„Komt, Vorsten van den bedelaarstroep,
Komt allen hier, – hoe ge ook heet,
Gij heldenstoet, – ik wacht u allen!
De Bedelaars Bords.
Ofschoon het karakter van deze Heidenen, welke vroeger meest alle landen van Europa overstroomden en nu nog eenigszins als een afgezonderd volk bestaan, algemeen bekend is, zal de lezer mij wel willen veroorloven, eenige woorden ten opzichte van hun toestand in Schotland te zeggen.
Voor vele jaren werden de Heidenen door een der oude Koningen van Schotland als zelfstandigen, onafhankelijken volksstam opgenomen en erkend; doch door latere wetten werden zij minder begunstigd en in de rechterlijke schaal met gewone dieven gelijk gesteld en als deze gestraft. Niettegenstaande deze strenge verordeningen, bloeide deze vreemde stam onder de onheilen, welke het land troffen, en vond vele aanhangers onder hen, die door hongersnood, verdrukking of oorlog van hun gewoon bestaan beroofd waren. Door deze vermenging ging er veel van het oorspronkelijk Egyptisch karakter verloren, en er ontstond zoo een gemengde hoop, welke, met de neiging tot lediggang en roofzucht van hunne Oostersche voorvaders, de woestheid van hunne Noordsche aanhangers verbond. Zij trokken in onderscheidene benden rond, en hadden onderling bijzondere wetten, waardoor iedere stam tot zijn eigen grondgebied bepaald werd. De minste inbreuk op het gebied van een anderen stam had wanhopige gevechten tengevolge, die dikwijls veel bloeds kostten.
„In Schotland zijn heden ten dage,” schreef voor omstreeks honderd jaren een vriend uit het Schotsche Vade, met name Fletcher of Saltoun, „behalve zeer vele arme familiën, die maar sober uit de kassen van liefdadigheid ondersteund worden, en vele anderen, die door slecht voedsel tot ziekten vervallen, – tweemaal honderd duizend menschen, die van huis tot huis bedelen. Deze zijn een groote last voor zulk een arm land. Ofschoon door de tegenwoordige ongelukkige tijden hun getal misschien dubbel zoo groot is als voorheen, waren er toch altijd ten minste honderd duizend zulke landloopers, welke noch naar de landswetten leefden, noch zich om goddelijke of menschelijke wetten bekommerden. Nooit kon de overheid te weten komen hoe één onder honderd van deze ellendigen stierf, en of zij ooit gedoopt werden. Men heeft vele moordenaars onder hen ontdekt, en zij zijn niet alleen een onuitsprekelijke last voor de arme landlieden, die aan hunne wraak blootgesteld zijn, wanneer zij niet dagelijks, misschien aan een veertigtal van deze schelmen, brood of iets anders te eten geven; maar zij bestelen ook nog dikwijls arme lieden, die in afgelegen huizen wonen. In vruchtbare jaren komen vele duizenden van hen in de gebergten bijeen, waar zij dagen lang smullen en brassen, en bij boerenbruiloften, jaarmarkten, begrafenissen en andere soortgelijke gelegenheden, ziet men altijd hunne dronken mannen en vrouwen, die onophoudelijk vloeken en tieren en dikwijls onderling vechten.” [45]
Niettegenstaande het sombere beeld hier opgehangen, terwijl Fletcher zelf, hoe zeer hij een ijverige en welbespraakte voorstander der vrijheid was, alleen kans zag te verbeteren door een stelsel van huiselijke slavernij in te voeren, werd deze verschrikkelijke kwaal zoowel door den loop der tijden, als door vermeerdering van volksrijkdom en de kracht der wetten binnen engere grenzen beperkt. De stammen dezer Heidenen werden minder talrijk en verscheidene werden zelfs geheel uitgeroeid. Er bleven echter nog genoeg over, om het land gedurig te verontrusten en te teisteren. Eenige geringe handwerken behoorden uitsluitend aan deze landloopers, voornamelijk het maken van houten borden en hoornen lepels, en het geheele geheim der ketellapperij. Hierbij voegden zij eenen kleinen handel in grof aardewerk. Dit waren hunne bekende middelen van bestaan. Iedere stam had gewoonlijk eene bepaalde verzamelplaats, welke zij nu en dan bezochten en als hunne vaste woonplaats beschouwden, in welks omtrek zij zich, over het algemeen, van stelen en rooven onthielden. Zij bezaten ook talenten en bekwaamheden, waardoor zij zich soms nuttig en aangenaam wisten te maken. Velen legden zich met goed gevolg op de toonkunst toe, en de meest begunstigde muzikant in den omtrek werd dikwijls in een kamp door Heidenen bewoond, gevonden. Zij waren bedreven in alle soorten van veldvermaken, vooral in de otterjacht, en in het visschen en in het opsporen van het wild. Dashonden voor de konijnenjacht van het beste ras en gewone jachthonden werden ook door hen verkocht. Des winters hielden de vrouwen zich onledig met waarzeggen, de mannen met goochelarij, en deze kunsten dienden dikwijls om een vervelenden of stormachtigen avond in eene pachterswoning te verkorten. Hun woest karakter en hunne ontembare trotschheid, waardoor zij allen geregelden arbeid versmaadden, boezemden een zeker ontzag, of liever vrees in, welke nog vermeerderd werd door de gedachte, dat deze landloopers zeer wraakzuchtig waren, en door vrees noch geweten weerhouden werden, elke aangedane beleediging schrikkelijk te wreken. Met één woord, deze stammen waren de paria’s van Schotland, welke als wilden midden onder beschaafde Europeanen leefden, en, naar hunne eigene gebruiken en inzichten, en niet als leden van het beschaafde gedeelte van den staat beoordeeld werden. Nog heden worden er eenige benden gevonden, welke meest op zulke plaatsen leven, vanwaar zij gemakkelijk naar een woest oord of een ander rechtsgebied ontsnappen kunnen. Hunne inborst is niet veel zachter geworden, doch hun aantal is zoo zeer verminderd, dat men thans, in plaats van honderd duizend, zooals Fletcher rekende, nauwelijks vijf honderd in geheel Schotland zou kunnen vinden.
