[Inhoud]

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Ik geef niet om uwe uittarting. Als gij zulke

ruwe taal voert, zal ik de poorten tegen u sluiten –

Ziet gij het groote venster dáar? – Beproef het

daar binnen te stormen! Ik geef er niet om en

sta in dienst van den dapperen hertog van Norfolk.

De vroolijke duivel van Edmonton.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Zoo even verlaat ik het ziekbed, lieve Mathilda, om u de verschrikkelijke tooneelen te beschrijven welke hier plaats gehad hebben. O, hoe weinig past het ons met de toekomst te schertsen! Met een opgeruimd gemoed sloot ik mijn laatsten brief aan u met eenige schertsende aanmerkingen over uw smaak voor het romantische en het buitengewone in verdichte verhalen, en dacht nergens minder aan, dan dat ik u binnen weinige dagen dergelijke voorvallen mede te deelen zou hebben. Het is geheel iets anders, getuige van verschrikkelijke tooneelen te zijn en ze door beschrijving te leeren kennen, even verschillend als boven een afgrond te zweven en zich enkel aan een’ half ontwortelden struik vast te houden, of denzelfden afgrond in een landschap van Salvator Rosa te bewonderen. Maar laat ik mijn verhaal niet voortuitloopen.

Het eerste gedeelte is verschrikkelijk genoeg, maar bevat niets waaraan mijn hart bijzonder deel neemt. Gij moet weten dat deze landstreek voor het handwerk van een hoop vermetele lieden van het naburige eiland Man bijzonder goed gelegen is. Deze talrijke, onverschrokkene en gevaarlijke smokkelaars zijn dikwijls de schrik van het geheele omliggende land geweest, als iemand het waagde hen in hun sluikhandel te bemoeilijken. Uit vrees, of uit nog erger beweegredenen, zijn de plaatselijken overheden schuw geworden, om iets tegen[154] deze lieden te ondernemen, die door deze straffeloosheid nog driester en vermeteler geworden zijn. Men zou denken dat mijn vader, een vreemdeling, zonder rechterlijk gezag, met dit alles niets te doen had. Maar hij is, zoo als hij zich zelf uitdrukt, onder den invloed van Mars geboren, en men moet bekennen, dat strijd en bloedvergieten hem zelfs in de stilste afzondering en in den vreedzaamsten toestand vervolgen.

„Verleden Dinsdagmorgen om elf uur werden wij – terwijl mijn vader en Hazlewood zich gereed maakten om naar een meertje, omstreeks drie mijlen van hier, te gaan, en Lucie en ik bezig waren, om het plan voor ons werk en onze oefeningen voor dien dag te regelen – door het getrappel van paarden, welke de laan snel kwamen opdraven en dat door den hard gevroren grond nog sterker klonk, gestoord. Na eenige oogenblikken zagen wij drie gewapende ruiters, welke ieder een handpaard met pakgoederen bij den teugel hielden, op de open plaats voor ons huis. Zij reden, zonder den gewonen weg te houden, welke hier een kleinen bocht maakt, dwars over het grasperk tot vóor de huisdeur. Zij schenen zich, zoo veel mogelijk, gehaast te hebben en zeer ontsteld te zijn, en keken dikwijls om, alsof zij eene spoedige en gevaarlijke vervolging vreesden. Mijn vader en Hazlewood snelden naar de voordeur, om te vragen wie zij waren en wat zij wilden. Zij verklaarden dat zij tolbedienden waren, deze met sluikgoederen beladen paarden op eene, omstreeks drie mijlen van hier gelegen plek in beslag genomen hadden en nu door de versterkte bende smokkelaars vervolgd werden, die gezworen hadden, zich weder meester van de goederen te zullen maken en de tolbedienden, die zich verstout hadden hun plicht te doen, van het leven te berooven. Daar nu hunne paarden beladen waren en hunne vervolgers hen inhaalden, waren zij naar Woodbourne gevlucht, in de hoop dat mijn vader, die den koning gediend had, niet zou weigeren, hen, als ambtenaren der regeering, die bij de vervulling van hun plicht in levensgevaar gekomen waren, te beschermen.

„Mijn vader, die, bij zijne verhevene denkbeelden omtrent militair plichtbesef, zelfs een hond, indien deze in naam des konings kwam, als een zeer gewichtig wezen beschouwen zou, gaf aanstonds de noodige bevelen om de goederen te bergen, en wapende de dienstboden, ten einde het huis in geval van nood te verdedigen. Hazlewood hielp hem hierbij zoo veel mogelijk, en zelfs dat wonderlijke schepsel, Sampson genaamd, kwam uit zijn hol te voorschijn en greep een jachtgeweer, dat mijn vader weggelegd had, om zich met eene buks, zoo als men in Indië bij eene tijgerjacht gebruikt, te wapenen. Het geweer ging in de ongeoefende handen van den armen dominé (dezen bijnaam draagt hij) los en bijna was een der tolbedienden door het schot getroffen. Bij deze onverwachte losbranding riep hij zijn „ver–ba–zend!” uit, zoo als hij steeds gewoon is, als hem iets verrassends overkomt. Niets kon intusschen den man bewegen, om zijn geweer weer af te staan, zoo dat men hem het eindelijk liet behouden, doch tevens de voorzorg gebruikte om hem geen kruit en lood toe te vertrouwen. Hazlewood verhaalde ons naderhand al deze omstandigheden, waarvan ik toen, zoo als gij wel kunt denken, weinig meer dan den slag bij het losbranden van het geweer bemerkte, en vermaakte ons bijzonder door zijne beschrijving van de onhandige, maar vurige dapperheid van den armen dominé.

