Waarom troost ge me niet? Waarom mij niet uit dit sombere, met bloed bevlekte hol geholpen?
Titus Andronicus.
Groot was den volgenden morgen de verslagenheid der gerechtsdienaren, toen zij ontdekten dat hun gevangene ontsnapt was. Met een gelaat, waarop nog de sporen van den roes van den vorigen nacht te zien waren, verscheen Mac-Guffog, bevende van angst, voor Glossin en ontving eene scherpe berisping over zijn plichtverzuim. De toorn des vrederechters scheen alleen onder te doen voor zijn verlangen, om den vluchteling weder in zijne macht te krijgen. Hij zond dus oogenblikkelijk zijne ondergeschikten, die zeer verheugd waren zich uit zijne gevreesde tegenwoordigheid te kunnen verwijderen, in alle richtingen (behalve in de rechte) uit, om, zoo mogelijk, den vluchteling weder te vatten. Glossin beval hun, het verwoeste Derncleugh, dat [175]des nachts de gewone schuilplaats van allerlei landloopers was, toch vooral nauwkeurig te doorzoeken. Nadat hij dus de gerechtsdienaren uit den weg gezonden had, sloop hij zelf langs omwegen door het bosch van Warroch naar het hol, waar hij van Hatteraick uitvoeriger berichten aangaande de terugkomst van den erfgenaam van Ellangowan in zijn vaderland hoopte te vernemen, dan de kortheid van hun gesprek van den vorigen avond mogelijk had gemaakt.
Gelijk een vos, die de hem vervolgende honden van het spoor zoekt af te brengen, trachtte Glossin de bewuste plaats te naderen, zonder zijn genomen weg door eenige aanduiding te verraden. „Gave God!” zeide hij, de oogen ten hemel slaande, „dat het begon te sneeuwen, om mijne voetstappen te verbergen. Indien een der gerechtsdienaren ze ontdekte, zoude hij ze, als een speurhond, vervolgen en ons overvallen. Ik moet naar het strand afklimmen en trachten beneden langs de rotsen te sluipen.”
Dien ten gevolge klom hij, niet zonder groote moeite, naar beneden en sloop tusschen de rotsen en den opkomenden vloed voort, nu eens naar boven starende of zijne gangen van de hoogte ook nagegaan werden, dan weder angstig in zee uitziende, of hij ook eene boot ontdekte, waaruit men hem op zijn weg kon bespieden. Maar zelfs de vrees voor eigene veiligheid zweeg eenige oogenblikken, toen hij de plaats voorbijging, waar men Kennedy’s lijk gevonden had. Het stuk rots, dat met of na den ongelukkige van boven van de rots gestort was, lag nog op dezelfde plaats. Het was nu met kleine schelpen bedekt en met onkruid en zeegras bewassen, maar steeds nog door vorm en hoedanigheid onderscheiden van de overige rotsblokken, die hier lagen. Hij had, zoo als men gereedelijk gelooven zal, deze plek tot hiertoe zorgvuldig vermeden, zoo dat hem, toen hij nu voor de eerste maal na dien ongelukkigen dag hier kwam, het geheele tooneel met al de ijselijke bijzonderheden plotseling weder voor den geest kwam. Hij herinnerde zich, hoe hij als een misdadiger uit den nabij gelegen schuilhoek geslopen was en zich ijlings, maar voorzichtig, onder de verschrikte menigte, die het lijk omringde, gemengd had, steeds vreezende dat iemand hem vragen zou van waar hij toch gekomen was. Ook herinnerde hij zich, hoe hij, bij het bewustzijn zijner schuld, zijne blikken zorgvuldig van het verschrikkelijk schouwspel afgewend had. Het angstgeschrei van zijn weldoener: „Ach mijn kind, mijn kind!” klonk hem weder in de ooren. „Goede hemel!” riep hij uit, „hoe weinig kan alles, wat ik gewonnen heb, tegen den doodsangst van dat oogenblik en tegen de onophoudelijke vrees en schrik, die mijn leven sedert dien tijd verbitterd hebben, opwegen! O, mocht ik liggen, waar die ongelukkige ligt, en hij levend en gezond hier staan! – Maar al deze klachten komen te laat!”
