[Inhoud]

II II FRITS VECHT

De heer Canneheuvel zat ijverig te schrijven (er moest nog heel wat mee met de eerst vertrekkende mail), toen hij op eens van zijn stoel opsprong, hevig verschrikt door het geluid van een zwaren val en een doordringenden gil.

Vader gunde zich geen tijd zijn bril af te zetten of pen neer te leggen, maar snelde de kamer uit naar beneden. Uit de keuken kwamen de meiden tegelijker tijd ijlings aangeloopen. Onder aan de trap lag een gedaante, roerloos stil, met een bebloed gelaat.… Mama.

’t Was of Vaders hart stilstond. Door Bet en Kee geholpen, droeg hij zijn bewustelooze vrouw naar binnen, legde haar op de divan. Kee schreide, Bet ontdaan en bevend, [18]vloog weg om water, kom en spons te halen, bracht ook azijn mee.

„Bet,” sprak de heer Canneheuvel met trillende stem, terwijl hij even teeder als voorzichtig, ’t bloed trachtte te stelpen, dat uit een breede wond bij de slapen staag neerdruppelde, „telefoneer naar menheer Joop, vraag, of hij dadelijk komen wil.… zeg waarom.… Naar menheer Frits ook, mevrouws oogen …” Hij kon niet verder spreken, dikke tranen vielen op mama’s bleek gezicht. Goddank, daar sloeg ze de oogen op, en fluisterde in afgebroken woorden: „Lieve man, wees niet zoo.… ’t was mijn eigen schuld.… niet goed vast.… gleed uit over.… o, mijn hoofd, mijn hoofd.…”

„Mevrouw is vast met haar hoofd tegen de pilaster geslagen,” zei Bet. „’k Zou die Marietje wel wat kunnen doen. Ze liet blik en stoffer op de trap staan, toen ze weg moest om open te doen. M’n arme Mevrouw kon het niet zien en.… Marietje moet maar gauw weg, hoe eer hoe beter; zoo een kunnen we hier in huis niet gebruiken,” voegde ze er heftig bij. Niemand antwoordde. Mevrouw Canneheuvel scheen weer bewusteloos te zijn geworden.—Nel, die altijd wist, waar ze Joop ongeveer vinden kon op zijn ochtendvisites, had hem gelukkig getroffen bij de familie, die zij opbelde. Ze kwam met hem mee in het koetsje.

Nu nam Joop de leiding op zich; vlug en kalm deed hij wat er gedaan moest worden, terwijl Nel hem flink hielp, elken wenk en ieder gebaar dadelijk begrijpend. Zij zag [19]doodsbleek, en haar handen beefden, maar ze trachtte mama toch geruststellend toe te spreken, toen deze uit een hernieuwde flauwte bijkwam.

Spoedig lag Mevrouw Canneheuvel te bed, met een verband om ’t hoofd en warme kruiken aan haar ijskoude voeten. Met haar hand in die van haar man, lag zij vrij kalm. Frits was nu ook gekomen. Op zijn raad werd mama met rust gelaten; Joop had de wond gehecht, voorloopig kon er niets meer gedaan worden dan moeder de grootst mogelijke rust geven.

Nel had vaders plaats naast het ziekbed ingenomen, en deze volgde Frits buiten de kamer, en klemde zich hulp zoekend aan hem vast. „Frits, lieve jongen, denk je, dat moeders gezonde oog geleden heeft door den schok? Ze zal het gezicht toch niet verliezen.… ik verga van angst.”

„Hoor eens, vadertje,” en Frits sloeg zijn arm met vasten druk om vaders schouders, „U moet trachten kalm te wezen, zoo helpt U moeder het meest. ’k Kan immers nog niets met zekerheid zeggen.…. pas morgen hopen we, dat moeder onderzocht kan worden. U begrijpt wat ik doen kan.… U weet, we zouden voor moeder alles opofferen, met liefde, wij kinderen allemaal.… Toe dan, vader.… moeders’ herstel ligt grootendeels in Uw hand. Als ze U kalm naast zich weet, aan Uw heele optreden voelt, dat alles zich ten beste zal schikken, komt dat haar algemeenen toestand veel meer ten goede dan U denkt.”

„’k Zal mijn best doen, Frits,” beloofde de heer Canneheuvel, [20]„maar kan je mij niet een beetje hoop geven, jongen?”

„Morgen, vaderlief, zie, daar is Joop; die zal U ’t zelfde zeggen als ik.”

„Frits heeft gelijk, vader,” sprak Joop. „We kunnen nu niet anders doen dan afwachten. Maar heusch, U moet zich niet zoo overstuur maken. Moeder heeft een gezond, krachtig gestel, en komt er zeker bovenop. Goddank heeft zij niets gebroken, en die hoofdwond is niet gevaarlijk. ’k Vertrouw, dat moeders oog niet ernstig geleden heeft door den schok, altijd voor zoover ik dit na een zeer vluchtig, voorloopig onderzoek zeggen kan. Frits kan dit morgen pas met zekerheid weten.”

