Lien van Delden-Canneheuvel was weer eens van „Welkom Buiten” naar den Haag komen overwippen. Ze verlangde meer dan „vreeselijk,” zooals ze schreef, om Nel te zien; bovendien moest Cartje nieuwe kleertjes hebben, en niemand kon haar bij ’t uitzoeken en knippen zoo goed helpen als Mama. Frans zat in Berlijn. „Voor zaken,” zooals zijn vrouw deftig mededeelde aan die ’t hooren wou. [101]Aan ’t eind van de week zou hij Lien en Cartje komen halen, en had Mevrouwtje van Delden dus in ’t geheel geen haast om naar „Welkom Buiten” terug te vliegen.
In plaats van, zooals ze gehoopt had, een poosje bij Nel te mogen zijn en naar hartelust te babbelen, werd Lien maar even bij haar zuster toegelaten, en kwam een beetje ontdaan thuis.
„Wat zag die lieve Nel er nog uit!” Miserabel! Haar zuster was er bepaald van geschrikt. Doch moeder stelde Lien gerust: Nel was heusch beterende. „Ik schrok ook erg van Nel’s uitzicht,” gaf ze toe, „maar vertrouw Joop volkomen. En die is weer vroolijk en vol goeden moed.”
De arme jongen was erg in de put gezakt een poos geleden, toen moesten vader en ik hem troosten en moed inspreken. Maar nu.… „Nel is op den goeden weg, gaat dagelijks met reuzenschreden vooruit,” zegt haar man, „dat slechte uitzien wordt met den dag beter, en binnen korten tijd is onze Nel weer de oude.” En dus mocht Lientien (zoo noemde alleen mama Lien bij uitzondering zoo af en toe) ook niet langer tobben, en gingen ze nu samen voor Cartje’s toilet zorgen.
„’t Is bijna net als vroeger,” betuigde Lien innig vergenoegd, terwijl ze met moeder naar de stad stapte. „Ziet U, dat is ’t eenige, wat ik mis op „Welkom Buiten.” ’k Zou U en Vader vlak bij ons willen hebben. Altijd bijna is er wat, dat ik U moet vragen of vertellen, en ben dat natuurlijk vergeten, als ik na een poosje schrijf.”
„We moeten dankbaar zijn, kind, dat we elkaar dikwijls [102]genoeg bereiken kunnen, denk eens aan Dolf en Lous en Jan en Ajoe.… Vader en ik kunnen toch zoo naar de kinderen in Indië verlangen, vooral ook naar Jan. Hoe lang is ’t nu al geleden, dat hij weg ging!”
„Jan blijft altijd even trouw schrijven, hé moeder?”
„Ja kind, een langen brief eens in de maand vast, en elke week schrijft Ajoe, waarbij Jan dan een regeltje of wat voegt. Ajoe schrijft altijd ’s Vrijdags, we noemen haar brief: „de Vrijdagsbrief,” en zouden er niet meer buiten kunnen.”
„En Jan en Ajoe zeker niet buiten Uw brieven. ’k Geloof niet, dat er een mensch bestaat, die heerlijker brieven schrijft dan onze moeder. Dat is er nu weer ’t eenige voordeel van, dat U en ik niet naast elkaar wonen, maar ik ruilde ’t er toch graag voor, en ben vaak jaloersch op Nel en Puck. Die kunnen dadelijk met alles bij U komen.”
„Net of jij dat niet doet! Je heet niet voor niets „de vliegende moeder” in de familie,” troostte mama.
„’k Kan zoo dikwijls naar vroeger terug verlangen,” zuchtte Lien, „naar den tijd, toen ik nog Lientien heette en was. Maar Frans en Cartje moeten er natuurlijk bij zijn.”
„Maar vrouwtje, hoe zou dat nu kunnen; ben je wel recht wakker, liefje?” „’t Komt zeker omdat ik zooveel aan vroeger denk, als ’k weer thuis ben bij U en Vader. Moeder, wat hebben we toch een heerlijke jeugd gehad! ’k Hoop, dat Frans en ik Cartje’s leven net zoo prettig en gezellig zullen maken als ’t onze was.” [103]
„Dat zal je stellig, kind, want je bent zelf gezellig en altijd opgeruimd. Dat mist zijn invloed niet op je omgeving; je maakt er iedereen gelukkig door.”
