[Inhoud]

TWEE EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Kom, flink vooruit; met goeden moed

Kan ieder verder komen;

Slechts hij, wiens hart is diep bedroefd,

Blijft afgemat droomen.

Winter-verhaal.

De lezer verbeelde zich een helderen kouden Novembermorgen, op eene opene heide aan de achterzijde door de hooge bergketen waartusschen de Skiddaw en Saddleback hunne kruinen verheffen, omringd, en langs het moeilijk te onderscheiden pad door de voetgangers gevolgd, en dat zich alleen door een iets lichteren tint van het donker groen in het rond onderscheidt, zal hij onzen wandelaar zien komen. Zijn vaste tred, zijne rechte en vrije houding, welke hem bij zijne schoone gestalte en zijne lengte van zes voet zoo goed staat, verraden in hem een krijgsman. Zijne kleeding is zoo eenvoudig, dat niets zijn stand aanduidt; hij kan even goed een voornaam man zijn, die dus uit verkiezing reist, als iemand van geringen stand, die zijne gewone kleeding draagt. Wat zijne uitrusting betreft, – die is zoo eenvoudig mogelijk. Een deel van Shakespeare in elken rokzak, een klein pakje met schoon linnen op den schouder, en een zware eiken wandelstok in de hand, ziedaar alles wat onze voetganger op deze reis bij zich heeft. [115]

Brown had dienzelfden morgen van zijn vriend Dudley afscheid genomen, en was zijne eenzame wandeling naar Schotland begonnen. Het eerste uur of wat was hij, door gemis van het gezelschap, waaraan hij in de laatste dagen zoo gewoon was geworden, eenigszins droefgeestig; maar deze ongewone stemming week spoedig voor zijne natuurlijke opgeruimdheid, die door de beweging en de frissche winterlucht nog meer opgewekt werd. Hij floot onder het wandelen, niet uit gedachteloosheid, maar om zijne opgewektheid, die hij op geene andere wijze kon uiten, lucht te geven. Voor iederen boer, dien hij ontmoette, had hij eenen vriendelijken groet of eene vroolijke scherts, welken zij met een hartelijk „God zegene u!” beantwoordden, en menig meisje, dat met haren korf naar de markt ging, keek meer dan eens over den schouder naar de krachtige gestalte en het opgeruimde openhartige gelaat van den vreemdeling. Een ruige dashond, die hem altijd vergezelde en met zijnen meester in vroolijkheid wedijverde, snelde nu eens met duizend lustige sprongen vooruit, kwam dan weder bij zijnen heer terug en sprong bij hem op, alsof hij te kennen geven wilde, dat hij zich ook op de wandeling vermaakte.

De beroemde Dr. Johnson verbeeldde zich, dat dit leven weinig aanbiedt, wat te verkiezen zou zijn boven het genot van een reis in een wagen door vlugge postpaarden getrokken; maar hij, die in zijne jeugd de onafhankelijkheid en het zelfvertrouwen van een flinken voetreiziger in eene schoone landstreek en bij heerlijk weêr gekend heeft, zal niet veel geven om het oordeel van den grooten wijsgeer aangaande dit punt.

Brown had den ongewonen weg door de oostelijke woeste streken van Cumberland mede gekozen, ten einde de overblijfsels te bezichtigen van den beroemden Romeinschen muur, welke in die streek beter bewaard zijn dan ergens anders. Hoe gebrekkig en oppervlakkig zijne opvoeding ook geweest was, hadden echter noch de woelige tooneelen, waarin hij gewikkeld geweest was, noch de vermaken der jeugd, noch zijne wisselvallige omstandigheden hem belet, om zijn geest met allerlei kennis te verrijken.

„Dit is dan de Romeinsche muur,” sprak hij bij zich zelven, toen hij dat beroemde werk der oudheid van eene hoogte aanschouwde. „Welk een volk, dat werken, zelfs aan de uiterste grenzen van zijn rijk, zoo uitgestrekt en zoo grootsch volbracht heeft! Hoe weinige sporen zullen er in toekomstige eeuwen, als de krijgskunst veranderd is, van de werken van een Vauban en een Coehoorn te vinden zijn, terwijl de overblijfsels van de reuzenwerken van dit bewonderingswaardig volk ook dan nog aller blikken tot zich trekken en onze nakomelingen verbazen zullen. Rome’s vestingwerken, waterleidingen, schouwtooneelen, fonteinen – alle openbare werken hebben het ernstig, krachtig en verheven karakter van haar taal, en onze hedendaagsche werken schijnen, even als onze hedendaagsche talen, slechts uit de fragmenten der oude samengesteld te zijn.”

