Gij zegt, alwijze, dat der minne kracht,
Het noodlot weet te dwingen en zegeviert;
’t Is ook niet vreemd, dat goeds het goede zoekt,
En zich vereenigt genie met hooge afkomst.
Crabbe.
V. Brown – ik wil dezen driemaal ongelukkigen naam niet voluit schrijven – was sedert zijne kindsheid een speelbal van de fortuin geweest; maar de natuur had hem die veerkracht van geest geschonken, welke door tegenstand versterkt wordt. Hij was van eene groote, gespierde gestalte; zijn gelaat, ofschoon ver van regelmatig, verried veel verstand en geest, en wanneer hij sprak of hevig aangedaan was, kon men het zeer belangwekkend noemen. Zijne manieren verrieden, dat hij zich aan den krijgsdienst gewijd had, waarin hij thans tot den rang van ritmeester opgeklommen was, daar kolonel Mannering’s opvolger het onrecht, dat Brown door diens ingenomenheid tegen hem geleden had, weder had zoeken goed te maken. Maar deze bevordering van Brown, zoowel als zijne bevrijding uit zijne gevangenschap, was voorgevallen na Mannering’s vertrek uit Indië. Brown volgde hem spoedig, daar zijn regiment naar Europa teruggezonden werd. Bij zijne aankomst in het vaderland deed hij aanstonds onderzoek naar de familie Mannering en vernam zonder moeite, dat deze naar het noorden gereisd was; waarop hij denzelfden weg insloeg, met het vaste voornemen, om zijn aanzoek bij Julia te hervatten. Haar vader behoefde hij, naar zijn oordeel, niet verder te ontzien, want, geheel onkundig van den argwaan, welken de kolonel tegen hem koesterde, beschouwde hij dezen als een heerschzuchtigen aristocraat, die zijne macht misbruikt had, om hem de welverdiende bevordering te onthouden, en die hem tot een tweegevecht gedwongen had, alleen omdat hij de schoone Julia, die hem geenszins ongenegen was, en wier moeder daar niets tegen had, maar hem eerder aanmoedigde, zijne hulde bewezen had. Hij wilde van niemand, [110]dan van het meisje zelve, dit was zijn vast en onherroepelijk besluit, een weigerend antwoord aannemen. De rampen, die hij als gevolgen der beleediging welke hem door haren vader aangedaan was, geleden had, eene pijnlijke wonde en eene smartelijke gevangenschap, gaven hem, naar zijn oordeel, het recht om zich met hem niet verder op te houden. In hoe verre zijn plan gelukt was, toen zijne nachtelijke bezoeken door den heer Mervyn ontdekt werden, is reeds bekend.
Dit onaangename voorval bewoog Brown, de herberg, waar hij zich onder den naam van Dawson ophield, te verlaten, zoo dat kolonel Mannering’s pogingen om hem op te sporen, mislukten. Geene zwarigheden zouden hem nochtans van zijne onderneming terughouden, daar Julia hem alle hoop niet benomen had. Zij had hem het gevoel, dat hij haar ingeboezemd had, niet kunnen verbergen, en met al den moed van een verliefden ridder besloot hij te volharden. Doch hij moge zijne denkwijze en bedoelingen zelf ontvouwen in een brief aan zijnen boezemvriend, den kapitein Delaserre, een Zwitser, die eene kompagnie bij zijn regiment had.
UITTREKSEL.
Laat mij spoedig van u hooren, waarde Delaserre! Bedenk, dat ik alleen door u iets van ons regiment vernemen kan en natuurlijker wijze van het een en ander gaarne iets wensch te weten, vooral hoe het met het krijgsgerecht over Acyre’s gedrag is afgeloopen, of Elliott majoor wordt, en hoe het met de rekruteering gaat en hoe den jongen officieren de regimentstafel bevalt. Naar onzen goeden vriend, den luitenant-kolonel, behoef ik niet te vragen; toen ik op mijne reis door Nottingham kwam, trof ik hem gelukkig in den schoot van zijn huisgezin aan.
