„– Ge hebt me van mijn land beroofd,
Mijn hout gekapt, boomen geveld,
Mijn wapenschild van boven deur en poort
neergehaald. Ge hebt me niets gelaten
Dan het geloof des volks in mijn eigen bloed,
Om te bewijzen dat ik nog van adel ben!”
Shakspeare.
Zoodra de kapitein met de boot aan boord gekomen was, werden de zeilen geheschen en de ankers gelicht. Drie saluutschoten voor het kasteel van Ellangowan werden gelost, en een gunstige landwind verwijderde het schip snel van de kust.
„Ei zie toch!” zei de heer van de plaats tot zijn gast, dien hij reeds eenigen tijd gezocht en nu gevonden had, „daar varen zij heen, daar gaan de smokkelaars heen. Dat is Dirk Hatteraick, kapitein van de Juffer Hagenslapen, half Schot, half Hollander, half duivel! Dat gaat er door, den boegspriet uitgestoken, het groote zeil, topzeil en bramzeil, marszeil en alle zeilen in top, en dan voort – hem volge, wie maar kan! Die vent, Mijnheer Mannering, is de schrik van alle tolschepen; zij kunnen hem niets doen; hij slaat ze af, of weet altijd weg te komen. Maar het spreken over den tol herinnert me er aan, dat ik u tot het ontbijt noodigen wilde; gij zult een kopje thee drinken, dat –”
Mannering bemerkte nu, dat de gedachten van Bertram zich wonderlijk aaneen schakelden, en bracht hem, voor dat hij verder afdwaalde, door eene vraag naar Dirk Hatteraick, weder op het punt, waarvan hij was uitgegaan.
„Ja hij is – geen kwade, maar een vermetele deugniet; – een ieder wachte zich, om hem iets in den weg te leggen; een smokkelaar, als hij zijne kanonnen tot ballast gebruikt, – een kaper, of liever zeeroover, wanneer ze op de affuiten liggen. Niemand heeft de tolbedienden zooveel schade gedaan, als hij.”
„Dan verwondert het mij, Mijnheer Bertram, dat iemand van zijn aard hier bescherming en aanmoediging vindt.”
„Waarom, Mijnheer Mannering? Men moet toch brandewijn en thee hebben, en men kan ze niet anders dan langs dien weg bekomen. Daarbij wordt er ook niet scherp gerekend, en vindt men tegen Kersmis ook wel eens een paar vaatjes, of een dozijn pond thee voor de staldeur, in plaats van de vervloekte lange rekeningen van den kruidenier te Kippletringan, die altijd klinkende munt wil hebben, of op zijn best zeer kort crediet geeft. En Hatteraick neemt hout of garst, of wat het ook wezen mag, aan. Ik zal u eene fraaie grap daarvan verhalen. Er was eens een heer, Macfie van Gudgeonford, die eene groote menigte kippen had, welke de pachters, in plaats van pacht of huur, aan den landheer betalen; – die ik krijg, zijn altijd zeer slecht gevoerd; verleden week zond mij Luckie Finiston er drie; het was schande, zoo als ze er uitzagen, en zij heeft toch eene flinke pachthoeve – het is de [38]vrouw van Duncan Finiston, die onlangs gestorven is; – we moeten toch allen eenmaal sterven; – wij spreken nu wel over sterven, maar laat ons intusschen leven: het ontbijt staat op de tafel en de Dominé is gereed, het gebed te doen.”
Sampson deed diensvolgens een gebed, hetwelk veel langer was, dan Mannering van den woordkarigen man verwacht had. De thee, welke zonder twijfel van den edelen kapitein Dirk Hatteraick afkomstig was, werd voortreffelijk gevonden. Mannering gaf echter, met de noodige bescheidenheid, een wenk betreffende het gevaar, dat er in gelegen was, om zulke gevaarlijke menschen aan te moedigen. „Ware het dan alleen om rechtvaardig te zijn op het punt van het tolwezen, zoo zou ik toch denken. –”
„O! de tolbedienden,” zei Bertram, die nooit een algemeen of afgetrokken denkbeeld vatte, en bij tolrecht of tolwezen aan niets anders dacht, dan aan opzichters, ontvangers en andere tolbedienden, die hij bij toeval kende; – „de tolbedienden weten wel voor zich zelven te zorgen. Niemand behoeft hen te helpen, en buitendien hebben zij de soldaten ook nog tot hun bijstand. En wat het recht aangaat, daarmede heb ik niets te doen, want Mijnheer Mannering! het zal u zeker verwonderen te hooren, dat ik niet eens vrederechter ben.”
