„’t Is wel warm, maar onze fietstocht gaat toch door hé jongens?” zei oom Frans den volgenden middag, tegen Basje en Eric. „We zullen er eens flink van door peddelen, en een verren tocht doen.” „We” dat waren: Vader, Joop, Frits, Eric, Basje en Frans zelf.
„Ga jij niet mee, Puck?” vroeg Frits.
„Nee Frits, ik ben in ’t geheel geen heldin op de fiets als ’t warm is. ’k Haal niet bij vader wat fietsen betreft. Wij meisjes hebben heel andere plannetjes. We gaan met moeder onder den linde zitten, aan den koelen kant van ’t huis, we hebben een massa te babbelen, hé moeder?”
„Die echte ouderwetsche middagjes met moeder, die kan ik toch zoo missen,” klaagde Lien. „Jullie Hagenaars kunt ze zoo dikwijls hebben, als je wilt, en.…”
„Moet je die Lien hooren, Puck,” riep Nel vroolijk. „Wij doktersvrouwen, die ’t altijd even druk hebben, genieten moeders gezelschap ook als een extraatje, al wonen we in den Haag.”
„Och, jullie arme kinderen komt allemaal vreeselijk te kort,” schertste vader, en vroeg aan Jopie, die op zijn knie klom: „Wat gaan de ukkepukkies doen?”
„Juf neemt de kleintjes mee naar ’t eikenboschje, daar kunnen ze heerlijk spelen met Sarina,” zei Lien.
„En wat moet ik nou?” onderzocht Tobi met een verdrietig [168]snoetje. „Ik kan toch met die kleine kinderen geen zandkoekjes gaan bakken? En al de jongens gaan op de fiets. Jakkie, dat ik nou ook geen fiets heb! ’k Kan even goed fietsen als Eer.”
„Kom eens bij me, Tobiaantje, dan zal ik je een geheimpje influisteren,” sprak tante Lie.
’t Geheimpje scheen Tobiaantje best te bevallen. Ze klapte in haar handjes, en riep opgetogen: „Moeder mag ik?”
En Nel begreep de zaak direct, en stemde toe: „Vader zal wel zorgen, dat je je niet oververmoeit; ga dan maar als de ooms je ten minste mee willen hebben.”
„Waarom fietst U niet, tante Nel?” informeerde Basje.
„Omdat ik ’t nooit goed heb kunnen leeren, vent, hoewel oom Frits zich verbazend veel moeite voor me gaf, en ik genoeg knorren kreeg.
„Als ik op de fiets zat, wenkte iedere boom: „kom bij mij,” en de rijtuigen deden al even zoo. Toen ik eens bijna een hondje had overreden, gaf ik de zaak voorgoed op, en iedereen was er blij om, behalve oom Frits.”
„Als je maar had doorgezet,” hield Frits vol, „kijk maar eens naar Tobi, die rijdt ons allemaal voorbij.”
„Maar dit keer, nu jullie zoo ver gaan, als je blieft kalmpjes aan, Tobi,” verzocht Nel.
„Ik zal wel voor Tobi zorgen, moeder,” riep Eric, „we blijven naast elkaar rijden. Je mag zeker op Lie’s fiets, hé To?”
„Geraden slimmerd! Hoera! Je zult zien, daar kom ik [169]best op, want tante Lie is maar een poppetje. Oom Frans zegt, dat Bles vroeger altijd omkeek, of er wel iemand op zijn rug zat, als Lie met hem uitreed.”
„Toen was Bles zeker nog jong, hé oom?” vroeg Eric.
„Nou, niet zoo heel jong meer, en nu is hij een bezadigde oude heer, en mag tot aan zijn dood ’t genadebrood eten, heeft tante Lie beslist.”
„Natuurlijk, dat geef ik mijn ouwe paard naderhand ook,” beweerde Tobi.
Aan welk beweren Eric toevoegde: „Als je er ooit een krijgt.”
„’k Zou niet weten waarom niet,” riep Tobi.