„Toen mijn vader alles tot de verdediging gereed en zijn volk met vuurwapens aan de vensters geplaatst had, wilde hij ons in veiligheid, ik geloof in den kelder, brengen; maar wij wilden het vertrek volstrekt niet verlaten. [155]Ik heb zoo veel van den moed mijns vaders, dat ik ofschoon doodelijk beangst, liever het gevaar dat ons dreigde in de oogen wilde zien, dan het rondom mij hooren woeden, zonder den aard er van en de vorderingen, die het maakte te kennen. Lucie, bleek als een marmeren standbeeld, hield hare oogen onbeweeglijk op Hazlewood gevestigd en scheen zelfs niet te hooren, dat hij haar bezwoer zich achter in het vertrek te begeven. Intusschen was het gevaar niet zeer groot voor ons, tenzij de deur met geweld opengebroken werd: want alle vensters waren met kussens en bedden en, tot groot leedwezen van Sampson, met in der haast uit de bibliotheek gehaalde folianten zoo goed verschanst, dat er slechts kleine openingen gelaten waren, waardoor men op de aanvallers zou kunnen vuren.

„Alle schikkingen waren nu gemaakt en wij zaten in angstige verwachting in het donkere vertrek. De mannen stonden zwijgend op hunne posten. Mijn vader, die bij zulk een tooneel geheel te huis was, ging van den een naar den ander en herhaalde zijn bevel, dat niemand zou vuren voor dat hij het gelastte. Hazlewood, wiens moed door het voorbeeld mijns vaders scheen te ontvlammen, nam den post van adjudant waar en snelde heen en weder, om bevelen over te brengen en voor de uitvoering te waken. Onze macht, de vreemdelingen mede gerekend, bestond uit een twaalftal mannen.

„Eindelijk werd de stilte van dezen tusschentijd van angstige verwachting afgebroken door een geraas, dat uit de verte als het ruischen van een stroom klonk; maar toen het nader kwam, konden wij duidelijk de hoefslagen van vele paarden in den vollen ren onderscheiden. Ik had voor mij zelve eene kleine opening in een der verschanste vensters gemaakt, waardoor ik den vijand kon zien aankomen. Het gedruisch werd steeds sterker en naderde allengs. Eindelijk kwamen er meer dan dertig ruiters het plein voor het huis oprijden. Nooit hebt gij zulke verschrikkelijke booswichten gezien! Niettegenstaande de strenge koude, waren de meesten hunner half naakt. Zij hadden zijden doeken om het hoofd gebonden en waren allen goed met karabijnen, pistolen en houwers gewapend. Nog nooit in mijn leven heeft mij, de dochter van een krijgsman en van mijne jeugd af aan den oorlog gewoon, iets zoo zeer verschrikt als het woeste voorkomen van deze booswichten op hunne dampende paarden en de verschrikkelijke woede, waarin zij geraakten toen zij zagen dat hun prooi hun ontkomen was. Maar toen zij de toebereidselen tot hunne ontvangst bemerkten, aarzelden zij eenige oogenblikken en schenen onderling te raadplegen. Eindelijk trad één hunner, die om onbekend te blijven het aangezicht met buskruit zwart gemaakt had, met een’ witten doek op zijne karabijn vooruit en verzocht den kolonel Mannering te mogen spreken. Tot mijn onuitsprekelijken schrik opende mijn vader een venster waarbij hij stond, en vroeg den afgezant wat hij begeerde.

„Wij verlangen onze goederen, welke die schurken geroofd hebben, terug,” was het antwoord „en onze luitenant laat u zeggen dat wij, indien de boel teruggegeven wordt, voor dezen keer heengaan zullen zonder met de schelmen die ze gestolen hebben af te rekenen; maar zoo niet, dan steken wij het huis in brand en allen die er in zijn zullen wij doodslaan,” – eene bedreiging, welke de kerel met de verschrikkelijkste vloeken en de onmenschelijkste bijvoegsels, welke de wreedheid kan ingeven, meer dan eens herhaalde.

„En wie is uw luitenant?” vroeg mijn vader.

„De man op gindschen schimmel, met een rooden doek om het hoofd.”

