Ongeschikt voor dood of leven! – O versteende!
Volgt hem, menschen – sleept hem naar het blok!
Maat om maat.
De gevangenis in de hoofdplaats van het graafschap ** was een dier oude kerkers, welke Schotland tot voor korte jaren ontsierden. Toen de gevangenen hier met hunne wacht aankwamen, werd Hatteraick, wiens vermetelheid en sterkte wel bekend waren, in de zoogenaamde zaal der ter dood veroordeelden, een groot vertrek boven in de gevangenis, opgesloten. Een ronde ijzeren staaf, ter dikte van een mansarm boven den elleboog, liep op de hoogte van zes duimen boven den vloer dwars door dit vertrek, en was aan de beide einden in den muur gemetseld. De boeien, welke Hatteraick om de enkels had, werden met eene keten van omstreeks vier voet lengte aan een grooten ijzeren ring, die om de staaf liep, vastgemaakt. Dus kon de gevangene langs de staaf van de eene zijde van het vertrek naar de andere gaan, maar zich in eene andere richting niet verder van de staaf verwijderen, dan de lengte van de keten veroorloofde. Nadat zijne voeten op deze wijze vastgemaakt waren, ontboeide de cipier zijne handen en liet hem aan zich zelven over. Een veldbed was dicht bij de ijzeren staaf geplaatst, zoodat de geboeide gevangene, zonder losgemaakt te worden, zich, als hij verkoos, daarop uitstrekken kon.
Hatteraick was nauwelijks op deze wijze bezorgd, toen Glossin ook in de gevangenis aankwam.
Hij werd, uit aanmerking van zijn rang en opvoeding, niet geboeid en onder het opzicht van Mac-Guffog, die hier sedert de vernieling van het werkhuis te Portanferry, een soort van ondercipier was, in een ordelijk vertrek opgesloten. Zoodra Glossin zich alleen bevond en zijn toestand, met alle voor- en nadeelige kansen, bedaard overwogen had, kon hij zich niet overreden, dat zijn spel geheel hopeloos stond. „Ellangowan is verloren,” zeide hij bij zich zelven; „dat is niet te behouden, en Pleydell en Mac-Morlan zullen mijne aanspraak op alles tot op eene kleinigheid besnoeien. Mijn goede naam – indien ik er slechts het leven en de vrijheid afbreng, dan zal ik wel weder geld weten te winnen en een schoonen schijn aan de zaak kunnen geven. Laat ik alles eens nauwkeurig overwegen. – [315]
„Ik wist niets van den moord op Kennedy gepleegd, tot alles voorbij was, en hoewel ik aan de smokkelpartij iets verdiende, – is dat geen zware misdaad. – Maar kinderroof – dat is een veel ernstiger zaak. Laat eens zien: deze Bertram was destijds een kind; dus moet zijne getuigenis onvolkomen zijn; – de andere knaap is een deserteur en een eerlooze Heiden; – Meg Merrilies, die vervloekte heks, is dood. – Maar deze verwenschte wissels! – Hatteraick heeft ze zeker medegebracht, om mij te dreigen en geld af te persen. – Ik moet den schurk trachten te spreken en hem tot standvastigheid bewegen; ik moet hem overhalen, de zaak een anderen schijn te geven.”
Onder het smeden en regelen van plannen tot toekomstig bedrog, om daardoor vroeger bedrevene laagheden te bewimpelen, verliep de tijd tot aan het avondeten, hetwelk Mac-Guffog hem bracht. Glossin gaf hem een glas brandewijn, zeide hem eenige fraaie woorden en vroeg hem hierop, of er geene gelegenheid tot een gesprek met Dirk Hatteraick te vinden zou zijn.
„Onmogelijk! volstrekt onmogelijk!” antwoordde Mac-Guffog. „Het strijdt tegen de uitdrukkelijke bevelen van Mijnheer Mac-Morlan, en de kapitein,” (dus noemt men den oppersten cipier van eene hoofdgevangenis in Schotland) „zou mij zoo iets nooit vergeven.”
„Maar hij behoeft het immers niet te weten,” hernam Glossin en duwde Mac-Guffog een paar guinjes in de hand.
Mac-Guffog woog het goud, zag den gevangene scherp aan en zeide: „Ei, ei, Mijnheer Glossin! gij kent de wegen in dit huis. – Luister eens; wanneer straks de deuren gesloten worden, zal ik weder komen en u naar boven bij hem brengen. Maar gij moet den geheelen nacht in zijn vertrek blijven: want ik moet elken avond de sleutels aan den kapitein afgeven en kan u dus niet weêr afhalen. Maar morgenvroeg zal ik de gevangenvertrekken een half uur vroeger dan gewoonlijk bezoeken en u er uit laten, zoodat gij weder in uwe kamer kunt zijn, vóor dat de kapitein zijne ronde doet.”
