[Inhoud]

ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Noch kunst noch waarheid sieren dit verhaal,

Om ’t hart te treffen, of te streelen de verbeelding.

Het Kerspelregister.

„Uwe Majesteit,” zeide Mannering lachende, „heeft haren afstand van den troon plechtig gevierd door eene daad van welwillende menschlievendheid. Die goede man zal zeker zijne zucht tot pleiten wel verloren hebben.”

„Verbeeld u dat toch niet! Ik heb niets anders uitgewerkt, dan dat ik [195]mijn cliënt en mijne belooning verloren heb. Hij zal niet rusten, voor dat hij iemand vindt, die hem aanspoort, om zijne voorgenomene dwaasheid te begaan. Neen, neen! ik heb u slechts eene andere zwakke zijde van mijn hart getoond. Des Zaterdagsavonds spreek ik altijd de zuivere waarheid.”

„En op andere dagen ook wel eens, denk ik,” hernam Mannering op denzelfden schertsenden toon.

„Nu, ja; zoo veel als mijn beroep dat toelaat. Ik ben, zoo als Hamlet zegt, vrij eerlijk, wanneer mijne cliënten en hunne procureurs mij niet gebruiken, om hunne weloverdachte leugens voor de balie te bepleiten. Maar, oportet vivere1! het is eene droevige waarheid. – Maar laat ons nu tot uwe zaken overgaan. Het verheugt me, dat mijn oude vriend Mac-Morlan u bij mij gezonden heeft. Hij is een werkzaam, eerlijk en verstandig man, was lange jaren substituut-sheriff van het graafschap ** onder mij, en bekleedt dien post nog. Hij weet, dat ik veel belang stel in die ongelukkige familie van Ellangowan, en bijzonder in de arme Lucie. Ik heb haar sedert haar twaalfde jaar niet gezien, en toen was zij, niettegenstaande de opvoeding van haren zeer onnoozelen vader, een aardig, lief meisje. Mijne belangstelling in haar ontstond echter reeds vroeger. Als sheriff van het graafschap, werd ik geroepen, om de bijzonderheden van een moord te onderzoeken, die niet ver van Ellangowan, op den dag waarop dit arme kind geboren werd, gepleegd was en die, door eene zonderlinge aaneenschakeling van omstandigheden, welke ik, helaas, niet ontsluieren kon, den dood, of ten minste het verdwijnen van haar eenigen broeder, een knaap van omstreeks vijf jaren, ten gevolge had. Neen, Mijnheer! nooit vergeet ik de ellende van de familie Ellangowan op dien dag. De vader half waanzinnig – de moeder onder eene ontijdige bevalling bezweken. Onder zulke omstandigheden kwam het hulpelooze kind schreiend in deze ongelukkige wereld, waar het nauwelijks iemand vond, om het op te passen. Wij, rechtsgeleerden, zijn niet van ijzer of steen, even min als gij, krijgslieden, van staal. Wij moeten met de misdaden en rampen van het burgerlijke leven omgaan, zooals gij met die, welke de oorlog naar zich sleept; en om altijd en in alle gevallen onzen plicht te doen, is een weinig ongevoeligheid misschien wel noodzakelijk. Maar de duivel hale den krijgsman, wiens hart zoo hard is als zijn zwaard, zoo wel als den rechtsgeleerde, die zijn gemoed, in plaats van zijn voorhoofd, verstaalt! – Maar ik verlies mijn geheelen Zaterdagavond! Wilt gij zoo goed zijn, mij deze papieren, met betrekking tot de zaak van Juffrouw Bertram, toe te vertrouwen? En kom morgen het middagmaal bij mij gebruiken, als ik u verzoeken mag. Ik eet om drie uur; maar kom een half uurtje vroeger. – De oude dame wordt Maandag begraven. Het is de zaak van eene wees en wij zullen een uur van den Zondag nemen, om er over te spreken, ofschoon ik vrees, dat er niets aan te doen zal zijn, wanneer de oude dame haar testament veranderd heeft, tenzij dit misschien binnen de zestig dagen gebeurd is en Juffrouw Bertram aantoonen kan, dat zij volgens de wet erfgenaam is, weshalve.… Maar, luister! mijne onderdanen worden ongeduldig over het ledig staan van den troon. – Ik verzoek u niet, kolonel, om verder deel aan ons feest te nemen; het zou te veel van uwe goedheid gevergd zijn. Dan moest gij den geheelen dag met ons doorgebracht hebben en trapsgewijze van wijsheid tot vroolijkheid en van vroolijkheid tot – hoe [196]zal ik het noemen? – tot dartelheid overgegaan zijn. – Goeden nacht! – Hendrik! breng gij den kolonel naar huis. – Mijnheer Mannering! ik verwacht u morgen even over twee uur.”

