[Inhoud]

VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

„Gij zijt een van die menschen, die Gode niet dienen wil op bevel van den Satan. – Omdat we gekomen zijn ten einde u een dienst te bewijzen, houdt ge ons voor schurken.

Othello.

Toen Glossin weder te huis kwam, vond hij, onder andere gedurende zijne afwezigheid ontvangen papieren, een brief van bijzonder veel gewicht. Het schrijven was door den heer Protocol, een rechtsgeleerde te Edinburg, onderteekend en aan hem, als zaakwaarnemer van wijlen den heer Godfried Bertram van Ellangowan en zijne vertegenwoordigers, gericht. Deze brief behelsde de tijding van het plotseling overlijden van Mejuffrouw Margaretha Bertram van Singleside, met het verzoek, om de erfgenamen van den heer Bertram hiervan kennis te geven, en te vragen of zij het misschien noodig oordeelden, in persoon of door een gevolmachtigde bij de opening van het testament tegenwoordig te zijn. Glossin begreep hieruit oogenblikkelijk, dat de briefschrijver onbekend was met de vriendschapsbreuk tusschen hem en [182]zijn overleden begunstiger. Hij wist ook zeer goed, dat Lucie Bertram van rechtswege erfgename der overledene was; maar het was duizend tegen éen, dat de grillige oude dame anders over haar vermogen beschikt zou hebben. Spoedig berekende hij, of hij ook eenig persoonlijk voordeel uit deze omstandigheid kon trekken, maar vond, na een rijpe overweging van mogelijkheden en waarschijnlijkheden, hierin niets anders dan een middel ter bevordering van zijn plan, om zijn aanzien te herstellen, of liever, om zich de achting en het aanzien te verwerven, welker gemis hij reeds gevoeld had en waarschijnlijk nog sterker gevoelen zoude. „Ik moet hier vaster voet pogen te krijgen,” dacht hij, „opdat ik, als de zaak met Hatteraick slecht mocht afloopen, ten minste bij velen eene gunstige vooringenomenheid in mijn voordeel heb.” – Buitendien moet men, om Glossin recht te laten wedervaren, veronderstellen, dat hij, hoe slecht ook, Lucie Bertram de groote rampen, welke hij hare familie berokkend had, toch eenigermate en ten minste in een geval, waarin zijn eigenbelang niet met het hare streed, wenschte te vergoeden. Hij besloot dus, den volgenden morgen naar Woodbourne te rijden.

Niet zonder huivering deed hij dezen stap. Hij had een inwendigen tegenzin, om voor den kolonel Mannering te verschijnen, even als alle laaghartige bedriegers, wanneer zij een eerlijken, rechtschapen man onder het oog treden. Hij stelde echter veel vertrouwen in zijne geslepenheid. Hij had een zeer vlug natuurlijk verstand en zijne bekwaamheden bepaalden zich geenszins tot zijn beroep. Door een herhaald en langdurig verblijf in Engeland had zijn gedrag alle boersche onbeschaafdheid en gedwongene stijfheid verloren; zoodat hij in groote mate de gave bezat om zich gunstig voor te doen en anderen te overreden, waaraan hij eene onbeschaamde vrijpostigheid paarde, welke hij onder het masker van gulle openhartigheid zocht te verbergen.

Vol zelfvertrouwen kwam hij dus omstreeks tien uren te Woodbourne aan, maar maakte zijn naam niet bekend, voor dat hij bij de deur van de ontbijtkamer was en zich door den bediende met de woorden: „De heer Glossin wenscht Juffrouw Bertram zijne opwachting te maken,” liet aandienen. Lucie, die zich bij het hooren van zijn naam onwillekeurig de laatste oogenblikken van haren ongelukkigen vader herinnerde, werd bleek als de dood en zeeg bijna onmachtig van haren stoel. Julia Mannering vloog haar te hulp en verliet met haar het vertrek. De kolonel Mannering bleef dus in de kamer met Karel Hazlewood, die zijn’ arm nog in een band droeg, en dominé Sampson, wiens gelaat den hevigsten afkeer uitdrukte, zoodra hij Glossin in het oog kreeg.

Glossin, ofschoon inwendig verlegen over de uitwerkselen zijner verschijning, trad vrijpostig nader en zeide, dat hij hoopte de dames niet ongelegen te komen. De kolonel hernam op stijven en deftigen toon, dat hij niet wist, waaraan hij de eer van zijn bezoek te danken had.

