Dit is het einde – het slot van alles.
Swift.
Daar Glossin zonder erfgenaam stierf en den koopprijs nog niet betaald had, moest de heerlijkheid Ellangowan ten tweede male aan de schuldeischers van Godfried Bertram overgegeven worden, hoewel velen onder hen hunne aanspraken verliezen moesten, ingeval Hendrik Bertram zijn recht als erfgenaam kon doen gelden. Bertram stelde zijne zaken in handen van Pleydell en Mac-Morlan, maar onder uitdrukkelijke voorwaarde, dat iedere behoorlijk bewezene schuld van zijn vader tot den laatsten stuiver toe betaald moest worden, al zou hij zich daardoor ook genoodzaakt zien, naar Indië terug te keeren. Toen Mannering deze verklaring hoorde, drukte hij hem hartelijk de hand; en van dit oogenblik af aan heerschte de beste verstandhouding tusschen hen.
De aanzienlijke nalatenschap aan baar geld van mejuffrouw Margaretha Bertram en de milde ondersteuning van den kolonel stelden Bertram gemakkelijk in staat, om de rechtmatige schuldeischers te bevredigen, terwijl zijne wakkere gevolmachtigden voornamelijk in Glossin’s rekeningen zoo vele valsche en te hoog gestelde posten vonden, dat het geheele beloop der schulden aanmerkelijk verminderd werd. In deze omstandigheden aarzelden de schuldeischers geen oogenblik, om Bertram’s recht te erkennen en hem het huis zijner vaderen over te dragen. De jonge heer kwam met alle zijne vrienden van Woodbourne, om, onder het gejuich zijner pachters en andere landlieden uit de nabuurschap, zijn erfgoed in bezit te nemen, en Mannering was zoo begeerig, het opzicht over eenige veranderingen te hebben, welke hij Bertram aangeraden had, dat hij met zijn gezin van Woodbourne te Ellangowan kwam, hoewel het huis thans veel minder gemak en gerijfelijkheden opleverde.
De arme dominé was buiten zich zelven van vreugde. Hij vloog met twee treden te gelijk den trap op naar een ellendig bovenkamertje, zijn slaapvertrek in vroegere dagen, hetwelk hij, zelfs in zijne veel ruimere en aangenamere kamer te Woodbourne, nooit had kunnen vergeten. Eéne treurige gedachte kwam hier echter plotseling bij hem op – de boeken! – Geen drie kamers te Ellangowan te zamen waren groot genoeg, om deze schatten te bevatten. Terwijl dit ontmoedigend denkbeeld zijne ziel geheelenal vervulde, werd hij bij den kolonel geroepen, om dezen bij het nazien en berekenen van een plan tot een groot en prachtig huis te helpen, hetwelk op de plaats van het zoogenaamde nieuwe slot van Ellangowan in een met de pracht der naburige bouwvallen overeenstemmenden stijl gebouwd zou worden. Onder de menigvuldige kamers, die op de schetsteekening geschetst waren, was een der grootste bestemd voor de Bibliotheek; en een aardig, vroolijk vertrek daar naast droeg het opschrift: „Kamer van den heer Sampson.” Toen de goede man dit zag, riep hij in verrukking uit: „Ver–ba–zend! Ver–ba–zend! Ver–ba–zend!” [319]
De heer Pleydell had zijne vrienden voor eenigen tijd verlaten, maar keerde, volgens belofte, tegen Kerstmis, gedurende de vacantie van het gerechtshof, terug. Toen hij te Ellangowan kwam, vond hij niemand te huis dan den kolonel, die druk bezig was met plannen voor gebouwen en tuinen, waarin hij zeer bedreven was en veel genoegen schepte.
„Aha!” zeide Pleydell, „vind ik u hier! waar zijn de dames? waar is de schoone Julia?”
„Uitgegaan met den jongen Hazlewood, Bertram en den kapitein Delaserre, een zijner vrienden, die hem voor eenige dagen is komen bezoeken. Zij zijn naar Derncleugh gegaan, om het plan tot eene nieuwe hut te maken. Wel, zijt gij in uwe zaak geslaagd?”
„Volkomen en zeer gemakkelijk. Onze jonge vriend is door de „macers” tot erfgenaam verklaard en het besluit ter kanselarij berustende.”
„Macers? wie zijn dat?”
„Wel, het is eene soort van rechterlijke Saturnalia. Gij moet weten, dat het een der vereischten is, als men macer, of deurwaarder, bij ons hoogste gerechtshof wil zijn, om geene bekwaamheden te bezitten.”
„Dat is zonderling!”
„Nu hebben onze Schotsche wetgevers, denkelijk uit scherts, uit deze onkundige mannen een bijzonder gerechtshof benoemd, om uitspraak in zaken van verwantschap en afkomst, zoo als het geval van Bertram is, te doen, waarbij dikwijls de neteligste en ingewikkeldste vraagstukken voorkomen.”