„Ik wel,” hield Eric vol. „En zou je nou niet eerst Lie’s stalen paard van stal halen, mejuffrouw Tobiaan? De fiets moet zeker wel eens nagezien, hé Lie? U rijdt er immers nooit meer op?”
„Zelden of nooit, Eer, nadat ik van Grootpa die mooie fiets met een aanhangwagentje voor Cartje cadeau heb gekregen. Cartje kan nou altijd bijna mee, en dat vinden vader en moeder even prettig als de kleine baas zelf. Als ik ’t ventje vroeger thuis moest laten, was ik altijd een beetje ongerust, want dan dribbelde hij overal heen om zijn moeder te zoeken, en gebeurden er nog wel eens ongelukjes.”
„Heeft tante Lie Cartje niet een klein beetje erg verwend?” vroeg Tobi wijs.
„Een beetje heel erg, maar ’t heeft Cartje geen kwaad gedaan. Hij is in ’t geheel niet eigenzinnig of stout. [170]
„Dwingen en zeuren doet ’t ventje nooit, en begrijpt best, dat hij zoet en gehoorzaam zijn moet als moeder zegt: „’t Is meenens Cartje.” Straks zei hij: „Mampsje moet met Cartje en Duimelientje mee naar ’t bosch,” maar toen ik van nee schudde en zei: „’t Is meenens Cartje, ’t kan niet,” dacht hij er niet aan om met dwingen zijn zin te krijgen. Kijk eens hoe zoet hij daar met Juf en de meisjes meeloopt?”
Doch terwijl moeder hem als zoo gehoorzaam prees, zag de familie Cartje weer verschijnen. Op eens was hij naar huis terug gehold, zoo vlug als zijn beentjes hem konden dragen, vertelde Sarina, die vlak achter Cartje aan binnen kwam.
Cartje stapte op zijn moeder toe, klom op haar schoot, en nam haar gezicht tusschen zijn dikke handjes. „Cartje vergeet jou een zoentje te geven, mampsje,” zei hij met een ernstig snoetje, en de daad bij ’t woord voegend, „nou is ’t al klaar.”
Doch dat was ’t nog lang niet, want Cartje moest eerst eens flink geknuffeld worden, omdat hij ’t zoo lief bedacht had van dat „zoentje gaan brengen.”
Tobi gunde Eric bijna geen tijd om tante Lie’s fiets goed na te kijken. Want iedereen stond immers al te wachten?
Gelukkig bleek de fiets best in orde, en vroolijk reden de fietsers heen. ’t Werd een verrukkelijke tocht door Gelres’ heerlijke dreven, en pas over etenstijd kwam ’t troepje thuis. [171]
Doch Lien had er op gerekend. ’t Gebeurde in den jachttijd ook zoo dikwijls, daar moest je buiten altijd op verdacht zijn. Tobi had best meegekund, en was in ’t geheel niet moe, want er woei een lekker frisch windje, en er was ook nog al eens gerust. De heeren hadden best voor de eenige dame gezorgd.
Maar na ’t eten werd Tobiaantje toch erg geeuwerig, en besloot moeders’ raad te volgen tegelijk met de kleintjes naar bed te gaan.
Op „Welkom Buiten” bracht Grootma de drie ukkepukken altijd naar bed. Dat was de kleintjes bizonder naar den zin, want Oma maakte er iederen avond een pretje van. Als ze uitgekleed waren, mocht Duimelientje altijd nog even op schoot, en zaten Jopie en Cartje op een trépied aan Grootma’s voeten. Er werd een klein verhaaltje verteld, of er werden versjes gezongen, terwijl er altijd wat lekkers, om op te knabbelen uit Grootma’s réticule kwam. Duimelientje en Cartje sliepen dikwijls al half, terwijl Oma nog aan ’t vertellen was. Maar Jopie’s oogen glinsterden als sterretjes onder ’t toeluisteren, en ’t verhaal was altijd veel te gauw uit naar haar zin. Wanneer de peuzels er in lagen, ging Mevrouw Canneheuvel, als vroeger bij de kinderen, nu bij haar kleinkinderen, de bedjes rond om met hen te bidden en ieder nog een nachtzoen te geven.