De kolonel keerde naar huis terug, even verwonderd over de kinderlijke vroolijkheid, waarin hij den heer Pleydell had aangetroffen, als tevreden over de openhartigheid en het gezonde verstand, welke deze in de vluchtige, aan zijne beroepszaken gewijde, oogenblikken aan den dag had gelegd, en over de warme belangstelling, waarmede hij over de verlatene wees gesproken had.

Den volgenden morgen, terwijl Mannering met zijn kalmen en sprakeloozen reisgezel, dominé Sampson, nog aan het ontbijt zat, dat door Barnes klaargezet was, trad de heer Pleydell onverwacht binnen. Eene netjes opgemaakte, goed gepoederde pruik, eene deftige zwarte kleeding, waarop geen stofje te vinden was, nette zindelijke schoenen, gouden schoen- en kniegespen, een eerder terughoudend en afgemeten, dan indringend, doch met dat al geenszins stijf en verlegen gedrag, de volkomen rust der sprekende, eenigszins spotachtige trekken van zijn gelaat – alles vertoonde een geheel ander wezen, en slechts de scherpe doordringende blik van zijn schitterend oog verried den vroolijken man van den vorigen avond.

„Ik kom,” zeide hij zeer beleefd, „om mijne koninklijke macht, zoo wel in het geestelijke, als wereldlijke over u uit te oefenen. Zal ik u naar de presbyteriaansche kerk, of naar de vergaderplaats der episcopale gemeente geleiden? Een rechtsgeleerde behoort, zoo als gij weet, tot beide godsdiensten, of liever moest ik zeggen, tot beide vormen: of wenscht gij den voormiddag anders door te brengen? dan ben ik ook gaarne tot uw dienst. Gij moet mij mijne ouderwetsche, misschien lastige, beleefdheid vergeven. Toen ik geboren werd, hield men een Schot voor gastvrij noch beleefd, als hij een gast éen oogenblik, behalve des nachts, alleen liet; maar ik vertrouw, dat gij het mij vrij zeggen zult, als ik u ongelegen kom.”

„In geenen deele, Mijnheer Pleydell, ik geef mij gaarne aan uwe leiding over. Ik zou met genoegen eenige uwer Schotsche redenaars hooren, die uw vaderland door hunne uitstekende bekwaamheden zoo veel eer aandoen, uwen Blair, uwen Robertson of uwen Henry. Ik neem uw aanbod van ganscher harte aan. Maar,” vervolgde Mannering, den rechtsgeleerde ter zijde trekkende en de oogen op Sampson slaande, „deze mijn waardige, droomerige vriend is een weinig hulpeloos en afgetrokken; en Barnes, zijn gewone geleider, kan hem hier niet goed vergezellen, te meer, omdat de goede man eenige van uwe minder bekende en meer afgelegen godsdienstige vergaderplaatsen wenscht te bezoeken.”

De heer Pleydell keek Sampson aan en zeide: „waarlijk een zeldzaamheid, waardig, dat men er goed zorg voor draagt. Ik zal u een geschikten bewaarder bezorgen. Hoor eens,” vervolgde hij tegen den knecht van de herberg, „ga oogenblikkelijk naar Luckie Finlayson, waar Miles Macfin zeker zijn zal, en zeg hem, dat ik hem wensch te spreken.”

De bedoelde persoon verscheen weldra.

„Ik zal uwen vriend aan de zorgen van dezen man toevertrouwen,” zei Pleydell; „hij zal hem overal, waar hij verlangt te gaan, geleiden of vergezellen, hetzij naar eene presbyteriaansche of eene bisschoppelijke kerk, naar de markt of naar het gerechtshof, dat is volkomen hetzelfde; en hem, op ieder door u bepaald uur, veilig en behouden te huis brengen, zoo dat Barnes zich niet om den heer Sampson behoeft te bekommeren.”

Men werd het spoedig over de voorwaarden eens en Mannering nam, gedurende [197]zijn verblijf in Edinburg, den man in zijn dienst, om den goeden dominé tot geleider te dienen.

„En nu, Mijnheer,” hernam Pleydell, „laat ons nu naar de Grauwebroederenkerk gaan, om onzen geschiedschrijver van Schotland, van het Vaste Land en van Amerika, te hooren.”