„Zeg hem dan, dat indien hij niet oogenblikkelijk met de deugnieten die hem vergezellen, deze plaats verlaat, ik zonder verdere plichtplegingen op hen [156]zal laten vuren.” Met deze woorden sloot mijn vader het venster en brak het gesprek af.

„Nauwelijks was de knaap weder bij zijn volk gekomen, of allen gaven met een luid hoera, of liever met een woest gehuil, vuur op onze bezetting. De vensterglazen vlogen aan alle kanten in stukken; maar de genomen voorzorgen bewaarden de verdedigers voor alle leed. Drie malen herhaalden zij dit algemeene salvo, zonder dat het door een enkel schot van binnen beantwoord werd. Toen zag mijn vader dat zij bijlen en breekijzers voor den dag haalden, waarschijnlijk om de deur te bestormen en riep nu: „Dat niemand vuur geve dan Hazlewood en ik. Hazlewood, leg gij op den afgezant aan.” Hij zelf mikte op den man op den schimmel en deze viel oogenblikkelijk. Hazlewood was even gelukkig; hij trof den spreker, die afgestegen was en met eene bijl in de hand nader kwam. Door hun val verloren de overigen den moed en begonnen hunne paarden om te draaien. Na eenige weinige schoten, die nog op hen gedaan werden, kozen zij het hazepad en namen hunne gesneuvelde, of gekwetste makkers mede. Wij konden niet ontdekken of zij andere verliezen geleden hadden. Kort na hun aftocht verscheen er, tot mijne groote vreugde, eene afdeeling soldaten, die op het eerste gerucht van het gevecht hierheen gesneld waren en in de omliggende dorpen gehuisvest werden. Eenigen van hen geleidden de beangste tolbedienden met de aangehouden goederen naar eene naburige zeehaven, die zij voor eene veilige schuilplaats hielden, en op mijn ernstig verzoek bleven eenige manschappen bij ons, om het huis tegen de wraak van deze booswichten te beveiligen.

„Dit was mijn eerste schrik, lieve Mathilda! Ik moet niet vergeten, u nog te zeggen, dat de roovers den man met het zwartgemaakte gezicht in eene hut aan den weg achterlieten, waarschijnlijk omdat hij niet vervoerd kon worden. Hij stierf na verloop van een half uur. Bij nader onderzoek van het lijk bleek het, dat het een losbandige boer uit de buurt, een beruchte strooper en smokkelaar was. Wij ontvingen vele gelukwenschingen van de naburige familiën en men was algemeen van gevoelen, dat een paar zulke voorbeelden van moedigen wederstand de vermetelheid van deze booswichten aanmerkelijk zouden beteugelen. Mijn vader deelde belooningen onder zijne dienstboden uit en verhief Hazlewood’s moed en koelbloedigheid tot aan de wolken. Lucie en ik kregen ook ons deel van zijne loftuitingen, omdat wij onder het schieten standvastig gebleven en hem door geen geschreeuw of geklaag gehinderd hadden. Mijn vader verzocht Sampson bij deze gelegenheid, om hunne snuifdozen met elkander te verruilen. De brave man gevoelde zich door dit aanbod zeer gevleid en prees de schoonheid van zijne nieuwe doos boven mate. „Dezelve,” zeide hij, „zag er zoo schoon uit, als of het echt goud van Ophir was.” Het zou ook inderdaad vreemd geweest zijn, indien dit het geval niet ware, daar de doos werkelijk van dat edele metaal was. Maar om den eerlijken man geen onrecht te doen, moet ik verklaren, dat ik niet geloof, dat hij de goedheid van mijn vader hooger waardeeren zou, indien hij de wezenlijke waarde gekend had, terwijl hij nu vooronderstelt dat de doos van verguld koper is. Het heeft hem veel moeite gekost, om de folianten, die tot beschutting gebruikt werden, weder op hunne plaats te brengen, de kreuken en vouwen er uit te maken en andere, gedurende hun dienst bij de verschansing ontvangene schade te herstellen. Hij bracht ons eenige stukken lood en kogels, welke deze zware boekdeelen onder het gevecht in hunne vaart gestuit hadden en die hij er zeer zorgvuldig had uitgetrokken. Indien ik lust tot schertsen had, zou ik u een vroolijk tafereel [157]kunnen ophangen van zijne verwondering over de onverschilligheid, waarmede wij het verhaal der wonden en verminkingen, welke Thomas Aquinas of de heilige Chrysostomus ontvangen hadden, aanhoorden. Maar ik ben in geen vroolijken luim en heb u nog een ander en gewichtiger voorval mede te deelen. Ik gevoel mij echter door het schrijven van dezen brief zoo vermoeid, dat ik de pen niet voor morgen weder kan opvatten. Ik zal dezen brief voor’s hands terughouden, opdat gij u niet ongerust moogt maken voor uwe

Julia Mannering.”