Zoodra de klok van den naburigen toren tien ure geslagen had, kwam Mac-Guffog weder met eene dievenlantaren bij Glossin en zeide zachtjes: „Trek de schoenen uit en volg mij.” Zoodra Glossin buiten de deur was, riep Mac-Guffog, alsof hij zijn gewonen plicht deed en tegen den gevangene in de kamer sprak: „Goeden, nacht Mijnheer!” en sloot en grendelde de deur met veel geraas. Hierop bracht hij den gevangene langs een’ steilen, smallen trap naar den kerker van Hatteraick, ontgrendelde en ontsloot de deur, gaf de lantaren aan Glossin, wenkte hem dat hij binnen zou treden, en sloot de deur weder met dezelfde gemaakte zorgvuldigheid.
Bij het flauwe licht der lantaren kon Glossin in het eerst niets in het groote, donkere vertrek onderscheiden. Eindelijk ontdekte hij, naast de ijzeren staaf, die dwars door het vertrek liep, een slaapbank, waarop eene menschelijke gedaante lag. Glossin trad nader en riep met gesmoorde stem: „Dirk Hatteraick!”
„Donder en hagel!” antwoordde de gevangene en ging, onder het rammelen zijner boeien, overeindzitten. „Mijn droom wordt dan waar! Vertrek en laat mij aan mij zelven over – dat zou het best voor u zijn.”
„Hoe? beste vriend! laat gij den moed, door het uitzicht op eene gevangenschap van weinige weken, zoo geheel ter nederslaan?”
„Ja, want slechts een strop zal mij daaruit verlossen. – Laat mij met rust – bemoei u met uwe eigene zaken en draai het licht van mij af!”
„Kom, kom! beste Dirk! wees niet bevreesd. Ik heb een heerlijk plan, om alles weder goed te maken.” [316]
In de hel, met u en uwe plannen! Uwe plannen hebben mij reeds van schip en lading beroofd en zullen mij ook nog het leven kosten. – Ik droomde een oogenblik geleden, dat Meg Merrilies u bij de haren hierheen sleepte en mij het groote knipmes gaf, dat zij altijd droeg – gij weet niet, wat zij zeide. Wat drommel! Wees voorzichtig en breng mij niet in verzoeking.”
Maar Hatteraick, beste vriend! sta slechts op en spreek met mij.”
„Dat doe ik niet! gij zijt de oorzaak van al mijn ongeluk. Gij wildet Meg den jongen niet laten behouden; – zij zou hem terug gebracht hebben, als hij alles vergeten had.”
„Foei, Hatteraick! gij spreekt als een gek!”
„Duivel! wilt gij ontkennen, dat die vervloekte aanslag te Portanferry, welke mij schip en scheepsvolk heeft doen verliezen, enkel tot uw eigen voordeel door u ontworpen was?”
„Maar gij weet, dat de goederen” –
„Naar den satan met de goederen! dat verlies liet zich herstellen; maar, de duivel! het schip met al die rappe gasten en mijn eigen leven om een vervloekten, laffen schurk te verliezen, die zijne verwenschte streken altijd met eens anders handen wil uitvoeren! – Spreek niet meer tot mij. Ik ben gevaarlijk.”
„Maar, Dirk! – maar Hatteraick! hoor toch! ik wil u slechts een paar woorden zeggen.”
„Storm en onweer! neen.”
„Slechts één enkel woord.”
„Duizend duivels! – neen!”
„Sta dan ten minste op, Hollandsche stijfkop!” riep Glossin van drift buiten zich zelven, en schopte Hatteraick met den voet.
„Donder en bliksem!” riep Hatteraick! terwijl hij opsprong en Glossin aangreep; „gij wilt het dus?”
Door dezen woedenden aanval verrast, verdedigde Glossin zich wel, maar vruchteloos. Onder het worstelen viel hij met hevig geweld met den nek op de ijzeren staaf en Hatteraick met zijne geheele zwaarte op hem. De doodstrijd duurde nog eene geruime poos. Het vertrek, waarin Hatteraick opgesloten was, was juist boven de kamer van Glossin, en toch voelden de bewoners van het vertrek daaronder den schok van Glossin’s hevigen val en hoorden zij het geraas van het worstelen en steunen. Maar allerhande akelige geluiden werden hier te dikwijls gehoord, om nieuwsgierigheid of bijzondere belangstelling op te wekken.
