Al sleept men u ten doode
Op des rechters wreed gebod,
Eén vriend zal bij u blijven
En deelen in uw lot.
Shenstone.
De treurige denkbeelden, die bij het doorbladeren dezer boeken natuurlijk bij Bertram ontstaan moesten, gepaard met het drukkende gevoel van den hoogst onaangenamen toestand waarin hij zich bevond, maakten hem voor de eerste maal van zijn leven kleinmoedig. „Ik ben wel in erger omstandigheden geweest dan thans,” zeide hij bij zich zelven; „in gevaarlijker, want hier is geen gevaar; in omstandigheden, waarin het vooruitzicht veel akeliger was want hier kan ik niet lang in hechtenis blijven; in eene veel harder en onverdragelijker gevangenschap, want ik heb hier ten minste vuur, voedsel en kleeding. En toch voel ik mij bij het lezen van deze bloedige verhalen van misdaden en ellende, op eene plaats, welke voor de gedachten, die zij opwekken, zoo geschikt is, en bij het hooren van de treurige geluiden, die in mijn oor dringen, meer dan ooit tot droefgeestige zwaarmoedigheid gestemd. Maar ik wil mij er niet aan overgeven. – Weg met deze verhalen der schandelijkste misdaden’ ” riep hij, en wierp het boek op het ledige bed. „Eene Schotsche gevangenis zal niet reeds op den eersten dag den moed doen zinken, waarmede ik in een vreemd land het ongewone klimaat, gebrek, ongemak en gevangenschap getrotseerd heb. Ik heb reeds zoo menigen harden strijd met Mevrouw Fortuna gestreden; zij zal mij ook nu niet overwinnen, indien ik er iets aan doen kan.”
Hij spande nu ook alle krachten in om zijn moed weêr op te wekken en zijn toestand in het gunstigste licht te beschouwen. „Delaserre moet weldra in Schotland zijn,” dacht hij; „de getuigschriften van den bevelhebbenden officier moeten spoedig aankomen; en als Mannering tot getuige geroepen wordt, wie weet of dat niet den weg tot eene verzoening banen kon?”
Hij had dikwijls opgemerkt, en stelde zich dit nu levendig voor den geest, hoe de kolonel, wanneer hij partij voor iemand trok, dat nooit ten halve deed; en dat hij diegenen het meest scheen te beminnen, die eenige verplichting aan hem hadden. En kon thans eene gunst, die met eer gevraagd en gereedelijk verleend kon worden, niet misschien de eerste schrede tot eene verzoening worden? Deze bespiegelingen brachten hem natuurlijk Julia voor den geest en hij bouwde, zonder den afstand tusschen een soldaat zonder fortuin, die van de getuigenis van haar vader zijne vrijheid verwachtte, en de erfgename van den rijkdom en de uitzichten van dien zelfden vader nauwkeurig te berekenen, de heerlijkste luchtkasteelen en versierde ze met alle kleuren van een schoonen zomerschen avondhemel, tot hij door een hevig kloppen aan de buitendeur en het blaffen van den mageren, halfverhongerden, doch waakzamen hond op de plaats, in zijne wakende droomen gestoord werd. Na vele voorzorgen [243]werd de deur geopend en iemand binnengelaten. Vervolgens werd ook de huisdeur ontgrendeld, ontsloten en ontketend. Een hond kwam de trap opvliegen en bleef bij de deur van Bertram’s vertrek slaan krabben en huilen. Hij hoorde tevens iemand met zwaren tred den trap langzaam opklimmen en Mac-Guffog met zijne schorre stem zeggen: „Hierheen, hier moet gij heen; pas op deze trede. Daar is de kamer!” – Bertram’s deur werd ontgrendeld, en tot zijne groote verwondering en vreugde snelde zijn hond, zijn getrouwe Wesp, in het vertrek, sprong tegen hem op en wist niet hoe hij hem zijne blijdschap zou betuigen.
