[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

Waarin de majoor tegen den vijand oprukt.

Langzaam voortdrentelende, bereikte de majoor weldra den George en vond daar aan de deur zijn trouwen dienaar, mijnheer Morgan, die zijn meester tegenhield, toen deze juist eene kaars wilde nemen, om zich naar bed te begeven, en hem, op zijne gewone eerbiedige, maar veelbeteekenende manier toevoegde: „Ik geloof, mijnheer, dat gij in de koffiekamer een jongen heer zult vinden, dien gij misschien wel zoudt willen spreken.”

„Hoe? is mijnheer Arthur daar?” vroeg de majoor driftig.

„Neen, mijnheer, – maar zijn boezemvriend, mijnheer Foker, mijnheer; de zoon van Lady Agnes Foker, mijnheer. Hij heeft na tafel in de koffiekamer zitten slapen en heeft nu juist om koffie gescheld, mijnheer. En ik dacht, mijnheer, dat gij hem misschien zoudt willen spreken!” en met die woorden deed Morgan de deur der zaal open.

De majoor trad binnen en zag daar inderdaad mijnheer Foker, die de eenige gast was. Hij wreef zijne oogen uit en zat aan eene tafel, versierd met ledige flesschen en overblijfselen van het dessert. Ook hij [85]was voornemens geweest naar den schouwburg te gaan, maar na het rijkelijke diner had de slaap hem overrompeld, zoodat hij zijne beenen op een stoel uitgestrekt en een dutje gedaan had, in plaats van zijne dramatische uitspanning te gaan genieten. De majoor overlegde, hoe hij het woord tot den jonkman zou richten, maar deze bespaarde hem die moeite.

„Het avondblad inzien, mijnheer?” vroeg mijnheer Foker, die altijd spraakzaam en voorkomend was, en nam de Globe op, die hij den binnentredende aanbood.

„Ik ben u zeer verplicht,” zeide de majoor met eene buiging en een lachje van erkentelijkheid. „Als ik mij niet vergis in de familietrekken, heb ik het genoegen, met mijnheer Henry Foker, den zoon van Lady Agnes Foker, te spreken. Ik acht mij gelukkig, die dame onder mijne bekenden te mogen tellen – en gij hebt, mijnheer, het gezicht van een Rosherville.”

„Hola! vraag wel verschooning.” zeide mijnheer Foker. „Ik zag u aan” – „voor een handelsbediende,” wilde hij zeggen, doch hield zich in en hernam: „Wien heb ik de eer te spreken?”

„Den oom van een vriend en schoolkameraad van u – Arthur Pendennis, mijn neef, die mij dikwijls met de grootste achting over u gesproken heeft. Ik ben majoor Pendennis, van wien gij hem misschien ook wel hebt hooren spreken. Mag ik mijn glaasje sodawater aan uwe tafel komen drinken? Ik heb het genoegen gehad aan uw grootvaders tafel aan te zitten.”

„Mijnheer, gij doet mij veel eer,” antwoordde mijnheer Foker met de meeste wellevendheid. „En dus zijt gij de oom van Arthur Pendennis? Zoo!”

„En zijn voogd,” liet de majoor er op volgen.

„Beter kerel dan hij loopt er niet, mijnheer,” zeide Foker.

„Het doet mij genoegen, dat gij zoo gunstig over hem denkt.”

„En knap is hij ook. Ik ben altijd een ezel geweest, dat is waar! Maar ziet ge, mijnheer, ik kan zeer goed onderscheiden of iemand knap is, en van zulke menschen houd ik.”

„Gij toont uw goeden smaak en uwe zedigheid beiden,” hernam de majoor. „Ik heb Arthur meermalen over u hooren spreken, en hij zeide altijd, dat gij een zeer goeden aanleg hadt.”

„Bij de boeken ben ik niet veel waard,” zeide mijnheer Foker en schudde het hoofd; „daarin heb ik nooit zin gehad – Pendennis wel – hij maakte de helft van de verzen voor de jongens – en echter,” viel de jonge heer hier eensklaps uit, – „gij zijt zijn voogd, maar gij zult het mij niet euvel duiden, als ik zeg, dat ik hem houd voor hetgeen wij heel groen noemen,” zeide de rondborstige jonkman.

