[Inhoud]

ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Zoo gij weet wat het heet barmhartig te zijn,

Keer mijn gelaat naar den muur en laat mij sterven.

Joanna Baillie.

Nadat onze reiziger afscheid van Dinmont genomen had, huurde hij een rijtuig naar Kippletringan, waar hij eerst eenige berichten aangaande de familie te Woodbourne wilde inwinnen, vóor dat hij het waagde, Julia Mannering van zijne tegenwoordigheid te verwittigen. De afstand was vrij groot, een uur of zes zeven, en de weg liep dwars door het veld. Niettegenstaande eene hevige sneeuwjacht hadden zij reeds een paar uren afgelegd, zonder dat de voerman in het minst scheen te twijfelen of zich te bedenken; eerst toen het volkomen duister werd, uitte hij eenigen twijfel, of zij wel op den weg waren. Een zeer onaangename toestand, daar er volstrekt geen weg te onderscheiden was, en de sneeuw, die den voerman onophoudelijk in de oogen joeg, zijne kennis van dit oord nog meer in de war bracht en het bijna onmogelijk maakte, het rechte spoor weder te vinden. Brown steeg eindelijk uit het rijtuig en keek overal rond, of hij ook ergens een huis ontdekte, waar hij naar den weg kon vragen. Maar te vergeefsch, en er bleef hem dus niets anders over, dan op goed geluk af verder door te rijden. Zij reden door zulke uitgestrekte plantsoenen, dat Brown vermoedde, dat zij niet ver van een landgoed konden zijn. Eindelijk hield de voerman, nadat zij met veel moeite nog een eindje afgelegd hadden, stil en verklaarde, dat zijne paarden geen voet meer verzetten wilden, maar zeide tevens, dat hij een licht tusschen de boomen zag, ’t welk zeker uit een huis moest komen, en dat zij dáar naar den weg konden vragen. Te dien einde steeg hij af en waadde op deze ontdekkingsreis, belast met zijn langen jas en zijne zware laarzen, welke in dikte met het zevenvoudig schild van Ajax hadden kunnen wedijveren, door de dikke sneeuw, tot dat Brown zijn geduld verloor, uit het rijtuig sprong en den knaap beval bij de paarden te blijven, terwijl hij zelf het huis wilde opzoeken; een bevel, waaraan de voerman met vreugde gehoorzaamde.

Onze reiziger liep eenigen tijd langs de omheining waardoor het licht scheen, totdat hij een hek en een voetpad vond, dat in het uitgestrekte plantsoen leidde. Brown volgde dit voetpad, dat naar het licht, het voorwerp van zijn zoeken, scheen te voeren, maar verloor het schijnsel spoedig tusschen de boomen uit het gezicht. Het pad, dat bij den ingang van het bosch, waardoor het ging, breed en zeer zichtbaar was, werd nu moeielijk te onderscheiden, ofschoon het door de versch gevallene sneeuw nog al eenigszins licht was. Terwijl hij zooveel mogelijk de meest open plaatsen van het bosch zocht, liep hij een heelen tijd door, zonder het licht weder te zien, of iets, dat op eene woning geleek, te ontdekken. Evenwel oordeelde hij het best, zijn weg in dezelfde richting te vervolgen: want het licht moest zeker uit de hut van een boschwachter geschenen hebben, daar het te onbewegelijk stond, om het schijnsel van een dwaallichtje te zijn. De grond werd eindelijk oneffen en begon sterk te hellen. Brown dacht nog steeds, dat hij op een spoor, hetwelk ten minste [137]eens een voetpad geweest was, ging; maar het was nu zoo oneffen en de hoogten en laagten zoo zeer door de hoe langer zoo dichter vallende sneeuw bedekt, waarover hij zich in zijn ongeduld weinig bekommerd had, dat hij meer dan eens viel en ernstig aan terugkeeren begon te denken.