„Maar moeder,” klaagde Lien, terwijl ze mama met koddige wanhoop aankeek: „Frans komt toch veel bij mij te kort. In de muziek, bedoel ik. Hij zegt, dat ik zelfs: „Piet Hein” niet goed in de maat kan zingen, verbeeld U!”
„’k Zou haast zeggen,” lachte mama: „dochter geef mij de hand. Ik kan ook geen wijs houden. En Lientien, ik heb aan vader, die toch ook zoo in de muziek opgaat, nooit kunnen merken, dat hij gebrek aan muzikaal gevoel in mij bizonder miste. Frans plaagt je maar een beetje, kind.”
„Ja maar moeder,” sprak Lien ijverig, „ik heb bedacht, zou ik ’t met de muziek nog niet eens probeeren, les gaan nemen en verbazend oefenen. Als ik nu eens vier, vijf uur per dag gamma’s en studies speelde en.…”
„Malle meid, hoe verzin je ’t?” viel mama in. „Met al je moeite zou je, net als ik, een treurig brekebeentje blijven. Al studeeren wij beiden ook van den ochtend tot den avond, we brachten ’t tot niks. ’t Zou alles aangeleerd, onecht en niet ’t ware zijn.”
„Ja, dat geloof ik ook. ’k Heb altijd van die gekke plannetjes, moeder, en er komt ook nooit iets van. En hier is de winkel; ik wou liefst geen gemaakte kleertjes koopen, maar alles met U knippen en zelf naaien voor mijn kleine baas; zoo echt gezellig, samen met U voor ons ventje bezig te zijn. ’k Heb toch heusch veel geleerd van die poppenkleertjes [104]maken onder toezicht van tante Sjarlotje. Wat wist die lieverd toch alles aardig te verzinnen, en in elkaar te zetten. Ze heeft zelfs eens een badpakje gemaakt voor kleine Koo.”
„Hoe weet je dat alles nog, kind,” sprak Mevrouw Canneheuvel, en bij zich zelf dacht ze: „Wat een trouw hart heeft ze toch, die Lientien van mij.”
Cartje was een buitengewoon geduldig pasjongetje, volgens zijn Mamaatje.
Hij draaide van rechts naar links, liet zich op de tafel zetten, en wachtte geduldig tot hij er weer werd afgetild, terwijl Maatje met vlugge handen vol spelden aan zijn lijfje rondwriemelde.
Cartje dacht, dat ’t een spelletje was, dat hij vervelend en zijn moeder erg prettig vond, en liet maar alles met zich gebeuren. Alleen als Jopie kwam, was Cartje niet langer te houden, en gleed als een vlug aaltje onder moeder’s handen weg.
Terwijl Otema en Maatje den volgenden ochtend druk met Cartje bezig waren, hoorde hij op eens Jopie’s stemmetje, en weg was hij, en draafde naar de gang.
„’k Hoop, dat Jopie en Cartje net zoo op elkaar worden als Puck en ik altijd geweest zijn,” sprak Lien. „Jammer, dat ze niet naast elkaar kunnen opgroeien, ’t is zoo’n aardig spannetje.”
Jopie kwam met Juf om te vragen of Cartje en zijn mama morgen den heelen dag bij moeder op visite wilden komen, [105]en als Jopie mocht, bleef ze nou bij Oma koffie drinken, en zou Paps haar na de koffie komen afhalen.
Natuurlijk werd dit plan goed gevonden.
„Zeg maar aan Mevrouw, Juf,” verzocht Lien, „dat ik juist voornemens was morgen met Cartje te komen.”
„Een heelen dag mag Puck immers wel hebben, moeder?”
„Natuurlijk kind, daar rekent ze vast op.”
Jopie troonde Cartje mee naar de gang, om daar heerlijk te gaan ravotten.
Jopie vond Cartje vreeselijk klein en onnoozel, en zich zelf al een groote jongejuffrouw. Naast Eric en Tobi was zij altijd ’t kleintje, en bij Cartje nou eens lekkertjes niet. Cartje moest doen wat Jopie wou, en daar kwam nooit gekibbel van, want Cartje had een groote bewondering voor Jopie, en vond altijd alles goed. In ’t praten en redeneeren was hij nog alles behalve een baasje. Die gave scheen hij tot dusver nog niet van zijn moedertje te hebben meegekregen, want die had haar leven lang uitstekend met babbelen terecht gekund.—
„O Lien, hoe heerlijk, dat je er bent,” riep Puck den volgenden morgen, terwijl zij haar zuster, tegelijk haar liefste vriendin, pakte en kuste, dat ’t een aard had.