In deze verwachting werden zij bedrogen. Hij preekte dien morgen niet. „Laat u dit niet hinderen,” zei Pleydell; „heb slechts een oogenblik geduld; wij zullen, denk ik, toch wel voldaan worden.”

De ambtsbroeder van Robertson verscheen op den kansel2. Zijn uiterlijk was geenszins innemend. Hij was bijzonder tenger van gestalte en eene koolzwarte, ongepoederde pruik, welke zijn hoofd bedekte, stak zeldzaam af bij de bleekheid van zijn gelaat. Hij stond in eene gebogen houding en scheen zijne handen, welke hij onafgebroken op den rand van den preekstoel liet rusten, eer tot ondersteuning van zijn zwak lichaam noodig te hebben, dan tot het maken van gebaren te zullen gebruiken. Hij droeg geen tabbaard of mantel; niets, dan eene verkreukte bef, toonde zijnen geestelijken stand aan. Zijne geheele eenvoudige kleeding en stijve, gedwongene gebaren moesten een vreemdeling sterk in het oog vallen.

Dit was ook het geval bij Mannering, die zijnen vriend al spoedig influisterde: „uw predikant heeft in het geheel geen gunstig voorkomen.”

„Bekommer u daar niet om,” hernam Pleydell. „Hij is de zoon van een beroemden Schotschen rechtsgeleerde. Hij zal zijn vader geene schande aandoen, en toonen dat hij vol vuur is. Ik sta voor hem in.”

Pleydell’s voorspelling werd bewaarheid. Eene leerrede vol nieuwe, treffende en onderhoudende beschouwingen van de Heilige schrift, en waarin het Calvinisme der kerk van Schotland op eene bekwame wijze voorgestaan werd, diende ten grondslag van een gezond stelsel van practische zedekunde, dat den zondaar even weinig aan de slingerende golven van ongeloof of afzondering van de ware kerk overliet, als hem toestond, zich onder den mantel van bespiegelend geloof, of bijzondere gevoelens te verschuilen. Een eenigszins verouderde vorm in den stijl diende slechts, om dezen eigenaardig en kernachtig te maken. De leeraar had zijn opstel niet schriftelijk uitgewerkt, maar enkel de hoofdpunten op een klein stukje papier opgeteekend. De voordracht scheen in het eerst gebrekkig en verward te zijn, maar werd, naarmate de spreker in vuur geraakte, levendig en duidelijk; zoo dat Mannering, ofschoon deze leerrede niet voor een volmaakt voorbeeld van kanselwelsprekendheid gelden kon, bekennen moest, zelden eene godsdienstoefening bijgewoond te hebben, waarin de leeraar zoo veel geleerdheid, schranderheid, kracht en nadruk bij de behandeling van zijn onderwerp ten toon spreidde.

„Zoo,” zeide hij, bij het uitgaan der kerk, „moeten de leeraren geweest zijn, aan wier onverschrokken gemoed en groote, ofschoon soms ruw aangewende bekwaamheden wij de hervorming te danken hebben.”

„En toch,” hernam Pleydell, „heeft deze eerwaarde heer, dien ik zoo wel om hem zelven als om zijns vaders wil bemin, niets van de norsche of schijnheilige trotschheid, welke sommigen der eerste Calvinistische kerkvaders in Schotland wel eens te last gelegd is. Zijn ambtsbroeder en hij staan aan het hoofd van verschillende partijen in de kerk, en zijn niet eensgezind omtrent bijzondere punten van de kerkelijke tucht: maar zij verliezen daarom geen [198]oogenblik de persoonlijke achting voor elkander uit het oog, en dulden geenszins dat zich boosaardigheid menge in dit verschil, dat zij van weerskanten standvastig en gemoedelijk volhouden.”

„En hoe denkt gij omtrent hunne verschilpunten, Mijnheer Pleydell?”

„Wel, ik denk, kolonel, dat een eenvoudig en eerlijk man zalig kan worden zonder zich dáarover te bekommeren. Bovendien ben ik, onder ons gezegd, een lid van de lijdende episcopale kerk van Schotland, – tegenwoordig (en dit is gelukkig) slechts de schaduw van eene schaduw; – maar ik bid gaarne, waar mijne vaderen vóór mij gebeden hebben, zonder juist ongunstig over de presbyteriaansche vormen te denken, omdat zij hetzelfde gevoel niet bij mij opwekken.”