Beneden vereenigde de familie zich nu aan de theetafel, die onder de groote linde was neergezet. Want iedereen bleef graag zoo lang mogelijk buiten om te genieten van [172]den zaligen, luwen avond. Doch vóór ’t naar bed gaan werd er altijd een half uur of langer gemusiceerd.
Als vroeger zat vader voor den vleugel, Frans begeleidde op de violoncel en Frits op de viool. Nel, Puck en Ajoe wandelden arm in arm de tuinpaden op en neer en stonden af en toe stil om beter te luisteren. Maar mama en Lien zaten zachtjes samen te praten, ze konden deze klassieke muziek begrijpen noch waardeeren. Wanneer Puck echter op algemeen verzoek nog wat zong, dan slopen ook moeder en Lientien dichter bij. Want Puck’s heerlijke stem evenaardde die van den nachtegaal in reine schoonheid. Meestal begeleidde Frits haar op zijn viool. Dan werd Jopie boven wakker en verbeeldde zich, dat zij in den hemel was. Zoo konden alleen de engelen en maatje zingen. En onder die hemelsche muziek sliep ’t kind ook weer in.
Jopie was een bizonder fijn gevoelend kind, en door dat fijn gevoel geleid, zocht zij steeds iedereen te ontzien in zijn eigenaardigheden. Iemand bespotten en uitlachen kon Jopie niet, dat zou haar zelf pijn hebben gedaan.
Als zij op straat gebrekkige of misvormde menschen zag, keek ze gauw voor zich. ’t Moest zéér doen de aandacht te trekken, meelij of afkeer te wekken omdat je een terugstootend uiterlijk had, niet was als een ander. Je moest doen, of je er niks van merkte wanneer je zoo’n ongelukkig misdeeld mensch of kind tegen kwam. Jopie wist van maatje, hoe ’t kwam, dat Grootma altijd erg voorzichtig en vreeselijk langzaam de trappen op en af ging. Maar Cartje [173]wist dit niet, en Jopie was doodsbang, dat Cartje op een goeden dag Grootma iets zou vragen, dat Grootma zéér kon doen, en daarom was er tusschen Jopie en Cartje een geheimpje.
’t Ventje zat altijd naar Grootma’s bril te kijken, waarom daar zulke groote brilleglazen in waren. Grootpa’s bril was heel anders. Toen Grootma’s bril eens even op tafel lag, had Cartje hem in zijn handjes genomen. Maar net toen hij hem ter dege bekijken wilde, zag Jopie ’t juist bij tijds.
„Niet doen, Cartje,” riep ze verschrikt, „daar mag je niet aankomen. Verbeeld je, dat je Grootma’s glazen oogjes eens kapot maakte.”
„Glazen oogjes?” herhaalde Cartje, daar begreep hij niks van.
En nu nam Jopie Cartje heel geheimzinnig mee naar een hoekje van de kamer, om hem de zaak eens goed uit te leggen.
„Zie je, Cartje, ’t is zoo. Grootma haar eigen oogjes zijn een beetje kapot, en daarom heeft Oma er een paar glazen oogjes bij gekregen van Paps. Maar niemand mag ooit aan de glazen oogjes komen, want als ze stuk gaan, kan Grootma niet meer goed zien. En maatje heeft gezegd, dat we met Oma niet over de glazen oogjes moeten praten en dat Oma altijd zoo langzaam loopt, want dat vindt Oma niet prettig.”
Cartje begreep niet veel van Jopie’s verhaal, maar toch [174]wel zooveel, dat er met de glazen oogjes verbazend moest worden opgepast, en, dat hij er niet aan mocht komen.
Van uit de verte keek hij er dubbel naar, en als Oma even haar bril aflegde, hield hij er geen oog van af.
