[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

„De geschiedenis van alle eeuwen

Is rijk aan vreemde voorteekenen

Van groote omkeeringen,

Door Sterrewichelaars voorzien.”

Hudibras.

De gastheer onderrichtte Mannering van de omstandigheden, waardoor de vrouw des huizes belet werd hem welkom te heeten, en die gedeeltelijk strekken moesten als eene verontschuldiging voor een gebrekkig onthaal, dat hare zorgvuldigheid wel voorgekomen zou hebben, maar ook als aanleiding diende, om hen nog eene fijne flesch voór te zetten.

„Ik kan niet slapen,” zei de huisheer met die onrust, welke een vader in zulke omstandigheden natuurlijk eigen is, „voor dat ik weet, dat alles goed afgeloopen is. Indien gij niet al te slaperig zijt, Mijnheer, en mij en dominé Sampson de eer bewijzen wilt bij ons te blijven, zullen wij, hoop ik, u niet zeer lang ophouden. De vroedvrouw is zeer bekwaam en zoekt haars gelijke. Er was eens een meisje, dat haar ook noodig had, – zij woonde hier in den omtrek. – Waarom schudt gij zoo het hoofd en zucht ge zoo Sampson? – Ik weet zeker, dat de kerkboete behoorlijk betaald is, en wat kan men meer doen? – Het was vóor dat zij gehuwd was, en de man, die haar naderhand getrouwd heeft, acht haar om dat ongeluk niets minder. – Zij woont te Annan, aan de kust, en ik zeg u, mijnheer Mannering, men kan geen braver, ordentelijker paar zien. Zij heeft zes lieve kinderen, en de kleine krullebol Godfried – dat ìs de oudste, die, zoo als men wel zeggen kon, zonder verlof in de wereld gekomen is – is aan boord van een tolschip. Ik heb op het tolschip ook eenen neef, de commissaris Bertram: hij kreeg dezen post in den grooten verkiezingsstrijd, waarvan ge gehoord zult hebben, daar men er over appelleerde bij het Lagerhuis, – en ik zou mijne stem voor den heer van Balluddery gegeven hebben; – maar mijn vader, ziet ge, was Jacobiet, en onder de vragers veel kennissen, en wilde nooit den eed afleggen van getrouwheid aan het hedendaagsche bestuur, – en hoe het gebeurd is, weet ik niet; maar zij schrapten mij steeds van de kiezerslijst, hoewel mijn rentmeester eene geldige stem uitbrengen mocht, voor den ouden Sir Thomas Cittlecourt. – Maar, om terug te komen tot hetgeen ik zeggen wilde, Luckie Hoevation is zeer vlug, – want dit meisje – –”

Hier werd de lange verwarde geschiedenis, welke de verhaler dus begon, afgebroken door de luide stem van iemand, die zingend de keukentrap opkwam. De hooge tonen waren te schel voor eene mannenstem: de lagere schenen te zwaar voor eene vrouwenstem te zijn. De woorden, welke Mannering onderscheiden kon, luidden dus:

Tijdstip, dat vaak zorgen kost!

Is de huisvrouw nu verlost?

’t Zij ’t een knaap of meisjen is,

Slaat een kruis en zingt de mis.

[27]

„Het is Meg Merrilies, de waarzegster, zoo waar ik een arme zondaar ben,” zei Bertram.

Sampson, die met de beenen kruiselings over elkander gezeten had, loosde een diepen zucht, trok zijn langen voet, welke in zijne vorige stelling uitgestrekt was, naar zich toe, plaatste dien recht op den grond en legde het andere been er over, terwijl hij dikke wolken tabaksrook uitblies. „Waarom zucht gij, dominé? Ik weet zeker, dat Meg’s gezang geen kwaad zal doen.”

„Ook geen goed,” antwoordde dominé Sampson met eene onaangename, schorre stem, die volkomen bij zijne lompe gestalte paste. Dit waren de eerste woorden, welke Mannering van hem hoorde, en daar hij er niet zonder nieuwsgierigheid op gewacht had, of dit etende, drinkende, bewegende en rookende beeld eindelijk ook spreken zou, vermaakten hem de ruwe tonen, welke het uitte, niet weinig.

Op dit oogenblik werd de deur geopend, en Meg Merrilies trad binnen. Mannering stond verstomd bij hare verschijning. Zij was volle zes voet groot, droeg een mansoverrok over hare andere kleederen, welke, behalve de rokken, meer op eene mannen- dan vrouwenkleeding geleek, en had eenen dikken doornstok in de hand. De verwarde zwarte haren hingen, als de slangen van een Medusa-hoofd, van onder eene oudmodische muts en verhoogden de zonderlinge uitdrukking in hare scherpe, door de zon verbrande gelaatstrekken, terwijl het woeste rollen harer oogen eene werkelijke of gekunstelde waanzinnigheid scheen aan te duiden.