Hij streefde dus deze opwellingen van zijn gevoel te onderdrukken en sloop naar het hol, hetwelk zoo nabij de plaats was, waar het lijk gevonden werd, dat de smokkelaars in hun schuilhoek de verschillende gissingen der omstanders aangaande het lot van hun slachtoffer konden hooren. Maar niets kon beter verborgen wezen, dan de ingang van hun schuilplaats. De kleine opening, nauwelijks grooter dan een vossenhol, was in de vóorzijde van de klip, achter een groote zwarte rots, of liever een rechtop staande steen, die den ingang voor vreemdelingen verborg en tevens voor hen, die hier hunne bekende schuilplaats zochten, tot een baken diende. De ruimte tusschen den steen en de klip was zeer klein en zoodanig met zand en puin opgevuld, dat men, zelfs bij het nauwkeurigst onderzoek, den ingang van het [176]hol niet kon ontdekken, zonder alles, wat hier door den vloed opgehoopt was, weg te ruimen. Om den ingang steeds verborgen te houden, hadden de sluikhandelaars, die het hol bezochten, de gewoonte, zoodra zij in hun sluiphoek waren, om de opening met verdord zeegras losjes aan te vullen, even als of het door de golven aangespoeld was. Dirk Hatteraick had deze voorzorg ook niet vergeten.
Glossin, ofschoon overigens een stoutmoedig en onversaagd man, voelde toch zijn hart kloppen en zijne knieën beven, toen hij zich gereed maakte in deze schuilplaats der verborgene boosheid te sluipen, om met een booswicht, dien hij terecht voor een’ der vermetelste en verdorvenste menschen hield, te onderhandelen. „Maar het is immers zijn belang niet, om mij leed te doen,” dacht hij tot zijne geruststelling. Hij liet echter niet na zijne zakpistolen te onderzoeken, voor dat hij het gras wegruimde en op handen en voeten in het hol kroop. De ingang, die in het begin zoo laag en nauw was, dat een man er maar juist door kon kruipen, werd na eenige weinige ellen ruimer en eindigde in een hoog en zeer ruim gewelf, welks zacht opklimmende bodem met het zuiverste zand bedekt was. Vóor dat Glossin weder op de beenen was, riep Hatteraick hem reeds met eene schorre, ofschoon gesmoorde stem, die door het hol klonk, toe: „Wat hagel! zijt gij het?”
„Zijt gij in het donker?”
„In het donker? de duivel! ja; hoe zou ik licht krijgen?”
„Ik breng licht mede,” antwoordde Glossin, en haalde eene tonderdoos voor den dag, sloeg vuur en stak eene kleine lantaren aan.
„Ge moet ook een vuur aanleggen,” hernam Hatteraick: „want, haal mij de duivel! ik ben geheel verkleumd.”
„Het is zeker koud hier,” zeide Glossin, terwijl hij eenige planken en andere stukken hout bij elkander zocht, die hier misschien gelegen hadden sedert het laatste verblijf van Dirk Hatteraick.
„Koud? het is hier vervloekt koud! Ik moest, als ik in dit verdoemde hol niet geheel wilde verkleumen, onophoudelijk heen en weder loopen en aan de vroolijke roezen denken, die wij hier gehad hebben.”
De vlam begon nu helder te flikkeren en Hatteraick stak zijn bruin gezicht en gespierde handen zoo driftig daarnaar uit, als een uitgehongerde naar de hem toegereikte spijs grijpt. De roode gloed der vlam, welke zijn gelaat verlichtte, deed zijne woeste en sombere trekken nog sterker uitkomen. De rook, dien hij, van koude verstijfd, tot verstikkens toe verduurde, dwarlde om zijn hoofd, voor dat die tot het donkere, ruwe gewelf opsteeg en door verborgene scheuren en spleten in de rots, door welke het hol zonder twijfel ook lucht kreeg, als de ingang door den vloed vol water stond een uitgang zocht.
„Ik heb ook een ontbijt voor u medegebracht,” vervolgde Glossin, en haalde een stuk koud vleesch en eene flesch brandewijn voor den dag. Hatteraick greep haastig naar de flesch, bracht ze aan den mond, en riep, na eene frissche teug, vroolijk uit: „dat smaakt! dat verwarmt de lever!” en begon een brok van een Hoogduitsch straatlied te zingen:
„Saufen Bier und Branntewein,
Schmeissen all’ die Fenster ein:
Ich bin liederlich,
Du bist liederlich,
Sind wir nicht liederliche Leute?”