Den volgenden morgen kwam Mac-Guffog, volgens belofte, vroeg en riep met een gesmoorde stem: „Mijnheer Glossin!”
„Roep luider,” antwoordde Dirk Hatteraick.
„Mijnheer Glossin, kom om Godswil mede!”
„Zonder hulp zal hij het bezwaarlijk kunnen doen,” hernam Hatteraick.
„Wat snapt gij daar, Mac-Guffog?” riep de kapitein van beneden.
„Maak om Godswil, dat gij voortkomt!” herhaalde Mac-Guffog.
Op dit oogenblik verscheen de kapitein met een licht. Met verbazing en ontzetting zag hij het lijk van Glossin in eene houding, welke geen twijfel aan zijn dood overliet, op de ijzeren staaf liggen. Hatteraick lag, slechts weinige voeten van zijn slachtoffer verwijderd, gerust op zijne slaapbank. Toen het lijk opgetild werd, bleek het, dat Glossin reeds eenige uren dood geweest was. Zijn lijk droeg duidelijke sporen van gewelddadigheid. De ruggegraat [317]was, ter plaatse waar ze met den schedel verbonden is, door den eersten val zwaar beleedigd. Aan den hals waren duidelijke sporen van verworging, welke met de zwarte kleur van het gelaat overeenstemden. Het hoofd zat geheel verkeerd, als of de hals met woedende kracht omgedraaid was. Het scheen, dat de verbitterde Hatteraick den ongelukkige bij de keel gegrepen en niet weder losgelaten had, vóor dat hij den laatsten adem uitblies. De lantaren lag gebroken en verpletterd onder het lijk.
Mac-Morlan was juist in de stad en kwam oogenblikkelijk, om het lijk te onderzoeken. „Wie bracht Glossin hier?” vroeg hij aan Hatteraick.
„De duivel!” antwoordde de booswicht.
„En wat hebt gij hem gedaan?”
„Hem vooruitgezonden naar de hel!” hernam de moordenaar.
„Ellendeling! gij hebt een leven, tot dus ver zonder eene enkele deugd doorgebracht, door den moord van uw lagen medeplichtige bekroond!”
„Deugd? wat drommel! ik ben den eigenaren van mijn schip altijd getrouw geweest – heb altijd, zelfs tot den laatsten stuiver toe van eene lading rekening gedaan. Hoor eens! bezorg mij pen en inkt en laat mij een paar uren alleen, opdat ik al het voorgevallene aan ons kantoor kan schrijven, wilt gij? – maar laat eerst dat kreng wegnemen.”
Mac-Morlan vond goed, den woesteling zijn verzoek toe te staan. Men gaf hem het gevraagde en liet hem alleen. Toen men de deur weder opende zag men, dat de verharde booswicht de gerechtigheid voorgekomen was. Hij had een touw van zijn rolbed genomen en aan een been, het overblijfsel van zijn middagmaal van den vorigen dag, vastgemaakt. Dit been had hij, zoo hoog als hij, op de ijzeren staaf slaande, reiken kon, in den muur vast weten te krijgen. Nadat hij zich den strop om den hals gedaan had, had hij zich laten zakken, alsof hij op de knieën wilde vallen, en was standvastig genoeg geweest, om zoo lang in deze houding te blijven, tot dat er geene standvastigheid meer noodig was. De brief, welken hij aan zijne reeders geschreven had, betrof wel voornamelijk handelszaken, maar behelsde ook verscheidene zinspelingen op den jonker van Ellangowan, zoo als hij hem noemde, en bevestigde dus volkomen alles, wat Meg Merrilies en haar neef gezegd hadden.
Het gevolg van het treurig uiteinde van deze beide misdadigers was, dat Mac-Guffog uit zijn dienst gejaagd werd, hoewel hij verklaarde (en deze verklaring bij eede bevestigen wilde), dat hij Glossin den avond, vóor dat deze dood in het vertrek van Hatteraick gevonden werd, goed en wel in zijn eigene kamer opgesloten had. Zijn verhaal vond nochtans geloof bij den achtbaren heer Skreigh en andere beminnaars van het wonderbare, die stijf en sterk volhielden, dat de Satan deze beide ellendelingen dien nacht, door zijne bovennatuurlijke tusschenkomst bij elkander gebracht had, opdat zij de maat hunner misdaden en haar loon door manslag en zelfmoord vol zouden meten. [318]