiding en zelfs in de duisternis van den nacht, even goed, als of wij eerst gisteren van elkaâr gescheiden waren en ik hem in den [96]heldersten zonneschijn weder ontmoet had. Hij voer met zijne boot onder het balkon en sprak met mij. Nauwelijks weet ik, wat hij zeide en wat ik antwoordde. Waarlijk, tranen verstikten bijna mijne stem, maar het waren vreugdetranen. Wij werden door het blaffen van een hond, die zich op een kleinen afstand hooren liet, gestoord en moesten scheiden, maar niet voor dat hij mij bezworen had, hem heden avond op dezelfde plaats en hetzelfde uur eene tweede bijeenkomst toe te staan.

„Maar waar zal dit op uitloopen? Kan ik deze vraag beantwoorden? Neen, dat kan ik niet! De Hemel, die hem van den dood redde en uit zijne gevangenschap verloste; die mijn vader bewaarde voor het storten van het bloed eens mans, die hem geen haar op het hoofd gekrenkt zou hebben, – de Hemel moet ook mij uit dezen doolhof redden. Voor het tegenwoordige vergenoeg ik mij met het vaste besluit, dat Mathilda nooit over hare vriendin, mijn vader nooit over zijne dochter, en mijn minnaar nooit over haar, op wie hij zijne genegenheid gevestigd heeft, zal behoeven te blozen.”