Welk een geluk is het voor ons, arme drommels, beste Philip, als wij een rustplaatsje vinden tusschen het leger en het graf, indien ziekte, staal en lood en de gevolgen van een leven vol bezwaren ons niet vroegtijdig wegrukken. Een oud krijgsman, die zijn ontslag genomen heeft, is overal gezocht en hoog geacht. Zelfs als hij tusschenbeide pruttelt, gunt men hem gaarne dat genot! Maar als een rechtsgeleerde, een geneesheer, of een geestelijke over tegenspoed of geene genoegzame bevordering klaagt, zullen dadelijk honderd monden de reden in zijne eigene onbekwaamheid zoeken. De eenvoudigste oude krijgsman echter, al komt hij ook steeds op het honderdmaal gedane verhaal van eene belegering of een veldslag terug, wordt altijd met deelneming en achting aangehoord, als hij zijne dunne lokken schudt en met verontwaardiging spreekt over de baardelooze knapen, die boven hem bevorderd zijn. Gij en ik, Delaserre, beiden vreemdelingen – want wat ben ik anders, ofschoon ik uit Schotland afkomstig ben, daar de Engelschen mij, al kon ik mijne afkomst bewijzen, toch bezwaarlijk als landsman erkennen zouden – wij mogen er trotsch op zijn, dat wij onze bevordering bevochten en met het zwaard gewonnen hebben, wat wij, bij gebrek aan geld, op geene andere wijze verkrijgen konden. De Engelschen zijn een wijs volk. Terwijl zij zich zelven trotsch roemen en den schijn aannemen, alsof zij alle andere volken gering achten, laten zij ons, gelukkig, achterdeuren open, waardoor wij, door de geboorte minder begunstigde vreemdelingen, aandeel in hunne voorrechten kunnen verkrijgen. Dus gelijken zij, in sommige opzichten, op een snoevenden waard, die op de deugd en smakelijkheid van zijn zesjarigen schapenbout pocht, terwijl hij met [111]veel genoegen aan ieder van zijne gasten een stuk er van ronddeelt. In één woord, gij, wien trotsche bloedverwanten, en ik, wien de luimen des noodlots den krijgsdienst deden omhelzen, wij hebben beiden, waar wij op onze loopbaan in den Britschen krijgsdienst ook staan blijven, de aangename bewustheid, dat het alleen komt uit gebrek aan geld, om den tol te betalen, en niet, door dat men ons belet den grooten weg te bewandelen. Indien gij dus den kleinen Weischel kunt overhalen om bij ons regiment te komen, laat hem dan in Godsnaam de vaandrigsplaats koopen, bedaard leven, zijnen dienst trouw waarnemen en voor het overige zijne bevordering aan het noodlot overlaten.
En nu, hoop ik, zult gij ook wel brandend nieuwsgierig zijn, te weten, wat er van mijn liefdezaak geworden is. Ik heb u reeds gezegd dat ik goedgevonden had, met Dudley, een jongen Engelschen kunstenaar, dien ik had leeren kennen, een voetreisje van eenige dagen door de heuvels van Westmoreland te doen. Deze Dudley is een prettige jongen, Delaserre! hij schildert tamelijk, teekent goed, is onderhoudend in zijne gesprekken, blaast de fluit meesterlijk en is, bij alle zijne talenten, zeer bescheiden en laat er zich niets op voorstaan. Bij mijne terugkomst van ons reisje vernam ik, dat de vijand op verkenning uitgeweest was. De heer Mervyn was, volgens het verhaal van mijn waard, zelf met een gast in zijn schuitje het meer overgestoken. Ik vroeg terstond „Hoe ziet hij er uit?”
