De winter, een echte, nare kwakkelwinter, zonder sneeuw of ijs (wat vooral Jan een groote teleurstelling bracht) was zoo zoetjes aan voorbij gegleden, en ’t mooie, vroege voorjaar werd door een kouden, regenachtigen zomer gevolgd. Tot ’t weer in Juli plotseling omsloeg, en de prachtzomerdagen tegen de groote vacantie intocht hielden. „Dat hoort ook zoo,” besliste Tobi, „verbeeld je, dat we op „Welkom Buiten” geen prachtweer hadden!”
Mevrouw Canneheuvel had Lien meer dan eens gevraagd: „Vrouwtje, is ’t jullie heusch niet te druk, zooveel logés tegelijk, zoo’n tijd achtereen?” En Lien had geantwoord: „Moeder, hoe kan je nou toch zoo dom vragen? We vinden ’t heerlijk ze allemaal hier te hebben. Frans zegt: „hoe meer hoe liever,” en ik voeg er bij: „we hebben plaats en ruimte genoeg, en niemand zal te kort komen, of ’t minder goed hebben dan thuis.”
„Frans, Cartje en ik verheugen ons den heelen dag op half Juli, dus vraag nou nooit meer, gekke mamp, of ’t ons wel schikt.”—
Nu half Juli steeds nader kwam, hadden moeder Lien en Cartje ’t dan al verbazend druk. Ze deden niet anders dan door ’t huis draven, trap op, trap af, nu beneden, dan weer boven. Als een trouw hondje liep Cartje achter moeder aan; waar zij was moest hij ook wezen. Voor ’t groote bezoek uit den Haag moest alles in de puntjes [158]zijn; dit keer kwamen er nog vier gasten meer dan anders. In ’t geheel liefst vijftien, menschen en kinderen bij elkaar.
Vader en Moeder met Basje, Nel, Eer en Tobi (terwijl Joop twee weken zou blijven, en den overigen tijd zoo dikwijls overkomen als hij kon). Dan Puck, Jopie en Frits, die een lange vacantie noodig had, en alleen als ’t noodzakelijk was, naar den Haag zou gaan, wanneer zijn assistent, dokter Heller, dit absoluut noodig oordeelde, terwijl Ajoe, Jan en Suusje de rij sloten.
Kee, Juf en Sarina kwamen natuurlijk mee, om Gesien en Koosje te helpen. Anders waren er stellig handen te kort gekomen, om voor zooveel menschen te zorgen. Maar ze vonden ’t erg prettig, om mee te gaan, ’t was voor hen ook echt vacantie op dat heerlijk buiten, zoo gezellig met je velen. En al die vele handen maakten licht werk, zoodat er genoeg tijd om te genieten overbleef.
„Hoe zalig toch, dat we zoo’n heerlijk groot huis hebben, Frans,” riep Lien opgetogen, „zoo’n echt ouderwetsch, leuk buitenhuis met zooveel ruime kamers, breede trappen en portalen. En dan die gezellige zitjes en nissen! ’t Torenkamertje is natuurlijk weer voor Eric, daar is hij bizonder op gesteld.”
„’k Ben benieuwd,” zei Frans, „hoe je iedereen onder dak zult brengen, nu er weer drie logés meer zijn dan verleden jaar.”
„Of ’t zal best gaan. ’k Geef een van de groote kamers dit jaar aan al de kinderen samen, behalve Basje en Eer [159]dan. Juf krijgt ’t cabinetje naast de kinderkamer. Cartje mag bij Tobi en Jopie, Suusje en Sarina slapen. Daar heeft hij zelf om gevraagd, en zijn bedje staat al boven.
„Jopie heeft ’t mij van de winter afgebedeld voor Cartje te mogen zorgen. Ze is even dol op hem als hij op haar.”
„Dat schijnt bij jullie in de familie zoo te hooren,” merkte Frans op: „altijd een spannetje, dat doodelijk van elkaar is. Vroeger waren Frits en Nel onafscheidelijk en jij en Puck. Nu Tobi en Eric, Cartje en Jopie.”