„Hm, hm!” antwoordde Glossin, „ik nam de vrijheid juffrouw Bertram mijne opwachting te maken, om met haar over eene zaak van belang te spreken.”

„Indien gij hierover met den heer Mac-Morlan, haren zaakwaarnemer, kondet spreken, zou dat juffrouw Bertram aangenamer zijn geloof ik.”

„Verschoon mij, kolonel Mannering; gij kent de wereld en weet, dat er gevallen zijn, waarin het voor beide partijen het best is met de belanghebbenden zelven te onderhandelen.”

„Indien gij u de moeite wildet geven, de zaak op papier te stellen, dan sta ik u er voor in, dat Juffrouw Bertram er de noodige opmerkzaamheid aan zal verleenen.”

„Zeer gaarne, – maar er zijn gevallen, waarin een mondeling onderhoud – [183]ik bemerk – ik zie, kolonel, dat gij tegen mij vooringenomen zijt en mijn bezoek u uit dien hoofde onaangenaam is. Ik laat het echter aan uw eigen gezond oordeel over, of gij mij gehoor weigeren moogt zonder het doel van mijn bezoek te kennen, of te weten van hoeveel belang het kan zijn voor de jonge dame, die gij met uwe bescherming vereert.”

„Dat is geenszins mijne bedoeling, Mijnheer! Ik zal Juffrouw Bertram vragen hoe zij hierover denkt, en verzoek u, indien uw tijd dat veroorlooft, op haar antwoord te wachten.” Met deze woorden verliet hij het vertrek.

Glossin stond nog steeds midden in de kamer, daar Mannering hem volstrekt niet een stoel had willen aanbieden. Toen deze het vertrek verliet, kreeg Glossin zelf een stoel en wierp zich daarop neder met een gelaat, dat half verlegenheid half onbeschaamdheid uitdrukte. Het diepe stilzwijgen, dat thans in de kamer heerschte, maakte hem bijna nog meer verlegen. Om het pijnlijke van dezen toestand te doen ophouden, poogde hij een gesprek aan te knoopen en zeide:

„Mooi weêr heden, Mijnheer Sampson!”

Sampson liet eenige onverstaanbare woorden hooren, die even goed voor een toestemmend antwoord, als voor een blijk van verontwaardiging konden gehouden worden.

„Waarom komt gij nooit te Ellangowan, om uwe oude vrienden te bezoeken, Mijnheer Sampson? Gij zoudt er uwe meeste oude kennissen nog aantreffen. Ik heb te veel achting voor de vorige familie, om, zelfs onder den schijn van verbetering te willen maken, de oude bewoners uit hunne woningen te verdrijven. Buitendien is zoo iets mijne gewoonte niet; ik houd er niet van. De heilige Schrift veroordeelt immers hen, die de armen verdrukken en grenspalen verzetten.”

„En die het erfdeel der weezen verslinden” voegde Sampson er bij. „Anathema Maranatha!” Met deze woorden stond hij op, legde den foliant, waarin hij gelezen had, op den schouder, maakte rechtsomkeert en verliet met groote schreden het vertrek.

Glossin, die hierdoor in geenen deele van zijn stuk gebracht werd, of ten minste noodig oordeelde het niet te laten blijken, wendde zich nu tot den jongen Hazlewood, die bezig was de courant te lezen, en vroeg: „Iets nieuws Mijnheer?”

Hazlewood sloeg de oogen op, keek hem aan, schoof hem het blad toe, even als aan een vreemdeling, dien men in een koffiehuis ontmoet, stond op en wilde zich verwijderen.

„Verschoon mij, Mijnheer Hazlewood,” riep Glossin. „Ik kan niet nalaten u geluk te wenschen, dat gij zoo goed van dien verschrikkelijken aanslag op uw leven afgekomen zijt.”

Dit werd door eene zeer kleine en koele buiging beantwoord. Glossin werd hierdoor echter niet van het gesprek afgeschrikt.