Hierop trad ook zijn getrouwe vriend, de wakkere pachter van Charlies-hope binnen en riep, toen hij in het ellendige vertrek rondzag, uit: „Hoe! hoe? was is dit! was is dit?”
„Een streek van het noodlot, waarde vriend!” antwoordde Bertram, terwijl hij opstond en hem hartelijk de hand schudde; „anders niets.”
„Maar wat moet hieraan gedaan worden, of liever wat kan hieraan gedaan worden? Is het om schulden, of wat anders?” vroeg Dinmont.
„Neen, het is niet om schulden; en als gij tijd hebt, om bij mij te gaan zitten, zal ik u alles zeggen, wat ik zelf van de zaak weet.”
„Of ik tijd heb? – De drommel! waarom ben ik hier gekomen, dan om u te spreken en om alles te onderzoeken? Maar mij dunkt, wij moesten eerst iets eten: het wordt al laat. Ik heb den menschen in de herberg, waar ik mijn paard heb laten staan, gezegd mij mijn avondmaal hierheen te brengen en Mac-Guffog zal het binnen laten. Dat alles heb ik reeds afgesproken. – Laat mij nu uw lotgevallen vernemen. – Stil, Wesp! stil. – Wat is het arme dier blijde, dat het u ziet!”
Bertram had zijne geschiedenis, die zich tot zijne ongelukkige ontmoeting met den jongen Hazlewood en de verwarring van zijn persoon met dien van een smokkelaar bepaalde, die bij den aanval op Woodbourne eene voorname rol gespeeld had en toevallig denzelfden naam droeg, spoedig verhaald.
Dinmont luisterde zeer aandachtig. „Wel, wel, daar behoefde men zeker zoo veel ophef niet van te maken, te meer daar de knaap, die de wond ontving, hersteld is. Wat beteekenen een paar hagelkorrels in den schouder? Als hij een oog verloren had, dan zou het iets anders zijn. Ik wenschte wel, dat de oude heer Pleydell hier ware; dat zou de rechte man zijn om hen uit te hooren; die heeft den mond op de rechte plaats!”
„Maar zeg mij nu vriend, hoe hebt gij vernomen dat ik hier was?”
„Ja, man! wonderlijk genoeg. Dat zal ik u zeggen, als wij met eten gedaan hebben. Het is beter daarover niet te spreken, zoo lang die groote slons van eene meid hier in- en uitsluipt.”
Bertram’s nieuwsgierigheid werd eenigszins tot bedaren gebracht door het verschijnen van het avondmaal, dat, ofschoon slechts eenvoudige kost, zich door eene uitstekende zindelijkheid, welke der kookkunst van vrouw Mac-Guffog geheel en al ontbrak, aanbeval. Dinmont, die zeide dat hij den geheelen dag gereden had zonder iets te gebruiken sedert het ontbijt, „waarvan het de moeite waard zou zijn te spreken,” (hieronder verstond hij een paar pond koud vleesch, dat hij op zijne middags pleisterplaats genuttigd had) – Dinmont, zeggen wij, viel moedig op het lekkere maal aan, en sprak, als een Homerische held, weinig, goeds noch kwaads, vóor dat honger en dorst gestild waren. Eindelijk zeide hij, na eene lange teug bier en wijzende op de armzalige overblijfsels van een gebraden kip: „voor een steedsche vogel was het niet slecht, ofschoon het bij onze kippen te Charlies-hope niet [244]vergeleken kan worden, en het verheugt mij, ritmeester, dat deze tegenspoed u den eetlust niet benomen heeft.”
„Mijn middagmaal was ook niet zoo lekker, dat ik mijn avondmaal daardoor bederven zou.”
„Dat geloof ik wel; dat geloof ik wel,” hernam Dinmont en wendde zich nu tot de dienstmaagd: „hoor eens, meisje, nu gij ons brandewijn, heet water, suiker en al het noodige gebracht hebt, kunt gij de deur wel sluiten; wij wilden nu alleen zijn en over onze zaken spreken.”