„Maar, Ellangowan!” zeide zij; „het zoude iets fraais geweest zijn, als de vrouw verlost was, terwijl ik er op de jaarmarkt van Drumshourloch niets van geweten of gedroomd had! Wie zou de geesten verdrijven? wie de kaboutermannetjes en heksen van den lieven knaap, dien God zegene, verjagen? of wie de tooverspreuk van de heilige Colmia voor hem opzeggen?” En zonder op een antwoord te wachten, begon zij te zingen:

„Klaver, ijzerkruid en dill’

Hind’ren heksen in haar’ wil;

Hem is ’t wel, die vasten mag

Op sint-Andries heil’gen dag.

Sint-Brigitta en haar schat,

Heil’ge Colma en haar kat

En sint-Michel met zijn zwaard

Houden ’t huis voor ramp bewaard.

Deze tooverspreuk zong zij op haar ruwe wijze, met eene sterke, schelle stem, en maakte daarbij drie, zulke hooge en vlugge sprongen, dat zij bijna aan den zolder van de kamer kwam. Hierop zeide zij: „zult gij mij nu een glas brandewijn laten geven, edele heer?”

„Dat zult gij hebben, Meg! – Ga nu daar bij de deur zitten, en verhaal ons, wat nieuws gij op de kermis te Drumshourloch gehoord hebt.”

„Waarlijk, Ellangowan, daar hadt gij en uws gelijken moeten wezen; er waren, buiten mij, vele mooie meisjes en geen mensch om haar een kermis te geven.”

„En hoeveel Zigeuners zijn er in de gevangenis gebracht?”

„Niet meer dan drie, heer! want er waren niet meer dan drie, buiten mij, en ik ben hun uit den weg gegaan; want met twistzieke menschen is het niet goed te doen te hebben. En Dunbog heeft den rooden Rotten en [28]Hans Young van zijn erf gejaagd. Vervloekt zij zijn geslacht! Hij is geen edelman en heeft geen droppel edel bloed. Waarom een paar armen schelmen te misgunnen, dat zij in een vervallen gebouw onder dak zoeken te komen, of eenige distels aan den weg zoeken en een dorren berkenboom omhakken, om hun eten te koken? Maar er is een God hier boven. – En wij zullen zien of niet spoedig, eer de morgen daagt, de roode haan op zijn dak gezet wordt.”

„Stil, Meg, stil! dat is gevaarlijke taal.”

„Wat bedoelt zij daarmede?” vroeg Mannering zacht aan Sampson.

„Brandstichten,” antwoordde de woordkarige dominé.

„Zeg mij toch, bid ik u, wat of wie is zij?”

„Eene lichtekooi, eene dievegge, eene heks en waarzegster.”

„O waarlijk, heer,” ging Meg voort, „slechts voor u en uws gelijken kan men zijn hart openen. Hoor! Dunbog is zoo min een edelman, als de metselaar, die het fraaie huis in het dorp bouwt. Maar wie u gelijkt, is van eeuwen-ouden adel, en jaagt geene arme lieden van zijn erf, als of het dolle honden waren, en niemand van ons volk zou iets van u aanroeren, al hadt gij even veel kapuinen, als er bladen aan den boom zijn. En nu moet één uwer zijn horlogie op de tafel leggen, en mij de juiste minuut zeggen, waarop het kind geboren wordt, en ik zal zijn lot voorspellen.”

„Wij zullen uwe hulp niet noodig hebben, Meg! hier is een student uit Oxford, die verstaat het waarzeggen veel beter dan gij; hij doet het uit de sterren.”

„Zonder twijfel, mijnheer,” antwoordde Mannering, de grap van zijn gastheer vattende; „ik zal zijn lot berekenen naar de regelen der tripliciteiten, welke Pythagoras, Hippocrates, Diokles en Avicenna geleerd hebben; of ik zal beginnen ab hora questionis, zoo als Haly, Messahala, Canwehis en Guido Bonatus aanbevelen.”

Eene der eigenschappen, waarvoor Sampson het meest bij den heer Bertram in gunst stond, was, dat men hem voor den gek zocht te houden, hoe lomp men dat ook mocht aanleggen, zoo dat de landjonker in den onergdenkenden dominé het beste voorwerp voor zijne zoutelooze spotternijen vond. ’t Is waar, dat hij nooit daarbij lachte of medelachte, wanneer men het over zijne onnoozelheid uitschaterde; ja men zegt, dat hij maar eens in zijn leven lachte, en dat zijne huiswaardin bij deze merkwaardige gelegenheid, deels door verwondering over de gebeurtenis zelve, deels door schrik over de ijselijke wijze, waarop hij zijn gezicht vertrok, een miskraam kreeg. Bemerkte hij weleens, dat men schertste, dan maakte dit verder geen indruk op hem, dan dat hij langzaam zeide: „Wonderlijk!” of: „zeer koddig!” zonder echter een gezicht daarbij te vertrekken.