Na dit gesprek nam Mannering afscheid van zijn vriend, met belofte om op het bepaalde uur het middagmaal bij hem te komen gebruiken.

Na alles wat Mannering van de woning van den rechtsgeleerde gezien had, kon hij niet dan zeer matige verwachtingen koesteren van het onthaal dat hem wachtte. Het straatje, waarin het huis stond, scheen bij dag nog somberder, dan den vorigen avond. Het was zoo nauw, dat de bewoners der tegenover elkander staande huizen elkaâr de hand bijna konden reiken, en hier en daar was de tusschenruimte door houten galerijen geheel betimmerd. De trap van het huis was niet behoorlijk gereinigd en, bij het binnentreden, verwonderde Mannering zich niet weinig over den ellendigen, smallen gang. De bibliotheek, waarin hij door een deftigen ouden bediende gebracht werd, leverde nochtans een tegenbeeld op van hetgeen hij tot hiertoe gezien had. Het was eene fraaie kamer, versierd met de portretten van eenige beroemde Schotsche geleerden door Jamieson, den Caledonischen Van Dijk, en rijkelijk met boeken, de beste schrijvers, voorzien.

„Deze,” zeide Pleydell, „zijn mijne ambachtsgereedschappen. Een rechtsgeleerde, onbedreven in de geschiedenis en letterkunde, is niet meer dan een handwerksman, een gewone metselaar; indien hij echter ook hierin bedreven is, kan hij zich een’ bouwmeester noemen.”

Bovenal werd Mannering aangenaam verrast door het uitzicht uit de vensters, Hier genoot hij in volle mate het heerlijke gezicht op de streek tusschen Edinburg en de zee, de zeeëngte van Forth met hare eilanden, de baai, door het grondgebied van Noord-Berwick omzoomd, en noordwaarts de golvende, heuvelachtige oevers van Fife, die den helderen blauwen gezichteinder insloten.

Nadat de heer Pleydell eenigen tijd van de verwondering van zijn gast genoten had, begon hij over de zaak van Lucie Bertram te spreken. „Ik koesterde een flauwe hoop,” zeide hij, „dat ik middelen vinden zou, om haar onbetwistbaar recht op de goederen van Singleside te bewijzen; maar alle mijne pogingen zijn te vergeefsch geweest. De oude dame was zeker onbepaalde eigenares van hare goederen, en kon er dus met volle recht over beschikken. Er blijft ons dus niets over, dan de hoop, dat geen booze geest haar verleid moge hebben, om hare eerste zoo zeer gepaste beschikking te veranderen. Gij moet de begrafenis der oude dame morgen bijwonen. Gij zult hiertoe genoodigd worden, daar ik haren zaakgelastigde van uwe tegenwoordigheid, als gevolmachtigde van Juffrouw Bertram, onderricht heb. Vervolgens zal ik mij aan het huis der overledene weder bij u vervoegen, om toe te zien, dat alles bij de opening van het testament behoorlijk toegaat. De oude dame had een jong meisje bij zich inwonen, eene wees en verre bloedverwante van haar, die zij bijna als eene slavin behandelde. Ik hoop, dat zij gemoedelijk genoeg geweest is, om het arme meisje, ter vergoeding van de [199]harde slavernij, die zij gedurende haar leven heeft moeten verduren, een onafhankelijk bestaan te verzekeren.”

Thans verschenen er nog eenige andere gasten, opgeruimde, zeer beschaafde mannen, in wier gezelschap Mannering den avond zeer aangenaam doorbracht. Tegen acht uur ’s avonds kwam ook weder een fijne flesch op tafel, die de kolonel Mannering moest helpen ledigen. Toen hij weder in zijn logement kwam, vond hij eene uitnoodiging, om de lijkplechtigheid van wijlen Mejuffrouw Margaretha Bertram van Singleside, die den volgenden middag op het Grauwe broeder-kerkhof begraven zoude worden, bij te wonen.

Op het bepaalde uur begaf Mannering zich naar een klein huis in de zuidelijke voorstad, waar, volgens Schotsch gebruik, twee treurige gestalten met lange zwarte mantels, witte linten om den hoed en lange stokken met treurwimpels in de hand, het sterfhuis aanduidden. Door twee andere bidders die, naar hun gelaat te oordeelen, onder een zware ramp gebukt gingen, werd hij in de eetzaal van de overledene gebracht, waar het gezelschap vergaderd was.