[177]
„Bravo, bravo, waarde kapitein!” riep Glossin en hief, terwijl hij met dezen gemeenen toon trachtte in te stemmen, een Engelsch lied aan, dat, ten opzichte van inhoud en dichterlijke waarde, volkomen op dezelfde hoogte geschat mag worden. „Zoo moet het zijn, kapitein! – Maar, me dunkt, gij zijt nu weder geheel bekomen. Laat ons nu over onze zaken spreken.”
„Uwe zaken, als het u belieft,” hernam Hatteraick. „De mijne waren afgedaan zoodra ik uit mijne boeien verlost was.”
„Geduld, vriend! Ik zal u overtuigen, dat onze belangen éen zijn.”
Hatteraick kuchte een paar malen zonder te antwoorden, en Glossin vervolgde na eenige oogenblikken:
„Hoe kwam het toch, dat gij den knaap liet ontsnappen?”
„Hoe? voor den duivel! hij was niet aan mijne zorg toevertrouwd. Luitenant Brown gaf hem aan zijn neef, een’ deelhebber in het kantoor van Van Beest en Van Bruggen te Middelburg, over, om hem als loopjongen te gebruiken, en verhaalde dezen, dat wij den knaap in eene schermutseling met de tolbedienden gevangen hadden. Hij zou mij ontsnapt zijn? Ik zou hem liever over boord geworpen hebben, dan mij met hem te bemoeien.”
„En is hij als loopjongen opgewassen?”
„Neen, neen! de oude heer werd op den jongen verzot, gaf hem zijn eigen naam, leidde hem in zijn handel op en zond hem naar Indië. – Ik geloof dat hij hem weder hierheen gezonden zou hebben, als zijn neef hem niet verteld had, dat onze vrije handel langen tijd stil zou moeten staan, als de knaap weder in Schotland kwam.”
„Denkt gij, dat hij nog veel van zijne afkomst weet?”
„Hoe duivel kan ik zeggen, wat hij er thans van weet? Maar lang herinnerde hij zich er iets van. Toen hij nauwelijks tien jaren oud was, haalde hij een’ anderen satanschen Engelschen jongen, zoo als hij, over, om mijne boot te stelen om daarmede, zoo als hij zeide, naar zijn vaderland terug te keeren. Zij waren reeds ver in zee, voor dat wij hen konden inhalen. De boot had er mede verloren kunnen gaan!”
„Gave de Hemel, dat dit zoo ware – en hij daarbij!”
„Ik was zoo driftig, dat ik den knaap over boord smeet – maar de jonge duivel zwom als eene eend. Ik liet hem ons bijna eene mijl achterna zwemmen, om hem gedwee te maken, en nam hem weder in de schuit, toen hij op het punt was van te zinken. Waarachtig! hij zal u het leven zuur maken nu hij hier is. Hij is altijd een satanskind geweest!”
„Maar, hoe is hij uit Indië terug gekomen?”
„Wel, hoe zou ik dat weten? – Het kantoor in de Oost was gevallen en dat gaf ons een’ schok in Middelburg. Nu zond men mij hier weder heen, om te zien of er iets met mijne oude kennissen gedaan kon worden: want wij dachten, dat die oude dingen reeds lang vergeten en vergeven waren. Ik had de zaken op mijne beide laatste reizen weder aardig aan den gang gekregen; maar die domme Brown, die hondsvot! heeft alles weder den bodem ingeslagen, toen hij zich door den kolonel heeft laten doodschieten.”
„Waarom waart gij niet bij hen?”
„Waarom? Gij weet wel dat ik niet bang ben; maar dit was mij te ver landwaarts in; men kon mij op het spoor komen.”
„Dat is waar! Maar, om weder op den knaap terug te komen –”
„Ja, ja, hel en duivel! daar hebt gij belang bij!”
„Maar hoe weet ge zeker, dat hij hier in zijn vaderland is?”
„Hoe? Gabriël heeft hem in het gebergte gezien.” [178]
„Gabriël? wie is Gabriël?”