Het meisje vertrok, sloot de deur en schoof er, tot meerdere zekerheid, nog een zwaren grendel aan den buitenkant voor. Zoodra zij heen gegaan was, ging Dandie de posten verkennen en luisterde door het sleutelgat. Toen hij zich overtuigd had, dat zij niet beluisterd werden, ging hij naar de tafel terug, maakte, zoo als hij het noemde, eene flinke hartsterking gereed, wakkerde het vuur wat op en begon zijn verhaal op een ernstigen, veelbeteekenenden toon, wat bij hem iets zeer ongewoons was.
„Hoor eens, ritmeester, ik was een paar dagen in Edinburg geweest, om de begrafenis van een vriend, dien wij verloren hebben, bij te wonen. Ik dacht ook nog iets voor mijn rid te krijgen; maar dat was mis. Maar, wie kan dat helpen? Ik had buitendien ook eene kleine rechtszaak, maar die was nog niet beslist en daarover behoef ik niet te praten. Om kort te gaan, ik had mijne zaken afgedaan en kwam weder te huis. Den volgenden morgen ging ik uit, om naar het vee te zien, en toen dacht ik, dat ik ook wel eens naar de weide op den top van den Touthoprigg, waarover Jock van Dawstoncleugh en ik dat proces hebben, kon gaan; en zie, juist toen ik daar kwam, zag ik een man voor mij staan, die, zoo als ik best zien kon, niet tot onze herders behoorde, en het is een zeldzaam iets, hier iemand anders te ontmoeten. Toen ik bij hem kwam, ontdekte ik dat het Gabriël de vossenjager was. Dit verwonderde mij zeer en ik vroeg hem: Wat doet gij hier onder de kraaien en zonder uwe honden, man? zoekt gij den vos zonder honden?”
„Neen, neen!” antwoordde hij, „ik zocht juist naar u.”
„Zoo,” zeide ik, „dan hebt gij zeker iets noodig om den winter door te komen?”
„Neen, neen!” zeide hij, „dat zoek ik niet. Maar gij stelt veel belang in dien kapitein Brown, die hier bij u geweest is, niet waar?”
„Dat doe ik wel degelijk, Gabriël!” zeide ik, „en wat is er met hem te doen?”
Toen zeide hij: „Er zijn ook anderen, die belang in hem stellen, en ook iemand, dien ik moet gehoorzamen; en het is mijn eigen wil niet dat ik hier ben, om u iets van hem te zeggen, dat u niet aanstaan zal.”
„Zoo!” zeide ik, „niets staat mij aan, dat hem onaangenaam is.”
„Dan zal het u zeker niet best bevallen,” zeide hij, „te hooren, dat hij waarschijnlijk in de gevangenis te Portanferry komt, als hij zich niet in acht neemt: want er is bevel gegeven, om hem gevangen te nemen, zoodra hij over het water van Allonby komt. Als gij het dus goed met hem meent, moet gij naar Portanferry rijden en geen gras onder de hoeven van uw paard laten groeien, en als gij hem in de gevangenis vindt, moet gij een paar dagen, nacht en dag, bij hem blijven: want hij zal vrienden noodig hebben, die beide hart en hand hebben. En als gij dit verzuimt, zal het u slechts eenmaal berouwen: want uw berouw zal uw geheele leven lang duren.”