Bij deze gelegenheid vestigde Sampson een verbaasden, verschrikten blik op den jongen Sterrewichelaar, staarde hem aan en scheen te twijfelen, of hij zijn antwoord wel verstaan had.

„Ik vrees, mijnheer,” zeide Mannering, zich tot Sampson wendende, „dat gij een van die ongelukkige menschen zijt, wier zwak gezicht niet in staat is in de hemelsche sferen door te dringen, om daarin de besluiten des hemels uit de verte te lezen, en die uit dien hoofde het hart, uit vooroordeel en dwaling, voor overtuiging sluiten.”

„Inderdaad,” zeide Sampson, „ik ben met Sir Izaäk Newton, ridder en voormaals Koninklijke muntmeester, van gevoelen, dat de voorgewende kunst der sterrewichelarij ijdel, dwaas en onbevredigend is.” En hiermede sloot hij de lippen. [29]

„Het doet mij waarlijk leed,” hernam de reiziger, „dat zulk een geleerd en ernstig man, als gij zijt, in eene zoo vreemde verblinding en dwaling verkeert. Wilt gij den korten, nieuwen en, als ik het zeggen mag, inlandschen naam van Newton tegen het gezag der geleerde, groote namen van een Bonatus, een Ptolomeus, Haly, Eztler, Diterick, Harfurt, Taustettor, Agrippa, Duretus, Maginis, Origen en Argol overstellen? Erkennen Christenen en Heidenen, Joden en ongeloovigen, dichters en wijsgeeren niet algemeen den invloed der sterren?”

Communis error, eene algemeene dwaling!” antwoordde de onbuigzame Sampson.

„Niet alzoo,” hernam de jonge Engelschman; „het is een algemeen en gegrond geloof.”

„Het is de toevlucht van schelmen en bedriegers,” zeide Sampson.

Abusus non tollet usum; om misbruik mag het goede gebruik van eene zaak niet afgeschaft worden.”

Gedurende deze woordenwisseling geleek Ellangowan eenigermate op eene snip, die in een strik gevangen wordt. Hij zag de beide sprekers beurtelings aan, en de ernst, waarmede Mannering zijne tegenpartij aanviel, en de geleerdheid, welke hij hierbij ten toon spreidde, deden hem bijna gelooven, dat het gemeend was. Meg, de heidin, in verwarring gebracht door eene taal, welke nog geheimzinniger luidde dan hare eigene, vestigde hare verbaasde blikken op den Sterrewichelaar.

Mannering maakte gebruik van zijn voordeel, en kraamde alle geleerde kunsttermen uit, welke zijn gelukkig geheugen hem ingaf, en waarmede hij in zijne vroege jeugd, door omstandigheden, die wij in het vervolg wel zullen vernemen, bekend geworden was.

Teekenen en planeten, zeshoekig, vierhoekig of driehoekig in conjunctie of oppositie, hemelhuizen met horens, uren en minuten, Almuten, Almochoden, Anahibazon, Catahibazon en duizend andere uitdrukkingen van gelijken klank en beteekenis, regenden op den onversaagden dominé, wiens hardnekkig ongeloof hem tegen de aanvallen van dezen woedenden storm beveiligde.

Eindelijk werd dit gesprek afgebroken door het heugelijk bericht, dat de dame haren gemaal een welgeschapen zoon geschonken had en dat zij zeer welvarend was. Bertram haastte zich naar zijne vrouw; Meg Merrilies ging naar de keuken, om zich daar te goed te doen aan kraamvrouw-bier,1 en Mannering verzocht met behoorlijke deftigheid den dominé, om hem op eene plaats te brengen, waar hij de sterren beschouwen kon, nadat hij op zijn horologie gezien en met veel nauwkeurigheid het uur en de minuut van de geboorte opgeteekend had.

Zonder een woord te antwoorden, stond de schoolmeester op en opende eene glazendeur, welke naar een terras leidde, dat gemeenschap had met de hoogte, waarop de bouwvallen van het oude slot lagen. De opkomende wind had de wolken, welke vroeger den hemel bedekt hadden, verdreven. De volle maan stond hoog en alle sterren prijkten in onbewolkten luister. Het tooneel, dat hij bij hun licht zag, was voor hem uiterst onverwacht en verrassend.