Joop wendde zich nu tot Frits, en de doktoren spraken zacht, en gebruikten Latijnsche uitdrukkingen.

„Nel blijft natuurlijk hier,” zei Joop bij ’t afscheid nemen tot zijn schoonvader. „Ze heeft niet alleen haar verpleegstersdiploma, maar ze is ook de beste pleegzuster, die ik in heel de stad voor U zou kunnen vinden. Ze weet precies wat ze doen moet.”

„En jullie dan, Joop? Hoe moet dat dan met jou en de kinderen?”

„Redt zich van zelf, vadertje, Tobi wordt al wat een kwiek huismoedertje, zegt Nel, en de meiden zijn goed en zorgzaam. Kom, nu gaan we, Frits, en komen van avond terug, tenzij Nel eerder mocht opbellen, zij is geheel op de hoogte.” Hij klopte den Heer Canneheuvel op den [21]schouder. „Moed gehouden, lieve vader, al de kinderen zullen U bijstaan zooveel ze maar kunnen.”—

In de keuken zat Marietje, rood behuild, verwezen, rampzalig ongelukkig. Als een stormvlaag was de woedende woordenstroom van Bet over haar hoofd heengestreken. Ze had er bijna niets van gehoord of begrepen in haar diepe ellende en hopelooze verslagenheid. Dat zij, juist zij haar lieve Mevrouw dàt had aangedaan! ’t Was verschrikkelijk! Marietje had, naast een groote vereering een haast kinderlijke liefde voor haar Mevrouw. Geen schepsel op heel de wereld was in haar oog zoo oneindig goed en liefderijk. Bij haar thuis, in het arm, verwaarloosd gezin, waar tien broertjes en zusjes den schamelen kost met vader en moeder moesten deelen, had zij hulp en licht en troost gebracht.

Vader kwam niet meer dronken thuis, moeder had nu dikwijls een vriendelijk woord voor de kleintjes, waar zij vroeger steeds schold en keef.… Marietjes Mevrouw was de goede engel, die dit wonder had bewerkt, en nou had Marietje.…

„Schei nou eens uit met dat razen, Bet,” verzocht Kee. „Dat is toch niks gedaan. Zie je niet, dat ’t schaap heelemaal weg is van de akeligheid! Ik zeg maar ’t was heel stom en onbedachtzaam, maar toch een ongeluk, wat jij, kind?” „Kom drink eens een slokje koud water en.…” [22]

„’k Zou me wel kunnen verdrinken,” mompelde Marietje voor zich heen.

„Dat is zondige taal, en ’t brengt je niks verder.” Bet, die bij ’t aanrecht groente stond schoon te maken, keerde zich om en keek naar Marietje. Kee had gelijk, wat zag dat schaap er uit! Ze vulde een kopje met water, en hield dit Marietje voor. „Kom, drink eens, meid,” zei ze goedhartig. „’k Ben heelemaal veraltereerd, je moet ’t je maar niet aantrekken wat ik allemaal tegen je gezegd heb. Zie je, ik denk maar aan Mevrouw der zieke oogen, en dat Mevrouw wel blind kan blijven. En als ’k dat bedenk, dan word ik half gek.”

„Ik ook,” kreunde Marietje, en toen: „’k Moet hier vast vandaan, je zal ’t zien.”

„Dàt staat aan Mijnheer,” meende Kee, haar dikbehuilde oogen bettend met een handdoekpunt. „Hé, ik verga van de hoofdpijn,” voegde ze er bij, „de narigheid slaat bij mij altijd in m’n hoofd.”

„Mijn in m’n beenen,” zuchtte Bet, „ik kan amper voort.” En Marietje herhaalde moedeloos: „’k Moet hier vast weg, menheer zal me niet best meer kunnen zien, en wat moet ik dan beginnen!”

Maar ze werd niet boven geroepen. Even als Bet en Kee liep ze op haar teenen bij ’t volbrengen harer dagelijksche bezigheden.

Mevrouw moest immers de meest volmaakte rust hebben? Als een schichtig muisje sloop Marietje, trap op, trap af; [23]geen trêe mocht kraken. Elke deur opende en sloot ze zoo voorzichtig alsof die van porselein was. Met behulp van Kee omwond ze den klepel van de voordeurschel, zoodat ’t schellen boven niet hoorbaar zou wezen.

’t Was of de uren kropen, en er geen eind wilde komen aan den langen, treurigen dag. Puck, die op Frits’ raad niet dadelijk naar de Duiventil was gegaan, zooals ze ’t liefst gedaan had natuurlijk, liep tegen ’t eten even aan, en fluisterde met Nel op ’t portaal. Nel’s kalmte werkte weldadig op Puck, die een ellendigen dag had gehad, zich geen raad had geweten van onrust en angst over den toestand van lieve moeder. „Maar,” zei ze, en er vloog even als een zonnestraaltje over haar beschreid gezicht: „als iemand moeders’ oog behouden kan, dan is ’t mijn Frits. Dat weet ik zeker, hij is zoo knap, en hij heeft, als wij allen, moeder zoo zielslief. Weet je wat hij zei bij zijn thuiskomst: „Nou ga ik voor moeder vechten, Puck, zooals ik nog nooit gevochten heb.…”

„’t Is zeker beter, dat ik nu niet bij moeder binnen ga, hé Nel?”