Mannering toonde de verwondering bij hem verondersteld, ofschoon hij bij zich zelven dacht, dat het achtbare gerechtshof er niet veel nadeel bij leed, dat zijn goedaardige gastheer geen lid daarvan was. De heer Bertram was door dit gesprek op een van die weinige onderwerpen gekomen, waarin hij veel belang stelde en waarover hij met eenig vuur sprak. „Neen, Mijnheer,” vervolgde hij, „de naam van Godfried Bertram van Ellangowan is niet op de lijst der nieuw benoemde vrederechters, ofschoon hier bijna ieder landeigenaar, hoe gering zijn eigendom ook wezen moge, naar de vergaderingen van het gerechtshof moet rijden en den titel van vrederechter achter zijn naam mag plaatsen. Ik weet echter best wien ik dat te danken heb. Sir Thomas Kittlecourt zei bijna ronduit, dat hij het mij betaald zou zetten, als ik hem bij de laatste verkiezing niet helpen wilde, – en omdat ik liever partij koos voor mijn eigen bloedverwant, den heer van Bulraddery, schrapten zij mijn naam van de lijst der kiezers en nu, dat men vrederechters benoemt, laat men mij er buiten! En als ze zeggen, dat het gebeurt omdat ik den veldwachter Mac-Guffag de stukken liet opmaken en alles zelf doen, alsof ik een wassenbeeld was, dan is dat gelogen; – want van mijn leven heb ik niet meer dan zeven bevelen tot arrestatie uitgevaardigd, en de Dominé schreef ze allemaal – en het was niet dan bij ongeluk, dat in die malle zaak van Mac-Gruttier de dienders hem een paar dagen in het oude slot opgesloten hielden, tot zij eene goede gelegenheid konden vinden om hem naar de gevangenis over te brengen, – wat mij, tusschen twee haakjes, – een boel geld kostte. – Ik begrijp echter best wat Sìr Thomas wil; – even als in de quaestie over de zitplaats in de kerk te Kilmagirdle. – Ik zou ook wel willen weten, of die plaats in de voorste bank mij niet eerder toekwam dan Mac-Crosskie van Creschstone, den zoon van een wever uit Dumfries?”
Mannering gaf zijne sympatie te kennen met al deze grieven.
„Ja, Mijnheer Mannering, – en dan was de geschiedenis over den weg en den dijk. – Daar stookte Sir Thomas ook achter en ik zeide ronduit aan den Griffier, dat bij hem de aap uit de mouw kwam, – en daar konden zij van maken wat ze verkozen. Nu vraag ik u, of eenig fatsoenlijk man, – of eenige fatsoenlijke lieden, het in ’t hoofd zouden krijgen om een weg aan [39]te leggen dwars over den hoek van een ingedijkten polder en – zoo als mijn rentmeester zeide, minstens twee roeden weiland bederven? En dan was er weêr de zaak over de benoeming van een ontvanger van –”
„’t Is zeker hard voor u, Mijnheer, om met minachting te worden bejegend in een streek waar uwe voorouders, – naar hun aloud verblijf te oordeelen, – eene zeer belangrijke rol hebben gespeeld.”
„Wel waar, Mijnheer Mannering! – Ik ben een eenvoudig man, die zich niet veel daarop laat voorstaan, en daar niet veel van weet; maar ik wilde wel, dat gij mijn vader had kunnen hooren vertellen van de oude gevechten der Mac-Dingawaies (de voorouders der tegenwoordige Bertrams) tegen de Ier- en Hooglanders, die met hunne volgelingen uit Ilay-Cantyre hierheen kwamen, en van hunne tochten naar het Heilige land, naar Jeruzalem en Jericho, met hun geheelen stam. (Zij zouden beter gedaan hebben niet naar Jamaïka te trekken, als de oom van Sir Thomas Kittlecourt); maar zij hebben reliquien, zoo als de Katholieken hebben, en een vaandel, dat nog op den zolder ligt, vandaar medegebracht. Zij hadden beter gedaan, indien zij uit Jamaïka kisten met suiker en vaten met rum medegebracht hadden; dan zou het er thans met deze bezittingen beter uitzien. Er is echter geen vergelijking tusschen het slot van Kittlecourt en het kasteel van Ellangowan. Hun gebouw heeft een front van nog geen veertig voet. – Maar gij vergeet het ontbijt geheel en al, Mijnheer Mannering! Proef toch iets van dezen ingelegden zalm. John Hay heeft hem juist Zaterdag voor drie weken gevangen in de beek bij Hempseed – enz. enz.”