Wij hebben vroeger reeds gemeld, dat Mannering bij het einde van zijne reis de zee genaderd was, zonder te weten, hoe nabij. Hij zag nu, dat de bouwvallen van Ellangowan op eene vooruitspringende rots, welke de eene zijde van eene kleine stille baai vormde, lagen. Het nieuwe gebouw lag [30]iets lager, en de grond daarachter was eene groene vlakte, welke met natuurlijke terrassen, waarop eenige oude boomen stonden, naar den zandigen oever afdaalden. De tegenovergestelde oever van de baai was een afhellend voorgebergte, met kreupelboschjes bedekt, dat op dien gelukkigen oever bijna tot den rand van de zee groeide. Eene visschershut was zichtbaar onder de boomen. Zelfs op dit uur van den nacht zag men nog lichten aan den oever, waar waarschijnlijk het schip van een sluikhandelaar, dat in de baai lag, gelost werd. Zoodra het licht door de glazendeur van het huis zichtbaar werd, werd er van het schip naar den oever geroepen: „opgepast, lichten uit!” en oogenblikkelijk verdwenen alle lichten.

Het was één uur na middernacht. Een bekoorlijk uitzicht vertoonde zich aan onzen reiziger. De oude grijze torens van het vervallen slot, deels ingestort, deels onbeschadigd, welke hier de kenmerken van den knagenden tand des tijds droegen en dáar gedeeltelijk met klimop bedekt waren, verhieven zich op den rand van de donkere rots, welke Mannering aan zijne rechterhand zag. Vóór hem lag de stille baai, welker kleine kabbelende golfjes in de stralen der heldere maan schitterden, zachtjes voortrolden, en plassende tegen het zilverwitte strand braken. Links spiegelde zich het bosch, dat zich tot ver in zee uitstrekte, bij het maanlicht in hare golvende oppervlakte en vertoonde die afwisselingen van licht en donker, die bekoorlijke verbinding van opene en dichte plaatsen, waarop het oog zoo gaarne rust, verrukt over hetgeen men ziet en begeerig om dieper in het geheim van het boschrijke landschap door te dringen. Boven hem rolden de planeten door haar eigen lichtkring, van de kleinere of meer verwijderde sterren onderscheiden. Zoo ver kan de verbeelding zelfs hen, die haar opzettelijk opgewekt hebben, wegslepen, dat Mannering, terwijl hij deze schitterende hemellichten bewonderde, bijna geneigd was, aan den invloed te gelooven, welken het bijgeloof hun op de menschelijke lotgevallen toeschrijft. Maar Mannering was jong; hij beminde, en misschien was hij met de gevoelens bezield, welke een der nieuwere dichters in de volgende regels uitdrukt:

De Fabel is de wereld, ’t vaderland,

De woning en geboorteplaats der Liefde.

Met vreugde huist ze in ’t grijze rijk der Feên,

Der Talismannen en der hoog’re Geesten,

En graag gelooft ze aan Godheên en haar kracht,

Omdat ze godlijk is. – De schoone vormen

Der oude dichters, in de menschlijkheid

Verwezenlijkt der allervroegste goden,

Die ’t mosrijk dal bewoonden of den top

Eens groenen bergs, of huisden in het lommer

Eens heil’gen wouds, bij ’t kabbelend geruisch

Van beek en bron, – deze alle zijn verdwenen.

Men leeft niet meer in dat getrouw geloof.

Nochtans behoeft het hart eene and’re sprake,

En ’t oude instinct brengt de oude namen weêr.

Thans zijn ze daar, in gindsche sterrenwereld,

De Geesten en de Goden, die voorheen

Zoo vriendelijk verkeerden met de menschen,

En stralen van het hooge sterrendak [31]

Hun’ invloed steeds nog op verliefden neder.

Ja heden nog is ’t Jupiter, van wien

Al ’t groote komt, gelijk van Venus ’t schoone.

Deze mijmeringen maakten spoedig plaats voor andere. „Ach!” dacht hij, „mijn goede oude leermeester, die zich zoo gaarne in twisten over den invloed der sterren verdiepte, zou dit tooneel met andere oogen beschouwd en in allen ernst getracht hebben, uit den stand dezer hemelsche lichten hun waarschijnlijken invloed op het lot van het pasgeboren kind te ontdekken, alsof de loop der sterren de werking der goddelijke Voorzienigheid opschorten, of ten minste even veel macht, als deze, hebben kon! Maar, zacht rustte zijn asch! Hij heeft mij genoeg van zijne kennis medegedeeld, om, des noods, een kunstmatigen horoscoop te trekken. Welaan, laat ik er mede beginnen! Nu schreef Mannering den stand der hoofdplaneten op, en keerde weder in huis. Zijn gastheer ontmoette hem in de huiskamer, verhaalde hem zeer opgeruimd, dat hij vader van een gezonden knaap geworden was, en scheen zeer geneigd, zich bij eene flesch wijn nog eene poos met hem over zijn geluk te onderhouden. Nochtans nam hij Mannering’s verontschuldiging wegens vermoeidheid aan, en geleidde zijn gast naar zijne slaapkamer.


1 Zie noot A. Kraamvrouw-bier