Nel ging nu weer geregeld thuis slapen, en kwam ook niet meer vast elken dag naar de Duiventil. Vader nam graag haar plaatsje in, en moeder zei, dat ze geen andere hulp behoefde en wilde hebben dan die van vader en Kee. Nel moest nu heusch weer voor man en kinderen gaan zorgen. Dat Nel haar huismoedersplaatsje zoo lang leeg had moeten laten, kon ze ter dege merken. ’t Was alles een beetje in ’t honderd geloopen, doch niet zoo of haar vlugge, [34]bekwame handen brachten een en ander weer spoedig in orde.
Arme Joop was in ’t bizonder veel te kort gekomen, had zich echter voorbeeldig geschikt. Sophie, die zich indertijd als keukenmeisje bij Nel had verhuurd, was vlijtig en willig genoeg. Doch met haar koken bleek ’t een gek geval. Den eenen keer lukte ’t prachtig, en een volgende maal in ’t geheel niet. ’t Fornuis wilde dan niet doorbranden, de oven daarentegen gaf onzinnig veel hitte. De aardappelen waren niet gaar, en ’t vleesch leek wel gebraden hout. Nel vond, dat ’t Joop, die altijd zoo hard werkte, toekwam, voedzaam, smakelijk toebereid eten te krijgen, en de kinderen natuurlijk ook, want die moesten er van groeien. Ze keek dus altijd toe op de pot, kookte veel zelf.
Nu zij dus weg was.…
„’k Zal goed voor vader zorgen, moeder,” had Tobi beloofd, toen Nel in der haast naar de Duiventil ging, om daar voor onbepaalden tijd te blijven.
En Nel vroeg dikwijls genoeg aan Joop: „Hoe schik je ’t, mannie, gaat ’t nog al met Sophie’s kokerij, of lijdt je honger?”
„Wel nee,” antwoordde Joop luchtig weg, „maak je niet ongerust, alles loopt.…” En bij zich zelf dacht hij: „maar niet op rolletjes, lang niet.”
Tobi hield eerlijk haar belofte aan moeder, en weerde zich flink. Ze stond ’s morgens vroeg op, sneed brood en smeerde boterhammen, vrij dunnetjes, want ze was aan den overleggenden [35]kant, „en de boter bleef nog duur,” zei Sophie.
Van thee zetten bracht Tobiaantje bitter weinig terecht, want ze verbeeldde zich, dat gekookt water precies even goed was om op de thee te gieten als kokend water.
Eric bedankte voor zijn meestal half gare havermoutpap, en sopte zijn dikke, schraal gesmeerde boterham in zijn warm water- en melkdrankje, waarin Tobi veel suiker toestond. Want met die zoetigheid was ze zeer royaal. Moeder zei altijd: „jullie moogt veel suiker hebben, dat is gezond.”
Als vader beneden kwam, waren de kinderen al naar school. Joop ontbeet haastig, ’t koetsje stond meestal al vóór. ’t Koude, hard gekookte ei bleef dikwijls staan, en vader verdacht Tobi er van, dat ze nog al eens vergat thee in de trekpot te doen: ’t was een kleurloos, smakeloos drankje, dat hij in zijn kop schonk. ’s Middags, als de kinderen uit school kwamen, ’t heerlijk uurtje voor ’t eten, dat moeder altijd aan Eric en Tobi gaf, ging vader nu ook niet als anders naar zijn werkkamer. Dan werd Tobi geprezen, omdat ze op haar manier zoo goed gezorgd had, en altijd ’t eerst van allen beneden was, om ’t ontbijt te beredderen. Eric keek vader wel eens aan, en de groote en de kleine jongen wisselden een knipoogje. Bij moeder ging ’t een klein beetje heel anders, maar Tobi deed haar best en meer kan je niet doen.
„Wat eten we van middag, moeder Tobi?” vroeg Joop op een keer. [36]
„Varkenscarbonaadjes met gestoofde appeltjes,” wist Tobi vlug.
„En krijgen we geen andere groente, vrouwtje?”
