[Inhoud]

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

’t Is me een schoone wereld!

– Weet gij van dit fraaie stuk wat af?

Shakspeare.

Julia Mannering aan Mathilda Marchmont.

„Ik vat den draad van mijn verhaal, dat ik gisteren moest afbreken, weder op.

„Gedurende een paar dagen spraken wij van niets anders, dan van de belegering en de waarschijnlijke gevolgen daarvan. Wij drongen er bij mijn vader sterk op aan, om ons voor eenigen tijd naar Edinburg of ten minste naar Dumfries, waar het gezellig verkeer ook bijzonder goed is, te begeven, tot de wraakzucht van de booswichten verkoeld zou zijn. Hij antwoordde zeer bedaard, dat hij geen lust had, om het huis, dat hij gehuurd had, en zijne bezittingen te Woodbourne te laten verwoesten; dat men hem steeds in staat geoordeeld had, de noodige maatregelen tot bescherming en beveiliging van zijne familie te nemen; dat hij begreep, dat de wijze, waarop de schelmen ontvangen waren, hen tot geen tweede bezoek zou uitlokken, als hij gerust te huis bleef. Indien hij echter eenige vrees liet blijken, zou dit juist het beste middel zijn, om ons het gevaar waarvoor wij vreesden, werkelijk op den hals te halen. Bemoedigd door zijne woorden en de volkomene onverschilligheid, waarmede hij het vermeende gevaar behandelde, verminderde onze vrees langzamerhand en begonnen wij onze gewone wandelingen weder. Soms verzochten wij echter de heeren om hun geweren mede te nemen, als zij ons vergezelden, en ik bemerkte, dat mijn vader, gedurende eenige avonden, er bijzonder scherp op lette, dat het huis goed gesloten was, en den dienstboden beval, hunne wapenen gereed te houden in geval van nood.

Drie dagen later gebeurde er echter iets, dat mij veel grooter schrik aanjoeg, dan de aanval van de smokkelaars. [158]

„Ik heb u reeds gezegd, dat er niet ver van Woodbourne een meertje ligt, waarheen de heeren soms gaan om watervogels te schieten. Ik zei toevallig bij het ontbijt, dat ik dit meer thans gaarne eens wilde zien, terwijl het dicht gevroren was en tot verzamelplaats voor liefhebbers van schaatssenrijden en andere ijsvermaken diende. De grond was wel met sneeuw bedekt, maar zoo hard bevroren en het voetpad, door den grooten toevloed van menschen, die het oord tot tijdverdrijf bezochten, zoo vast getreden, dat Lucie en ik, naar mijn gevoelen, deze wandeling gerust konden ondernemen. Hazlewood bood zich aan, om ons te vergezellen, en wij bedongen, dat hij zijn jachtgeweer zoude medenemen. Hij lachte hartelijk over het denkbeeld van in de sneeuw op de jacht te gaan, maar beval toch, om ons gerust te stellen, een stalknecht, die soms den post van jager waarneemt, ons met zijn geweer te volgen. Mijn vader, die niet van groote volksverzamelingen houdt behalve bij eene wapenschouwing, verkoos niet van de partij te zijn.

„Wij begaven ons zeer vroeg op weg. Het was een koude, maar zeer schoone en heldere morgen, en onze opgeruimdheid werd vermeerderd, even als onze zenuwen versterkt werden door de zuivere lucht. Onze wandeling naar het meer was bekoorlijk, of ten minste waren de moeielijkheden van zulken aard, dat ze ons vermaakten. Soms was er eene gladde helling of eene dicht gevroren sloot, waarover wij moesten, waarbij Hazlewood’s hulp dan volstrekt onontbeerlijk was; en ik geloof niet, dat deze toevallige hindernissen de wandeling minder aangenaam voor Lucie maakten.

„Het gezicht op het meer was verrukkelijk. Aan de eene zijde wordt het ingesloten door steile rotsen, waaraan ontelbare, geweldige ijskegels hingen, die als juweelen in de zon schitterden; aan de andere zijde was een boschje van pijnboomen, welker witbesneeuwde takken een treffend gezicht opleverden. Op het met ijs bedekte meer zelf bewogen zich ontelbare gestalten; sommigen vlogen met de snelheid der zwaluwen over de gladde oppervlakte; anderen bewogen zich in sierlijke kringen, en nog anderen stonden vol belangstelling rondom de plaats, waar de bewoners van twee naburige dorpen in het balspel naar den prijs dongen – eene eer, welke, naar de belangstelling zoo wel der omstanders als der medespelers te oordeelen, op geen geringen prijs gesteld werd. Wij wandelden aan den arm van Hazlewood rondom het meer. Hij sprak zeer vriendelijk met oud en jong en scheen, met recht, zeer bemind bij de menigte te zijn. Eindelijk begonnen wij aan terugkeeren te denken.

