[Inhoud]

TWEE EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

En, Sheriff, mijn woord van eer verpand ik u,

Dat ik hem morgen, vóor het middaguur,

Zal zenden om u – of wien ge wilt –

Op alles wat men vraagt te antwoorden.

Hendrik IV. 1ste deel.

Toen de in het vorige hoofdstuk verhaalde tusschenspelen, zoo als men ze noemen kan, onder de verscheidene te Woodbourne aanwezige personen afgeloopen waren, werd eindelijk het gezelschap aan de ontbijttafel voltallig, met uitzondering van Dinmont, die zijn smaak, zoowel wat voedsel als gezelschap betreft, gehuldigd had door zijn kopje thee met een paar lepels cognac er in te gebruiken bij de huishoudster, terwijl hij zijn maag versterkte met eenige flinke sneden koud rundvleesch. Hij was ook van gevoelen, dat hij tweemaal zoo veel eten en praten kon met Barnes en de huishoudster, als met de „groote lui” in de zaal. En inderdaad heerschte er een veel opgeruimder toon onder dit minder aanzienlijk gezelschap dan onder hunne meerderen, daar er blijkbaar iets gedwongens was in de houding van alle aanwezigen. Julia’s stem was nauwelijks hoorbaar, als zij Bertram vroeg, of hij nog een kopje thee verlangde. Bertram was even verlegen, terwijl hij zijn broodje onder Mannering’s oog at. Lucie begon, terwijl zij zich geheel aan hare teedere genegenheid voor den wedergevonden broeder overgaf, aan zijn twist met Hazlewood te denken. De kolonel gevoelde de pijnlijke ongerustheid, welke een trotschen geest eigen is, wanneer hij meent, dat anderen een waakzaam oog zelfs op zijne geringste handelingen vestigen. De rechtsgeleerde zag er, onder het smeeren van zijn brood, ongemeen ernstig uit. Slechts Sampson scheen in verrukking. Dan eens keek hij Bertram, dan weder Lucie aan. Hij grijnsde, hij lachte en beging allerhande misslagen tegen de welvoegelijkheid. Hij goot al den room (geene ongelukkige vergissing) in den schotel brei, welke, als zijn gewoon ontbijt, voor hem bestemd was; goot het onderste uit het kopje thee, waarmede hij steeds zijn ontbijt besloot, in den suikerpot, in plaats van in de daartoe bestemde kom, en stortte eindelijk het heete vocht op den ouden Plato, des kolonels lievelingshond, die dit drankoffer met een gehuil ontving, dat zijner wijsbegeerte weinig eer aandeed.

Bij dezen laatsten misslag verloor de kolonel eenigszins zijne bedaardheid. „Waarlijk, mijn beste Sampson,” zeide hij, „gij schijnt het onderscheid tusschen Plato en Zenocrates te vergeten.”

„De eerste was het hoofd der Platonisten, de laatste dat van de Stoïcijnen,” antwoordde Sampson, eenigszins gebelgd over deze veronderstelling.

„O ja, mijn vriend; maar het was Zenocrates, en niet Plato, die beweerde, dat men gevoelloos voor pijn moest zijn.”

„Ik zou denken,” hernam Pleydell, „dat deze eerbiedwaardige viervoeter, die nu op drie beenen uit de kamer hinkt, eerder als een aanhanger der Cynikers moest beschouwd worden”

„Goed gevonden,” hernam de kolonel. – „Maar hier komt reeds antwoord van Mac-Morlan.” [288]

Dit antwoord was niet naar wensch. Mevrouw Mac-Morlan berichtte dat haar echtgenoot zich te Portanferry bevond, om de gevaarlijke ongeregeldheden, welke daar plaats gehad hadden, te onderzoeken.

„Wat moet er nu gedaan worden, Mijnheer Pleydell?” vroeg de kolonel.

„Het spijt mij, den bijstand van den heer Mac-Morlan, zonder twijfel een zeer verstandig man, vooreerst te moeten missen. Maar dat is van geen overwegend belang. Onze jonge vriend moet in de eerste plaats sui juris1 verklaard worden. Hij is thans een ontvluchte gevangene, op wien de wet nog eenige aanspraak heeft. Hij moet rectus in curia2 kunnen verschijnen; dat is het voornaamste. Om dit te bewerken, zal ik met u naar Hazlewood-house rijden, kolonel. De afstand is niet groot. Wij bieden onzen borgtocht aan en ik vertrouw, dat ik Mijnheer – ik vergis mij, – sir Robert Hazlewood gemakkelijk bewijzen zal, dat hij dien aannemen moet.”