„Nee vader, dat wordt te duur. U mag zooveel appeltjes hebben als U wil. Er is meer dan genoeg, twee schalen vol, wed ik.”
Vader trok een scheef gezicht.
„’t Is maar, dat ik nou niet zoo dol ben op zoete groente, liefje. ’k Dacht, dat Sophie dat wel wist.”
„Och heden!” riep Tobi met een kleur, „ik heb ’t nog wel verzonnen van die appeltjes. ’t Spijt me voor U, maar er is nou niks anders. Voor morgen mag vader zeggen wat we zullen eten.”
„Bruine boonen met spek,” riep vader, „daar heb ik reuzentrek in.”
„Ziet U, daar houden Eric en ik nou juist niet zoo erg van, maar ’t komt morgen toch vast op tafel,” besliste Tobi. „Eric mag ’t voor overmorgen zeggen.”
„Ik kies spekpannekoeken en sla met eieren toe,” koos Eric direct.
„Jij bent een dure, hoor,” vond Tobi, „’k zal nog eens moeten bedenken, of dat wel kan.”
„Dan is er voor vader een hartigheidje bij,” fluisterde Eric hardop. „Enkel spekpannekoeken met stroop, dat is niks voor vader.”
„Sla met eieren was nog al een gemakkelijk maal,” bedacht Tobi. Maar ze had er een zwaar hoofd in, of Sophie [37]de pannekoeken wel goed zou bakken. Zelf durfde ze ’t heelemaal niet aan. Ja, ’t viel niks mee, die huishoudzorgen.
„’k Zal blij zijn als moeder weer alles doet,” zuchtte ze uit de volheid van haar hart.
Vader en Eric waren ’t roerend met Tobi eens, maar te beleefd om ’t hardop te zeggen.
Een week later kwam moeder voorgoed thuis, en ’t was eenvoudig verrukkelijk.
Met al haar wijsheid was Tobi toch nog maar een klein meisje, en kroop wat graag op moeders schoot als niemand er haar om uit kon lachen.
„Moeder,” zei ze zacht aan Nel’s oor, „heeft vader dikwijls tegen U geklaagd, dat ’t hier een foute boel was? ’k Heb gehoord, dat Eric dat tegen Basje heeft gezegd.”
„Vader heeft jou altijd geprezen, hoor liefje, en nooit geklaagd. Echt niet! ’t Was ook erg flink van je, dat je ’s avonds altijd ’t theegoed omwaschte, en niet wou spelen als er nog allerlei te doen was. Moeder is heel trotsch op haar groote dochter, ik bedoel op haar schootkindje.”
„Dat ben ik ook eigenlijk nog veel liever,” zei Tobi droomerig. „’k Wil vooreerst nog niet groot worden, moeder. Huishouden doen is erg moeilijk, daar moet je een moeder voor zijn geloof ik.”
„Je bent moeders kleine poes,” zei Nel, terwijl zij Tobi’s lief snoetje kuste. „Roep Eric eens, dan gaan we gezellig schemeren, tot vader thuis komt, en zal moeder jullie een echt gebeurde geschiedenis vertellen.” [38]
„Moeder gaat stellig een leuk verhaal vertellen,” zei Eric. „Je ziet er zoo vroolijk uit, moeder.”
„Jullie weet ook niet, hoe blij ik ben, kinderen, dat ’t met grootma zoo goed gaat. ’t Is, of er aldoor een vogeltje van binnen bij mij zit te zingen. Oom Frits durft nog niks met zekerheid te zeggen maar.… denk eens hoe heerlijk ’t zou zijn, als grootma weer kon zien!”—
Vader kwam dit keer veel te vroeg thuis naar Erics en Tobi’s zin. Moeder was pas half weg met haar belangwekkend verhaal, hoe en waarom oom Frits als kleine jongen ruzie had gekregen met zijn besten vriend Japie Schlimmer, en wie op ’t laatst de eigenlijke vredestichter tusschen hen geweest was.
