[Inhoud]

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

– Een reusachtig genie – tegen geheele bibliotheken bestand!

Boswell’s Leven van Johnson.

De bepaalde dag, waarop Mannering en zijne dochter te Woodbourne verwacht werden, verscheen. Het uur naderde en ieder van het kleine gezelschap in huis had zijne bijzondere redenen tot bezorgdheid. Mac-Morlan wenschte natuurlijk, zich in de gunst en bescherming van zulk een rijken en invloedrijken man, als Mannering, te bevestigen. Met behulp van zijne menschenkennis had hij spoedig bemerkt dat Mannering, ofschoon edelmoedig en weldadig, het zwak had, eene stipte vervulling van zijne bevelen tot in de geringste kleinigheden te verwachten en te vorderen. Hij zag dus nauwkeurig na, of alles overeenkomstig de wenschen en bevelen van den kolonel ingericht was, [106]en doorliep, in deze onzekerheid, meer dan eens het geheele huis van de vliering tot de stallen. Zijne vrouw bewoog zich in een kleineren kring, waartoe alleen de eetkamer, het vertrek van de huishoudster en de keuken behoorden. Zij vreesde niets anders, dan dat het middagmaal niet goed zou zijn, en daardoor haren roem, als eene zorgvuldige en bekwame huisvrouw, benadeeld zou worden. Zelfs Sampson werd in zooverre in zijne gewone gemoedsrust en lijdelijkheid gestoord, dat hij tweemaal naar het venster liep, dat op den weg uitzag, en beide malen uitriep: „Waarom toeven de wielen van hun rijtuig zoo lang?”

Lucie, de bedaardste onder de wachtenden, had hare eigene treurige gedachten. Zij was nu op het punt, om aan de zorg, ja bijna aan de weldadigheid van vreemdelingen overgelaten te worden, wier karakter, hoe vriendelijk het haar tot hiertoe ook voorgekomen was, zij toch niet dan onvolkomen kende. Vol angstige verwachting gingen voor haar de oogenblikken van onzekerheid voorbij.

Eindelijk hoorde men het ratelen van den wagen. De bedienden, die reeds aangekomen waren, plaatsten zich in het groote portaal, om hun meester en meesteres te ontvangen, met een vertoon van gewicht en eene drukte, welke voor Lucie, die aan geen gezelschap, noch aan de zeden en gebruiken der groote wereld gewoon was, iets verontrustends hadden, Mac-Morlan ging naar de deur, om den heer en de dame des huizes te ontvangen, en na weinige oogenblikken waren zij in de zaal.

Mannering, die volgens gewoonte de reis te paard gedaan had, trad met zijne dochter aan den arm binnen. Julia was eerder klein dan groot, maar had eene zeer fraaie gestalte, doordringende donkere oogen en lang gitzwart haar, dat zeer goed bij het levendige, geestige gelaat stond, waarop een weinig hoogmoed en een weinig beschroomdheid, veel scherpzinnigheid en eenige aanleg tot bijtende scherts geteekend stonden. „Ik zal niet van haar houden,” dacht Lucie bij het eerste gezicht; bij den tweeden blik dacht zij: „ik zal toch wel veel van haar houden.”

Julia was om het ruwe winterweder tot aan de kin in mantel en pels gehuld; haar vader droeg zijnen militairen overrok. Hij boog voor mevrouw Mac-Morlan, voor wie Julia ook eene beleefde, maar zeer kleine neiging maakte. Hierop leidde Mannering zijne dochter naar Lucie, en deze vriendelijk, ja bijna met vaderlijke teederheid bij de hand vattende, zeide hij: „Julia, dit is Lucie Bertram, die mijne goede vrienden hier, naar ik hoop, overgehaald hebben, om ons huis met een langdurig bezoek te vereeren. Het zal mij bijzonder verheugen, als gij Woodbourne voor haar zoo aangenaam kunt maken, als Ellangowan voor mij was, toen ik voor den eersten keer, als reiziger, dit land bezocht.”