„Zeer gaarne,” antwoordde de kolonel en schelde, om de noodige bevelen te geven. „En wat moet er dan gedaan worden?”

„Dan moeten wij de komst van Mac-Morlan afwachten en meer bewijzen verzamelen.”

„Bewijzen! de zaak is immers zoo klaar als de dag. De heer Sampson, Lucie Bertram en gij zelf, gij allen erkent onzen gast als het sprekend evenbeeld van zijn vader, en hij zelf herinnert zich zoo vele bijzonderheden, welke vóor en bij zijne verwijdering uit Schotland plaats gehad hebben. Wat kan er meer tot overtuiging noodig zijn?”

„Tot eene zedelijke overtuiging misschien niets; maar tot een bewijs in rechten ontbreekt er nog veel. Bertram’s herinneringen zijn zijne eigene herinneringen en kunnen dus niet als bewijzen te zijnen voordeele gelden. Juffrouw Bertram, de heer Sampson en ik kunnen enkel zeggen, wat een ieder, die wijlen den heer van Ellangowan gekend heeft, toestemmen zal, dat deze jonge man zijn levend evenbeeld is; – maar dit maakt hem niet tot den zoon van Ellangowan en geeft hem diens bezittingen niet terug.”

„En wat wordt daartoe gevorderd?”

„Klare en zekere bewijzen. Hiertoe waren misschien de Heidenen te gebruiken; maar deze zijn, helaas, in het oog der wet bijna eerloos, zoodat hunne getuigenis bezwaarlijk wordt aangenomen. En dit is bovenal het geval met Meg Merrilies, omdat zij voorheen zulke verschillende verklaringen omtrent dit geval heeft afgelegd en zij, toen ik haar dienaangaande verhoorde, onbeschaamd loochende, dat zij eenige kennis van de zaak droeg.”

„Maar wat moet er dan gedaan worden?”

„Wij moeten beproeven welke bewijzen wij in Holland van de menschen, welke onzen jongen vriend opgevoed hebben, verkrijgen kunnen. Maar de vrees, dat er misschien rekenschap omtrent den moord van Kennedy van hen gevorderd kon worden, zal hen wellicht doen zwijgen, en als zij ook al spreken, dan blijven zij toch vreemdelingen, of buiten de wet gestelde smokkelaars. Met één woord, ik zie overal bezwaren.”

„Onder uw welnemen, zeer geleerde en geëerde heer,” hernam Sampson, „ik vertrouw dat Hij, die den kleinen Hendrik Bertram aan zijne vrienden heeft wedergegeven, zijn werk niet onvoltooid zal laten.” [289]

„Dat vertrouw ik ook Sampson, maar wij moeten de middelen daartoe in het werk stellen, en ik vrees dat het moeielijker zal zijn om ze te vinden, dan ik in het eerst dacht. Maar – „die niet waagt, die niet wint.” – en (ter zijde tot Julia Mannering, terwijl Bertram zich met zijne zuster onderhield) – „laat mij in het voorbijgaan aanmerken – hier ziet gij nu een levendig bewijs, om de eer van Holland tegen u op te houden. Want denk eens welke knappe mannen Leiden en Utrecht moeten opleveren, als er reeds zulk een hupsch en beschaafd jonkman uit de scholen van Middelburg komt!”

„Dat is wel zoo,” hernam Sampson, naijverig op den’ roem der Hollandsche scholen, „dat is wel zoo, Mijnheer Pleydell maar ik moet u zeggen, dat ik zelf den grond tot zijne opvoeding gelegd heb.”

„Juist, mijn waarde Sampson! en dat geeft de beste verklaring van zijne bevallige manieren. – Maar het rijtuig is gereed kolonel! – Tot wederziens dames! Juffrouw Julia, pas goed op uw hart tot ik wederkom, opdat mijne rechten gedurende mijne afwezigheid niet benadeeld worden.”