„Maar, waarom schrijf ik u alle deze kleinigheden? Niet omdat ik ze zoo belangrijk vind, neen, de hemel weet het, maar omdat ik als drenkeling, die naar een broos takje grijpt, om zich vast te houden, alles aanvat om het volgende en verschrikkelijke gedeelte van mijn verhaal uit te stellen. Maar ik moet het u mededeelen; ik moet in dit hartverscheurend ongeluk door de deelneming van ten minste ééne vriendin getroost worden.

„Wij gingen langs een voetpad, dat door een dennenboschje loopt, terug. Lucie had Hazlewood’s arm los gelaten: want alleen bij dringende noodzakelijkheid neemt zij zijn bijstand aan. Ik leunde nog op zijnen anderen arm. Lucie volgde dicht achter ons en de knecht bleef een paar schreden achter. Zoo wandelden wij welgemoed naar huis, toen bij eene kleine kronkeling in het pad, plotselings Brown, alsof hij uit de aarde opgestegen was, voor ons stond. Hij was eenvoudig, ja, ik mag zeggen slecht gekleed, en er was in zijn geheel voorkomen iets woests en gejaagds. Half van verrassing, half van schrik, gaf ik een gil. Hazlewood begreep de reden van mijne ontroering niet en beval [159]Brown, toen deze naar mij toekwam alsof hij mij aanspreken wilde, op hoogen toon, zich te verwijderen en mij niet te verontrusten. Brown antwoordde even trotsch, dat hij van hem niet behoefde noch verlangde te leeren, hoe hij zich jegens dames gedragen moest. Ik geloof dat Hazlewood, met het denkbeeld bezield dat Brown tot de bende smokkelaars behoorde en een kwaad oogmerk had, hem niet verstond. Hij rukte den knecht, die op dit oogenblik naast hem stond, het geweer uit de hand, legde op Brown aan en beval hem nogmaals zich te verwijderen, als hij zijn leven lief had. Ik kon van schrik geene samenhangende woorden uitbrengen: ik kon niets dan angstig gillen, en verhaastte daardoor slechts de ongelukkige ontknooping. Toen Brown zich dus bedreigd zag, sprong hij op Hazlewood toe, worstelde met hem en had hem bijna het geladen geweer ontwrongen, toen het ongelukkig losging en Hazlewood in den schouder trof. Deze viel oogenblikkelijk. Ik zag niets meer; alles schemerde mij voor de oogen en ik zeeg onmachtig neder. Maar zoo als Lucie mij naderhand verhaalde, staarde de ongelukkige dader eenige oogenblikken op het verschrikkelijke schouwspel, tot haar angstig gegil op het meer gehoord werd en verscheidene menschen kwamen toesnellen. Toen sprong hij over de heg, die het voetpad van het bosch afscheidde, en tot nog toe heeft men niets meer van hem gehoord. De knecht deed geene poging om hem terug te houden of te vatten, en het verhaal dat hij de lieden die toegeschoten waren van de geheele zaak deed, was eerder geschikt om hen te bewegen mij in het leven terug te roepen, dan hun moed te toonen door het vervolgen van een vermetelen booswicht, die naar de beschrijving van den knecht, eene verbazende lichaamskracht bezat en zwaar gewapend was.

„Hazlewood werd veilig naar huis, namelijk naar Woodbourne, gebracht. Ik vertrouw dat zijne wond in het geheel niet gevaarlijk is, ofschoon hij veel lijdt. Voor Brown moeten de gevolgen evenwel zeer ongelukkig zijn. Hij is buitendien reeds een voorwerp der verbittering van mijn vader, en nu wordt hij zoo wel door de wetten des lands als door de bittere wraak van den ouden Hazlewood vervolgd, die dreigt hemel en aarde te bewegen om den dader te doen vatten. Hoe zal het hem mogelijk zijn, aan de ijverige nasporingen van zijne wraakzuchtige vervolgers te ontsnappen? Hoe zal hij zich, indien hij gevat wordt, tegen de gestrengheid der wetten kunnen verdedigen, die, zooals ik gehoord heb, zelfs zijn leven bedreigen, en hoe zal ik middelen vinden om hem voor deze gevaren te waarschuwen? Bovendien bedroeft Lucie’s slecht verborgen kommer over de wond van haren beminde mij ook ten hoogste, en zoo schijnt alles rondom mij te getuigen tegen den onbezonnene, die de oorzaak van dit ongeluk is.