„’k Denk, dat ’t de invloed van Moeder is,” zei Lien. „Ze moedigde ’t altijd erg aan bij de kinderen, alles voor elkaar over te hebben, voor elkaar op te komen en eigen ikje op te offeren als de gelegenheid zich voordeed. Moeder gaf zelf ’t voorbeeld.”
„Dat heb jij dan al heel goed geleerd, Lien,” sprak Frans hartelijk.
„Daar was nog al wat aan te leeren,” lachte Lien, „als je zoo’n heerlijk, gelukkig leven hebt als wij thuis hadden. Maar Frans, nou is mijn tijd heusch schoon op, we moeten naar de keuken, hé Cartje? Gesien zal niet weten waar wij blijven, en er is voor morgen nog verbazend veel te bespreken.”—
Frans zou de gasten gaan halen van het dichts nabijzijnd station. Dat was nog een heel eind weg, en Bruin moest wel drie maal heen en weer met de brik. Als hij goeden zin had, deed hij den afstand in vijftien minuten.
Lien was pas gerust, toen al de logés er waren, en [160]genoot van de drukte, ’t vroolijk praten en lachen op de portalen en trappen. Ze liet ’t zich door niemand nemen ieder naar ’t voor hem of haar bestemde vertrek te brengen, en vergezelde Eric zelfs naar zijn torenkamertje. Eric vloog Tante Lie om den hals. „Hoe echt heeft U alles weer voor me in orde gebracht, lieve Lie,” riep hij dankbaar, „maar die sarong aan de muur, en dat mooie wapen er tegen aan, is wat nieuws, eenig!”
„Dat is een kris, die oom Frits jaren geleden van een vroegeren bediende van Grootpa uit Soerabaïa present heeft gekregen,” vertelde tante Lie. „Naderhand heeft oom hem mij gegeven, en nou krijg jij hem weer van mij present. Als je naar huis gaat mag je de kris meenemen.”
Eric danste van plezier. „Heerlijk tante Lie, hoe echt! ’k Ben er dol blij mee. Zeg Tobi, ik mag de kris van die lieve Lie present,” riep hij zijn zusje toe, die net binnen kwam. „Lie heeft hem vroeger van oom Frits gekregen.” Natuurlijk was Tobi tante Lie en Eer achterna gehold, toen ze hoorde, waar die waren. Ze moest Eric’s kamertje toch ook zien, en had er dolgraag zelf willen slapen. Zoo’n torenkamertje deed je denken aan heel vroeger, toen de kasteelen en landhuizen nog vol schuilhoeken, verborgen plaatsen en geheime gangen waren. Toen je er altijd op verdacht moest zijn, dat de vijand je kon overvallen. Nieuwsgierig keek Tobi om zich heen. ’t Zou toch mogelijk kunnen zijn, dat er hier ergens een verborgen deur was, die naar een geheime gang leidde.… Doch ze kon [161]niets verdachts ontdekken, en keerde dus tot de werkelijkheid terug.
„Hoe leuk voor je, Eer, om die kris cadeau te krijgen,” riep ze blij, want ze was blij voor Eric.
Maar bij zich zelf dacht ze: „ik gun hem jou, een meisje heeft net niks aan zoo’n ding.”
En met een wijs gezicht vroeg ze: „Tante Lie, waarom heeft oom Frits U dat bloeddorstige wapen gegeven? Wat doet een meisje daar nou mee?”
„Wel, ik had een weddenschap van oom gewonnen, en ik denk, dat hij mij een bizonder mooi cadeau wou geven, en niets anders wist te bedenken dan zijn kris. ’k Was er heel blij mee, hoor, en hing hem op in de kamer van tante Puck en mij. Daar mocht oom Frits er ook naar komen kijken, zoo vaak hij er lust in had. Want iets anders dan naar de kris kijken, mochten we er niet mee doen.”
„Nou ja,” dacht Eric, „maar een jongen heeft toch veel meer aan een wapen dan een meisje.
„Je kunt nooit weten, hoe zoo’n ding je nog eens te pas kan komen, vooral buiten met inbrekers en zoo.” Maar hij zei dit niet hardop. Want hij wist vooruit, dat tante Lie hem verbieden zou de kris van de muur te nemen. En dat was hij toch stellig van plan. Al was ’t maar één keer, hij moest de kris eens ter dege van dichterbij en van alle kanten bekijken.