„Een Heiden, die voor omstreeks achttien jaren aan boord van het oorlogschip geprest werd. Hij waarschuwde ons, dat de oorlogssloep jacht op ons maakte op den dag, toen Kennedy om het leven kwam, en zeide, dat deze ons verraden had. De Heidenen en Kennedy hadden buitendien verschil met elkander. Hij ging met hetzelfde schip naar de Oost, waarmede uw jonker er heen gegaan is, en kende den jongen best, ofschoon deze hem niet herkende. Gabriël vermeed hem ook, omdat hij gedeserteerd was en in Nederlandschen dienst tegen de Engelschen gevochten had. Nu is hij weder hier en heeft ons oogenblikkelijk bericht gegeven, dat de jonker ook teruggekomen is. Maar – hierbij hebben wij volstrekt geen belang.”
„De jonker is dan waarlijk weder hier, in zijn vaderland, Hatteraick? Ik vraag u als vriend.”
„Weer en wind, ja! Waar houdt gij mij toch voor?”
„Voor een bloeddorstigen, vermetelen booswicht,” dacht Glossin; doch zeide: „maar wie van u heeft den jongen Hazlewood toch gekwetst?”
„Storm en onweer! denkt gij, dat wij dol waren? Niemand van ons volk, vriendje! Het deugde hier niet langer voor onzen handel, na den vervloekten dommen streek van Brown met zijn aanval op Woodbourne.”
„Men heeft mij toch gezegd, dat Brown Hazlewood gekwetst heeft.”
„Onze luitenant niet, dat verzeker ik u: want die lag reeds zes voet onder den grond te Derncleugh, vóor dat dit gebeurde. Alle duivels! denkt gij dan dat hij weêr opstaan kon, om op een ander te schieten?”
Nu ging er voor Glossin plotseling een licht op. „Zeidet gij niet, dat de jonker, zoo als gij hem noemt, den naam van Brown voert?”
„Ja, Van Beest Brown. De oude Van Beest Brown liet hem zijn eigenen naam aannemen.”
„Dan,” zei Glossin, zich in de handen wrijvende, „bij den hemel, dan heeft hij deze misdaad begaan!”
„En wat gaat ons dat aan?” hernam Hatteraick.
Glossin zweeg, bedacht zich eenige oogenblikken en had, met behulp van zijne vlugheid van geest, spoedig een plan gevormd. Nu naderde hij den smokkelaar vertrouwelijk en zeide: „gij weet, mijn waarde Hatteraick, dat het voor ons hoofdzaak is, van dezen jongen man ontslagen te worden.”
„Hm!” antwoordde Hatteraick.
„Niet, dat ik hem persoonlijk eenig kwaad toewensch,” vervolgde Glossin „indien – indien zoo iets te vermijden is. Hij kan thans in hechtenis genomen worden; ten eerste, omdat hij denzelfden naam voert als uw luitenant, die in de bewuste zaak bij Woodbourne gewikkeld geweest is, en ten andere, omdat hij op den jongen Hazlewood geschoten heeft, met het voornemen om hem te dooden of om hem te kwetsen.”
„Ei, ei; – maar wat zal u dat helpen? Men moet hem immers weder loslaten, zoodra hij toont dat hij eene andere vlag voert.”
„Zeer waar, beste Dirk! goed gezien, vriend Hatteraick! Er is echter reden genoeg, om hem zoo lang gevangen te houden, tot hij zijne bewijzen uit Engeland, of van elders kan krijgen. Ik versta de wet, kapitein Hatteraick, en neem het op mij, ik, de eenvoudige Gilbert Glossin van Ellangowan, vrederechter in het graafschap **, zijn borgtocht, al ware het ook de beste uit het geheele land, van de hand te wijzen, vóor dat hij een tweede verhoor ondergaat. En waar, denkt gij, dat ik hem gevangen zal zetten?”
„Wat gaat mij dat aan?” [179]
„Stil, vriend! daar hebt gij veel belang bij. Weet gij, dat uwe in beslag genomene en naar Woodbourne gebrachte goederen thans in het tolhuis te Portanferry, een visschersdorp, liggen? Nu zend ik dezen jonker –”
„Als gij hem in uwe macht hebt?”
„Ja, ja, als ik hem in mijne macht heb. Dat zal mij niet veel tijd kosten! Nu dan, ik laat hem naar het werk- of tuchthuis brengen, dat, zoo als gij weet, bij het tolhuis staat.”
„Ja, het rasphuis; ik ken het best.”