Eene laatste poging willende wagen, ging hij nog een weinig verder en ontdekte tot zijne groote vreugde op geringen afstand het licht weder, dat op dezelfde hoogte scheen te zijn als hij. Hij vond nochtans spoedig, dat hij zich hierin bedroog. De grond liep verder zoo steil naar beneden, dat het bleek, dat er een diep dal tusschen hem en het voorwerp zijner nasporingen was. Voorzichtig verder afdalende, kwam hij eindelijk beneden in een zeer diep, nauw dal, waardoor een beekje kronkelde, welks loop bijna door de sneeuw gestremd was. Hij kwam nu bij eenige verwoeste hutten, van welke de zwarte gevels, die bij de witte oppervlakte, waarboven zij zich verhieven, sterk afstaken, alleen nog stonden en waarvan de puinhoopen, welke verstrooid in het rond lagen en met sneeuw bedekt waren, zijne schreden dikwijls zeer belemmerden. Maar alle zwarigheden moedig trotseerende, ging hij door de beek, kwam, na veel moeite en gevaar, op den anderen ruwen oever en vervolgde zijnen tocht, tot dat hij het gebouw, vanwaar het licht scheen, bereikte.

Bij het flauwe licht was: het moeielijk te ontdekken, welk soort van gebouw dit was. Het scheen echter vierkant, niet groot en van boven geheel vervallen te zijn. Het was waarschijnlijk in vroegere tijden de woning van een geringen landedelman geweest, of had een aanzienlijk man, in geval van nood, tot schuilplaats gediend. Het onderste gewelf alleen was nog onbeschadigd en diende het gebouw, in zijn tegenwoordigen toestand, tot dak. Brown ging op het licht af, dat door eene lange, smalle spleet, of schietgat, zoo als men gewoonlijk in oude kasteelen vindt, straalde. Door nieuwsgierigheid gedreven, keek hij door deze opening, om, voor dat hij binnentrad, het inwendige van deze vreemde plaats op te nemen. Een erger tooneel van verwoesting laat zich bijna niet denken. Op den grond lag een vuur te branden. De rook trok door het geheele vertrek, voor dat hij door een in een boog van het gewelf gebroken gat een uitgang vond. Bij dit walmende licht hadden de muren het woeste voorkomen van ten minste driehonderdjarige bouwvallen. Een paar vaten, eenige gebroken kisten en pakken lagen in wanorde door elkander. Maar nog meer trokken de bewoners van dit gebouw Brown’s aandacht tot zich. Op een strooleger, waarover een deken gespreid was, lag eene menschelijke gestalte zoo stil en onbeweeglijk, dat Brown ze voor een lijk gehouden zou hebben, indien het gewone lijkgewaad niet ontbroken had. Maar spoedig verried een zwaar en diep zuchten en kermen, die den naderenden zwaren doodstrijd aankondigden, dat de zieke nog leefde. Eene vrouwelijke gedaante, in een langen mantel gehuld, zat op een steen bij dit ellendig leger. Zij rustte met de ellebogen op de knieën, wendde haar gelaat van het licht eener ijzeren lamp, welke naast haar stond, af en hield hare blikken op den stervende gevestigd. Van tijd tot tijd bevochtigde zij hem de lippen en zong tusschenbeide, op eene zachte, eentonige wijze, een van die gebeden of liever tooverspreuken, welke in eenige gedeelten van Schotland en het noorden van Engeland ìn gebruik zijn, om daardoor, zoo als het bijgeloof waant, het scheiden der ziel van het lichaam te verlichten, even als met het kleppen der klok geschiedde in de tijden van het katholicisme. Zij vergezelde deze treurige tonen met eene langzame, wiegende beweging van haar lichaam, alsof zij daardoor de maat van haar gezang wilde aangeven. De woorden luidden bijna als volgt: [138]

„Wat, vermoeide! toeft gij toch?

Kampt met stof en aarde nog?

Schei van ’t lichaam, loom en log!

Hoor de Misse zingen!

Maak u van uw hulsel vrij;

Sta de Moeder Gods u bij!

Heil’gen staan aan uwe zij –

Hoor de doodklok luiden!

Vrees noch sneeuw, noch hageljacht,

Noch den langen winternacht!

In de doodkist slaapt men zacht,

Om niet weer te ontwaken.

Haast u! dat geen vrees u stuit’!

De aard’ snelt voort – ’t is tijd – besluit!

Blaas den laatsten adem uit –

Zie den morgen naken!

Hier zweeg de zangster en werd door een diep, hol zuchten en steunen beantwoord, dat den laatsten doodstrijd scheen aan te kondigen.