Ofschoon de baronet den kolonel Mannering over het algemeen veel hoogachting betoonde en de heer Pleydell een oud vriend van hem was, werden zij thans buitengemeen koel en plechtig te Hazlewood-House ontvangen. Sir Robert’s houding was stijf en verlegen. „Ik zou anders gaarne uw borgtocht aannemen,” zeide hij, „niettegenstaande de beleediging den jongen Hazlewood van Hazlewood onmiddellijk betreft en hem aangedaan is; maar de dader heeft zich een verdichten rang aangematigd, en is een mensch, dien men niet zonder gevaar in vrijheid stellen, loslaten of aan de samenleving wedergeven kan; en derhalve –”

„Ik hoop, Sir Robert Hazlewood,” hernam de kolonel, „dat gij niet aan mijn woord zult willen twijfelen, als ik u verzeker dat hij als kadet in Indië onder mij gediend heeft.”

„Geenszins, in het geheel niet. Maar gij spreekt van kadet en hij zegt, verzekert en houdt staande, dat hij ritmeester bij uw regiment is.”

„Hij is zeker bevorderd, sedert ik het bevel nedergelegd heb.”

„Maar dan moest gij er toch van gehoord hebben.”

„O neen. Ik heb Indië om familiezaken verlaten en heb mij, sedert mijne terugkomst in het vaderland, zeer weinig om hetgeen mijn regiment betrof bekommerd. Buitendien is Brown zulk een algemeene naam, dat ik zijne bevordering in de nieuwsbladen heb kunnen lezen, zonder er bijzonder acht op te slaan. Maar na een paar dagen verwacht hij brieven van zijn kolonel.”

„Ik heb gehoord en vernomen, Mijnheer Pleydell!” hernam Sir Robert weder, „dat hij zich niet bij dezen naam van Brown zal houden, maar onder den naam van Bertram aanspraak op de heerlijkheid Ellangowan denkt te maken.”

„En wie zegt dat?” vroeg Pleydell.

„En, wie dit ook zeggen moge,” hervatte Mannering, „geeft dit recht, om hem gevangen te houden?”

„Stil kolonel!” zei Pleydell, „ik ben overtuigd dat gij u even weinig voor hem in de bres zoudt willen stellen als ik, indien hij als een bedrieger ontmaskerd werd. – Maar in vertrouwen, Sir Robert, wie heeft u hiervan onderricht?”

„Een man, Mijnheer Pleydell, wien er bijzonder veel aan gelegen ligt, om deze zaak grondig te onderzoeken, uit te vorschen en op te helderen. Gij zult mij, hoop ik, wel verschoonen als ik mij niet nader verklaar.”

„O, zonder twijfel. En hij zegt?”

„Hij zegt dat er onder de ketellappers, Heidenen en andere landloopers [290]gemompeld wordt dat er zulk een plan bestaat, en dat deze jonge man, een natuurlijke of onechte zoon van den laatsten heer van Ellangowan, deze rol zal spelen, omdat hij zoo sprekend op den overledene gelijkt.”

„En was er dan zulk een onechte zoon, Sir Robert?”

„Zonder twijfel, dat weet ik zeker. Ellangowan heeft hem, door tusschenkomst van een zijner bloedverwanten, wijlen den Rijks-commissaris Bertram, als kajuitsjongen op een gewapend tolschip geplaatst.”

„Wel, gij verhaalt mij daar iets nieuws, Sir Robert!” hernam Pleydell, den ongeduldigen kolonel het woord uit den mond nemende. „Ik zal dit nader onderzoeken, en als ik bevind, dat het waarheid is, dan trekken wij, de kolonel en ik, de handen van dezen jongen man af. Daar wij intusschen bereid zijn, hem te allen tijde voor het gerecht te doen verschijnen om op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen te antwoorden, zoo verzeker ik u, dat gij tegen de wet handelt en u aan eene zware verantwoordelijkheid blootstelt, als gij onzen borgtocht weigert.”

„Wel nu, Mijnheer Pleydell,” hernam de Baronet, die veel ontzag had voor diens rechtsgeleerde kennis, „daar gij dit het best weet en belooft den jongen man uit te leveren –”

„Als het blijkt dat hij een bedrieger is.”