„Ik draag zorg, dat de roodrokken door het land verspreid zijn. Gij landt dan des nachts met uw scheepsvolk, herneemt uwe eigene goederen en neemt den jonker Brown weder met u naar Vlissingen. Is dat niet zeer goed uit te voeren?”
„O ja; of ik breng hem naar Amerika?”
„Ook goed, mijn vriend!”
„Of naar Jericho?”
„Mijnenthalve, waarheen gij wilt.”
„Of – werp hem over boord?”
„Neen, ik raad geene gewelddadigheden aan!”
„Neen, neen, dat laat gij aan mij over! Wat donder! Ik ken u van ouds. Maar hoor eens; wat voordeel kan ik, Dirk Hatteraick, daarmede behalen?”
„Hoe, is het uw belang niet zoo wel als het mijne? En buitendien heb ik u heden morgen in vrijheid gesteld.”
„Gij mij in vrijheid gesteld? Dood en hel! Dat heb ik zelf gedaan. Buitendien was het eene zaak, die uw beroep betrof, en is reeds lang geleden voorbij – ha, ha, ha!”
„Het is geen tijd om te schertsen. Ik ben niet ongeneigd, u er goed voor te beloonen; maar het is uwe zaak zoowel als de mijne.”
„Wat spreekt gij van mijne zaak? Bezit gij het geheele goed van den jonker niet? Dirk Hatteraick is er nooit een stuiver rijker door geworden.”
„Stil, stil, ik zeg u, dat deze zaak voor gemeenschappelijke rekening zal zijn.”
„Hoe, wilt gij mij de halve buit geven?”
„Het halve goed? Denkt gij, dat wij te zamen te Ellangowan zouden wonen en om beurten voor heer spelen?”
„Storm en onweer, neen! maar gij kondt mij de halve waarde, het halve geld geven. Bij u wonen? neen! Ik wil mijn eigen lusthuis aan den dijk te Middelburg hebben met een’ bloemtuin, zoo fraai als die van den burgemeester.”
„En een houten leeuw bij de deur en een geschilderde schildwacht, met eene pijp in den mond, in den tuin. – Maar, zeg eens, Hatteraick, waartoe zullen u al de tulpen en bloemtuinen en lusthuizen in de Nederlanden dienen, als gij hier in Schotland opgehangen wordt?”
„Wat duivel, opgehangen!” riep Hatteraick verbleekende.
„Ja, opgehangen, Mijnheer de kapitein! Indien de jonker van Ellangowan zich hier nederzet en gij, edele kapitein, op uw fraaien handel betrapt wordt, zult gij zonder tegenspraak als kinderdief en moordenaar opgehangen worden en kan de duivel zelf u niet van den strop bevrijden! En ingeval de vrede met de Nederlanden gesloten wordt, waarover men thans zoo veel spreekt, kon het licht gebeuren, ofschoon ik dit niet stellig beweren wil, dat hunne Hoog Mogenden u, om hunne nieuwe bondgenooten te verplichten, uitleveren, al blijft gij ook in uw vaderland.”
„Alle duivels! ik – ik begin bijna te gelooven, dat gij gelijk hebt.” [180]
„Denk echter niet,” hernam Glossin, nu hij zag dat zijne woorden den gewenschten indruk gemaakt hadden, „dat ik ondankbaar zijn wil,” en liet te gelijker tijd eene niet onaanzienlijke banknoot in Hatteraick’s geduldige hand glijden.
„Is dit alles?” vroeg de smokkelaar. „Gij ontvingt de waarde van eene halve lading enkel voor uw werkeloos stilzwijgen en liet ons bovendien ook nog voor uwe belangen zorgen.”
„Maar, beste vriend, gij vergeet, dat gij in dit geval alle uwe goederen terugkrijgt.”
„Ja, maar met gevaar van ons eigen den hals daarbij te breken. Dat konden wij ook wel buiten u doen.”
„Daar twijfel ik zeer aan, kapitein Hatteraick! Gij zoudt dan zeker een dozijn roodrokken in het tolhuis vinden, die ik nu op mij neem te verwijderen. Kom, kom, ik zal zoo mild zijn, als ik kan; maar gij moet ook een geweten hebben.”