„Vertel nog eventjes verder, nog heel even, moeder,” riepen de kinderen. Doch vader wilde niet wachten met aan tafel gaan, daarvoor had hij veel te veel trek. Want moeder had zijn lievelingskostje gekookt, en vader wist dus wel, hoe goed hem dat smaken zou.
„Van avond bij ’t naar bed gaan, vertel ik verder, terwijl jullie je uitkleeden,” beloofde moeder. En daarmee moesten Eric en Tobi tevreden zijn.—
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Vele, vele jaren later, als heel oud man, kon vader zich geen dag in zijn leven herinneren, die hem zulk een overweldigende, ontroerende vreugde had gebracht als de dag waarop zijn lieve Suze ’t gezicht als hergeven werd.
Frits had niets gezegd. Behalve Puck wist niemand hoe [39]veel angst en zorg Frits had uitgestaan, en hoe dikwijls hij gedacht had: „’t Is alles om niet, al mijn tobben en probeeren, al moeder’s geduld, vader’s stille hoop.…” Doch die moedeloosheid duurde nooit lang. En Puck hielp haar man, wat ze maar kon, wist hem altijd weer op te beuren. Tot ten lange lange leste een zwak lichtje van hoop begon te gloren, een sterretje, dat steeds helderder werd.
En eindelijk was de groote dag dáár. Niemand dan Puck had dit mogen weten.
Frits was toch nog niet heel gerust, bang verwachtingen te wekken, die niet verwezenlijkt zouden worden. Daarop was toch nog altijd kans, al vertrouwde hij vurig van niet. Mama zat kalm op Frits te wachten voor ’t dagelijksch onderzoek. „’t Duurde wel heel, heel lang,” dacht ze dikwijls, eer ze zelf probeeren mocht een tipje van den duisteren sluier op te lichten.
Maar Frits wist ’t het best. Ze moest vertrouwen en geduldig zijn. En hoe gemakkelijk werd dit haar niet gemaakt door de overgroote liefde van man en kinderen.
Puck kwam dit keer met Frits mee. Nel en Joop waren er ook in de naaste kamer en praatten vroolijk met vader.
„Hoe goed en lief zijn ze allen voor mij,” dacht Mevrouw Canneheuvel. „Al moest ik blind blijven, dien zegen zou ik toch behouden, zoolang ik leef.”
Nog waarschuwde geen blij voorgevoel mama, dat er iets bizonders zou gebeuren. Zij gaf zich als altijd, lijdzaam en vol vertrouwen aan Frits’ behandeling over. [40]
Eén oogenblik van angstig weifelen, toen herkreeg Frits zijn zelfbeheersching. Met vaste hand verwijderde hij het verband.
„Moeder, beste moeder, open Uw oogen, probeer of U zien kunt.”
Bevend, ’t heerlijke nauw kunnend beseffen of gelooven, sloeg Mevrouw Canneheuvel de oogen op en.… zag Frits’ ernstig, ontroerd gezicht over zich heen gebogen.
Toen een verrukte kreet, en Frits kreeg zijn loon. „Jongen, mijn lieve jongen, ik zie, ik zie; ’t zwarte gordijn is weggeschoven.” Haar armen om zijn hals geslagen, haar wang tegen zijn wang gedrukt, stamelde moeder in gebroken onsamenhangende woorden haar dank.
Als beekjes liepen Puck de tranen langs de wangen.
Nu kwamen vader, Joop en Nel binnen.
’t Was al heel gek. Iedereen schreide, terwijl er toch slechts aanleiding was tot diepe, heilige vreugde. Vader trad op Frits toe. Hij kon niets zeggen, maar zijn oogen, den druk van beide handen, welke die van Frits omvat hielden, spraken voor hem. Toen ging hij naar moeder, en sloeg zijn arm om haar heen.