De stam of bende van deze Heidenen, waartoe Meg Merrilies behoorde, had sedert langen tijd, zoo veel hun zwervend leven dat veroorloofde, hunne vaste woonplaats in een dal op het grondgebied van Ellangowan gevestigd. Zij hadden hier eenige hutten gebouwd, welke zij hunne toevluchtsstad noemden. Wanneer zij niet rondzwierven, woonden zij daar ongestoord, als de kraaien, welke in de oude boomen in den omtrek nestelden. Zij hadden reeds zoo lang hier gewoond, dat zij eenigszins als wettige eigenaars van de ellendige hutten, welke zij bewoonden, beschouwd werden. Men zegt, dat zij in vroegere tijden deze bescherming van den landheer vergolden hadden door bewezen diensten in den oorlog, of nog meer door invallen in- en plundering op het grondgebied van diegenen zijner buren, met wie hij in vijandschap leefde. In latere tijden werden hunne diensten van vreedzamer aard. De vrouwen breiden stevelkousen voor den heer en handschoenen voor zijne gemalin, welke jaarlijks met veel plechtigheid op het kersfeest overhandigd [46]werden. De bejaarde waarzegsters zegenden het bruiloftsbed voor den heer, als hij in den echt trad, en, bij de geboorte van een erfgenaam, de wieg van den zuigeling. De mannen herstelden het gebroken porselein voor de dame, hielpen haar echtgenoot op zijne jachtpartijen, genazen zijne honden van den worm en knipten zijne jonge dashonden de ooren af. De kinderen zochten noten en braambeziën in de bosschen en champignons op de weiden, en brachten die als eene schatting naar het kasteel. Deze vrijwillige dienstbetooningen, waardoor zij hunne afhankelijkheid erkenden, werden vergolden door bescherming bij sommige gelegenheden en door oogluiking bij andere, of ook door het uitdeelen van levensmiddelen, bier en brandewijn, wanneer de omstandigheden eene bijzondere milddadigheid vorderden. Door deze wederkeerige dienstbetooningen, gedurende ten minste reeds twee honderd jaren, hadden deze bewoners van Derncleugh eene soort van recht op het grondgebied van Ellangowan verkregen. De heer noemde deze schelmen zijne goede vrienden, en hij zou het niet goed opgenomen hebben, indien hij hen niet nu en dan tegen de landswetten en plaatselijke overheid had mogen beschermen. Maar deze vriendschappelijke verhouding zou spoedig verstoord worden.
De gemeente van Derncleugh, welke alleen voor hare eigene deugnieten bezorgd was, bekommerde zich niet om de strengheid, waarmede de vrederechter tegen andere landloopers handelde. Zij twijfelden er niet aan, of hij had besloten, geene andere bedelaars of landloopers in den omtrek te dulden, dan degenen, die op zijn eigen grondgebied woonden en met zijne uitdrukkelijke of stilzwijgende toestemming hun handwerk uitoefenden. Ook maakte Bertram geen haast, zijne nieuw verkregen macht ten koste van deze aloude ingezetenen uit te oefenen; maar hij werd door de omstandigheden daartoe gedrongen.