„Ik kwam in de eerste plaats om naar Nel te kijken,” zei Lien, toen ze een beetje op adem was gekomen van Puck’s onstuimige omhelzing. „Je begrijpt, ik had rust noch duur. Al hield moeder ons zoo trouw mogelijk op de hoogte, ik [106]verlangde toch heel erg Nel te zien, toen ik hoorde, dat ze nog al ernstig ziek was. ’k Had wel zoo over willen vliegen. Maar Joop schreef: „Nel moet absolute rust hebben, ik laat niemand bij haar.” Dus was wachten de boodschap. Maar toen ik hoorde, dat Nel aan ’t beteren was, en Frans naar Berlijn moest voor zaken, zei ik dadelijk: dan ga ik met Cartje naar den Haag.”
„Had je niet graag met Frans mee gewild naar Berlijn, Lienepien?” vroeg Puck.
„Ja, dat begrijp je, maar ’t was te lastig, om Cartje mee te nemen, en zonder hem zou ik rust noch duur hebben gehad daar ginds. Bovendien verlangde ik weer erg naar jullie allen, veel meer dan naar Berlijn.”
Puck had Lien intusschen meegetroond naar haar gezellige zitkamer om daar een echt ouderwetsch babbeluurtje te hebben. „Vertel nou eerst eens,” zei ze, „hoe vond je Nel?”
„Nou, erg slap en bleekjes, en vreeselijk mager geworden. Je begrijpt, ik mocht maar kort blijven; goed ook, want ik kon mij haast niet goed houden. Maar Nel was heel opgeruimd en Joop bizonder tevree. Wat is die Joop een tiran! Hij dreef mij bijna de kamer uit.”
„Mij ook van de week; maar ’t is tot Nel’s bestwil, moeten we maar denken. Kind, hoe heerlijk, dat je mij een heelen dag geeft. Blijf je een poosje in de Duiventil?”
„Een heele week, Frans komt mij en Cartje halen.”
„Waarom heb je Cartje niet meegebracht?”
„Maar Puck, natuurlijk heb ik ’t loodsmannetje bij me, [107]je hebt hem toch ook gevraagd? Hij speelt met Jopie in de serre en Juf let op hen.”
„’k Ga hem halen,” zei Puck, „de kinders mogen hier best spelen. ’k Heb Cartje in geen eeuw gezien.”
„Nou die eeuwen van jou zullen amper drie maanden zijn,” lachte Lien. „’t Ventje is toch zoo lang verkouden gebleven, toen was hij ’t best thuis.”
„Cartje heeft anders al heel wat afgereisd in zijn leventje,” merkte Puck op. „Hij wordt vast handelsreiziger naderhand.”
„Wat een baan, eeuwig van huis! Dank je wel voor mijn zoon,” riep Lien Puck verontwaardigd achterna. Want die rende naar benee om de kinderen te halen. Toen moest Jopie natuurlijk bij tante Lien, en Cartje bij tante Puck op schoot, en de lieve diertjes werden bewonderd en geprezen, terwijl zij zich naar hartelust door hun respectieve tantes lieten aanhalen. „Tante Lie,” zei Jopie met een wijs gezichtje: „wat is Cartje toch nog vreeselijk klein en onnoozel. Jopie vertelt Cartje een foppeldijtje, weet je zoo: ik zegt: Jopie heeft Bet vreeselijk uitgescheld en gezegd: „Bet, jij bent een olifant.” Maar Bet is niks boos en heeft Jopie afgezoend en gezegd: „jij bent een lekker, klein olifantje.” En weet je wat Cartje toen zegt tegen Jopie? „Dag olipan.” Is dat nou niet vreeselijk dom? Ik bent toch geen oliepan.”
„Nee, gelukkig niet,” zei moeder, terwijl ze Jopie knuffelde. „Maar of mijn groote Jopie nou zoo veel wijzer is dan kleine, domme Cartje? Kom peuzels, ga nou maar prettig [108]samen spelen, hier bij tante en moeder. Jopie mag de trommel met koekjes gaan halen, en hier brengen. Wie één koekje wil hebben, steekt één vingertje op, wie er twee twee vingertjes.”