De gastheer, wiens verontwaardiging hem een tijdlang bij één onderwerp bepaald had, verviel nu weder tot zijne gewone afdwalingen onder het spreken, zoodat Mannering overvloedig tijd had, om na te denken over het vervelende van een toestand, die hem voor een uur nog benijdenswaardig voorgekomen was. Hij hoorde hier een landedelman, wiens meest prijzenswaardige eigenschap zijne goedaardigheid scheen te zijn, zich zelven kwellen en tegen anderen morren, en dat over zaken, welke, bij wezenlijke ongelukken vergeleken, als een stofje aan de weegschaal wegen. Maar zoo bedeelt de Voorzienigheid allen met gelijke rechtvaardigheid, en diegenen, welke geene zware rampen ondervinden, worden door kleinigheden gekrenkt, die hunne blijmoedigheid storen.
Nieuwsgierig om de zeden des lands te leeren kennen, vroeg Mannering na een geëindigd verhaal van zijn gastheer, wat kapitein Hatteraick toch met de Heidin te doen kon hebben? „Ik denk dat zij zijn schip moest zegenen. Gij moet weten, Mijnheer Mannering, dat deze vrijhandelaars, of smokkelaars, zoo als de wet hen noemt, geen godsdienst hebben, maar in het algemeen zeer bijgeloovig zijn en veel met bezweringen, tooverspreuken en dergelijken onzin ophebben.”
„IJdelheid en nog erger,” sprak Sampson. „Het is omgang met den booze. Bezweringen, amuletten, tooverspreuken zijn van hem afkomstig – uitgezochte pijlen uit den koker van Apollyon.”
„Houd je toch stil, Dominé! gij spreekt ook onophoudelijk,” (het waren de eerste woorden, die de arme man, behalve het gebed en de dankzegging, den geheelen morgen gesproken had), „mijnheer kon om u immers niet aan het woord komen! En nu, Mijnheer Mannering, terwijl wij over waarzeggerij, bezweringen en dergelijken spreken, valt het mij in; zijt ge zoo goed geweest om te denken aan hetgeen, waarover wij gisteren avond gesproken hebben?”
„Ik begin bijna met uwen waardigen vriend te denken, Mijnheer Bertram, [40]dat ik met scherpe messen gespeeld heb. Ofschoon gij, noch ik, noch eenig ander verstandig mensch aan de voorspellingen der sterrenwichelarij geloof kan hechten, zoo is het toch wel eens gebeurd, dat in scherts gedane navorschingen in de toekomst een ernstigen en nadeeligen invloed, zoowel op handelwijze als op het karakter, gehad hebben: dus verzoek ik u, mij van het antwoord op uwe vraag te verschoonen.”
Zoo als gemakkelijk vooruit te zien was, spande deze uitvlucht de nieuwsgierigheid van Bertram nog hooger. Mannering had nochtans stellig besloten, het kind niet bloot te stellen aan de ongemakken, welke er uit voortvloeien konden, indien de ouders wisten, dat het een ongelukkig lot voorspeld was. Hij stelde daarom het papier, dat zijne lotsvoorspelling bevatte, verzegeld aan zijn gastheer ter hand, met dringend verzoek, om het tot het einde van November na verloop van vijf jaren, ongeopend te bewaren. Hij gaf hem de vrijheid om, als die tijd verstreken zou zijn, het geheim geschrift te openen, vertrouwende, dat men aan den verderen inhoud ook geen geloof zou hechten, als het eerste onheilspellend tijdperk zonder ongelukken verstreken was. Bertram beloofde dit zonder tegenspraak. Om hem zijne belofte des te beter te doen houden, gaf Mannering hem nog te verstaan, dat er zeker het een of ander ongeluk plaats zoude hebben, indien zijn verzoek niet stipt nagekomen werd. Voor het overige verliep de dag, welke Mannering nog op Bertrams verzoek, te Ellangowan doorbracht, zonder eenig merkwaardig voorval. Den volgenden morgen liet onze reiziger zijn paard zadelen, nam hartelijk afscheid van zijnen vriendelijken gastheer en diens geestelijken huisvriend, herhaalde zijne wenschen voor het welzijn van het geheele huis, en verdween hierop spoedig uit het gezicht der bewoners van Ellangowan, terwijl hij den weg naar Engeland insloeg. Ook wij verliezen hem nu uit het gezicht, tot hij in een later tijdperk van zijn leven, waarop deze geschiedenis betrekking heeft, weder te voorschijn treedt.