Slag of stoot moet men op den straatweg afwachten!
Een winter-verhaal.
De raad van den vriendelijken pachter werd door Brown niet in den wind geslagen; maar terwijl hij zijne vertering betaalde, bleven zijne blikken onwillekeurig op Meg Merrilies gevestigd. Zij geleek nog even zeer op eene heks, als toen Mannering haar voor de eerste maal op het slot Ellangowan ontmoette. De tijd had hare zwarte lokken grijs geverwd en rimpels in hare woeste trekken gegroefd; maar hare hooge gestalte was nog niet gebogen en hare vlugheid niet verminderd. Door een werkzaam, ofschoon geen eigenlijk arbeidzaam leven had zij, even als vele vrouwen van haar aard, het volkomen gebruik van al hare ledematen behouden, zoodat hare natuurlijke houding en bewegingen vrij, ongedwongen en schilderachtig waren. Zij stond aan het venster van de herberg in eene houding, die hare krachtige gestalte voordeelig deed uitkomen, met het hoofd eenigszins achterover gebogen, opdat de groote muts, die haar hoofd tot diep in de oogen bedekte, haar niet in hare aandachtige beschouwing van Brown, hinderen zoude. Bij iederen toon, welken hij uitte, scheen zij bijna onmerkbaar te schrikken. Van zijn kant kon Brown, ofschoon hij hiervoor geene reden kon vinden, deze zonderlinge gestalte niet zonder ontroering aanzien. „Heb ik van zulk een gestalte gedroomd?” zeide hij bij zich zelven; „of roept deze vrouw, met haar woest en wonderlijk uitzicht, de vreemde gedaanten, welke ik in onze Indische pagoden gezien heb, in mijn geheugen terug?”
Terwijl hij zich met deze gedachten bezig hield en de waardin zilvergeld zocht, om hem van een halve guinje terug te geven, trad de Heidin eensklaps naar hem toe en greep zijne hand. Hij verwachtte, dat zij hem waarzeggen [120]wilde; maar hij vergiste zich: geheel andere aandoeningen schenen haar te bezielen.
„Jongman,” sprak zij tot hem, „zeg mij, zeg mij, om Godswil, hoe uw naam is en vanwaar gij gekomen zijt?”
„Mijn naam is Brown en ik kom uit Oost-Indië.”
„Uit Oost-Indië!” herhaalde zij, terwijl zij zijne hand zuchtend losliet; „dan kan het niet zijn. Ik, oude zottin, die ik ben, verbeeld mij, dat iedereen dien ik aanzie, diegene zijn moest, welken ik zoo gaarne zien wilde. Maar uit Oost-Indië! dat kan niet zijn. Maar, wie gij ook zijt, uw gelaat en uwe spraak herinneren mij aan oude tijden. Vaarwel! spoed u op uwen weg, en indien gij iemand van ons volk ontmoet, bemoei u nergens mede, en niemand zal u leed doen.”
Brown, die nu zijn geld teruggekregen had, drukte haar een zilverstuk in de hand, groette de waardin en wandelde haastig den weg op, welken de pachter ingeslagen was en waarop het versche spoor van diens paard hem tot gids diende. Meg Merrilies zag hem eenigen tijd achterna en mompelde in zich zelve: „Ik moet dien knaap wederzien – ik moet weder naar Ellangowan. De heer is dood, en de dood vereffent alle rekeningen. Hij was toch eens een goed mensch. De sheriff is weg en ik kan mij in het bosch verschuilen; dus waag ik er niet veel bij. Ik wilde het lieve Ellangowan zoo gaarne nog wederzien voor mijn dood!”
Brown ging intusschen met snelle schreden langs den moerassigen weg door de Cumberlandsche heide. Hij kwam een eenzaam huisje voorbij, waar Dinmont waarschijnlijk stilgehouden had; ten minste leidden de voetstappen van een paard hem daarheen en een weinig verder weder op den weg. „Ik wenschte wel,” dacht Brown, „dat de goede pachter hier op mij gewacht had; ik zou hem gaarne naar den weg gevraagd hebben, die hier al woester en woester wordt.”