„Vervloekt! dit is erger, dan al het andere. Gij steelt en moordt en gij vordert van mij, dat ik stelen en moorden en voor zielverkooper of ronselaar speten zal, en gij, wat drommel! gij durft nog van geweten spreken! – Kunt gij geen ander middel bedenken, om van dezen onzaligen knaap ontslagen te worden?”
„Neen, geen ander, dan dat ik hem aan uwe zorgen toevertrouw.”
„Aan mij toevertrouwt – aan kruid en lood toevertrouwt! Nu, als het zijn moet, dan moet het zijn; maar ge kunt gemakkelijk gissen, waar het waarschijnlijk op uitloopen zal.”
„O, waarde vriend, ik vertrouw, dat er in het geheel geene gestrengheid noodig zal zijn!”
„Gestrengheid!” zei Hatteraick met een diepen zucht. „Ik wenschte wel, dat gij gedroomd hadt, zoo als ik, toen ik dit vervloekte hol binnentrad en op het droge zeegras poogde te slapen. Ik droomde eerst, dat die vervloekte knaap daar met zijne verpletterde leden lag te spartelen, juist als toen ik hem het stuk rots achterna smeet, ha, ha, ha! men zou gezworen hebben, dat hij dáar, waar gij staat, op den grond lag te spartelen als een vertrapte kikvorsch, en toen” –
„Wat moet deze onzin beduiden, vriend? Zijt gij lafhartig geworden? wel nu, dan is het spel uit, dan hebben wij met ons beiden uitgespeeld.”
„Lafhartig? neen! Ik heb niet zoo lang op mijne wijze geleefd, om eindelijk nog kleinmoedig te worden: neen, ik sidder voor mensch noch duivel.”
„Nu, drink dan nog eens! De koude zit u nog in het hart, – Zeg mij nu eens, of er nog iemand van uw oud scheepsvolk bij u is.”
„Niemand. Alles is dood, gehangen, verdronken en verdoemd. Brown was de laatste. Alles is dood, behalve de Heiden Gabriël, en die ruimt het veld voor een paar ellendige duiten, – of zal ook om zich zelven wel stil zitten, of de oude Meg, zijne moei, zal hem om harentwil wel stil houden.”
„Welke Meg?”
„Meg Merrilies, dat oude satanskind, die Heidensche waarzegster.”
„Leeft die nog?”
„Ja.”
„En houdt zich hier in de streek op?”
„Ja, hier in de streek. Zij is met twee van mijne lieden en eenigen van haar eigen bruin Heidenvolk bij de begrafenis van Brown te Derncleugh tegenwoordig geweest.” [181]
„Dat is een andere kwelgeest, kapitein! Denkt gij niet, dat zij ons verraden zal?”
„Zij niet! Zij zal niet uit de school klappen. Zij heeft ons bij al wat heilig is gezworen dat zij, indien wij het kind geen leed deden, nooit ontdekken zou, hoe Kennedy om het leven is gekomen. Neen, man! hoewel ik haar in de hitte van het gevecht een houw in den arm gaf en zij nog lang voor die zaak gevangen gezeten heeft, wankelde de oude Meg niet, maar bleef getrouw.”
„Dat is wel waar! Maar indien zij naar Zeeland, of Hamburg of ergens elders gebracht kon worden, ware het toch nog beter.”
Hatteraick sprong op, mat Glossin met de oogen en zeide: „Ik zie den bokspoot niet, maar gij moet toch de lijfelijke Satan zijn. Meg Merrilies is echter nog nauwer met den duivel verbonden dan gij! Ik heb nooit zulk slecht weder gehad, als nadat ik haar bloed vergoten heb. Neen, neen! Ik wil niet weder met haar te doen hebben. Zij is een satansche heks, een echt duivelskind – maar dat is hare zaak. Dood en hel! Ik zal mij er niet mede bemoeien – dat is hare zaak! Maar voor het overige, indien ik wist dat de handel er niet bij leed, zou ik u spoedig van den jonker verlossen, zoodra gij mij slechts weten liet, dat gij hem in handen hadt.”
Hierna beraadslaagden de beide waardige bondgenooten verder over hunne onderneming en bepaalden in welken schuilhoek Hatteraick het noode bericht afwachten zoude. Deze kon zich thans vrij gerust met zijn schip aan de kust ophouden, daar er destijds geene koninklijke kruisers in den omtrek waren.