„De hemel beware ons, Gabriël!” zeide ik; „hoe hebt gij dit alles vernomen? het is een lange weg van hier naar Portanferry.” [245]
„Bekommer u daar niet over,” zeide hij; „zij, die ons die tijding brachten, hebben nacht en dag gereden en gij moet u oogenblikkelijk op weg begeven, indien u eenig goed wilt doen; en nu heb ik u niets meer te zeggen.” –
En daarop holde hij naar beneden in het dal, waar ik hem met mijn paard bezwaarlijk volgen kon; en ik keerde terug naar Charlies-hope, om het mijne vrouw te vertellen, want ik wist niet, wat te doen. Ik dacht, het zou toch gek zijn, als ik mij door zulk een’ landlooper liet foppen. Maar, lieve hemel! toen moest gij mijn vrouwtje gehoord hebben! Die zette een keel op! Het zou schande zijn, zeide zij, als u een ongeluk overkwam en ik u had kunnen helpen; en toen kwam uw brief, die alles bevestigde. Dus ging ik dadelijk naar de geldkist en nam er een pakje banknoten uit, die misschien noodig zouden zijn, en alle kinderen liepen naar den stal, om mijn paard op te zadelen. Bij geluk had ik een ander paard naar Edinburg medegenomen; dus was dit zoo frisch als eene roos. Zoo begaf ik mij op reis en nam Wesp met mij (men zou bijna denken, dat het arme dier wist, waar ik heen ging), en nu ben ik hier, na een rid van ten naastenbij twintig uren.
Bertram begreep uit dit vreemd verhaal duidelijk (verondersteld, dat de waarschuwing goed gemeend was), dat hem een grooter en vreeselijker gevaar boven het hoofd hing, dan uit eene gevangenhouding van weinige dagen scheen te kunnen ontstaan. Het was tevens even blijkbaar, dat een onbekend vriend ten zijnen behoeve werkzaam was. „Zeidet gij niet,” vroeg hij Dinmont, „dat deze Gabriël van Heidensch bloed was?”
„Zoo zegt men,” antwoordde Dinmont, „en dit maakt het, dunkt mij, zeer waarschijnlijk: want die weten elkander altijd te vinden en kunnen de tijdingen als een bal door het land laten vliegen, zoo als zij willen. En ik heb nog vergeten u te zeggen, dat er veel naar het oude wijf, dat wij te Bewcastle gezien hebben, gezocht en gevraagd is. De sheriff heeft haar zijn volk over de Limestaner berg, naar de Hermitage en langs de Liddel en overal achterna gezonden en eene belooning van vijftig pond voor haar aanhouding uitgeloofd, indien zij terugkwam; de vrederechter Forster heeft ook, zoo als ik gehoord heb, bevel tot hare inhechtenisneming in Cumberland rondgezonden en haar op alle wegen laten zoeken; maar men zal haar daarom toch niet krijgen, als zij niet wil.”
„Hoe komt dat?” hernam Bertram.
„Ja, dat weet ik niet. Ik zeg, dat het ongerijmd is, maar de menschen zeggen, dat zij zaad van varenkruid verzameld heeft en door elke deur kan sluipen en overal heen kan komen, als zij verkiest, even zoo als Jack, de reuzendooder in het oude verhaal, met zijn kleed van onzichtbaarheid en zijne zevenmijls-laarzen. Zij is, zoo als de menschen zeggen, eene soort van koningin onder de Heidenen en meer dan honderd jaren oud; en weet nog als ooggetuige van de partijgangers uit de onrustige tijden, toen de Stuart’s weggejaagd werden, te verhalen. Indien zij zich zelve dan niet verbergen kan, kunnen anderen haar wel verbergen; daar is geen twijfel aan. Ja! had ik geweten dat het Meg Merrilies was, die wij dien avond bij Tibb Mumps aantroffen, dan zou ik haar wel vriendelijker behandeld hebben!”
Bertram luisterde zeer opmerkzaam naar dit verhaal, dat in vele opzichten met alles, wat hij zelf van deze Heidin gezien had, zoo goed overeenkwam. Na eenig overleg begreep hij, dat het niet als trouweloosheid behoefde aangemerkt te worden, indien hij datgene, wat hij te Derncleugh gezien had, aan een man verhaalde, die zoo veel ontzag voor de Heidin had, als Dinmont blijkbaar betoonde. Hij verhaalde hem dus zijn avontuur, waarbij hij dikwijls [246]door zijn vriend gestoord werd, die zijne verwondering door uitroepingen, zoo als: „Wie heeft ooit zoo iets gehoord!” of, „De drommel, wie kon zoo iets denken?” lucht gaf.