„Waar of mijn leesbril toch is,” zei Oma, „ik kan die maar niet vinden.” Dan lachte Cartje triomfantelijk over zijn heele snuitje, kwam vroolijk aangesprongen, en wees met zijn vingertje naar ’t mandje, waarin het etui verscholen lag. De glazen oogjes hadden verstoppertje gespeeld, en dat aardig spelletje deden ze heel dikwijls ten pleziere van Cartje.—
De familie zat aan de koffietafel, en maakte plannetjes voor den middag, toen Eric op eens riep: „Ajakkie ’t regent.” Tobi vloog naar ’t raam, en bevestigde spijtig, „En nog maar niet erg ook.” „Niet pruttelen,” wees oom Frans Tobi terecht, „regen moet er ook zijn op z’n tijd.” „Ja, maar nou moeten we thuis blijven, en.…”
„Wel nee,” viel tante Lie in, „we letten hier nooit op mooi of leelijk weer, als we uit willen. Trekken jullie je regenjasjes maar aan en haalt de kap over je bolletjes, dan gaan de ooms, tante Nel en ik er met vier kaboutermannetjes van door. Cartje stapt al flink mee, maar Suusje blijft zoet bij Oma en maatje thuis, hé lieverd?
„Eerst gaan we een flink eind loopen en dan naar den koepel.”
„Voor wat naar den koepel?” onderzocht Eric.
„Zal je wel zien.” [175]
Zelfs met regen was ’t prettig in ’t bosch. Je goed kon niet bederven, en onder ’t zware loof voelde je dikwijls niet, dat ’t maar door bleef regenen. De helroode paddestoelen schenen nog vuriger gekleurd dan anders, de regenwormen, kikkertjes en padden vonden ’t ook je weertje voor een wandeling, en de groene boschkruiden geurden nog sterker dan gewoonlijk.
Ook de vogels trokken zich niets aan van de nattigheid, vlogen bedrijvig af en aan, en gaven de jonkjes les in ’t vliegen. Want die kunst moesten ze goed verstaan als straks de trektijd kwam.
’t Was bijna jammer naar huis te gaan, maar ’t werd nu toch hoog tijd, waarschuwde oom Frans.
In den koepel brandde een gezellig vuurtje in ’t kleine fornuis. Tante Puck was druk bezig beslag te maken om pannekoeken te bakken. „Hoera!” riepen de kinderen en wilden dadelijk beginnen. Maar oom Frans zei, dat er nog lang niet genoeg beslag was.
„Hoe weet een mijnheer dat nou?” onderzocht Tobi.
„Omdat de „mijnheer” ook pannekoeken mee gaat bakken, juffrouw Wijsheid.”
„Ja, ja,” vertelde tante Lie, „dat gelooven jullie nog zoo niet, maar niemand kan lekkerder en kunstiger pannekoeken bakken dan oom. Hij keert den pannekoek niet in de pan om, hij gooit hem bijna tegen den zolder en vangt hem altijd weer netjes in de pan op. Dat mist nooit.”
Natuurlijk wilden Basje, Tobi en Eric dit aardige spelletje [176]ook probeeren, doch ’t lukte niemand als oom Frans er op ’t laatste nippertje niet aan te pas kwam.
„Van wie heeft oom Frans dat toch geleerd?” onderzocht Jopie.
„Van de boerin, bij wie ik elk jaar in de vacantie in de kost was. Die vond, dat alles wat je weet en leert, nooit verloren gaat, want je kunt ’t weer een ander leeren. Ja, jongens, aan die goeie vrouw Teunissen heeft oom veel te danken, en aan haar man niet minder.”
„En oom leerde graag en goed, omdat hij vooruit voelde, dat dat alles hem wel eens te pas zou kunnen komen als hij naderhand b.v. heereboer zou worden,” zei Tante Puck. „Zoo is ’t ook net uitgekomen,” riep tante Lie vroolijk, „en zoo leven we hier maar wat genoegelijk en blij: de heereboer, de heereboerin en ’t kleine heereboertje.”
„Hoera! voor alle drie!” gilde Eric.
„Je moet maar goed op alles wat oom Frans doet toekijken, Tobi,” plaagde tante Puck. „Wie weet, of jij ook nog niet eens heereboerin wordt.”