Alleen Tobi mocht er bij zijn, als hij ’t deed. Die zou ’t ook fijn vinden.— [162]
Was er heerlijker leven denkbaar dan op „Welkom Buiten” bij lieve tante Lie en gullen, aardigen oom Frans? En dan met iedereen er bij, die je eigenlijk niet goed missen kon, en naar wie je altijd verlangde als je alleen uit logeeren ging?
„’t Was gewoon zalig, heerlijk, verrukkelijk,” zooals Tobi zei, „van dat je opstond tot je naar bed ging. En dan was ’t nog niet uit, want je droomde van al ’t prettige, dat je overdag beleefd had.”
’t Bleef maar prachtweer, zoo’n echte ouderwetsche zomer, wanneer je haast altijd buiten kunt zijn. Zoo vroeg als ze mochten (en als Juf toe wilde staan) sprongen de kinderen ’t bed uit, om gauw, gauw buiten te komen. Juf hielp met ’t wasschen, jurken en blouses vast maken.
„Tolletje is akelig precies,” klaagde Tobi tegen Eric, „ze weet ’t altijd, als je je ooren bij ’t wasschen hebt overgeslagen.”
„Of ze raadt er naar, omdat je verdacht gauw klaar bent,” veronderstelde Eric.
Jopie trok Cartje sokjes en schoentjes aan, veegde met den borstel over zijn krulletjes, en streek ze in zijn oogjes, wat Cartje goedmoedig verdroeg. Dan riep ze vergenoegd: „Jopie heeft Cartje weer heel alleen gehelpt.”
Basje had Eric (die de langslaper in de familie werd genoemd) uit zijn bed getrommeld, en zoo ’s morgens ging de kinderoptocht allereerst naar den vijver om de zwanen en al ’t andere watervolk eten te brengen. De statige zwanen [163]waren mooi om te zien, maar trotsche, onvriendelijke vogels. Ze bleven schuw en verwaardigden zich dikwijls niet eens naar den kant te komen, waar de kleintjes hen trachtten heen te lokken. Jopie en Duimelientje voelden dan ook veel meer voor de eenden en waterhoentjes. De eenden waren in ’t geheel niet bang, en werden al gauw erg vertrouwelijk. Brutaal bedelend liepen ze Cartje en de kleine meisjes na op den schelpweg om den vijver heen, aldoor snaterend om broodkruimels.
Alleen als Pluto, de jachthond, door Oom Frans uit het hok losgelaten, woest tusschen de vogels rondsprong, vlogen ze luid kwebbelend den vijver in, en zwommen verontwaardigd weg. Voor Tommy waren ze niet bang, die deed nooit zoo dol als Pluto, en marcheerde, net als zij, op korte pooten ’t leven door.
Jopie trok Cartje mee, de grooten achterna naar de wei, waar de koeien graasden, en de melkmeid met haar juk, waaraan de blank geschuurde emmers bengelden, om dezen tijd ’t land opging. Meestal was Arie, de oude knecht, daar ook, en tilde Jopie en Suusje op den ouden Bles, die heel vergenoegd met dien lieven lichten last ’t weiland rondstapte, terwijl Arie hem trouw op zij bleef, en zorgde, dat de „hartjes” niets kon passeeren. Ofschoon, de kans op vallen was buitengesloten, want Bles had een machtig breeden rug, en legde de zaak zeer kalmpjes aan. Dan kregen Cartje en Tommy (die zich de zaak, zeer tegen zijn zin, moest laten welgevallen) een beurt. „Drie keer ’t [164]weiland om en één keertje toe,” zei Arie altijd, en hield zich trouw aan dien regel.
Eric wou dolgraag leeren melken, en Tobi beweerde, dat ze ’t al kon. Doch toen ze in haar haast om dit te bewijzen den halfgevulden melkemmer had omgegooid, en Bella zeer verontwaardigd achteruit was gestapt, om aan de greep van Tobi’s onbedreven vingertjes te ontkomen, wou Trine niets meer van die grappen weten.