Toen Dinmont het geheele verhaal gehoord had, schudde hij de zwarte lokken en zeide; „Ja, ik houd staande, dat er zoo wel goeds als kwaads onder de Heidenen is; en hebben zij gemeenschap met den booze, dat is hunne zaak, en niet de onze. Ik weet best, welke grillen zij met hunne dooden hebben. Wanneer een van die drommelsche smokkelaars in een gevecht sneuvelt, laten zij, hoe ver zij er somtijds ook om moeten loopen, een wijf, zoo als Meg, halen, om het lijk te kleeden. Dat is de geheele plechtigheid, waarom zij zich bij de begrafenis bekommeren: want dan stoppen zij het zonder verdere plechtigheden als een’ hond onder den grond. Maar, zij zijn er op gesteld, dat het lijk naar hunne manier behoorlijk in orde gebracht wordt en dat er bij het sterven zulk een oud wijf tegenwoordig is, om gebeden en oude liedjes en tooverspreuken, zoo als zij ze noemen, op te zeggen; maar een geestelijke, die met en voor hen bidt, verkiezen zij niet. Zij blijven bij hunne oude gewoonte. En ik geloof zeker, dat die stervende één van de mannen geweest is, die gekwetst zijn, toen Woodbourne afgebrand is.”
„Maar, waarde vriend, Woodbourne is niet afgebrand!”
„Des te beter voor hen, die het huis bewonen. Bij ons heeft men verhaald, dat het geheel verwoest en er geen steen op den ander gebleven was. Maar er is toch gevochten en, ik durf wel zeggen, hevig gevochten. En, zoo als ik gezegd heb, gij kunt er gerust op wezen, dat die man daarbij doodelijk gekwetst is en dat het Heidenen zijn, die uw valies gestolen hebben, toen zij het rijtuig in de sneeuw vast vonden zitten. Zoo’n goede gelegenheid laten zij niet licht voorbijgaan; het was juist een kolfje raar hun hand.”
„Maar als die vrouw met zoo veel gezag onder hen bekleed is, waarom kon zij mij dan niet openlijk in bescherming nemen en mij mijn eigendom doen teruggeven?”
„Ja, wie weet dàt? zij heeft veel over hen te zeggen, maar zij gaan toch hun eigen gang, als zij in verzoeking komen. En dan waren er ook smokkelaars bij; misschien had zij over hen zoo veel niet te zeggen. Dat is alles ééne bende, en men zegt, dat de Heidenen beter weten wanneer en waar de smokkelaars zullen landen, dan de kooplieden zelve, met wie zij handel drijven. Dan komt hier nog bij, dat die oude Meg soms wonderlijk en niet goed bij haar verstand is. Men zegt, dat zij zelve, hare waarzeggerijen mogen dan waar of valsch zijn, vast en zeker daaraan gelooft en zich steeds naar de eene of andere wonderlijke voorspelling regelt. Dus gaat zij nooit langs den rechten weg tot haar doel. – Maar de drommel hale mij, als ik zulk eene geschiedenis, als de uwe, met dat getier, dat lijk en dat verdwalen, ooit in een boek gelezen heb! Doch stil, ik hoor den cipier komen!”
Mac-Guffog kwam hen inderdaad door het geraas van slot en grendel in hun gesprek storen, stak zijn hoofd binnen de deur en zeide: „Kom, Mijnheer Dinmont! wij hebben, om u genoegen te doen, het sluiten reeds een uur uitgesteld; gij moet nu naar uwe herberg gaan.”