Onder deze bespiegelingen zette hij zijne wandeling naar eene kleine herberg voort, waar hij eenige verversching wilde nemen.

Deze kroeg – want meer was het niet – lag in een klein dal, waardoor eene beek stroomde, in de schaduw van een zwaren esschenboom. Onder een afdak met leemen muren, dat tegen den boom aangebouwd was en tot een stal diende, stond een gezadeld paard, dat met graagte zijn voeder at. De hutten, in dit gedeelte van Cumberland, zijn even ruw en onaanzienlijk als in Schotland, en het uiterlijk van dit gebouw beloofde niet veel goeds van binnen, ofschoon het pochend uithangbord, waarop het bier uit eene volle [116]kan in een glas liep, met een bijna onleesbaar onderschrift, „goed onthaal” voor menschen en paarden beloofde.

Brown was geen aan weelde verslaafde reiziger; hij bukte zich en trad de lage deur binnen1. In de keuken vond hij een groot, forsch man in eenen wijden overrok, naar het uiterlijk een landman, den eigenaar van het paard, dat onder het afdak stond. Hij was druk bezig met het eten van dikke sneden koud rundvleesch en wierp nu en dan een’ vluchtigen blik door het venster, om te zien hoe zijn paard met het voêr vorderde. Eene groote kan met bier, die hij van tijd tot tijd aansprak, stond naast zijn bord. De waardin was aan het bakken. Het vuur brandde, naar landsgebruik, op een steenen haard, midden onder eenen ontzachlijken schoorsteen, met eene bank aan elke zijde. Op eene van deze banken zat eene buitengewoon groote vrouw, in een rooden mantel en met eene neerhangende muts op het hoofd. Zij zag er uit als eene ketellapster of bedelaarster, en rookte gestadig uit eene korte zwarte pijp.

Toen Brown iets te eten vroeg, veegde de waardin den éenen hoek van de tafel met haar melige voorschoot af, zette een houten bord, benevens mes en vork, voor den reiziger, wees op het stuk rundvleesch, noodigde hem om het goede voorbeeld van den anderen gast, dien zij Mijnheer Dinmont noemde, te volgen en vulde hem eindelijk eene bruine kruik met haar eigen gebrouwd bier. Brown liet zich beide wel smaken. De beide tegenover elkander zittende gasten waren in het begin te druk bezig, om zich veel met elkander te bemoeien, behalve dat zij, wanneer zij gelijktijdig naar hunne bierkannen tastten, elkander vriendelijk toeknikten. Toen onze wandelaar eindelijk den kleinen Wesp, dus heette zijn hond, begon te verzorgen, was de Schotsche pachter (dit was de heer Dinmont) ook zoo ver gevorderd, dat hij tijd had, om het volgende gesprek met Brown te beginnen.

„Een mooie hond, Mijnheer, en, naar het mij toeschijnt, een schrik voor het ongedierte, als hij maar goed afgericht is: want daar hangt alles van af”

„Daar valt niet veel op te roemen, Mijnheer,” antwoordde Brown. „Zijne opvoeding is eenigszins verwaarloosd. Zijne grootste deugd bestaat daarin, dat hij een prettige reisgezel is.”

„Dat is jammer, Mijnheer! waarlijk wel jammer. Op de opvoeding komt alles aan, zoo wel bij de dieren als bij de menschen. Ik heb, behalve mijne andere honden, zes dashonden te huis, den ouden Peper en den ouden Mosterd, den jongen Peper en den jongen Mosterd, den kleinen Peper en den kleinen Mosterd, allen naar de kunst afgericht: eerst op aas, vervolgens op bunsings: of wezels, toen op dassen en vossen, en nu vreezen zij geen dier ter wereld, dat eene ruige huid heeft.”

„Ik twijfel er in het minst niet aan, dat ze volmaakt afgericht zijn. Maar, hoe komt het, dat gij voor zoo veel honden zoo weinig namen hebt?”

„Dat is zoo een inval van mij, om het ras aan te duiden. De Hertog zelf zond naar Charlies-hope om een van mijne dashonden te hebben, zoo beroemd zijn Dandie Dinmont’s Peper en Mosterd. Hij zond den houtvester Tom Hudson2 bij mij op een dag, dat wij juist met de vossenjacht bezig waren. Dat was een pret! ja, dat was een avond!” [117]

„Bij u is zeker veel wild?” hernam Brown.