„Wel zeker; en op deze voorwaarde zal ik uw borgtocht aannemen, niettegenstaande ik u kan verzekeren, dat éen mijner buren, een verplichtend, welgezind en vriendelijk man, die ook veel rechtskennis bezit, mij nog heden morgen een wenk gegeven heeft, dat niet te doen. Van hem heb ik ook vernomen, dat het jonge mensch in vrijheid gesteld en uit de gevangenis gekomen, of liever gebroken was. – Maar waar vinden wij iemand om den borgtocht op te stellen?”

„Daarvoor is reeds gezorgd,” hernam Pleydell en trok aan de schel. „Ik heb mijn klerk Driver medegebracht en reken het niet beneden mij, hem het stuk in de pen te geven.”

De borgtocht werd dus geschreven en onderteekend, en Sir Robert teekende een bevel tot loslating van Bertram, anders Brown genaamd.

Hierop namen Mannering en Pleydell afscheid van den baronet. Zij plaatsten zich elk in een hoek van het rijtuig en spraken in het begin geen woord. Eindelijk brak de kolonel het stilzwijgen af en zeide: „Gij wilt dus dezen armen jongen, bij het eerste bezwaar dat gij ontmoet, in den steek laten?”

„Wie? ik? – Daar kan geen sprake van zijn, al moest ik zijne tegenstanders tot voor het hoogste gerechtshof vervolgen. Maar waarom zou ik met dien ouden gek twisten en hem omtrent mijn voornemen inlichten? Het is veel beter, dat hij zijn raadsman, Glossin, meldt, dat wij onverschillig en lauw in de zaak zijn. En buitendien wilde ik den vijand gaarne eens in de kaart kijken.”

„Zoo? Gij, heeren rechtsgeleerden, gebruikt dus uwe krijgslisten, even als wij dat in den oorlog doen. En wat zegt gij van de vijandelijke stelling?”

„Kunstmatig, maar ook zeer gewaagd, naar mijn gevoelen. Zij willen het (eene gewone fout bij zulke gelegenheden) al te listig aanleggen.”

Onder dit gesprek rolde het rijtuig snel voort. Vóor dat de kolonel en zijn vriend Woodbourne bereikten, ontmoetten zij echter den jongen Hazlewood. Mannering verhaalde hem, op welke wonderbaarlijke wijze de jonge Bertram wedergevonden was. Hazlewood luisterde met levendige deelneming naar dit bericht, gaf hierop zijn paard de sporen en snelde vooruit, om Lucie Bertram met deze blijde gebeurtenis geluk te wenschen. [291]

Wij moeten thans ook naar het te Woodbourne gebleven gezelschap terug keeren. Na het vertrek van Mannering en zijn vriend Pleydell naar Hazlewood-house, bleven de drie jonge lieden met Sampson en Dinmont bij elkander. Hun gesprek liep hoofdzakelijk over de lotgevallen en voormalige grootheid van het geslacht Ellangowan. „Het was dus onder de muren van den burcht mijner vaderen,” zei Bertram, „dat ik vóor eenige dagen als een voortvluchtige geland ben. De vervallen torens en donkere boogen wekten toen reeds belangstelling en herinneringen in mij op, die ik niet ontraadselen kon. Ik zal ze nu met andere aandoeningen en, naar ik vertrouw, met gunstiger vooruitzichten weder bezoeken.”

„Ga daar nu niet heen,” hernam zijne zuster. „Het huis onzer vaderen is thans de woning van een listigen en gevaarlijken ellendige, wiens kunstgrepen en laaghartige handelingen den ondergang van onzen ongelukkigen vader voltooid en hem het hart gebroken hebben.”

„Gij maakt mij slechts te begeeriger om den nietswaardigen, zelfs in den schuilhoek, waarin hij zich verbergt, onder het oog te treden. Ik heb hem reeds gezien, geloof ik.”

„Vergeet niet,” hernam Julia, „dat gij onder opzicht van Lucie en mij staat, en dat wij verantwoordelijk zijn voor al uw doen en laten. Ik ben niet te vergeefsch, twaalf uren lang, de uitverkorene van een rechtsgeleerde geweest; en ik verzeker u, dat het de grootste dwaasheid zou zijn, op dit oogenblik naar Ellangowan te gaan. Op zijn best kan ik toestaan, dat wij te zamen naar het eind van de laan wandelen. Dan zullen wij u misschien nog tot op de nabij gelegen hoogte op de heivlakte vergezellen, opdat gij van daar uw oog met het verwijderde gezicht van die donkere torens, welke een zoo sterken indruk op uwe verbeeldingskracht hebben gemaakt, kunt verkwikken.”