De waard antwoordde: „Het was een man met een donker uitzicht, die officier scheen te zijn en kolonel genoemd werd. De heer Mervyn ondervroeg mij zoo scherp, alsof ik voor het gerecht stond. Ik begreep, dat er iets achter schuilde, Mijnheer Dawson!” (Gij weet, dat dit mijn aangenomen naam was) „Ik zeide hem niets van uwe grillen en uwe tochtjes op het meer in het holle van den nacht – neen, neen, al kan ik zelf geene aardigheden hebben, ik wil een’ ander het spel niet bederven. En Mijnheer Mervyn, die altijd knorrig is, bromde over mijne gasten, en wilde weten waarom zij onder zijne vensters landden, ofschoon die plaats slechts als het vierde station aan den oever op de kaart aangewezen is. Neen, neen, laten zij er zelve hunne hersenen mede breken; wat gaat het Jozef Hodgos aan?”
Gij zult mij toestemmen, dat hier voor mij, in deze omstandigheden, niets anders te doen was, dan mijne rekening te betalen en het veld te ruimen, indien ik mijn eerlijken waard niet tot mijn vertrouweling maken wilde, waartoe ik geen’ den minsten lust gevoelde. Buitendien vernam ik, dat onze voormalige kolonel naar Schotland vertrekt en de arme Julia medeneemt. De menschen, die zijne goederen vervoeren, verhaalden mij, dat hij den winter op een landgoed, Woodbourne genaamd, in het graafschap ** zal doorbrengen. Hij is nu zeker op zijne hoede; dus moet ik hem, zonder hem op nieuw te verontrusten, zijne verschansingen laten betrekken. En dan, mijn brave kolonel, wien ik zoo veel dank schuldig ben, dan moogt gij aan uwe verdediging denken!
Dikwijls denk ik, waarde Delaserre, dat de geest der tegenspraak een weinig mede in het spel komt, bij mijn verlangen om mijn voornemen door te zetten. Me dunkt, dat ik het liever zien zou, dat ik dezen trotschen man kon noodzaken, om zijne dochter Mevrouw Brown te noemen, dan dat ik haar met zijne volle goedkeuring zou huwen en mijn naam, met de koninklijke toestemming, tegen den titel en het wapen van Mannering verruilen, al werd daardoor tevens zijn geheele vermogen mijn eigendom. Maar er is ééne omstandigheid, die mij eenigszins huiverig maakt. Julia is jong en romanesk. [112]Ik zou haar niet gaarne tot een stap overhalen, dien zij in rijperen leeftijd kon afkeuren; ook zou ik het zeer ongaarne zien, dat zij mij, al ware het slechts door éen blik, het verwijt deed, dat zij door mij van haar vermogen beroofd was, en nog veel minder zou ik haar reden willen geven, om te zeggen, zoo als sommige vrouwen haren echtgenooten al zeer spoedig verwijten, dat zij, indien ik haar tijd gegeven had om de zaak goed te overleggen, verstandiger en beter gehandeld zoude hebben. Neen, Delaserre, dat moet nooit gebeuren. Deze gedachte drukt mij zwaar op het hart, daar ik best inzie, dat een meisje, in Julia’s omstandigheden, geen volkomen en duidelijk begrip heeft van de grootheid van het offer, dat zij brengt. Zij kent geene ongemakken dan bij naam; en wanneer zij aan liefde en een hutje denkt, dan is het zonder twijfel eene bekoorlijke hut, zoo als men slechts in dichterlijke beschrijvingen, of in het park van een edelman met twaalf duizend pond sterling jaarlijksch inkomen, vindt. Zij kan zich de ontberingen niet voorstellen, die zij zich in eene echt Zwitsersche hut, waarover wij, gij en ik, Delaserre, zoo dikwijls gesproken hebben, zou moeten laten welgevallen, en kent de zwarigheden niet, waarmede wij natuurlijk te worstelen zouden hebben, vóor dat wij de haven bereikten. Dit is een punt, waarover ik eerst bepaald en uitvoerig met haar moet spreken. Julia’s schoonheid en teederheid hebben eenen onuitwischbaren indruk op mijn hart gemaakt, en toch wil ik, om mijne eigene rust, er zeker van zijn, dat zij de voorrechten, waarvan zij afstand zou doen, volkomen kent, vóor dat zij ze om mijnentwil opoffert.