Frits, diep ontroerd, greep Puck’s hand, wenkte Nel en Joop. Stil gingen de kinderen de kamer uit, lieten vader en moeder alleen. Ze voelden ’t allen: dit was als een gewijd uur, waarin hun ouders alleen wilden zijn, om elkaar te zeggen wat niemand anders mocht hooren.…
Mevrouw Canneheuvel moest zich voorloopig nog zeer [41]in acht nemen, in ’t geheel niet in ’t volle licht komen, ’t verband slechts afleggen, als de kamer bijna donker was. Doch wat beteekende dit, naast de zalige zekerheid dat geen volslagen blindheid in de toekomst langer dreigde? „U zal nu ook nooit zonder bril mogen, moeder,” zei Frits. „Eén moet U altijd dragen, en een andere opzetten als U leest of naait. ’t Is lastig, maar noodig.”
„Och Frits, dat tel ik niet. Wat komt dat er op aan?” riep moeder blij. „O jongen, zal ik dus weer kunnen lezen en handwerken en.…”
„Zeker, moeder, maar geen inspannend fijn werk. Dat deed U toch al lang niet meer, wel?”
„Ik zal voorzichtiger dan voorzichtig zijn,” beloofde mama.—
In de keuken had ’t heuchelijk bericht van Mevrouw’s beterschap niet minder groote vreugde gebracht dan boven. „’t Is nou pas heelemaal in orde, ’k heb nou pas ’t gevoel dat ’k met een gerust hart mag blijven,” betuigde Marietje, en zij loosde zulk een diepen zucht alsof er een looden gewicht van haar werd afgewenteld.
Natuurlijk waren de: „Welkom Buiters,” zooals Puck ze gedoopt had, weer ever gekomen om moeders’ eersten dag benee mee te helpen vieren. De kleintjes hadden aardige versjes geleerd, ’t huis was vol bloemen, goede vrinden kwamen geluk wenschen.
En de heldin van ’t feest keek ieder vriendelijk aan met haar lieven glimlach, en dankte God, dat zij dit weer doen [42]kon. Zelfs Terry had zich moeite gegeven, en vertoonde een nieuw kunstje ter eere van de feestelijke gelegenheid. In de drukte had zijn baasje vergeten zijn drinkensbak te vullen, en Terry, die een flinke wandeling had gedaan, had daar een flinken dorst op gekregen. Geduldig zat hij voor den leegen bak te wachten. Dacht nu niemand eens aan hem? Hoorde niemand zijn bescheiden: „waf?”
Terry keek rond, zag ’t vrouwtje zitten, dat vroeger even trouw voor hem had gezorgd als zijn baasje. Op eens nam hij ’t leege bakje in zijn bek, droeg ’t de kamer door, en zette ’t vlak voor Mevrouw Canneheuvel’s voeten, terwijl hij, naar haar opkijkend, zijn poot op haar knie legde. Als ze hem nu nog niet begrepen, waren ze wel oliedom, die groote menschen.
Wat werd er om leuke Terry gelachen en hoe gauw werd zijn aardig kunstje beloond. In plaats van enkel water, kreeg hij er dit keer een flinken scheut melk door, ter eere van den feestdag. „En omdat ik zoo slim ben geweest,” dacht Terry bij zich zelf.
Na ’t eten, toen de heele familie aan ’t theeuurtje weer bijeen zat, stapte Eric, een beetje rood en verlegen, op Oma toe, en zei: „Oma, ik heb een stukje ingestudeerd, en de juffrouw zei, dat ik ’t wel voor kon spelen. ’t Is ter eere van dezen dag, weet U.”
„Hoe aardig van je, lieverd, dat heb je leuk verzonnen. Stil zijn en niet babbelen, groote en kleine menschen,” verzocht mama, „Eric gaat voor ons spelen.” [43]
Eric ging voor de piano zitten, en speelde.
Al spelende vergat hij waar hij was. Hij zag alleen maar noten, en hoorde liefelijke, zoete tonen. Je kon een speld hooren vallen, zoo doodstil zat iedereen te luisteren. Vader en Frits knikten elkaar toe, de jongen speelde buitengewoon goed voor zijn leeftijd: gevoelig en vol uitdrukking. ’t Was een genot naar hem te luisteren. En Mevrouw Canneheuvel was niet minder ontroerd. Deze eenvoudige muziek kon zij begrijpen, met hart en ziel meevoelen.