Cartje stak allebei zijn handjes in de lucht, die zou dus vast en zeker niet te kort komen. „Cartje mag niet zoo gulzig zijn,” berispte Jopie, maar Cartje stoorde zich in ’t geheel niet aan Jopie en riep: „veel, veel voor Cartje,” terwijl Jopie naar beneden liep. „Jopie gaat hoe langer hoe meer op je lijken, Puck,” merkte Lien op.
„Maar ze is veel zachter en gemakkelijker van aard, dan ik,” sprak Puck. „’k Geloof, dat ze ook muzikaal is. Wanneer ik speel of zing, zit ze als een muisje zoo stil te luisteren, en als ze ergens om vragen mag, omdat ze bizonder lief en zoet is geweest, gaat ze naar Frits en zegt: „Paps, speel jij op je viool voor Jopie?”
„Heel anders dan Cartje,” zuchtte Lien. „Die heeft net als zijn mama, geen aasje begrip van muziek en, ook weer net als zijn moeder, is hij dol op poppen. Zeg Puck, weet je wie ik terug gevonden heb onlangs?”
„Een vrouw, een man of een kind?”
„Een klein heertje. Verleden week met goed uit een koffer halen kreeg ik „kleine Koo” in handen.”
„Och kom,” riep Puck vroolijk, „ik dacht, dat die al lang over alle heuvels heen ver weg was gevlogen. Malle Lien, je hebt nu immers een levende pop.”
„Nou ja, natuurlijk.… Maar toch kon ik ’t kereltje niet [109]weg doen, uit oude herinnering niet. ’k Nam hem mee in mijn sleutelmand, en terwijl Cartje met ’t popje speelde, zag ik alles van vroeger weer zoo duidelijk voor me, alsof er niet vele jaren lagen tusschen toen en nu. Herinner je je nog, dat kleine Koo een nieuw kopje kreeg, omdat hij zijn bolletje door Basjes schuld verloren had, toen jullie in Zwitserland waren. En dat hij van te voren al zooveel moest doorstaan, toen jij hem met de andere poppen in vaders vleugel stopte?”
Puck gierde ’t uit. „Dat was ik schoon vergeten. Als ik bij je kom, zal ik er kleinen Koo heusch weer eens op aanzien.”
„Hij droeg een rood broekje, dat tante Sjarlotje nog voor hem gebreid had,” vervolgde Lien, „’t zit vol motgaatjes, maar ik wil ’t altijd bewaren. ’t Was tante’s laatste handwerkje, en ’t breien zal haar moeite genoeg gekost hebben met haar stijve vingertjes. Die lieve tante Sjarlotje, zoo jammer, dat ze Cartje niet meer heeft kunnen zien. ’t Had toch best gekund, hoe veel menschen worden geen tachtig jaar en ouder? Grootma in Haarlem bij voorbeeld, die wordt twee en negentig van ’t zomer, en wat is ze nog kras voor haar leeftijd! Tante Sjarlotje had ook best nog kunnen leven.”
Puck gaf Lien een zoen. „Ik zal tante Sjarlotje ook nooit vergeten,” zei ze hartelijk, „voor mij was ze net zoo goed een lieve tante als voor jou.” Beiden toefden met hun gedachten in ’t verleden en zwegen een poosje. Toen sprak [110]Puck: „Je weet niet, hoe lief tante Johanna voor ons is, en zoo dankbaar en gelukkig als wij bij haar komen. Zeg Lien, ’t rozentuinkamertje is nog net zooals toen wij er logeerden. Dat wordt naderhand Jopie’s kamertje, als ze bij tante is. Zelf gaat tante niet meer gemakkelijk van huis. Tante is echt trotsch en gelukkig, dat wij Jopie naar haar noemden. Dat deden we op voorstel van moeder, die vond, dat dit aan tante toekwam. Weer net iets voor lieve Moeder, hé? Anders hadden we Jopie Suze genoemd. Moeder moet ’t tot dusver alleen met Jan en Ajoe’s klein meisje als naamgenootje doen, maar moeder zou ook haar petekindje niet boven de andere kleinkinderen voortrekken, geloof ik.”
„Neen, dat is niets voor moeder,” stemde Lien toe. „Ze heeft zulk een ruim hart, dat er volop plaats is voor ons allemaal, en de Duiventil ’t algemeen „thuis” is en blijft.
„Maar om op tante Johanna terug te komen, is dikke Saartje nog altijd bij haar?”