In Schotland is de thans in Engeland afgeschafte gewoonte, om de bloedverwanten tot de begrafenis te noodigen, nog algemeen in gebruik. In vele gevallen is dit zeer treffend, maar ontaardt soms in eene bloote stijve plechtigheid, als de overledene het ongeluk gehad heeft, onbemind te leven en onbetreurd te sterven. In Engeland zou in zulke gevallen de lijkdienst, eene der schoonste en treffendste plechtigheden van de kerk, de aandacht der aanwezenden boeien en hunne gemoederen tot godsdienstigen ernst stemmen; maar in Schotland kan niets, wanneer geen diep gevoel de aanwezenden bezielt, dit gebrek vergoeden en den geest verheffen; zoodat bij het voor de treurige plechtigheid vergaderde gezelschap de dwang eener lastige gewoonte maar al te dikwijls en te zichtbaar in eene geveinsde droefheid doorstraalt. Ongelukkig was juffrouw Margaretha Bertram niet algemeen bemind geweest. Zij had geene naastbestaanden, die uit natuurlijke genegenheid om haar zouden treuren, zoo dat men bij hare begrafenis niets dan den uiterlijken schijn van droefheid zag.

Mannering, die midden in dit treurige gezelschap van neven in den derden, vierden, vijfden en zesden graad stond, gaf zijn gelaat den behoorlijken ernstigen plooi, welken hij bij alle aanwezenden bemerkte, en zag even treurig om juffrouw Margaretha Bertram, als of de overledene vrouwe van Singleside zijne eigene zuster of moeder geweest ware.

Na eene lange plechtige stilte begonnen sommigen der aanwezenden met elkander te spreken, maar zoo zacht, als of zij zich in de kamer van een stervende bevonden.

„Onze arme vriendin,” zeide een deftig heer, fluisterende en nauwelijks den mond openende, uit vrees, dat hij den ernstigen plooi uit zijn gelaat zou verliezen – „onze arme vriendin, die wij nu zullen begraven, bezat een vermogen dat vrij aanzienlijk mag genoemd worden.”

„Zonder twijfel,” antwoordde de heer, tot wien deze woorden gericht waren, met half geslotene oogen; „Mejuffrouw Margaretha was niets minder dan onverschillig omtrent de goederen dezer aarde.”

„Is er heden iets nieuws, kolonel Mannering?” vroeg éen der heeren, met wien hij den vorigen dag gegeten had, doch op zulk een ernstigen toon, als of hij den dood van zijn geheel geslacht bekend maakte.

„Niets bijzonders, Mijnheer,” antwoordde Mannering op denzelfden plechtigen toon, die, zoo als hij ontwaarde, in het huis der rouwe in acht genomen moest worden. [200]

„Ik hoor,” vervolgde de eerste spreker met nadruk, alsof hij zekere berichten had – „ik hoor, dat er een testament is” –

„En wat krijgt de kleine Jenny Gibson?”

„Honderd pond sterling en het oude repetitie-horologie.”

„Dat is zeer weinig. Het arme meisje heeft daarvoor veel van de oude dame moeten verduren. Maar op eens anders rijkdom wachten tot na diens dood, is een treurig beroep.”

„Ik vrees,” zei een staatkundige, die bij Mannering stond, „dat wij met uw ouden vriend Tippoo Saïb nog niet afgedaan hebben; ik verbeeld me, dat hij de Compagnie nog meer te doen zal geven, en ik hoor (maar gij zult het wel weten), dat de Oost-Indische fondsen niet rijzen.”

„Ik vertrouw, dat dit echter spoedig gebeuren zal.”

„Juffrouw Margaretha” hernam een ander, zich in het gesprek mengende „bezat eenige Indische papieren. Ik weet dit, omdat ik de renten voor haar ontving. De raad van den kolonel, wanneer en hoe men deze papieren op de beste wijze te gelde kan maken, zou zoowel voor de executeuren en de belanghebbenden wenschelijk zijn. Ik voor mij denk – Maar daar is Mijnheer Mortcloke, om ons te zeggen, dat de lijkstaatsie zich op weg moet begeven.”

De heer Mortcloke, de bezorger der begrafenis, deelde dientengevolge met een treurig, ernstig gelaat, dat bij zijn beroep paste, kaartjes uit onder de dragers van de slippen, om ieder zijne plaats naast de doodkist aan te wijzen. Daar de voorrang hierbij verondersteld wordt naar der meerderen of minderen graad van bloedverwantschap geregeld te worden, kon de arme man, hoe ervaren ook in deze treurige plechtigheden, toch niet vermijden, eenigen aanstoot te geven. Ieder der aanwezige nabestaanden was hier, waar bloedverwantschap aanspraak op de landerijen van Singleside gaf, bijzonder ijverzuchtig op den naasten graad dezer betrekking. Hier en daar hoorde men een zacht gemor, en onze vriend Dinmont, die zijn misnoegen niet onderdrukken noch den bij deze plechtigheid passenden toon vatten kon, gaf niet weinig ergernis.