„Dat zou ik denken! Er zijn, geloof ik, meer hazen dan schapen op mijn land; en de korhoenders liggen er zoo dicht op elkaâr, als duiven in een’ duiventil. Hebt gij wel ooit een’ berghaan geschoten, vriend?”

„Ik heb er zelfs nooit een’ gezien, behalve in het museum te Keswick.”

„Dat dacht ik wel uit uwe zuidlandsche uitspraak. Het is wonderlijk, hoe weinig Engelschen, die bij ons komen, een berghaan gezien hebben. Zal ik u eens wat zeggen – gij schijnt mij een eerlijke jongen te zijn, en als gij bij mij komen wilt, bij Dandie Dinmont, te Charlies-hope, dan zult gij een berghaan zien, en schieten en eten.”

„Het eten is zonder twijfel het beste bij de zaak, en het zal mij aangenaam zijn, als mijn tijd het toelaat, van uwe uitnoodiging gebruik te maken.”

„Uw tijd? wat belet u, om nu dadelijk mede te gaan? hoe reist gij?”

„Te voet, vriend! en zoo dat schoone paard het uwe is, zou ik onmogelijk met u kunnen voortkomen.”

„Neen, tenzij gij veertien Engelsche mijlen in een uur afleggen kunt. Maar gij kunt nog vóor den avond te Riccarton komen; dâar is eene herberg; ik houd daar toch stil om een slokje te gebruiken; dan zal ik den waard zeggen, dat gij komt. Of wacht” – (zich tot de huisvrouw wendende:) „kunt gij dezen heer uws mans paard niet leenen? Ik zal het u morgen met den jongen terug zenden.”

„Het paard is op het land,” antwoordde de waardin, „en wil zich bijna niet laten vangen.”

„Zóo, zóo! dan is er niet aan te doen,” hernam de pachter; „maar kom dan morgen. En nu, vrouwtje, wordt het mijn tijd om te vertrekken, anders overvalt de avond mij op uwe heide, die, zoo als gij zelve weet, geen besten naam heeft.”

„Foei, foei, Mijnheer Dinmont! het is niet aardig van u, dat gij deze plaats een slechten naam geeft. Voor zoo ver ik weet, is hier op de heide niemand aangerand na den reizenden koopman Sawney Culloch, waarvoor Rowley Overdees en Jock Penny te Carlisle de doodstraf ondergaan hebben. Er woont niemand te Bewcastle, die zoo iets doen zou; wij zijn hier alle eerlijke lieden.”

„Ja, moedertje! dat zult ge wel worden vóor dat de duivel blind is geworden – en die is nog zoo ver niet. Maar hoor eens, vrouw, ik heb de graafschappen Galloway en Dumfries bijna geheel doorgereisd; ik ben te Carlisle rondgeweest en kom heden van de jaarmarkt te Staneshiebank, en het zou mij slecht aanstaan, indien ik nu, zoo nabij huis, nog afgezet werd; daarom zal ik maar dadelijk optrekken.”

„Zijt gij in Dumfries en Galloway geweest?” vroeg de oude vrouw, die bij het vuur zat te rooken en nog geen woord gesproken had.

„Ja wel, oudje! Ik heb eene lange reis gehad.”

„Dan zult gij ook het slot Ellangowan wel kennen?”

Ellangowan, dat aan Mijnheer Bertram behoorde? Ik ken die plaats best. De heer is, naar ik gehoord heb, veertien dagen geleden gestorven.”

„Gestorven?” riep de oude vrouw, liet hare pijp vallen, stond op en trad midden in het vertrek. „Dood? weet gij dat zeker?”

„Ja, zeer zeker,” antwoordde Dinmont; „zijn dood heeft in dien omtrek vrij wat opzien gebaard. Hij stierf juist toen zijn huis en have verkocht zou worden; deze gebeurtenis deed den verkoop uitstellen en velen werden daardoor teleurgesteld. Men zeide, dat hij oók de laatste telg van een oud geslacht [118]was, en hierover waren velen bedroefd; want goed bloed is thans in Schotland veel zeldzamer dan vroeger.”

„Dood?” herhaalde de oude vrouw, die de lezer reeds als eene oude bekende, Meg Merrilies, herkend zal hebben. „Dood? dat vereffent onze rekening. En hij stierf zonder mannelijken erfgenaam, zeidet gij?”

„Ja, moedertje! en om die reden werd het goed verkocht: want men beweerde dat het niet verkocht kon worden, als er een mannelijke erfgenaam geweest was.”