Bij eene zitting van het gerechtshof, dat viermaal des jaars vergaderde, beschuldigde een lid der tegenpartij in de staatkundige aangelegenheden van het graafschap onzen nieuwen vrederechter openlijk, dat hij, niettegenstaande zijn schijnbaren ijver voor de openbare orde en zijn streven naar den naam van een ijverigen ambtenaar, eene bende der grootste deugnieten van het land beschermde en in de nabijheid van zijn huis liet wonen. Hier tegen was niets in te brengen; daar de zaak te ruchtbaar en te wel bekend was. Bertram verkropte deze beleediging zoo goed hij kon, en overlegde reeds op zijne tehuisreis, hoe hij zich het gemakkelijkst kon ontdoen van deze landloopers, die eene smet op zijn roem als ambtenaar van het gerecht wierpen, Hij besloot de eerste gelegenheid tot twist met de paria’s van Derncleugh aan te grijpen, en vond terstond eene geschikte aanleiding hiertoe.
Sedert onze vriend vrederechter geworden was, had hij het hek aan den ingang van de laan voor zijn huis, welke voorheen altijd gastvrij openstond, dewijl er maar ééne hengsel aan was, van nieuwe laten voorzien en laten opverwen. Ook liet hij in de aangrenzende heiningen verscheidene openingen dicht maken, waardoor de knapen der Heidenen in het bosch kropen, om vogelnesten te zoeken, door welke de bejaarden van het dorp eenen korteren weg zochten, en de jongelingen en meisjes even slopen, om des avonds bijeenkomsten te houden, zonder dat dit van de eene zijde kwalijk genomen werd, of van den anderen kant om verlof gevraagd was. Deze gelukkige dagen zouden nu een einde nemen. Een scherp opschrift op de eene zijde van de deur bedreigde ieder, die het wagen mocht over deze omheining te klimmen, met gerechtelijke vervolging, en op de andere zijde las men, om der gelijkvormigheid wille, eene waarschuwing voor schietgeweer, voetangels en klemmen, van eene zoo verschrikkelijke soort, dat zij, zoo als een nadrukkelijk notabene [47]op de aankondiging zeide, een paardebeen verbrijzelen zouden, als een mensch er in vastraakte.
In spijt van deze bedreigingen klommen zes stevige jongens en meisjes der Heidenen op het nieuwe hek, gingen er schrijdelings op zitten, en maakten ruikers van meibloemen, welke, zoo als men duidelijk zien kon, binnen de verboden grenzen geplukt waren. De heer beval hun, zoo toornig als hij wezenlijk worden, of misschien ook maar schijnen kon, er af te klimmen. Zij stoorden zich niet aan zijn bevel, en nu begon hij met er den een na den anderen af te werpen; maar zij verzetten zich, door zich zoo zwaar te maken als zij maar konden, en klommen er weer op, zoodra zij op den grond waren.
Bertram riep hierop zijn knecht, een stuurschen borst, die aanstonds naar zijn zweep greep, te hulp. Na eenige gevoelige slagen namen de jonge lieden de vlucht, en zoo ontstond de eerste vredebreuk tusschen het huis van Ellangowan en de Heidenen van Derncleugh.
De laatsten konden in het eerst niet begrijpen, dat de krijg ernstig gemeend was, tot dat zij zagen, dat hunne kinderen met zweepslagen gestraft werden, wanneer men hen binnen de omheiningen betrapte; dat hunne ezels in beslag genomen werden, wanneer zij in het bosch of ook maar aan den kant van den weg graasden, in strijd met de bestaande bepalingen; dat de gerechtsdienaar nieuwsgierig naar hunne kostwinningen begon te onderzoeken en zich er over scheen te verwonderen, dat de mannen den geheelen dag in hunne hutten sliepen en het grootste gedeelte van den nacht rondzwierven.
Toen de zaken zoo ver gekomen waren, begonnen de Heidenen, zonder bedenking, wedervergelding uit te oefenen. Ellangowan’s hoenderhokken werden geplunderd, zijn linnen van de lijnen of van de bleek gestolen, in zijne vischvijvers gestroopt, zijne honden gevangen en zijne jonge boomen geveld of van den bast beroofd. Dus werd er veel schade gedaan, en dikwijls oogenschijnlijk enkel uit baldadigheid. Van den anderen kant werden er gedurig bevelen gegeven, om de schuldigen zonder genade te vervolgen, op te sporen en te vatten, en, niettegenstaande hunne sluwheid, werd aan eenigen der deugnieten hunne schuld bewezen. Een van deze, een sterke man, die somtijds naar zee ging om te visschen, werd aan een scheepskapitein, die matrozen preste, overgeleverd; twee kinderen werden met duchtige zweepslagen gestraft en eene oude vrouw in het tuchthuis gebracht.
De Heidenen maakten intusschen nog geene toebereidselen, om eene plaats te verlaten, waar zij zoo lang gewoond hadden, en Bertram scheen geen lust te hebben, om hen uit hunne „toevluchtsstad” te verdrijven, zoo dat deze kleine oorlog eenige maanden voortduurde, zonder dat de vijandelijkheden aan een van beide zijden af- of toenamen. [48]