„Ik ben twee dagen lang wezenlijk erg ziek geweest; maar het bericht dat Hazlewood aan het beteren en er volstrekt geen spoor te vinden was van den man, die op hem geschoten had, en die, zoo als men zeker wist, tot de smokkelaars behoorde, had een heilzamen invloed op mijne gezondheid. Brown kan natuurlijk des te gemakkelijker ontsnappen, daar alleen deze lieden nu verdacht en vervolgd worden, en ik hoop dat hij reeds in veiligheid zal zijn. Maar ruiters en soldaten doorkruisen het land in alle richtingen, en ik word onophoudelijk gepijnigd door duizenderlei verwarde en onzekere geruchten van gevangennemingen en ontdekkingen.

„Ik schep nochtans mijn’ grootsten troost in Hazlewood’s edelmoedige oprechtheid. Hij volhardt bij zijne verklaring dat, met welk oogmerk de persoon die hem gewond heeft ons ook genaderd moge zijn, hij stellig overtuigd is dat het geweer onder de worsteling bij toeval losgegaan en de wond [160]hem niet voorbedachtelijk toegebracht is. De knecht houdt daarentegen staande, dat het geweer uit Hazlewood’s handen gewrongen en opzettelijk op hem aangelogd was. Lucie helt tot hetzelfde gevoelen over. Ik beschuldig hen niet, dat zij de zaak met voordracht overdrijven. Het bewijst alleen hoe onzeker alle menschelijke getuigenis is: want het is zonder eenigen twijfel, dat het schot toevallig was. Misschien zou het beste zijn, dat ik Hazlewood het geheele geheim ontdekte; maar hij is nog zeer jong en ik gevoel den hevigsten weerzin, om hem mijne dwaasheid te bekennen. Ik heb reeds eenmaal het voornemen gehad om Lucie het geheim te openbaren, en begon met haar te vragen wat zij zich van de gestalte en de gelaatstrekken van den man, met wien wij zulk eene ongelukkige ontmoeting hadden gehad, herinnerde? maar zij gaf eene afzichtelijke beschrijving van een struikroover, dat ik allen moed en allen lust verloor om haar tot de vertrouwde van mijne liefde te maken. Ik moet zeggen dat Lucie Bertram in hare vooringenomenheid wonderbaarlijk verblind is geweest, want er zijn weinige mannen schooner dan de arme Brown. Ik had hem sedert lang niet gezien, maar ofschoon hij zich bij deze zonderlinge en plotselinge verschijning in een zeer ongunstig licht vertoonde, komt het mij voor dat zijne gestalte nog bevalliger en zijn gelaat nog edeler geworden is.

„Zullen wij elkander ooit wederzien? Wie kan deze vraag beantwoorden?… Schrijf mij iets hartelijks, liefste Mathilda! Maar deedt gij ooit anders? Nog eens, schrijf mij spoedig en schrijf mij hartelijk! Ik ben in geen toestand, waarin raad of berisping mij van dienst kan zijn, en ik heb te veel van mijne gewone vroolijkheid verloren, om ze met scherts te beantwoorden. Ik ben angstig als een kind, dat onder het spelen onwetend een machtig werktuig in beweging gebracht heeft en nu, terwijl het de raderen rondom zich ziet rollen, de ketenen hoort rammelen en de cilinders wentelen, ten uiterste verbaasd is over de verschrikkelijke krachten, die het met zijne zwakke hand aan het werk gebracht heeft, en voor de gevolgen siddert, welke het moet afwachten, zonder ze te kunnen afwenden.

„Ik moet u nog melden, dat mijn vader zeer vriendelijk en liefderijk jegens mij is. De angst, dien ik uitgestaan heb, is eene geldige verontschuldiging voor mijne klachten over zenuwachtigheid. Ik hoop, dat Brown naar Engeland, of anders naar Ierland of het eiland Man ontsnapt is. Hij kan dan geduldig en veilig afwachten, welke gevolgen de wond van Hazlewood heeft: want die landen staan, wat de rechtspleging aangaat, met Schotland, God dank! in geene zeer nauwe gemeenschap. Indien men hem op dit oogenblik in handen kreeg, zouden de gevolgen verschrikkelijk zijn. Ik zoek mij door allerlei argumenten tegen de mogelijkheid van zulk een ongeluk te versterken. Helaas! hoe schielijk hebben wezenlijke en ernstige rampen en bekommeringen het eentonige en geruste leven, waartegen ik nog onlangs geneigd was te morren, opgevolgd! Maar ik wil u met mijne klachten niet langer lastig vallen. Vaarwel, waarde Mathilda!

Julia Mannering.” [161]