„Ja, lieverd. Bovendien slaapt moeder op ’t oogenblik, al is ’t heel onrustig. Je moogt wel door een kiertje van de deur, om ’t schut heenkijken en vader toeknikken, dat zal hem zeker plezier doen.”

Dit deed Puck dus, zich zoo zacht en voorzichtig mogelijk bewegend. Vader zat te lezen, en zijn hand rustte op ’t dek om die van moeder heen. Hij voelde zeker, dat [24]Puck er was, want hij keek op, en knikte haar vriendelijk toe, bracht even zijn vinger aan de lippen als teeken, dat mama sliep.

Puck en Nel slopen op haar teenen de trap af, en aan de voordeur vertelde Nel nog even aan Puck, dat Frits zich als jongen al had voorgenomen oogarts te worden om mama, die toen al aan één oog blind was, misschien weer geheel ziende te kunnen maken. Hij wist toen niet, dat die mogelijkheid voorgoed was buitengesloten.

„’k Kan ’t mij best begrijpen. ’t Is net iets voor Frits,” zei Puck. „Hij is zoo dol op moeder, zooals wij allemaal trouwens. Al zijn we nu deftige, groote menschen, ik geloof, dat we in ons gevoel tegenover vader en moeder dezelfde kleine jongens en meisjes zijn gebleven als vroeger. Voel jij dat ook zoo, Nel?”

„Ja Puck, net zoo. ’k Denk wel eens, dat ik dit gevoel tegenover vader en moeder zou behouden, al was ik zelf grootmama.

Nu dag lieverd, houd maar goeden moed; dat doen vader en ik ook.”—

Frits had ’s morgens al voorgesteld, of Basje niet liever bij hen zou komen logeeren. Doch de heer Canneheuvel voelde wel, dat Basje doodongelukkig zou wezen, als hij werd weggestuurd, en dankte vriendelijk voor het aanbod.

Hij werd er voor beloond door Basjes overgroote dankbaarheid. „’k Moet zelfs zooveel mogelijk thuis blijven,” redeneerde de jongen bij zich zelf, „om bij de hand te zijn, [25]vliegensvlug op de fiets boodschappen te doen, recepten weg te brengen en zoo. En dan benee, in grootma’s plaats, te zorgen voor grootpa, dat die ’t niet al te eenzaam heeft aan tafel. Ik zal wel wat afleiding weten te bedenken door verhalen van school en over de jongens.”

Hij mocht natuurlijk niet in de ziekenkamer komen, maar grootma zou ’t toch plezierig vinden, dat hij in huis was, verbeeldde Basje zich. ’t Was erg prettig bij tante Puck en oom Frits, doch Basje hoorde thuis en bleef er dus.

Niemand behoefde hem tot voorzichtigheid aan te manen met deuren sluiten en trappen loopen of hard praten. In plaats van een last werd hij een echte hulp in huis, die niemand graag gemist zou hebben.

Na ’t eten kwamen Joop en Frits en waren niet ontevreden over moeders toestand. Zij was bijna koortsvrij en verzekerde, dat de hoofdpijn nu dragelijk was.

Nel zou blijven waken, in welken maatregel vader alleen toestemde, als hij in ’t nevencabinet op de bank mocht gaan liggen, met de tusschendeur open. Nel moest beloven, vader dadelijk te roepen als mama naar hem vroeg. Toen alles dus voor den nacht in orde was gebracht, en gereed gezet wat de zieke noodig mocht hebben, zeide vader moeder goeden nacht. Maar deze hield hem even staande. „Lieve Carel,” sprak ze, de trouwe hand drukkend, die haar den heelen dag tot zoo grooten steun was geweest, „je moet Marietje niet wegzenden, beloof me dat. Ze was alleen maar onvoorzichtig. ’k Voel me heusch een beetje [26]beter. Van middag kon ik zoo moeilijk mijn gedachten bij elkaar houden, anders had ik ’t je toen al gevraagd.”—„Eigenlijk heb ik in ’t geheel niet meer aan Marietje gedacht,” antwoordde vader. „Bet riep maar, dat ze weg moest, en in ’t eerst.… toen we je opnamen dacht ik ook.… Maar lieve vrouw, als jij ’t niet wilt, dan gebeurt ’t niet; dat spreekt toch van zelf.” „Dankje beste. Zul je ’t van avond nog aan Marietje zeggen, Carel?”

Dit beloofde vader met een kus. En Mevrouw Canneheuvel betuigde tevreden: „Nou ga ik lekker slapen; hoe heerlijk, dat jij en Nel vlak bij me zijn. En die lieve, knappe jongens van ons zullen er mij wel bovenop helpen. ’k Heb in Frits zoo’n groot vertrouwen als oogarts. Ja Nel, knor maar niet; nu mag ik niet langer praten, hé? Goeien nacht man, nacht lieve Nel, ga nu ook slapen, Carel.…”—