„O Hemel nee,” zuchtte Tobi, „ik word vast en zeker geen huismoeder. Dat ben ik een poos geweest, en ’t is me niks bevallen. Die mannen zijn vreeselijk duur, ze willen altijd lekker eten, en hebben ook altijd wat aan te merken. Nee, ik zou je danken voor dat baantje.”
„Wat wil je dan worden, lieverd?” vroeg tante Lie.
„Net als Eer, denk ik, we doen alles gelijk op. Bij ons thuis hebben de meisjes evenveel te vertellen als de jongens, waar vader?” [177]
„Spreekt van zelf,” stemde Joop in, en oom Frans vond ’t ook best als vader en moeder maar ’t meest te zeggen hadden.
„Jetuurlijk,” gaf Tobi toe, en vervolgde: „Eric en ik denken over ontdekkingsreiziger, hé Eertje, dan zie je nog eens wat van de wereld.”
„Ja, maar jullie kunt, terwijl je aan ’t ontdekken bent, toch niet van den wind leven,” sprak tante Puck.
„Och er zijn er genoeg, die ons een beetje zullen willen helpen met ’t geld,” verklaarde Tobi met een luchtig gebaar. „Vader en moeder voorop, en lieve Lie natuurlijk ook. Die mag dan met ons mee.”
„Nou dan moet Cartje ook mee, want zonder Cartje doet ze ’t vast niet,” verzekerde oom Frans.
„En dan blijft U ook niet thuis, oom,” lachte Eric. „Zeg Tobi, dan zullen tante Lie en jij pas echt aan ’t huis-moederen moeten gaan voor zooveel mannen.”
„Dat denk je maar; ik wil ook ontdekken en jagen en door de bosschen zwerven, en ik trek een leeren broek aan.”
Kleine Tobi met een leeren broek werkte zoo op de lachspieren, dat oom’s laatste pannekoek heelemaal mislukte, en een welkome buit werd voor Tommy, die al lang op de loer had gelegen naar zoo’n buitenkansje.
Tom en Pluto waren natuurlijk van de partij geweest op de wandeling. En die twee hadden zeker niet ’t minste plezier gehad. Tom had konijnenholen ontdekt, of ’t zich verbeeld, wat even plezierig is. Zijn korte, breede pootjes [178]hadden zoo verwoed gegraven en ’t zand opgewoeld, alsof hij er aan den anderen kant van de aarde weer uit wou komen. En intusschen rende en draafde Pluto uit al zijn macht heen en weer, op en neer, en legde den weg wel tien keer af in plaats van eens.
Op „Welkom Buiten” speelden de dieren veel grooter rol dan in de stad. Ook de in vrijheid levenden werden als huisdieren verzorgd, vooral ’s winters. Dan keek Geurt overal de nestkastjes eens extra na, en werden deze goed van voer voorzien. Voor de meezen hingen er kokosnoten (natuurlijk in twee helften gedeeld) en als de bast schoon leeg was gepikt, vulde oom Frans die met vet en kaaskorstjes of kluifjes met een lekker stukje vleesch er aan, van welke lekkernijen de meezen niet minder genoten dan van ’t vruchtvleesch der klappers.
Dit alles en nog veel meer vertelde oom Frans aan Basje als zij samen buiten liepen. Basje, met zijn ruim hart voor alles wat dier was, verzamelde trouw aan iederen maaltijd wat er op de borden overbleef aan vruchtenschillen, korstjes en andere etensresten. Van zooveel personen was dat heel wat en in een boordevollen bak ging Basje dit dan aan de varkens brengen. Dikwijls trof hij oom Frans op zijn tocht naar ’t varkenshok, en liep oom dan met neefje mee. Hij deed dan allerlei dierenverhalen, waarnaar Basje gretig luisterde. Zoo waren varkens b.v. lang niet zoo lui, dom en vuil als zij er den naam van hadden. Maar de boer laat ze meestal vervuilen. [179]
’t Kon hem niet schelen, of de arme dieren in een Augiasstal leefden als ze maar gedijden. Doch gedijen doet een varken, als ieder ander dier, veel eer in een zindelijk hok dan in een vuil kot.