„Naar mijne herberg, man? Ik denk van nacht hier te slapen. Er is nog een bed over in deze kamer.”
„Dat is onmogelijk,” hernam de cipier. [247]
„Maar ik zeg, dat het wel mogelijk is en dat ik hier niet van daan ga. Daar, drink eens!”
Mac-Guffog dronk en opperde op nieuw zijne bezwaren. „Het is tegen den regel, Mijnheer Dinmont! gij hebt u aan geene misdaad schuldig gemaakt.”
„Ik sla je de hersens in, als gij nog langer tegenspreekt, en die misdaad zal wel groot genoeg wezen, om mij recht op een nachtverblijf hier te verschaffen.”
„Maar ik zeg u,” herhaalde de cipier, „dat het tegen den regel is en ik er mijn post door zou kunnen verliezen.”
„Hoor, Mac-Guffog; ik heb u slechts twee woorden te zeggen. Gij weet wel, wie ik ben, en dat ik geen gevangene zal helpen ontsnappen.”
„En hoe zou ik dat weten?”
„Goed; als gij dat niet weet, dan weet gij toch wel wat anders. Gij weet, dat gij soms om uwe zaken in ons dal komt; indien gij mij nu gerust hier bij den kapitein laat, zal ik u mijne huisvesting dubbel betalen; als gij „neen” zegt, dan krijgt gij de eerste maal, dat gij weder een voet in het Liddesdal zet, het heerlijkste pak slagen, dat gij ooit van uw leven gehad hebt.”
„Bedaard, bedaard, Mijnheer Dinmont!” hernam, Mac-Guffog. „Een’ stijfkop moet men zijn zin wel geven. Maar als ik daarvoor bestraft word, dan weet ik wel, wie daarvoor boeten zal.” Hij bevestigde deze betuiging met een paar krachtige vloeken en begaf zich te bed, nadat hij alle deuren zorgvuldig gesloten had. De klok van den kerktoren sloeg juist negen uur.
Na het vertrek van den cipier zeide Dinmont, die opgemerkt had, dat zijn vriend er eenigszins bleek en vermoeid uitzag: „Ofschoon het nog vroeg is, moesten wij ons, dunkt me, maar nederleggen, kapitein, als gij geen tweede flesch verkiest te ledigen. Maar gij zijt geen sterke drinker en ik ook niet, tenzij ik vroolijk onder mijne buren, of op een pretje uit ben.”
Bertram stemde gaarne hierin toe, maar gevoelde, toen hij het bed beschouwde, zeer weinig lust om zich ontkleed op het schoone linnen van vrouw Mac-Guffog neder te leggen.
„Ik ben van hetzelfde gevoelen, kapitein,” zeide Dinmont, „dit bed ziet er uit, alsof er een dozijn mijngravers te gelijk in gelegen hadden. Maar door mijn dikken jas zal het niet heen dringen.”
Met deze woorden wierp hij zich zoo zwaar op het zwakke bed neder, dat al het houtwerk kraakte, en hij gaf weinige minuten daarna hoorbare bewijzen dat hij in een diepen slaap gedompeld was. Bertram trok rok en laarzen uit en legde zich op het andere bed neder. Het vreemde van zijn lot, en de geheimzinnige duisternis, waaronder het gesluierd was, daar hij te gelijker tijd door onbekende vijanden vervolgd en door onbekende vrienden, beiden uit eene volksklasse, waarmede hij vroeger in geenerhande betrekking had gestaan, beschermd scheen te worden, hielden zijn geest geruimen tijd bezig. Vermoeidheid bracht hem echter langzamerhand tot bedaren en hij viel weldra in een even diepen slaap, als zijn getrouwe vriend.
In dezen gerusten staat van vergetelheid moeten wij hem thans verlaten, om ons met andere omstandigheden, welke omstreeks denzelfden tijd plaats hadden, bezig te houden. [248]