Ben ik te trotsch, Delaserre, als ik denk, dat zelfs deze proef gunstig voor mijne wenschen zal uitvallen? Ben ik te ijdel, als ik veronderstel, dat de weinige goede eigenschappen, die ik bezit, benevens mijne tegenwoordige voldoende hoewel beperkte middelen, om in onze behoeften te voorzien, en mijn vast besluit, om mijn leven aan haar geluk toe te wijden, datgene vergoeden kan, waarvan zij om mijnentwil afzien moet? Of zal het onderscheid in hare leefwijze, de opoffering van het voorrecht hare vermaken naar welgevallen te kunnen regelen – zal dit bij haar zwaarder wegen, dan het uitzicht op huiselijk geluk en eene onveranderlijke, wederkeerige liefde? Ik zeg niets van haren vader. Zijn karakter bestaat uit een zoo vreemd mengsel van goede en slechte hoedanigheden, dat de eerste door de laatste als het ware vernietigd worden; en datgene, wat zij als dochter ongaarne missen zou, wordt zoo ruim opgewogen door datgene, waarvan zij gaarne bevrijd zou willen zijn, dat ik de scheiding van vader en dochter als eene omstandigheid beschouw, waaraan in dit bijzonder geval weinig gewicht gehecht moet worden. Ik houd intusschen goeden moed, voor zoover dat mogelijk is. Ik heb met te vele ongemakken en zwarigheden te kampen gehad, om vermetel op eenen goeden uitslag te vertrouwen, en ben te dikwijls en te wonderbaar uit den nood gered, om nu den moed te verliezen.
Ik wenschte wel, dat gij deze landstreek zaagt. Deze natuurtooneelen zouden u, denkt mij, wel bevallen; ten minste brengen ze mij dikwijls uwe gloeiende schilderingen van uw geboorteland voor den geest. Voor mij hebben ze in groote mate het bekoorlijke der nieuwheid. Van bergen in Schotland heb ik, ofschoon men mij altijd verzekerd heeft dat ik daar geboren ben, niets dan eene verwarde herinnering. Duidelijker herinner ik mij, dat mijn jeugdige geest eene zekere leêgheid gevoelde, wanneer ik op de vlakten van het eiland Zeeland staarde. Maar juist dat gevoel en die duistere herinnering overtuigen mij, dat bergen en rotsen mij op vroegeren leeftijd niet vreemd zijn geweest, [113]en dat ze, ofschoon ik mij daarvan niets dan bij tegenstelling en door de leêgheid, welke ik gevoelde toen ik te vergeefs daar naar rondzag, kan herinneren, een diepen indruk op mijne kinderlijke verbeelding moeten gemaakt hebben. Ik herinner mij, toen wij voor het eerst den beroemden bergpas in het land van Mysore beklommen, en de meesten niets dan ontzag en verbazing ever de verhevenheid en grootschheid van dit tooneel gevoelden – dat ik toen veel meer onder denzelfden indruk was, waarmede gij, met Cameron, die wilde rotsen bewonderdet, en met een genot, aan vaderlandsche herinneringen ontleend, beschouwdet. Ja, niettegenstaande mijne opvoeding in Holland, komt een blauwe berg mij voor als een oude vriend, en een donderende stroom als de klank van een bekend lied, dat mij reeds als kind vermaakt heeft. Nooit was dit gevoel zoo levendig in mij, als hier, ìn dit land vol meren en bergen, en niets spijt mij meer, dan dat gij door den dienst verhinderd wordt, mij op mijne tochten te vergezellen. Ik heb getracht eenige teekeningen te maken, waarvan echter niet veel gekomen is. Maar Dudley teekent voortreffelijk en zoo vlug, dat het bijna toovernij schijnt te zijn, terwijl ik bij alle moeite, die ik doe, broddel en knoei, dit te donker, dat te licht maak, en eindelijk niets dan eene gemeene karikatuurprent voor den dag breng. Ik moet mij aan mijne fluit houden: want de muziek is de eenige onder de schoone kunsten, die mij met hare gunst schijnt te vereeren.