Dit voorstel werd spoedig aangenomen. De dames hulden zich in hare mantels en begaven zich, onder geleide van kapitein Bertram, op weg. Het was een heerlijke wintermorgen. Een zacht windje kleurde de bloeiende wangen der schoone wandelaarsters met een hooger rood. Een geheime band verbond de beide meisjes innig aan elkander, en Bertram vergold het genot, hetwelk hare verhalen over zijne familie hem veroorzaakten, door het vertellen van zijne avonturen in Europa en Indië. Lucie was trotsch op haren broeder, die zulke stoute, manhaftige gevoelens aan den dag legde en zoo vele gevaren met dapperen moed doorstaan had. Julia dacht over haars vaders woorden na en waagde het, zich met de hoop te vleien, dat deze den trotschen geest, welken hij in den onbekenden, onaanzienlijken Brown voor verwaande aanmatiging gehouden had, in den afstammeling en erfgenaam van Ellangowan als gepasten moed en een edel besef van eigenwaarde zou beschouwen.

Eindelijk bereikten onze wandelaars de bedoelde, reeds meermalen genoemde hoogte, Gibbie’s-knowe genaamd, reeds meermalen in dit verhaal vermeld, aan de grenzen van het grondgebied van Ellangowan gelegen. Van hier hadden zij een ruim uitzicht op een uitgestrekt, bekoorlijk met heuvelen en dalen afgewisseld landschap, met wilde bosschen omzoomd, die in dit jaargetijde eene donkerpurpere tint vertoonden; terwijl het uitzicht op sommige plaatsen door plantsoen, waarin de Schotsche dennen hunne menigvuldige schakeeringen van donkergroen ten toon spreidden, nauwer beperkt werd. Op den afstand van omstreeks een half uur vertoonde zich de baai van Ellangowan, welker golven door het koele windje zacht bewogen werden. De oude torens van het vervallen slot staken, helder verlicht door de stralen der onbewolkte winterzon, hoog hoven alle omringende voorwerpen uit. [292]

„Dáar,” zeide Lucie Bertram, op de bouwvallen wijzende, „dáar ligt de zetel onzer voorvaderen. God weet het, waarde broeder, dat ik voor u niet naar de uitgestrekte macht wensch, die de Heeren van dit oude slot, naar men zegt, zoo lang bezeten en soms zoo kwalijk gebruikt hebben. Maar mocht slechts zoo veel van hun vermogen het uwe worden, dat gij onafhankelijk leven en uwe hand hulpvaardig aan de oude, verlatene dienaren van ons geslacht kondt reiken, die door den dood van onzen armen vader –”

„Gij hebt gelijk, lieve Lucie,” hernam de jonge erfgenaam van Ellangowan, „en ik vertrouw dat deze hoop, door den bijstand des Hemels, die ons tot dus ver geleid heeft, en met de hulp van de wakkere vrienden, welke mij zoo edelmoedig hunne deelneming betoonen, eindelijk na zoo vele zware beproevingen vervuld zal worden. – Maar als soldaat moet ik dezen ouden vervallen steenklomp met belangstelling beschouwen; en indien de knaap die dit alles thans bezit, er een enkelen steen van verplaatst –”

Hier werd hij door Dinmont gestoord, die haastig naar hem toe kwam loopen en riep: „Kapitein, kapitein! men vraagt naar u! Zij vraagt naar u! gij weet wel wie ik bedoel.”

En plotseling kwam Meg Merrilies, alsof zij uit de aarde opsteeg, uit den hollen weg te voorschijn en stond vóór hem. „Ik zocht u in huis,” zeide zij, „en vond, (op Dinmont wijzende) niemand dan dezen. Maar gij hebt gelijk en ik heb ongelijk. Hier moest ik u vinden, hier op deze plaats. Gedenk uwe belofte en volg mij!”


1 Tot zijn’ eigen’ meester. 

2 Ongemoeid, veilig, bij den Rechter.