En waarlijk, deze landstreek is zoo wild en woest, alsof de natuur zelve ze tot een scheidsmuur tusschen twee vijandige volken bestemd had. Nergens hooge bergen of rotsen, maar overal heide en moeras, waarop slechts enkele ver van elkander verwijderde, kleine en armoedige hutten staan. Bij deze vindt men gewoonlijk een stukje bebouwd land; maar een paar veulens, die met vastgebonden achterpooten loopen te weiden, geven te kennen, dat de landlieden zich hoofdzakelijk op de paardenfokkerij toeleggen. De bewoners zijn ruwer en minder gastvrij dan in eenig ander gedeelte van Cumberland, deels uit hoofde hunner eigene zeden en gewoonten, deels door hunne vermenging met landloopers en booswichten, die in deze woeste landstreek eene schuilplaats tegen den arm der gerechtigheid zoeken. In vroegere tijden stonden de bewoners van deze streken bij hunne meer beschaafde buren in zulk een kwaden reuk, dat er bij de gilden te Newcastle eene afzonderlijke wet bestond, waarbij aan ieder gildebroeder in die stad verboden werd, om een inboorling uit deze oorden als leerling aan te nemen. Een oud spreekwoord zegt: „geef een hond een’ slechten naam en hang hem op;” en men mag er wel bijvoegen: „indien men een’ mensch, of een geheelen stam, voor slecht uitkrijt, zoo zal hij er zeer gemakkelijk toe vervallen, om iets strafwaardigs uit te voeren.” Brown had van het gesprek tusschen de waardin, Dinmont en de Heidin iets gehoord, en vermoedde nog meer; maar hij kende geene vrees, had niets bij zich, dat de roofzucht uitlokken kond, en hoopte nog bij daglicht over de heide te komen. Hierin bedroog hij zich echter; de weg was langer dan hij dacht, en het begon reeds te schemeren, toen hij aan een uitgestrekt moeras kwam. [121]
Voorzichtig volgde hij een pad, dat nu eens tusschen met mos begroeide hoogten door, dan eens over smalle, maar diepe slooten vol slijkerig water, en soms langs hoopen puin en steenen liep, welke door zware stortregens of watervallen van de naburige heuvels op deze lage plaatsen gespoeld waren. Het scheen Brown bijna onmogelijk, dat een ruiter dezen weg volgen kon. De sporen van het paard bleven evenwel nog zichtbaar; ja hij meende soms zelfs, dat hij de hoefslagen in de verte hoorde. Overtuigd, dat Dinmont door dit moeras niet zoo snel voortkomen kon als hij zelf, besloot hij nog wat harder aan te stappen, in de hoop van hem in te halen en van zijne bekendheid met het land partij te trekken.
Eensklaps sprong de kleinen hond van onzen voetganger vooruit en begon woedend te blaffen. Brown verdubbelde zijne schreden. Toen hij den top van eene kleine hoogte bereikt had, zag hij in eenen hollen weg, omstreeks een geweerschot van hem, een man, in wien hij dadelijk den pachter herkende, met twee anderen in een wanhopig gevecht gewikkeld. Dinmont zat niet meer te paard en verdedigde zich, zoo goed hij kon, met zijne zware zweep. Vóór dat Brown hem echter te hulp snellen kon, velde een hevige slag den ongelukkige ter aarde, en een van de roovers, zich de overwinning ten nutte makende, gaf hem nog eenige geweldige slagen op het hoofd. De andere deugniet liep op Brown toe en riep zijn metgezel om hem te volgen, en „dat die eene reeds genoeg had!” Een van de roovers was met eenen houwer, de andere met een’ knuppel gewapend. Daar de weg echter vrij smal was, dacht Brown dat hij het wel met hen zou klaren, indien zij maar geen vuurwapens bij zich hadden. Met verschrikkelijke bedreigingen drongen de roovers op Brown in, maar vonden spoedig, dat hunne tegenpartij even sterk als onverschrokken was, en nadat er van weerskanten eenige slagen gevallen waren, riep een van hen onzen voetganger toe, dat hij, „ìn ’s duivels naam, zijn weg over de heide vervolgen kon, want dat zij niets met hem te doen hadden.”