Julia beloofde dit met eene buiging en vatte liefderijk de hand harer nieuwe vriendin. Mannering wendde zich nu tot Sampson, die, sedert de kolonel in de kamer was gekomen, zonder ophouden buigingen had gemaakt en zijn rug boog, even als een kunstbeeld dat dezelfde bewegingen gedurig herhaalt, totdat de wil des kunstenaars ze doet ophouden. Mannering wierp een strengen, bestraffenden blik op zijne dochter, niettegenstaande hij zelf eenige moeite had om het lachen te onderdrukken, waartoe deze oogenschijnlijk veel lust had, terwijl hij den braven man met de volgende woorden aan haar voorstelde: „Mijn goede vriend, de heer Sampson, die mijne boekverzameling in orde zal brengen, zoodra ze aankomt, en van wiens groote geleerdheid ik nog veel nut hoop te trekken.” [107]

„Ik ben overtuigd, papa, dat wij dezen heer veel dank verschuldigd zijn, en om mijne dankbetuiging klem bij te zetten, moet ik bekennen, dat ik nooit het oogenblik zal vergeten, waarop wij hem voor ’t eerst ontmoetten.” – Haar vader fronsde de wenkbrauwen en hij vervolgde haastig, zich tot Lucie wendende: „juffrouw Bertram, wij hebben heden eene lange reis afgelegd: veroorloof mij, dat ik mij eenige oogenblikken vóór het middagmaal verwijder!”

Hierop verstrooide zich het geheele gezelschap, behalve Sampson, wien het nooit in de gedachten kwam om zich te kleeden, dan wanneer hij opstond, of zich uit te kleeden, behalve als hij naar bed ging. Hij bleef dus alleen en herkauwde intusschen een wiskunstig betoog, tot het gezelschap weder bij elkander kwam om naar de eetzaal te gaan.

Des avonds nam Mannering de gelegenheid waar, om zijne dochter een oogenblik alleen te spreken, en hield met haar het volgende gesprek.

„Hoe bevallen u uwe gasten, Julia?”

„O! juffrouw Bertram bijzonder; maar die geestelijke is een origineel, lieve vader, dien geen mensch bijna zonder lachen kan aanzien.”

„Zoo lang hij onder mijn dak woont, Julia, moet een ieder dàt leeren.”

„Lieve hemel, vader! zelfs de bedienden konden niet ernstig blijven!”

„Dan mogen zij mijne liverei uittrekken, en lachen, als zij niet meer in mijn dienst zijn. Sampson is een man, dien ik om zijne eenvoudige oprechtheid en goedhartigheid hoogacht.”

„Ook ben ik overtuigd van zijne milddadigheid,” hernam Julia lachende, „want hij kan geen lepel vol soep naar den mond brengen, zonder aan alles, wat nabij hem is, iets mede te deelen.”

„Julia, gij zijt onverbeterlijk; onthoud dit echter wel: ik verwacht, dat gij uwen spotlust zooveel in toom zult houden, dat gij noch dezen waardigen man, noch Lucie Bertram, die iedere beleediging, hem aangedaan, misschien grievender zal krenken dan hem zelven, beleedigt. En nu, goede nacht, kindlief, – maar laat ik u nog dit zeggen: Sampson heeft wel niet de Gratiën gehuldigd, maar er zijn vele dingen in deze wereld, die wezenlijk veel belachelijker zijn dan eenvoudigheid van karakter en onbeschaafde manieren.”

Een paar dagen later verlieten de heer Mac-Morlan en zijne vrouw, na een hartelijk afscheid, Woodbourne, waar de nieuwe huishouding thans behoorlijk ingericht was. De beide meisjes oefenden zich onderling en deelden elkanders genoegens. Mannering werd aangenaam verrast door de ontdekking, dat Lucie Bertram zeer bedreven was in het Fransch en Italiaansch, wat zij mede aan den ijver van Sampson, die zich in stilte, door onvermoeide vlijt, de meeste nieuwe zoo wel als de oude talen eigen gemaakt had, te danken had. Van de toonkunst verstond zij weinig of niets, maar hare nieuwe vriendin ondernam, om haar daarin te onderwijzen; waartegen deze aan Lucie de gewoonte om groote wandelingen te doen, het paardrijden en den noodigen moed, om alle soorten van weder te trotseeren, leerde. Mannering zorgde dat het haar, tot uitspanning in de lange winteravonden, aan geene boeken, waarin onderhoud en leering gepaard gingen, ontbrak. Dus verliepen de avonden, te meer daar hij zelf met veel smaak en gevoel voorlas, zeer aangenaam.