De majoor bevond zich plotseling midden in een hoogst belangwekkend en vertrouwelijk gesprek, „En waarom is Arthur heel groen?” vroeg hij met een glimlach.

„Weet je,” antwoordde Foker met een knipoogje; hij zou even onbeschroomd den hertog van Wellington een knipoogje toegeworpen hebben, want hij verkeerde in dien staat van halve bewustheid, oprechtheid en onbevreesdheid, waarin men soms komt na een paar flesschen wijn gedronken te hebben – „Weet je, Arthur is heel groen, – ten aanzien van de vrouwen, meen ik.”

„Hij is niet de eerste van ons, dien het zoo gaat, waarde mijnheer [86]Harry,” merkte de majoor aan. „Ik heb er reeds iets van gehoord, maar doe mij het genoegen er mij wat meer van te vertellen.”

„Wel, zie je, mijnheer, – het is gedeeltelijk mijne schuld. Hij ging op zekeren avond naar den schouwburg – want, weet je, ik ben in deze streek gekomen om mij gedurende de groote vacantie nog wat op mijne promotie voor te bereiden, maar ik kom tamelijk druk met mijn rijtuig van Baymouth over. Nu dan, mijnheer, wij gingen het stuk zien, en dadelijk was Pen smoorlijk op jufvrouw Fotheringay – eigenlijk heet zij Costigan, en het is inderdaad eene prachtige meid. Den volgenden morgen stelde ik hem aan den Generaal voor, zooals wij haar vader noemen – een echte ouwe schavuit, die grog met emmers drinken kan; en daar is hij nu huisvriend geworden. Hij is op haar verliefd geraakt, en ik zou mijn hoofd durven verwedden, dat hij haar gevraagd heeft,” zeide Foker en sloeg met de hand zoo hard op tafel, dat het dessertservies er van rammelde.

„Hoe? weet gij dat ook al?” vroeg de majoor.

„Of ik dat weet? Nog vrij wat meer bovendien. Wij spraken er gisteren aan de officierstafel over en namen een loopje met Derby Oaks, totdat hij zoo razend werd als een stier. Kent gij Sir Derby Oaks? Wij hebben heden middag samen gedineerd en daarop ging hij naar den schouwburg; ik herinner mij, dat wij aan de deur stonden te rooken, toen gij binnenkwaamt om te dineeren”

„Ik heb zijn vader, Sir Thomas Oaks, gekend eer hij nog ridder en baronet was. Hij woonde in de Cavendish Square en was lijfarts van koningin Charlotte.”

„Ik kan u verzekeren, dat de jonge het geld weder onder de menschen brengt,” zeide mijnheer Foker.

„En is Sir Derby Oaks ook een soupirant?” vroeg de majoor in groote opgetogenheid en spanning.

„Een wat?” vroeg mijnheer Foker van zijn kant.

„Ook een bewonderaar van jufvrouw Fotheringay?” verduidelijkte de majoor.

„Dat zou ik denken! Wij noemen hem Maandag. Woensdag en Vrijdag, en Pen Dinsdag, Donderdag en Zaterdag. Maar alles in eer en deugd. Neen, neen! jufvrouw F. houdt veel te goed de oogen open, majoor! Zij houdt den eenen door den anderen in bedwang. Twee snaren op hare viool, zooals men wel eens zegt.”

„Mij dunkt, dat gij de oogen ook vrij goed open hebt, mijnheer Foker,” merkte Pendennis lachend aan.

„Ja, vrij wel, dank u, mijnheer – hoe vaart gij?” antwoordde Foker met de meeste koelbloedigheid. „Ik ben misschien niet knap, maar ik geloof, dat ik tamelijk slim ben, en welwillende vrienden zeggen, dat ik nog al goed weet waar Abraham de mosterd haalt. Kan ik u ook in eenig opzicht van dienst zijn?”

„Op mijn woord,” hernam de majoor, ten hoogste verheugd, „ik geloof, dat gij mij een zeer grooten dienst zoudt kunnen bewijzen. Gij zijt een jong heer, die de wereld gezien heeft, en daarmee ga ik gaarne om. Als zoodanig behoef ik u niet te verzekeren, dat onze familie volstrekt niet ingenomen is met die dwaze zaak, waarin Arthur zich gewikkeld heeft.”