„Ik kan u verzekeren, Mijnheer Hazlewood, dat weinige menschen zoo levendig deel in deze zaak genomen hebben, als ik, zoo wel om den wille van de landstreek, als uit hoofde mijner bijzondere hoogachting voor uwe familie, die hier zulk een hoogen rang bekleedt – waarlijk zulk een hoogen rang, dat het, daar de heer Featherhead oud wordt en hij, zoo als men sedert zijne laatste ziekte zegt, zijn ambt wil nederleggen, voor u wel der moeite waard zou zijn, daarnaar te dingen. Ik spreek als vriend, Mijnheer Hazlewood, en als iemand, die kennis van deze zaken heeft: en indien mijn invloed” – [184]

„Verschoon mij, Mijnheer, ik heb volstrekt geene plannen, waarbij uwe hulp mij van dienst zou kunnen zijn.”

„O, best – misschien hebt gij gelijk; – ook is er nog tijds genoeg en ik zie gaarne, dat jonge lieden voorzichtig zijn. – Maar om nog eens terug te komen op het ongelukkig geval, waarbij gij uwe wond ontvingt, ik geloof dat ik den dader op het spoor ben, en als ik den kerel zijne verdiende straf niet doe ondergaan” –

„Nog eens, Mijnheer, uw ijver is grooter dan ik wenschelijk acht. Ik heb alle redenen te denken, dat mijne verwonding enkel toeval en geenszins met voorbedachten rade geschied is. Bij ondankbaarheid en opzettelijk verraad zal mijne verontwaardiging over den schuldige steeds even hevig zijn, als de uwe,” luidde het antwoord van Hazlewood.

Weder afgewezen, dacht Glossin; ik moet over een anderen boeg wenden. „Gij hebt gelijk, Mijnheer! Zeer edel gedacht! Ik zou ook met een ondankbaar mensch niet meer medelijden hebben dan met eene houtsnip. – En daar dat aan de jacht herinnert,” (dit was eene manier, om eene andere wending aan het gesprek te geven, die hij van den ouden Bertram geleerd had), „ik zie u anders dikwijls op de jacht gaan en hoop, dat gij dit genoegen spoedig weder zult kunnen genieten. Maar waarom bepaalt gij u altijd tot uw eigen veld? Ik hoop, dat gij in het vervolg niet schromen zult, op het jachtgebied van Ellangowan te komen, waar, naar mijne gedachten, zelfs nog meer houtsnippen zijn dan op het uwe, hoe uitstekend uwe landerijen ook gelegen zijn.”

De buiging, waarmede Hazlewood deze aanbieding beantwoordde, was zoo koel en gedwongen, dat Glossin zweeg, tot hij door de terugkomst van Mannering eenigszins uit dezen pijnlijken toestand verlost werd.

„Ik heb u, vrees ik, wat lang laten wachten,” zeide deze, zich tot Glossin wendende. „Ik wilde Juffrouw Bertram gaarne tot een gesprek met u overhalen, daar hare tegenwerpingen, naar mijn gevoelen, voor de noodzakelijkheid moesten wijken, om in eigen persoon te hooren, wat voor gewichtigs gij haar te zeggen kunt hebben. Maar ik merk, dat zekere herinneringen, welke niet zoo gemakkelijk vergeten worden, haar zulk een hevigen weerzin tegen een persoonlijk onderhoud met u inboezemen, dat het wreed zou zijn, hierop verder bij haar aan te dringen. Juffrouw Bertram heeft mij dus opgedragen, om in hare plaats uw voorstel, of wat gij haar te zeggen moogt hebben, aan te hooren.”

„Hm, hm! Het doet mij leed, Mijnheer! het doet mij zeer leed, kolonel, dat juffrouw Bertram denken kan – dat eenig vooroordeel – of het denk beeld, dat er van mijne zijde” –

„Mijnheer, waar geene beschuldiging plaats heeft, zijn verontschuldigingen of verklaringen noodeloos,” hernam de onbuigzame kolonel. „Maakt gij misschien bezwaar, om mij, als tijdelijken voogd van juffrouw Bertram, datgene mede te deelen, ’t welk gij voor haar zoo belangrijk oordeelt?”

„Geenszins, kolonel! zij kon geen’ achtenswaardiger vriend kiezen, niemand, met wien ik vooral liever openhartig zou wenschen te spreken.”

„Heb dan de goedheid ter zake te komen, Mijnheer!”

„Wel, Mijnheer, dat is zoo gemakkelijk niet. – Maar, Mijnheer Hazlewood behoeft zich volstrekt niet te verwijderen. – Ik meen het zoo goed met Juffrouw Bertram, dat mijnenthalve de geheele wereld hooren mag, wat ik hier te zeggen heb.”