„Zeker wel. Ze is nou een stevige zestiger, en Jopie en ik zijn erg bij haar in de gratie. Bobbie is al lang dood, maar Saartje heeft weer net zoo’n luie, dikke lobbes voor hem in de plaats gekregen.… En daar komt Frits vast thuis. Kijk maar naar Jopie, die weet ’t precies. Pas op Jopie, niet zoo wild rennen, straks val je op je neus.”
Even later trad Frits binnen, en niemand zou nu hebben gezegd, dat Frits zoo’n deftige, ernstige dokter was, zoo jolig en opgewekt zag hij er uit, terwijl hij Lien begroette [111]en hartelijk omhelsde. „Je weet dat nog zoo niet, Jopie,” sprak hij tot zijn kleine meid, die aan zijn hand te dansen stond, „maar tante Lien is eigenlijk een zusje van jou. Paps heeft haar als zijn kindje aangenomen, toen ze een onnoozel klein aapje was. Paps is altijd heel streng geweest voor klein Zuske, daarom is ze ook zoo’n lief meisje geworden.” Jopie keek met groote oogen van Paps naar tante Lie. Ze begreep er minder dan niets van. En Puck lachte: „Als Paps net zoo streng was voor tante Lie, als hij nu voor Jopie is, dan kon ’t nog al schikken.
„Kan je van middag niet eens met ons uit, Frits? Lien blijft den heelen dag, heerlijk!”
„’k Zal mijn best doen, jullie om half vijf te komen halen,” beloofde Frits; „’k moet nog even bij Nel gaan kijken en.…”
„Ja, zoolang ze ziek is, heeft Frits elken dag tijd weten te vinden om naar Nel te gaan,” vertelde Puck. „Frits alleen mocht bij Nel van Joop, natuurlijk omdat hij dokter is.”
„Anders had Frits ’t ook niet uitgehouden,” meende Lien.
„Die Nel en Frits zijn van jongs af aan een beetje mal op elkaar geweest,” zegt Vader. „Jan noemt ze nog dikwijls de parkieten in zijn brieven, en dat waren ze ook echt vroeger.”
„Nou,” zei Puck, „Jopie en ik zijn niks jaloersch op Nelle parkiet. We vinden ’t juist maar wat aardig, hé Jopie? Jij lijkt anders nu wel Paps’ parkiet, niet prul?” [112]
„Van moeder ook,” vertelde Jopie, „en Jopie is ook niet „seloers.”
„Van wie zouden moeder en Jopie nou ook jaloersch moeten zijn?” vroeg Frits, en hij trok zijn wenkbrauwen zoo hoog op, dat Jopie ’t uitschaterde. „Moeder, Paps en Jopie die hooren bij elkaar, wat jij Jopie? Zeg moeder, waar tracteer je op aan de koffie?”
„Natuurlijk op gerookte paling. Dat is de tractatie bij ons in de familie. En Lien, ik zal niet om je lekkerste reep vragen, hoor!”
En met dit grapje van Puck waren ze weer in „Vroegerland” teruggekomen, en Frits bleef er genoegelijk met vrouw en zuster in ronddwalen. Ze hadden ook zulke heerlijke herinneringen, en dachten nooit anders dan met groote liefde terug aan hun ouderlijk tehuis.
„Hé,” zei Lien, „ik denk wel eens, hoe genoegelijk ’t zou zijn, als we allemaal weer samen in de Duiventil konden wonen, dat zei ik gisteren ook tegen moeder, om als vroeger alles met vader en moeder te overleggen.” Puck begon te lachen. „Je bent tusschenbeide nog net de Lientien van vroeger, Lien. Hoe zou dat nou toch kunnen, dommertje?”
„Nee,” sprak Frits, „onze kinderjaren liggen voor goed achter ons. ’t Verleden kan geen mensch terug roepen. Maar de herinnering er aan, die bewaren we als goud, en houden we ons leven lang. Die kan eenvoudig nooit verdwijnen, omdat we zulk een heerlijke jeugd hebben gehad, die moeder vooral, vol zon en vreugde voor ons maakte.” Frits was een [113]beetje aangedaan, doch dat wilde hij niet weten. Dus pakte hij Jopie beet en danste met haar de kamer uit.
„’t Is tijd om te gaan koffiedrinken, moeder en tante,” riep hij met een luide, vroolijke stem. „Wij gaan maar vast vooruit, Jopie en ik, naar.… de gerookte paling.”