„Mij dunkt, gij hadt mij ten minste wel een been te dragen kunnen geven,” riep hij op veel luider toon uit, dan hier geoorloofd was. „Ja, als het niet om de erfenis ware, zou ik haar, hoe vele aanzienlijken hier ook zijn, wel alleen hebben kunnen dragen.”

Donkere en bestraffende blikken werden van alle kanten gevestigd op den onverschrokken landman, die, nadat bij aan zijn misnoegen lucht had gegeven, met het overige gezelschap den trap afklom, zonder zich in het minst te storen aan de aanmerkingen van hen, die zich door zijne woorden beleedigd achtten.

Hierop zette de lijkstaatsie zich in beweging. Vooraan mannen met hunne staven en witte lamfers, ter eere van den onbevlekten maagdelijken naam van Mejuffrouw Margaretha Bertram; hierachter zes doodmagere paarden, zelve ware zinnebeelden der sterfelijkheid, met rouwkleeden en veeren versierd, die de lijkkoets met de met rouwfloers behangen wapenschilden langzaam naar de begraafplaats sleepten, voorafgegaan door Jamie Duff, een krankzinnige, die, versierd met opslagen en eene das van wit papier, elke lijkstaatsie vergezelde, en gevolgd door zes rouwkoetsen met de ter begrafenis genoodigden. Velen hunner vierden hun praatlust thans den vrijen teugel en spraken zonder terughouding over het bedrag van de nalatenschap en de waarschijnlijke erfgenamen. Zij, die de gegrondste hoop op de nalatenschap koesterden, zwegen echter voorzichtig, daar zij geene verwachtingen wilden laten blijken, welke misschien te leur gesteld zouden worden; en de executeur, of zaakgelastigde, [201]die alleen met zekerheid wist hoe de zaken stonden, toonde een geheimzinnig, gewichtig gelaat, alsof hij besloten had, de angstige verwachting zoo lang mogelijk gespannen te houden.

Eindelijk kwam de trein bij de poort van het kerkhof en ging vervolgens onder het aangapen van eene menigte ledigloopende vrouwen met kinderen op den arm, en een niet kleiner aantal straatjongens, die schreeuwende en springende naast den deftigen optocht liepen, naar de begraafplaats van de familie Singleside. Dit was eene omheinde vierkante plaats, aan de eene zijde door een ouden engel bewaakt, die, wel is waar, zijn neus en éenen vleugel verloren, maar nochtans gedurende een eeuw zijne post roemrijk behouden had, terwijl zijn makker, die op het tegenoverstaande voetstuk op schildwacht gestaan had, gebroken tusschen de doornstruiken, dolle kervel en brandnetels lag, die welig op de grafplaats tierden. Een met mos begroeid en beschadigd opschrift onderrichtte den lezer, dat kapitein Andrew Bertram de eerste van Singleside en afstammeling van het zeer oude en eerbiedwaardige geslacht van Ellangowan, in het jaar 1650 dit gedenkteeken voor hem zelven en zijne nakomelingen had laten oprichten. Een aanzienlijk aantal zeissen, zandloopers, doodshoofden en kruiselings over elkander liggende doodsbeenderen omringden het volgende opschrift ter gedachtenis van den stichter dezer begraafplaats:

„Nathaniëls hart, Bezaleëls hand –

Had iemand ooit deze gaven;

Dan zeg ik ronduit, dat hij ze bezat,

Die in dit bed ligt begraven.”

Hier werd het stoffelijke overschot van Juffrouw Margaretha Bertram bij de vermolmde beenderen harer voorvaderen neergelegd; en, even als soldaten, die gewoonlijk met versnelden pas van eene militaire begrafenis terugkeeren, spoorden nu de naaste bloedverwanten, die belang bij het testament van de overledene hadden, de huurkoetsiers tot den meest mogelijken spoed aan, ten einde van hunne onzekerheid omtrent dit gewichtig punt verlost te worden. [202]


1 Men moet leven! 

2 De beroemde Dr. Erskine, een zeer uitstekende geestelijke. W. S.