„Mijn vriend, de heer Hazlewood, zal waarschijnlijk niet verlangen een gesprek aan te hooren dat hem niet aangaat. – En nu, dat wij alleen zijn, [185]verzoek ik u, u kort en duidelijk te verklaren. Ik ben soldaat, Mijnheer, en een volslagen vijand van omslachtige inleidingen.” Dit gezegd hebbende zweeg hij, in afwachting van hetgeen Glossin zeggen zou.

„Heb de goedheid, dezen brief te lezen;” hernam deze en gaf Mannering den brief van den heer Protocol in handen.

De kolonel las den brief, gaf hem, nadat hij den naam des schrijvers opgeteekend had, aan Glossin terug en zeide: „Hierover valt, naar mijn gevoelen, niet veel te praten, Mijnheer. Ik zal zorgen, dat het belang van juffrouw Bertram behartigd worde.”

„Maar, kolonel, hierbij komt nog eene omstandigheid in aanmerking, welke niemand dan ik kan ophelderen. Deze dame – deze juffrouw Margaretha Bertram heeft, zoo als ik zeker weet, reeds toen zij bij mijn ouden vriend, den heer Bertram, te Ellangowan woonde, ten voordeele van juffrouw Lucie Bertram over alle hare goederen beschikt. De dominé – met dezen naam bestempelde mijn overleden vriend steeds den achtingswaardigen heer Sampson, en ik waren getuigen bij het opmaken van het testament. Zij bezat destijds reeds het recht, om zulk een uitersten wil te maken, daar zij Singleside in leen bezat, ofschoon het met eene lijfrente ten bate harer oudere zuster bezwaard was. Het was eene grillige beschikking van den ouden Singleside, Mijnheer, in alle opzichten geschikt, om zijne twee heksen van dochters tegen elkaâr in het harnas te jagen, – ha ha ha!”

„Laat ons bij de hoofdzaak blijven, Mijnheer,” hernam Mannering zonder in het minst uit den plooi te komen bij deze aardigheid, „Gij zegt, dat deze dame onbetwistbaar het recht en de macht had, om juffrouw Bertram tot erfgename van hare bezittingen te maken, en dat zij dit gedaan heeft?”

„Zoo is het, kolonel, en ik geloof, dat ik de wet ken. Ik heb er mij vele jaren mede beziggehouden en, ofschoon ik sedert eenigen tijd mijne zaken heb neergelegd, heb ik mijne kennis van de rechten niet vergeten, welke, zoo als het rijmpje zegt, beter is, dan huis en hof:

„Het is de heerelijkste zaak,

Dat goed’ren, reeds verloren,

Door ’s Pleiters list en wederspraak

Ons weder toebehooren.”

„Neen, neen! Een oud voerman hoort nog gaarne het klappen van de zweep. Ik bemoei mij er nog gaarne wat mede, om mijne vrienden te dienen.”

Glossin ging nog eene poos op denzelfden toon voort, in den waan, dat hij een gunstigen indruk op Mannering gemaakt had. Eigenlijk bedacht de kolonel, dat deze zaak een beslissenden invloed op de toekomst van Lucie Bertram kon hebben, en besloot hij zijn afkeer van Glossin en zijn lust, om hem de deur of het venster uit te werpen, te bedwingen, en, ofschoon ongaarne, ten minste met geduld naar hem te luisteren. Hij liet hem dus bedaard zijne eigene lof uitbazuinen en vroeg hem eindelijk, of hij wist waar het handschrift was.”

„Ja, ik weet – ik geloof, dat ik het vinden kan. In zulke gevallen maken de bewaarders van zulk een stuk wel eens eenige aanspraak op –”

„Daarover zullen wij niet twisten, Mijnheer!” hernam de kolonel en nam zijn zakboekje ter hand.

„Maar, kolonel, gij behandelt de zaak ook zoo driftig! – Ik zeide, sommige lieden zouden zulk eene aanspraak maken (ik versta hierdoor [186]de onkosten voor het schrijven van het handschrift, voor genomen moeite bij de zaak enz); maar ik, ik wenschte slechts juffrouw Bertram te overtuigen, dat ik als man van eer jegens haar handel. Hier is het geschrift, Mijnheer! Het zou mij genoegen gedaan hebben, het aan de jonge dame zelve overhandigd en haar met het hierdoor geopende gunstige uitzicht geluk gewenscht te hebben. Daar echter hare vooroordeelen op dit punt onoverwinnelijk zijn, blijft mij niets anders over, dan haar mijne beste wenschen door u te doen toekomen en tevens te verklaren, dat ik steeds bereid ben, wanneer het noodig mocht zijn, in deze zaak de vereischte getuigenis af te leggen. Ik heb de eer u goeden morgen te wenschen, Mijnheer!”