De kinderen mochten haar zoo veel ze wilden op de vingers kijken, daar draaide ze geen vinger voor om, maar ’t melken moesten ze aan haar overlaten. Van melken moet je verstand hebben, anders gebeuren er ongelukken, dat zagen ze nou zelf.
Drie keer ’t weiland om en één keertje toe, was voor de twee partijen ook afgeloopen, en ’t werd nu tijd om naar huis terug te hollen. De groote bel in de toren liet haar zware slagen hooren, en riep iedereen naar ’t ontbijt. De groote menschen: Grootpa, Grootma, de ooms en tantes waren al binnen. Tante Lie, Juf en Kee hadden ’t druk aan ’t buffet met boterhammen snijden en melk inschenken. „’t Is hier net luilekkerland,” riep Eric. Want waar kreeg je alles zoo volop en zoo heerlijk versch als op „Welkom Buiten”? Room en eieren, melk, honing, jam, ’t smaakte alles even lekker, heel anders dan in de stad.
Tante Lie, erg trotsch, dat haar tafel zoo geprezen werd, vulde kroezen en melkbekers, en smeerde de goudgele honing met milde hand op ’t eigengebakken, lekkere brood [165]met de knapperige, bruine korst. „Eet toch, lieve groote en kleine menschen,” riep ze, „iedereen moet hier dik en gezond van daan. Weg met de spillebeenen van To en Eertje.” Waartegen ’t tweetal zeer verontwaardigd protesteerde. „Eer heeft zelfs dikke kuiten,” riep Tobi, „laat zien Eer.”
„Nou niet, strakjes,” riep Eric terug.
Jopie kroop bij Paps op schoot, zij had een massa te vertellen, haar mondje stond niet stil. En er was nog zoo veel te doen nà ’t ontbijt. De kippen en duiven moesten hun voer hebben, en Jopie mocht vandaag gerst en maïs uitdeelen. Geurt had de bakjes al klaar gezet. Dan moesten de paarden roggebrood hebben, en dat mochten Eric en Tobi met tante Lie hen gaan brengen straks.
Misschien mocht zij zelf ook een hompje geven, zóó van haar vlakke handje als oom Frans haar geleerd had. „En, Paps,” zei Jopie, „paarden hun lipjes zijn net van fleweel.” Maar Cartje was nog te klein, hij mocht de paarden niet voeren van Jopie, verbeeld je, dat zoo’n paard Cartjes vingertjes eens inslikte!!—
Dadelijk na ’t ontbijt verdwenen Tobi en Eric, en bleven geheimzinnig lang weg. Oom Frans had er met tante Lie om gewed, dat Eric’s kuiten dunner waren dan die van Tobi, en dat was ook zoo. Maar tante Lie moest de weddenschap winnen, dus.… vulde Tobi Eertjes kuiten met watten op, en maakte er een paar kuiten van stavast van. Toen de koffietafel was afgeloopen, zei Eer zoo zonder erg: „Lie wil je nou onze kuiten eens vergelijken?” [166]
Vier beenen werden voor ’t onderzoek van ’t gezelschap ten toon gesteld.
„Twee beenen is genoeg,” besliste oom Frans, „van ieder één,” en moeder Nel vroeg: „waarom heb je lange kousen aan, Eer? hoe kom je daar zoo toe, vent?”
Maar oom Frans kwam al met zijn meterrolletje aanzetten. Och! Och, wat een verbazend verschil tusschen Eric’s en Tobi’s kuiten wees ’t rolletje aan.
Iedereen keek verbaasd, want op zulk een reuzenverschil was niemand verdacht. Eric kreeg ’t benauwd: wat wriemelde oom Frans toch raar met dat „gemeet” aan zijn beenen.
„Nou nog eens rechtop staan, naast elkaar,” commandeerde oom Frans. Als kaarsen stonden Eer en Tobi, en op eens hoorden ze een bulderend gelach. Eric’s kuiten zaten vol spelden, die oom er handig had ingeprikt. Zelfs Tobi proestte ’t uit, en Eric deed ook maar mee aan de algemeene vroolijkheid.… ten zijnen koste. De leukerds trokken echter nog aan ’t langste eind, want er werd uitgemaakt, dat Oom Frans en tante Lie nu allebei moesten tracteeren, daar zij beiden de weddenschap verloren hadden. [167]