„Het gaat nog niets mompelde zij bij zich zelve. „Hij kan niet sterven met zulk een zwaren last op zijne ziel. Dat houdt hem hier vast.” –

Ach, de Hemel duldt hem niet!

De aarde ontzegt hem haar gebied1!

„Ik moet de deur opendoen.” Zij stond op, ging naar de deur, zorg dragende haar hoofd niet om te draaien, en lichtte, nadat zij een paar sterke grendels voor de deur, welke, niettegenstaande het armoedige voorkomen van het vertrek, zeer zorgvuldig gesloten was, weggeschoven had, de klink op, waarbij zij zong;

„Slot, ontsluit u! – Strijd, bezwijk!

Kom, o Dood! en, Leven, wijk!”

Brown had intusschen zijne standplaats verlaten en stond vlak voor haar, toen zij de deur opendeed. Zij deinsde van verbazing eene schrede achteruit, waarop hij binnentrad en dadelijk, maar met geene aangename gewaarwording, dezelfde oude Heidin herkende, die hij vroeger te Bewcastle ontmoet had. Zij herkende hem oogenblikkelijk. In hare houding en blikken verried zij eene angstige bezorgdheid, en had geheel het voorkomen van de goedaardige reuzin in het tooversprookje, die den vreemdeling waarschuwt, het gevaarlijke [139]paleis van haren gemaal niet binnen te treden. Het eerste dat zij zeide (terwijl zij de hand bestraffende ophief) was: „Heb ik u niet gezegd, bemoei u nergens mede? – Wacht u voor bloedige slagen. Gij komt hier bij geen vreedzaam sterfbed.”

Bij deze woorden hief zij de lamp op en liet het licht op de woeste en ruwe gelaatstrekken van den stervende vallen, die onder stuiptrekken den laatsten adem uitblies. Een lap linnen, waarmede zijn hoofd omwonden was, was met bloed bevlekt. Zelfs de dekens en het stroo waren vol bloed, zoo dat alles verried, dat deze ongelukkige een geweldigen dood stierf. Brown huiverde bij dit verschrikkelijk gezicht terug en riep, zich tot de Heidin wendende: „Ellendig wijf, wie heeft dit gedaan?”

„Zij, aan wie dit veroorloofd werd,” antwoordde Meg Merrilies, terwijl zij een scherpen, vorschenden blik op den stervende sloeg. – „Hij heeft een zwaren strijd gehad. Maar het is voorbij. Ik wist, dat hij den geest zou geven, toen gij binnentradt. Dat was de laatste doodsnik – hij is dood!”

Op dit oogenblik lieten zich van verre stemmen hooren. „Zij komen,” zei de Heidin tegen Brown; „gij zijt een man des doods, al hadt gij zoo vele levens, als haren op uw hoofd.”

Brown zag schielijk naar eenig wapen tot zijne verdediging rond, maar vond niets. Nu snelde hij naar de deur, om zich achter de boomen te verbergen er dan door eene snelle vlucht dit verblijf, dat hij voor een moordenaarshol hield, te ontvluchten. Maar Meg Merrilies hield hem met een krachtigen arm terug en zeide: „Hier! hier! Wees stil en gij zijt veilig – verroer u niet, wat gij ook hoort of ziet, en u zal geen leed geschieden.”

In deze wanhopige omstandigheden herinnerde Brown zich den vroegeren goeden raad van de oude vrouw, en geloofde dat gehoorzaamheid het eenige middel tot zijne redding was. Hij moest zich in een’ hoop stroo, dat in een hoek van het vertrek tegenover den doode lag, nederleggen, waarop zij hem zorgvuldig bedekte en eenige oude zakken, die op den grond lagen, over hem heen wierp. Zeer begeerig te weten, wat er gebeuren zou, schikte Brown zoo zacht mogelijk de zakken, waaronder hij verborgen lag, zoodanig, dat hij toch iets zien kon, en verbeidde met een kloppend hart den afloop van dit vreemd en zeer onaangenaam voorval. De oude Heidin hield zich intusschen met den overledene bezig, legde het lijk terecht en de armen langs de zijden, terwijl zij bij zich zelve mompelde: „Het is best dat te doen, voor dat hij stijf wordt.” Zij legde een houten bord met een weinig zout op de borst van den doode, plaatste eene kaars bij zijn hoofd en eene andere bij zijne voeten en stak beide aan. Na gedaan te hebben, begon zij weder te zingen en wachtte de komst af van hen, wier stemmen zij van buiten gehoord hadden.