Glossin had op het laatst zoo goed den toon gevat van een rechtschapen man, die ten onrechte verdacht wordt gehouden en van zijne eigene braafheid overtuigd is, dat zelfs Mannering in zijn ongunstig oordeel over hem aan het wankelen gebracht werd. Hij begeleidde hem eenige schreden en bewees hem bij het afscheid, dat nochtans koel en gedwongen was meer beleefdheid, dan hij hem gedurende het geheele bezoek betoond had.

Glossin verliet den kolonel tamelijk tevreden over den indruk, dien hij gemaakt had, maar tevens gevoelig gekrenkt door het koele wantrouwen, den hoogmoedigen afkeer, waarmede hij ontvangen was. „De kolonel had ook wel wat vriendelijker kunnen zijn,” zeide hij bij zich zelven. „Er komt niet alle dagen iemand, die een arm meisje vier honderd pond jaarlijksch inkomen kan brengen. Singleside moet thans meer dan vier honderd pond opbrengen. Ja, Reilageganbed, Gillifidget, Loverless en nog andere hoeven behooren er toe; het brengt zeker meer op. Sommige lieden zouden, indien zij in mijne plaats waren, het zich zelven misschien toegeëigend hebben, – maar, om de waarheid te zeggen, hoe ik er ook over nadenk, zie ik nog niet in, hoe dit mogelijk zoude zijn.”

Zoodra Glossin vertrokken was, zond Mannering een bode naar Mac-Morlan. Toen deze verscheen, overhandigde de kolonel hem het stuk en vroeg of het wettig en in den behoorlijken vorm was en Lucie Bertram baten kon. Mac-Morlan las het met van blijdschap schitterende oogen, knapte met de vingers en riep eindelijk uit: „of het in behoorlijke orde is? Het is zoo goed, als het kan. – Ja, ja, Glossin verstaat zijn werk, trots den beste, indien hij er niet opzettelijk een steek aan loslaat. – Maar,” (hier werd zijn blik somber) „de oude heks, om haar nu eens zoo te noemen, kan alles nog wel veranderd hebben.”

„Hoe kunnen wij dat te weten komen?”

„Er moet een gevolmachtigde van juffrouw Bertram bij het openen van het testament tegenwoordig zijn.”

„Kunt gij er heen gaan?”

„Ik vrees van neen. Ik moet in eene zaak voor ons gerechtshof pleiten.”

„Dan zal ik zelf gaan. Ik ga morgen op reis en Sampson, die het stuk als getuige mede onderteekend heeft, zal mij vergezellen. Maar ik zal wel de hulp van een rechtsgeleerde noodig hebben.”

„Ik zal u een brief van aanbeveling aan een zeer beroemden rechtsgeleerde, den voormaligen sheriff van dit graafschap, medegeven.”

„Mijnheer Mac-Morlan,” hernam de kolonel, „het bevalt mij uitmuntend in u, dat gij altijd dadelijk tot de zaak komt. Bezorg mij den brief zoo spoedig mogelijk. – Maar, zullen wij Lucie Bertram ook iets van haar uitzicht op eene erfenis zeggen?”

„Zonder twijfel; want gij moet eene volmacht van haar hebben, welke ik [187]oogenblikkelijk schrijven zal. Buitendien sta ik er u voor in, dat zij zich hierbij zeer verstandig gedragen en dit uitzicht slechts als eene mogelijkheid beschouwen zal.”

Mac-Morlan oordeelde juist. Men kon niet bemerken, dat dit zoo onverwacht voor Lucie Bertram geopend uitzicht al te levendige verwachtingen bij haar opwekte. Als bij toeval deed zij Mac-Morlan, in den loop van den avond, wel de vraag, hoeveel de jaarlijksche inkomsten der bezittingen van Hazlewood wel zouden bedragen; maar wie zal daarom als zeker durven beweren, dat zij overwoog, of eene erfgename met vier honderd pond jaarlijksch inkomen eene geschikte partij voor den jongen Hazlewood zou zijn?