Brown verwierp dit voorstel, wijl hij daardoor den ongelukkigen pachter aan de genade van de roovers, die hem hadden willen uitplunderen, zoo niet vermoorden, overgegeven zou hebben. Het gevecht was juist weder aangevangen, toen Dinmont onverwachts weder bijkwam, zich op de beenen hielp en naar de kampplaats snelde. De pachter had zich, ofschoon overvallen en alléen, zóo dapper geweerd, dat de roovers het ongeraden vonden, deze versterking van Brown af te wachten, daar deze alleen hun beiden genoeg te doen gaf. Zij ontvluchtten dus dwars door het moeras, zoo hard zij konden, gevolgd door Brown’s hond, die de vijanden gedurende het gevecht wakker in de hielen gebeten en zijn meester trouw bijgestaan had.
„De drommel! uw hond is nu toch goed op het ongedierte los gegaan,” waren de eerste woorden, welke de vroolijke pachter uitte, toen hij, met een bebloed hoofd, Brown naderde en zijn redder herkende.
„Ik hoop, dat gij niet gevaarlijk gewond zijt,” hernam Brown.
„Maar een beetje; mijn hoofd kan een’ flinken klap verdragen. Ik ben er intusschen nog al goed afgekomen, en dat heb ik aan u te danken. Maar, vriend! nu moet gij mij helpen om mijn paard te vangen en achter mij op gaan zitten; want indien wij ons niet spoedig weg maken, krijgen wij de geheele bende op den hals. De anderen zullen wel niet ver af zijn.”
Het paard werd gelukkig spoedig gevangen. Brown was bezorgd, dat de last te zwaar voor het dier zou zijn.
„Vreest gij daarvoor?” antwoordde de pachter. „Het paard kon wel zes [122]menschen dragen, als zijn rug maar lang genoeg was. Maar, om Godswil, haast u! Ik zie ginds eenige lieden, waarop het niet geraden zou zijn te wachten, dwars door het moeras aankomen.”
Brown begreep, dat het nu geen tijd was om plichtplegingen te maken; hij steeg achter den pachter op het paard, en het sterke dier draafde met zijn zwaren last zoo vlug voort, alsof het slechts twee kinderen te dragen had. Dinmont, die alle paden in deze wildernis scheen te kennen, koos den besten weg, waarbij hem echter de schranderheid van zijn paard niet weinig te stade kwam, dat bij gevaarlijke plaatsen steeds het veiligste pad uitzocht. Nochtans was de weg zoo slecht en moesten zij zoo vele omwegen maken, dat zij hunne vervolgers niet veel vooruit kwamen. „Wees niet bang,” zei de onverschrokken Schot tot zijn reisgenoot; „als wij maar eerst de Withershins-pas bereikt hebben, dan is de weg zoo week niet meer en zullen wij hen wel uit de oogen komen.”
Zij bereikten spoedig de genoemde plaats, eene smalle strook lands, met een’ kleinen, zacht vlietenden stroom, vol heldergroene waterplanten doorsneden. Dinmont wendde zijn paard naar eene plaats, waar het water over een harderen grond scheen te vlieten; maar het dier scheen hier den doortocht niet te willen wagen: het stak den kop naar beneden, alsof het den moerassigen grond nader onderzoeken wilde, strekte de voorbeenen vooruit en stond onbewegelijk, alsof het van steen was.
„Zou het niet beter zijn als wij afstegen en het paard aan zich zelf overlieten?” vroeg Brown. „Of kunt gij het niet door den poel krijgen?”
„Neen, neen,” hernam Dinmont; „wij moeten het beestje zijn zin geven. Het heeft meer verstand dan menig christenmensch.” Met deze woorden liet hij den teugel schieten, schudde dien zacht en zeide: „ga nu uw eigen’ gang. Wij zullen zien, hoe gij er ons doorbrengt!”
Het paard, nu aan zijn eigen wil overgelaten, draafde vlug naar eene andere plaats, welke op het oog minder betoofde, maar die het dier waarschijnlijk door ondervinding als een’ veiliger’ doortocht kende. Het paard ging hier in het water en kwam zonder veel moeite aan de overzijde.