„Verkocht!” herhaalde de Heidin op driftigen toon. „En wie durfde Ellangowan koopen, zonder van Bertrams geslacht te zijn? En wie kan zeggen, dat de eenige zoon niet weder zal komen om zijn eigendom terug te vorderen? Wie durfde het goed en slot Ellangowan koopen?”

„Wel, een van die lieden, die alles koopen, een beunhaas of iets dergelijks – Glossin heet hij, geloof ik.”

„Glossin! Gilbert Glossin! dien ik honderdmaal op den arm gedragen heb! want zijne moeder was geen zier meer dan ik. Hij zich vermeten de heerlijkheid Ellangowan te koopen! God sta ons bij! het is nu eene booze wereld! – Ik heb Bertram wel wat kwaads toegewenscht, maar zooveel ongeluk niet. Wee mij! wee mij, dat ik daaraan denken moet!”

Zij zweeg eenige oogenblikken en hield den pachter, die bij iedere vraag vertrekken wilde, maar geduldig staan bleef, toen hij zag met hoeveel warme belangstelling zij naar zijne antwoorden luisterde, nog steeds met de hand terug.

„Men zal er van hooren en zien,” hernam zij; „land en zee zullen niet langer zwijgen! – Kunt gij mij ook zeggen of dezelfde man, die vóor verscheidene jaren dien post bekleedde, nog sheriff van het graafschap is?”

„Neen! Men zegt dat hij tegenwoordig een ander ambt in Edinburg heeft. – Maar, vaarwel, moeder! ik moet vertrekken.”

Zij volgde hem naar zijn paard, en terwijl hij de singels vasttrok, het valies terecht legde en zijn paard optoomde, hield zij niet op met vragen betreffende Bertram’s overlijden en het lot van zijne dochter, waarvan de brave pachter haar nochtans weinig zeggen kon.

„Hebt gij ooit eene plaats, Derncleugh genaamd, omstreeks eene mijl van het slot Ellangowan, gezien?”

„Wel zeker; het is een wild, woest dal, met verscheidene vervallen hutten. Ik ben er met iemand doorgereden, die daar in de buurt eene hoeve pachten wilde.”

„Het was vroeger een gezegend plekje!” mompelde Meg Merrilies in zich zelve. „Hebt gij gezien, of er een oude, bijna omvergewaaide wilgenboom stond, welks wortelen nog vast in de aarde zijn en die over eene kleine beek hangt? Menigen dag heb ik onder dien boom mijne kousen gebreid en op mijn bankje gezeten.”

„Wat drommel plaagt mij dat wijf met boomen, hare bankjes en Ellangowans! Om godswil, vrouw, laat mij toch gaan! – Daar hebt gij een schelling, drink daar iets voor, in plaats van mij langer met uwe lange verhalen te kwellen.”

„Ik dank u, baas! en omdat gij mij zoo gul op alle mijne vragen geantwoord hebt, zonder te vragen waarom ik ze deed, zal ik u een goeden raad geven; maar gij moet ook niet vragen waarom! De waardin zal u aanstonds een afscheidsdronk brengen en u vragen, of gij over de Willies-hei of door het Conscowtharther-moeras, zult rijden. Zeg haar wat gij wilt, maar,” [119](voegde zij er zacht en met nadruk bij) „draag zorg, dat gij eenen anderen weg neemt, dan gij haar zegt.”

De pachter beloofde het lachende en de Heidin verwijderde zich.

„Zult gij haren raad opvolgen?” vroeg Brown, die aandachtig naar dit gesprek geluisterd had.

„Daar zal ik wel op passen. Die oude heks! Neen, ik wilde liever dat de waardin wist welken weg ik ingeslagen had, dan zij, ofschoon Tib Mumps ook niet veel te vertrouwen is; en ik raad u ook, om den nacht niet in dit huis door te brengen.”

Hierop kwam de waardin met haar afscheidsglaasje, dat zij den pachter aanbood. Zoo als Meg Merrilies voorspeld had, vroeg zij, of hij den weg over de hei of door het moeras, volgen wilde. „Door het moeras,” antwoordde Dinmont, en reed, na afscheid van Brown genomen en hem nogmaals gezegd te hebben dat hij er op rekende, hem op zijn laatst den volgenden dag te Charlies-hope te zien, op een flinken draf weg.


1 Zie noot B. „De Bedelaars-herberg.” 

2 Een historisch persoon. W. S.