Hoe dapper en onversaagd Brown ook was, begaf hem op dit oogenblik de moed en vermeesterde de vrees hem zoodanig, dat het koude angstzweet hem aan alle leden uitbrak. Het denkbeeld, door booswichten, wier handwerk de nachtelijke moord was, uit zijn ellendigen schuilhoek gesleept te worden, zonder wapens of het geringste middel tot zijne verdediging dan gebeden, waarmede zij slechts zouden spotten, of hulpkreten, die tot geen ander oor dan het hunne, konden doordringen; de gedachte, dat zijne veiligheid enkel op het onzekere medelijden van een wezen berustte, dat met deze schelmen in verstandhouding leefde en wier hart door gewoonte aan roof en bedrog voor alle menschelijk gevoel verstompt moest zijn – deze bittere gedachten doodden hem bijna. Hij beschouwde het rimpelig, somber gelaat van de Heidin, waarop nu het licht der lamp viel, om er iets in te vinden, ’t welk [140]dat meêwarig gevoel verried, dat vrouwen, zelfs de meest verdorvene, zelden geheel kunnen onderdrukken. Er was geen enkele zachte, menschelijke trek in het gelaat van deze vrouw. De opwelling, of wat het ook zijn mocht dat haar gunstig voor hem innam, sproot niet uit medelijden, maar uit eene geheime, zonderlinge mengeling van aandoeningen, welke hij zich niet verklaren kon. Misschien had het geen anderen grond, dan eene denkbeeldige gelijkenis, even als die welke Lady Macbeth in den slapenden koning met haren vader meende te vinden. Soortgelijke gedachten verdrongen elkander in zijne ziel, terwijl hij deze wonderlijke vrouw uit zijn schuilhoek waarnam. Intusschen kwam de bende nog niet nader en kreeg Brown grooten lust, om zijn eerste voornemen, dit verblijf te ontvluchten, nu nog uit te voeren, bij zich zelven de besluiteloosheid verwenschende, welke hem in een toestand gebracht had, waar geen wederstand of vlucht mogelijk zou zijn.

Meg Merrilies scheen ook zeer waakzaam te zijn. Zij luisterde ingespannen naar ieder geluid, dat zich buiten de oude muren hooren liet. Soms ging zij weder naar het lijk en vond er nog steeds iets aan te schikken en te veranderen. „Het is toch een schoon lijk!” mompelde zij bij zich zelve, „en wel waard, dat men het goed bezorge!” Zij haalde een langen, donkeren schippersmantel uit een hoek en gebruikte dien tot een doodskleed. Zij liet het aangezicht bloot en legde de kraag zoo, dat het bloedige verband daarmede bedekt werd en het lijk, zoo als zij het noemde, „er fatsoenlijk uitzag.”

Plotseling traden eenige mannen, naar hunne kleeding en geheel voorkomen te oordeelen roovers, in het vertrek. „Meg, gij satanskind, hoe durft gij de deur open laten?” was de eerste begroeting, die zij van hen ontving.

„En wie heeft ooit gehoord,” antwoordde zij, „dat men de deur van een vertrek sluit, als er iemand ligt te sterven? Denkt gij, dat de ziel door zulk een slot en grendels weg kan komen?”

„Is hij dan dood?” vroeg éen van hen, en ging naar het strooleger, om naar het lijk te zien.

„Ja, ja! dood genoeg,” hernam een ander; „maar hier is iets, om ons onder het waken bij zijn lijk wakker te houden.”

Met deze woorden haalde hij een vaatje brandewijn uit een hoek, terwijl Meg Merrilies zich haastte, om pijpen en tabak rond te deelen. De haast, waarmede zij dit deed, gaf Brown veel hoop, dat zij haren gast getrouw zou zijn. Het was blijkbaar haar doel, de roovers aan het drinken te zetten, en om op deze wijze eene ontdekking te verhoeden, indien misschien één hunner bij toeval Brown’s schuilplaats te na mocht komen. [141]


1 Zie noot F. Bijgeloof onder de Heidenen.