„Zijn zij bezeten? Mij dunkt, dat moet zeer lastig zijn.”
„O, wij hebben een practisch hulpmiddel voor deze theoretische ongerijmdheid. Bij zulke gelegenheden nemen één of twee rechters naast hunne eigene deurwaarders zitting, als raadslieden, en besturen eigenlijk het geheele werk. Maar gij weet wel, wat Cujaccius zegt: Multa sunt in moribus dissentanea, mula sine ratione1. Doch hoe dit ook zij, dit gerechtshof heeft onze zaak ten onzen voordeele beslist en wij hebben, ter eere van het welgelukken onzer pogingen, meer dan één flesch heerlijken wijn bij Walkers geledigd. Mac-Morlan zal schrikken, als hij de rekening ziet.”
„Wees daarvoor niet bezorgd,” hernam de kolonel. „Dien schrik zullen wij het hoofd wel bieden en bovendien het landvolk bij mijne vriendin, vrouw Mac-Candlish te Kippletringan, vroolijk onthalen.”
„En Hans Jabos tot uw stalmeester nemen?”
„Misschien.”
„En waar is Dandie, de geduchte heer van het Liddesdal?”
„Teruggekeerd naar zijne bergen; maar hij heeft Julia beloofd, ons in den aanstaanden zomer met zijne vrouw en ik weet niet hoeveel kinderen te bezoeken.”
„Die aardige kroeskopjes! Dan moet ik ook komen, om blindemannetje en schuilevinkje met hen te spelen. – Maar wat is dit? Plattegrond-teekeningen en schetsen? – toren in het midden, eene navolging van den adelaarstoren te Caernarvon – coras de logis – de drommel! vleugels – vleugels? wel, het huis zal de geheele heerlijkheid Ellangowan op den rug nemen en er medewegvliegen!”
„Wel nu, dan moeten wij er eenige zakken Indische rupijen tot ballast inwerpen.” [320]
„Aha! waait de wind uit dien hoek? Dan zal de schalk, denk ik, ook wel met mijne schoone Julia gaan strijken?”
„Dat hebt gij geraden, Mijnheer Pleydell!”
„Die jonge guiten steken ons, mannen uit de oude school, altijd de loef af. Dan moet Julia ten minste hare genegenheid voor mij op Lucie overdragen.”
„Om de waarheid te zeggen, vrees ik dat ge ook daar uit het veld geslagen zult worden.”
„Waarlijk!”
„Sir Robert Hazlewood heeft hier onlangs een bezoek bij Bertram afgelegd, en dacht en oordeelde en was van gevoelen –”
„O Hemel! verschoon mij van de woordenvloed van den waardigen baronet.”
„Best. Hij begreep dan, dat er, daar het landgoed Singleside als eene wig tusschen twee van zijne landhoeven in-, en een paar uren ver van Ellangowan verwijderd is, wellicht een koop, eene ruiling, of andere schikking, tot genoegen van beide partijen, gesloten kon worden.”
„Nu, – en Bertram?”
Bertram antwoordde, dat hij het eerste testament van Mejuffrouw Margaretha Bertram, in de tegenwoordige omstandigheden zijner familie, voor de meest gepaste schikking hield, en dat Singleside derhalve als het eigendom zijner zuster beschouwd moest worden.”
„Die schalk!” hernam Pleydell, den bril afwisschende; „hij steelt mijn hart zoo wel als mijne beminde. En vervolgens?”
„Vervolgens nam Sir Robert met vele fraaie woorden afscheid; maar verleden week trok hij weder te veld met zijne geheele krijgsmacht – met zijne koets met zes paarden, zijn gegalonneerd scharlaken vest en zijne beste pruik – alles heel prachtig, zoo als het kinderboekje zegt.”
„Ei! en wat was zijn oogmerk?”
„Na eene zeer wijdloopige voorrede, begon hij van de genegenheid te spreken, welke Karel Hazlewood voor Lucie Bertram koesterde.”
„Ei, ei! hij eerbiedigde den kleinen God Cupido, toen hij hem op den toren van Singleside zag zitten. En zal de arme Lucie bij dien ouden zot en zijne echtgenoote, die zijn vrouwelijk evenbeeld is, inwonen?”
„Neen, daar hebben wij voor gezorgd. Singleside-house zal voor de jonge lieden in orde gebracht worden en in het vervolg Hazlewood-heuvel heeten.”
„En blijft gij zelf te Woodbourne wonen?”
„Slechts zoo lang, tot deze plannen volvoerd zijn. Zie, hier is de teekening van een gemakkelijk huisje voor mij, waar ik in eenzaamheid mijne grillen kan opvolgen, als ik het verkies.”
„En daar gij dan zoo nabij het oude slot zijt, zult gij ook zeker den Donagild-toren tot nachtelijke beschouwingen der hemelsche lichamen laten herstellen? Bravo, kolonel!”
„Neen, neen, waarde vriend! Het is nu gedaan met den sterrewichelaar.”
EINDE.
[I]