Jopie sloop op haar teentjes dichterbij, haar wangen gloeiden donkerrood, haar oogen schitterden. Hoe „plachtig” speelde die Eertje! Nou moest Paps op zijn viool mee spelen, dan was ’t nog mooier; Jopie zou ’t vragen, als Eric klaar was.
Cartje, die bij Grootma op schoot zat en zoo’n beetje dommelde, hoewel hij heel verontwaardigd had verklaard nog niet naar bed te willen, omdat er partij was, en de zon ook nog niet naar bed was, scheen klaar wakker geworden door de muziek. Op eens gleed hij van Grootma’s schoot, en sloop de kamer uit. Moeder Lien ging zachtjes achter zoonlief aan, ze wilde wel eens weten, wat hij van plan was. Nu, dat bleek al gauw. Cartje ging de trommel halen die grootvader hem cadeau had gegeven onder beding dat hij er alleen in den tuin op mocht trommelen.
„Hij wil de trom zeker mee naar boven nemen straks,” vermoedde zijn moeder. Doch daaraan dacht Cartje nog niet. Haastig stapte hij weer binnen met zijn schat, en voor [44]Eric wist wat er gebeurde, zag hij Cartje naast zich staan, verwoed op zijn trommel slaande. ’t Was een lawaai van wat blief je me, en geen schepsel, die ’t niet zelf had bijgewoond, zou geloofd hebben, dat Cartje’s kleine handen zulk een oorverdoovend lawaai konden maken.
Grootma hield haar handen voor de ooren, vader Frans nam Cartje gauw de trom af, en tilde ’t kereltje hoog in de lucht om hem eens goed aan te kijken. „Ventje, wat scheelt jou? Ben je wel goed wijs, klein aapje?”
En Cartje, met een ernstig snoetje vader aanziende, riep luid: „Eertje’s muziek heel leelijk, Cartje’s trom veel mooier.”
Toen schaterde iedereen ’t uit, Eric voorop. ’t Was toch ook al te gek, dat zoo’n dreumes als Cartje heel alleen dat gekke verzinsel had bedacht.
„’t Is hopeloos, Lien,” zuchtte Frans, terwijl hij Cartje weer op zijn voetjes zette. „Die zoon van ons zal naderhand liever trappen hooren schuren, dan naar de mooiste muziek luisteren.” Maar Lien riep tusschen de algemeene vroolijkheid, ten koste van haar Cartje door: „Daar weet je nog niks van, Frans, Cartje heeft natuurlijk gedacht: „bij muziek hoort muziek.”—
„Moeder,” zei Frans hartelijk, toen de „Welkom Buiters” afscheid namen, om naar huis terug te keeren: „nou komt U toch heel gauw bij ons, om aan te sterken en vader komt natuurlijk mee.”
„Wel zeker,” riep Nel, „dat zouden jullie „Welkom [45]Buiters” wel willen. Net of moeder hier ook niet zalig buiten kan zitten in den tuin, en gezondheid met lepels opdoen. We kunnen moeder nou niet zoo dadelijk missen, hoor!”
„Daar heb je ’t al,” riep Lien, „nou gaan we nog kibbelen ook. Ik zeg maar: we moesten allemaal in de Duiventil wonen en vader en moeder de lakens laten uitgeven!”
En toen Frans Lien uitlachte om dit zonderling voorstel, werd zijn vrouw boos en viel uit: „Als je niet dadelijk ophoud, Frans, met me uit te lachen, laat ik je alleen naar „Welkom Buiten” trekken, en blijf met Cartje hier.”
„Daar ben ik niets bang voor,” riep Frans vroolijk. „Wedden, dat ik jou en Cartje mee neem naar onze Duiventil?”
„Frans wedt nooit anders, dan als hij stellig weet, dat hij ’t niet verliezen kan,” sprak Lien berustend, „dus zullen we wel mee moeten. Maar moeder, we rekenen vast op U, we zullen elken dag naar U en vader uitkijken.”