„Neen, dat kan ik wel denken,” zeide mijnheer Foker. „Geen aanbevelenswaardige familie. Te veel bier in huis gedronken. Liefst niet gediend van Ieren. Dat is waarschijnlijk uwe bedoeling?” [87]

De majoor verklaarde, dat dit juist was wat hij meende, ofschoon hij Foker niet in alle deelen begreep; en daarop hoorde hij zijn nieuwen bekende uit over de lieve familie, waarin zijn neef wenschte te komen, en vernam weldra van dien rondborstigen getuige een aantal bijzonderheden, betreffende de familie Costigan.

Wij moeten mijnheer Foker het recht laten weervaren, dat hij zich zeer gunstig over het zedelijk gedrag van mijnheer en jufvrouw Costigan uitliet. „Weet je,” zeide hij, „de Generaal is verzot op een gezellig glaasje, en als ik heel zeker van mijn geld wilde zijn, zou ik het niet in zijn zak bergen; maar hij heeft altijd over zijne dochter gewaakt en hij noch zij zullen iets gedoogen, dat niet fatsoenlijk is. Pen’s beleefdheden jegens haar zijn het onderwerp der gesprekken van het heele tooneelgezelschap, en ik hoor er alles van door eene jonge dame, die vroeger zeer intiem met haar was en bij wier familie ik wel eens een vriendschappelijk kopje thee ga drinken. Jufvrouw Rouncy zegt, dat Sir Derby Oaks, sinds het eerste oogenblik dat zijn regiment hier gekomen is, op jufvrouw Fotheringay een oogje gehad heeft; doch Pen is gekomen en heeft hem ten slotte verdrongen, hetgeen den baronet zoodanig geërgerd heeft, dat hij op het punt heeft gestaan haar ook te vragen. Ik wou, dat hij het deed; dan zoudt gij eens zien naar wien van beiden jufvrouw Fotheringay zou toevliegen.”

„Dat dacht ik ook wel,” zeide de majoor. „Gij hebt mij veel genoegen gedaan, mijnheer Foker. Ik wenschte, dat ik u reeds vroeger gesproken had.”

„Ik wilde er den neus niet in steken,” antwoordde de ander. „Ik spreek niet voordat men mij vraagt, en dan, wanneer er niets is wat het verbiedt, zeg ik tamelijk onbewimpeld mijn gevoelen. Ik vernam, dat uw knecht den mijnen uitgehoord had, – ik wist zelf niet wat er gaande was, totdat jufvrouw Fotheringay en jufvrouw Rouncy die ruzie over de struisveeren kregen, en toen vertelde jufvrouw R. mij alles, van A tot Z.”

„Jufvrouw Rouncy, komt mij voor, is de vertrouwelinge van de andere!”

„Vertrouwelinge? Het mocht wat! Zij is een vrij wat knapper meisje dan jufvrouw Fotheringay; zij heeft verstand van letterkunde, en zoo meer, terwijl jufvrouw Foth nauwelijks lezen kan.”

„En schrijven,” zeide de majoor, die aan Pen’s borstzak dacht.

Foker barstte het uit met een spottend: „Hi! hi!” „Rouncy schrijft hare brieven,” zeide hij; „al hare brieven, zonder uitzondering; en nadat zij die ruzie gehad hebben, weet zij niet hoe zij zich redden moet. Jufvrouw Rouncy schrijft eene heel mooie hand, terwijl de andere ellendig schrijft en spelt, als Bows er niet bij is. Rouncy heeft in den laatsten tijd hare brieven geschreven – zij heeft eene mooie hand, dat heeft Rouncy.”

„Ik geloof, dat gij dit best weet,” zeide de majoor schalksch, waarop Foker van zijn kant tegen hem knipoogde.

„Ik zou heel wat willen geven om een staaltje van haar schrift te hebben,” ging majoor Pendennis voort. „Zoudt gij mij er niet aan kunnen helpen?”