Spoedig werd Woodbourne, waar zoo veel tot gezellig verkeer uitlokte, door de meeste aanzienlijke familiën uit den omtrek bezocht, zoo dat de kolonel weldra diegenen tot zijn omgang kon uitkiezen, die hem het best bevielen. Karel Hazlewood werd bijzonder door hem onderscheiden en bezocht hem dikwijls met volkomene toestemming van zijne ouders, die dachten, dat men de gelegenheid niet moest laten voorbijgaan, en de schoone Julia, met [108]hare Indische schatten, was een prijs, die wèl eenige moeite waardig was. Verblind door dit vooruitzicht, vergaten zij het gevaar, dat zij reeds eenmaal gevreesd hadden; namelijk, dat hun zoon in plaats van koel zijn belang te raadplegen, zijne genegenheid op Lucie Bertram vestigen kon; op de arme Lucie, die niets in de wereld bezat dan een fraai gelaat, eene goede afkomst en een zeer beminnelijk karakter. Mannering was voorzichtiger. Hij beschouwde zich als Lucie Bertram’s voogd, en ofschoon hij zich in ’t geheel niet verplicht rekende, haren omgang met een jongeling te beletten, voor welken zij in alle opzichten, het verschil in vermogen niet medegerekend, eene geschikte partij was, legde hij hun verkeer toch ongevoelig zoo veel dwang op, als noodig was, om eene verklaring en wederzijdsche verbintenis te voorkomen, vóor dat de jongeling iets meer van de wereld en het leven gezien en den leeftijd bereikt had, waarop niemand hem het recht zou kunnen betwisten, om voor zich zelven in eene zaak, waarvan het geheele geluk des levens voornamelijk afhangt, te beslissen.

Terwijl dit een en ander de opmerkzaamheid der overige bewoners van Woodbourne bepaalde, was Sampson met lijf en ziel bezig om de bisschoppelijke boekverzameling, welke van Liverpool verzonden en van de haven, waar het schip aangekomen was, op een veertigtal karren naar het landgoed gebracht was, in orde te brengen. Onbeschrijfelijk was zijne vreugde, toen hij op den vloer van het vertrek den rijken inhoud der kisten uitgepakt zag, welken hij in de kasten rangschikken zou. Grijnzend zwaaide hij met de armen als de wieken van een windmolen, spalkte den mond wijd open en juichte zijn: „Ver–ba–zend!” dat het huis er van dreunde. „Nooit,” zeide hij, „had hij zoo vele boeken bij elkander gezien, behalve in de bibliotheek der hoogeschool,” en verrukt door het denkbeeld de opzichter van dezen heerlijken schat te zijn, stond hij, in zijne eigene oogen, bijna gelijk met den bibliothecaris der akademie, dien hij altijd als den grootsten en gelukkigsten man ter wereld beschouwd had. Zijne vreugde verminderde niet, toen hij de boeken vluchtig inzag. Sommige werken over de fraaie letteren, gedichten, tooneelspelen en gedenkschriften wierp hij wel verachtelijk met een: „Is het anders niet?” of: „nutteloos goed!” ter zijde; maar de meeste en dikste werken waren van geheel anderen aard. De bisschop, een zeer geleerde geestelijke van den ouden stempel, had zijne kasten met werken over godgeleerde geschillen, bijbeluitleggingen en bijbels in onderscheidene talen, kerkvaders en predikatiën, welke ieder tien hedendaagsche korte leerredenen konden opleveren, andere oude en nieuwe wetenschappelijke werken, benevens de beste en zeldzaamste drukken der klassieke schrijvers gevuld. Over deze eerwaardige boekverzameling van den overleden bisschop liet Sampson de oogen met verrukking gaan. Hij maakte er eenen catalogus van, welken hij zoo sierlijk en zorgvuldig schreef, als ooit een minnaar een teeder briefje aan zijne beminde, en plaatste ieder boekdeel, met al den eerbied, welken eene vrouw voor eene oude Chineesche porseleinen vaas kan hebben, op de daarvoor bestemde plank. Bij al zijn ijver vorderde de arbeid zeer langzaam. Dikwijls sloeg hij een boek open, wanneer hij de ladder half opgeklommen was, en vond hij iets, dat zijne weetgierigheid uitlokte, dan vergat hij alles rondom zich en las, zonder zijne ongemakkelijke standplaats te verlaten, steeds voort, tot een bediende hem bij den rokspand trok en hem aankondigde, dat men met het middagmaal op hem wachtte. Dan begaf hij zich naar de eetkamer, verslond zijne spijzen bijna zonder kauwen, antwoordde, op goed geluk af, ja en neen, op alle vragen, die hem gedaan [109]werden, en snelde weder naar het boekvertrek, zoodra hij zijn servet nedergelegd had, of soms daarmede als met een voorspelder om den hals fladderende.

Wij verlaten hier de voornaamste personen van ons verhaal in een voor hen aangename positie, die echter den lezer weinig onderhoudends kan opleveren, en vatten de geschiedenis op van iemand, die hem tot hiertoe bijna niet den bij naam bekend is, en alle deelneming, welke het ongeluk toekomt, met recht mag vorderen.