„Ik ben blijde dat wij uit dat moeras zijn, waar men meer stallen voor paarden, dan herbergen voor menschen vindt,” zeide Dinmont. „Wij komen nu op den zoogenaamden Meisjesweg en dan hebben wij geen nood meer.”
Zij bereikten nu spoedig een ruwen straatweg, het overblijfsel van eenen ouden Romeinschen weg, welke in eene noordelijke richting door deze woeste streken loopt. Hier ging het vlug voort, beurtelings in draf of galop, zoo als het paard verkoos.
„Ik zou hem nog harder kunnen laten loopen,” zei Dinmont, „maar wij zijn toch beiden een paar lange, zware kerels en het zou jammer zijn het beest te plagen. Ik zag zijns gelijke niet op de jaarmarkt heden.”
Brown was het volkomen met hem eens dat men het paard sparen moest, en voegde er bij dat, nu zij buiten bereik der roovers waren, het zaak zou zijn voor Dinmont, een doek om het hoofd te winden, uit vrees dat de koude zijne wonden gevaarlijker zou maken.
„Waarom zou ik dat doen?” antwoordde de dappere pachter. „Het beste is, het bloed op de wond te laten stollen; dat wint pleisters uit.”
Brown, die, als krijgsman, zoo velen gezien had, welke zwaar gewond werden, kon de aanmerking niet terughouden, dat hij nooit iemand ontmoet had, die zoo weinig scheen te geven om zulke ernstige wonden.
„Gekheid, vriend! Dacht gij, dat ik om zoo iets veel leven zoude maken? – [123]Maar binnen vijf minuten zijn wij in Schotland en gij gaat met mij naar Charlies-hope; dat is eene uitgemaakte zaak!”
Brown nam deze gastvrije uitnoodiging gereedelijk aan. De avond viel, toen onze ruiters eene kleine rivier in het gezicht kregen, welke door eene bevallige bebouwde landstreek kronkelde. De heuvels waren groener en lager dan in de streken, waardoor zij tot hiertoe gekomen waren, en de grasrijke steilten helden zachtjes naar den stroom af. Het geheele oord had een eenzaam, woest en toch landelijk voorkomen. Men zag geene omheinde velden, geene wegen, ja, bijna geene sporen van bebouwing. Het was een land, dat een patriarch tot eene weide voor zijne kudde kiezen zou. De overblijfsels van eenige verspreid staande, vervallen torens gaven echter te kennen, dat hier eens geheel andere, minvreedzame menschen gewoond hadden, die vrijbuiters namelijk, van wier daden de oorlogen tusschen Engeland en Schotland gewagen.
Het vlugge paard draafde voort langs het bekende pad, en nadat het op eene waadbare plaats door het riviertje gegaan was, ging het snel langs den oever, tot onze reiziger twee of drie lage, bij elkander staande huizen bereikten. Dit was Charlies-hope, de woonplaats van den pachter, in de landtaal „de stad” genaamd. Met een woedend geblaf werden de aankomenden door het geheele geslacht van Mosterd en Peper, benevens een groot aantal onbekende bondgenooten, begroet. De pachter liet zijne welbekende stem hooren, om de rust en orde te herstellen. De meid, die de deur opende, smeet ze oogenblikkelijk weder toe, vloog in huis en riep luidkeels: „Vrouw, vrouw, de meester is er en nog een ander man bij hem!” Het paard liep van zelf naar de staldeur, waar zijn hinneken om binnen gelaten te worden, door zijne kennissen van binnen beantwoord werd. Brown had intusschen moeite genoeg, om zijnen Wesp tegen de andere honden te beschermen, welke, minder gastvrij dan hun meester, grooten lust hadden, om den indringenden vreemdeling te mishandelen.
Een knecht bracht het paard spoedig in den stal. Intusschen verscheen de huisvrouw, een aardig, mooi wijfje, en verwelkomde haren man met ongeveinsde vreugde. „Ei, ei, vader,” riep zij, „gij zijt dezen keer wel lang uitgebleven!”1 [124]