„Nou,” merkte Basje op, „Uw varkens kunnen tevree zijn, oom, ’t hok is altijd frisch en zindelijk, en in de wei loopt de moeder met de biggetjes zoo vroolijk rond, dat je er met plezier naar kijkt.”
„Ja, Geurt verzorgt ze goed,” zei oom Frans. „Hoor ze nou eens aangaan; ze kunnen ons nog niet zien, maar ze voelen en weten, dat je hun om dezen tijd wat lekkers komt brengen. Dat is toch nog al slim, zou ik zeggen van zoo’n dom varken!”
„De paarden weten ’t ook precies als tante Lien in aantocht is met ’t roggebrood. Ze hinniken dan van plezier; paarden zijn heel verstandig, hé oom?”
„En óf, maar honden winnen ’t nog van hen in slimheid en overleg. Je kunt Pluto b.v. niks wijs maken, en Tommy begrijpt gewoon alles. Hij doet alleen dikwijls, of hij niet weet wat de baas of vrouw wil, omdat sinjeur dan zijn eigen zinnetje wil volgen.”
„’k Vind ’t maar eenig, dat alle dieren hier zoo mak en aanhalig zijn,” verklaarde Basje. „Zelfs de koeien geven kopjes, net als katten; dat heeft tante Lie ze geleerd, zegt Trine.”
„Alleen de zwanen en de pauwen laten je nooit dichterbij komen. Dat zijn trotsche, verwaande, nare beesten, maar anders mooi om te zien.” [180]
„De pauwtjesvrouw komt wel als tante haar roept,” vertelde oom, „aanhalen laat ze zich nooit, dat is zeker geen gebruik bij pauwen.… Kijk eens, daar komen Eer en Tobi met een reuzenbloemkool aansjouwen. Héla snuiters, waar gaat de tocht naar toe?”
„Naar de kippen, oom, die zijn dol op bloemkool,” zegt Geurt. „We hangen de kool flink hoog in ’t hok, en ze springen er net zoo lang naar tot ze den stronk heelemaal hebben leeg gegeten.”
„’k Heb anders niks op met die suffe, valsche kippen,” zei Tobi. „Ze doen niks dan eten, en gunnen elkaar geen steek, pikken elkaar alles voor den neus weg, en ze hebben dat kleine kippetje laatst half blind gepikt. Kippen zijn wreede beesten, ik houd veel meer van konijnen, en heb lekker veel groen van den tuinjongen gekregen. Kijk eens, mijn schort vol; ik heb niks verloren, en moest Eric nog met die vervelende bloemkool helpen ook. Twee keer is dat nare ding uit ’t touw gegleden, dat Willem er n.b. zoo stevig om had gedaan! Die jongens kunnen ook net niks.”
„Jij houdt van de konijnen, omdat ze niet kunnen bijten,” grinnikte Eric. „Jouw konijnen zijn net ouwe mummelbessen, en ze doen ook niks dan eten.”
„Maar de kleintjes zijn doddig,” hield Tobi vol. „Mag ik er een meenemen, oom, als we weg gaan?”
„Met plezier, Tobiaantje, als je moeder ’t goed vindt.”
„Grootpa zal wel een hok voor ons timmeren,” vertrouwde Eric, die ’t konijn dadelijk voor de helft aannam. [181]„Moeder vindt ’t vast goed, en achter in den tuin is plaats genoeg.”
„Wil jij ook niet een konijn aan oom vragen, Basje?” stelde Tobi voor.
„Neen, ik houd mij bij mijn volière. Daar heb ik werk genoeg aan, maar er ook vreeselijk veel plezier van.
„De groenlingen zijn al mak, oom, en laatst is er een nachtegaal in ’t boompje gaan kijken, of hij en zijn wijfje er een nestje zouden maken. ’t Wijfje „sleepte” al, maar er is nog niks van gekomen. Misschien ’t volgend voorjaar en dan.…” hij wilde zeggen „kunnen vader en moeder ’t ook zien,” maar gelukkig slikte hij nog net bijtijds zijn woorden in. Want werd ’t geheim verraden, dan was de verrassing ook weg.