Wist gij wel dat de kolonel Mannering de teekenkunst verstaat? Ik geloof het niet: want hij versmaadde het altijd, zijne talenten aan een zijner ondergeschikte officieren te toonen. Maar hij teekent toch schoon. Sedert hij met Julia Mervyn-Hall verlaten heeft, is Dudley derwaarts geroepen, om een stel teekeningen te voltooien, waarvan Mannering de vier eerste gemaakt heeft, en door zijn overhaast vertrek in zijn voornemen om het geheele stel af te werken verhinderd is. Dudley zegt, dat hij zelden zulke meesterlijke, ofschoon eenvoudige schetsen gezien heeft, en dat bij ieder daarvan eene korte beschrijving in verzen gevoegd was. Is Saul onder de profeten? zult gij zeggen; de kolonel Mannering een dichter? Waarlijk, deze man moet zich even zoo veel moeite gegeven hebben om zijne bekwaamheden te verbergen, als anderen aanwenden om er mede te pralen. Hoe trotsch en ongezellig scheen hij onder ons! Hoe zelden was hij geneigd, zich in een gesprek te mengen, dat algemeen onderhoudend was. En dan zijne genegenheid voor dien onwaardigen Archer, die in alle opzichten zoo ver beneden hem stond, enkel omdat deze de broeder was van den burggraaf Archerfield, een armen Schotschen pair! Ik denk dat Archer, indien deze zijne wonden, die hij in het gevecht bij Cuddyboram ontving, langer overleefd had, wel iets geopenbaard zou hebben, dat licht over het ongerijmde in het karakter van dezen man verspreiden kon. Hij verklaarde mij meer dan eens, dat hij mij iets zeggen kon, dat mijn ongunstig oordeel over den kolonel veranderen zou. Maar de dood overviel hem; en zoo hij mij eenige voldoening schuldig was, wat sommige zijner uitdrukkingen schenen aan te duiden, dan stierf hij, vóor dat hij mij ze geven kon.
Ik ben voornemens, bij dit schoone winterweêr nog eene lange reis te voet door dit land te doen. Dudley, een bijna even goed voetganger als ik, zal mij gedeeltelijk vergezellen. Op de grenzen van Cumberland scheiden wij, en hij gaat weder naar zijne woonplaats, op eene derde verdieping in eene achterbuurt te Londen, om, zoo als hij het noemt, voor het „commercieele” gedeelte van zijn beroep te werken.
„Er kan,” zegt hij, „geen grooter verschil in het leven van een mensch gevonden [114]worden, dan tusschen het leven van een kunstenaar, wanneer hij, vol geestdrift, de onderwerpen voor zijne teekeningen verzamelt, en dat, hetwelk hij zich moet laten welgevallen, wanneer hij zijne schetsen uitwerkt, en zijne stukken ten toon, en aan de grievende onverschilligheid en dikwijls nog grievender beoordeeling van grillige kunstvrienden, blootstelt. Gedurende den zomer van mijn jaar,” zegt hij, „ben ik zoo vrij, als een wilde Indiaan, en vermaak mij naar hartelust, midden onder de verhevenste natuurtooneelen, terwijl ik, gedurende mijn winter en lente, niet alleen in een ellendig dakkamertje opgesloten en gevangen, maar bovendien veroordeeld ben, om mij aan de luimen van anderen te onderwerpen en dikwijls even slecht gezelschap te dulden heb, alsof ik een wezenlijke galeiboef ware.” Ik heb hem beloofd, hem met u in kennis te brengen, Delaserre, en ik geloof, dat gij in zijne kunstwerken even veel smaak zult vinden, als hij in uwe Zwitsersche geestdrift voor bergen en stroomen.
Wanneer ik van Dudley scheid, kan ik, naar men mij gezegd heeft, gemakkelijk in Schotland komen, als ik dwars door eene woeste streek, in het noordelijk gedeelte van Cumberland, reis; en dezen weg zal ik nemen, ten einde den kolonel tijd te geven om zijn kamp op te slaan, voor dat ik zijne stelling verken. Vaarwel, Delaserre! ik zal bezwaarlijk gelegenheid vinden, om u voor mijne aankomst in Schotland weder te schrijven.”