„Neen, neen, dat zou gemeen zijn,” gaf Foker ten antwoord. „Misschien had ik zooveel niet moeten zeggen als ik gedaan heb. Het schrift van jufvrouw F, houd ik niet voor zoo heel slecht; maar zij had jufvrouw [88]R. den eersten brief laten schrijven, en daarom is zij er mee voortgegaan. Let echter eens op, dat er geen brieven meer komen zullen, tot zij weer goede vrienden zijn.”

„Ik hoop, dat zij het nooit weer zullen bijleggen,” zeide de majoor uit den grond van zijn hart; „en ik kan u niet zeggen hoezeer ik mij verheug over het geluk, dat ik kennis met u heb mogen maken. Als man van de wereld, mijnheer, zult gij begrijpen hoe noodlottig deze stap, dien mijn neef wil doen, voor zijne vooruitzichten moet wezen, en hoezeer wij ons dus beijveren moeten om hem van dit dwaze engagement te bevrijden.”

„Het schijnt hem volle ernst te zijn,” merkte mijnheer Foker op; „ik heb zijne verzen gezien; Rouncy heeft ze gekopieerd. Toen ik ze zag, zeide ik bij mij zelve: „Zij zullen mij niet betrappen, dat ik verzen op eene vrouw maak” – anders niets.”

„Hij heeft zich als een dwaas aangesteld, gelijk menige goede jongen vóór hem. Maar hoe kunnen wij hem zijne dwaasheid doen inzien en hem er van genezen? Gij zult ons zeker wel alle hulp willen verleenen om een jongmensch, voor wien men hart moet hebben, te redden uit de handen van zulk een paar intriganten als die vader en dochter schijnen te zijn. Liefde is aan den kant der dame zeker niet in het spel.”

„Liefde!” riep Foker uit. „Als Pen, zoodra hij meerderjarig wordt, geen twee duizend pond ’s jaars had –”

„Als Pen wat niet had?” schreeuwde de majoor, buiten zich zelven van verbazing.

„Twee duizend pond ’s jaars. Heeft hij dan geen twee duizend pond ’s jaars? De Generaal zeide het toch.”

„Beste vriend,” riep de majoor met een vuur, dat hij zelden aan den dag legde: „ik dank u! ik dank u! Er gaat mij een licht op! Twee duizend pond ’s jaars! Zijne moeder bezit geen cent meer dan vijf honderd pond ’s jaars. Zij kan licht tachtig jaar oud worden, en Arthur bezit geen stuiver buiten hetgeen zij hem geven kan.”

„Hoe? Is hij dan niet rijk?” vroeg Foker.

„Op mijn woord van eer, hij bezit niets meer dan wat ik zeg.”

„En zult gij hem niets nalaten?”

De majoor had elken shilling, dien hij kon bijeenschrapen, besteed om eene lijfrente te koopen, zoodat hij Pen natuurlijk niets zou nalaten; maar dit vertelde hij aan Foker niet. „Denkt gij, dat een gepensioneerd majoor iets kan overleggen?” vroeg hij. „Indien die menschen hem als eene goede partij hebben beschouwd, vergissen zij zich geweldig – en – en gij hebt mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld gemaakt.”

„Zeer tot uw dienst, mijnheer,” zeide Foker beleefd, en toen zij scheidden, schudden zij elkander met de grootste hartelijkheid de hand, terwijl de jonge heer aan den ouden beloofde Chatteries niet te zullen verlaten eer zij elkander des morgens weer gesproken hadden. Toen de majoor naar zijne kamer ging en mijnheer Foker nog eene sigaar in de deur van den George stond te rooken, lag Pen waarschijnlijk, op tien mijlen afstands, in bed den brief van zijne Emily te kussen.

Eer mijnheer Foker den volgenden morgen met zijn rijtuig wegreed, had de slimme majoor werkelijk een brief van jufvrouw Rouncy in zijn eigen zakboekje. Laat dit eene les voor vrouwen zijn, hoe zij schrijven. [89]In groote opgetogenheid begaf majoor Pendennis zich naar doctor Portman, ten huize van den deken, en verhaalde hem welke verblijdende ontdekkingen hij den vorigen avond gedaan had. Terwijl zij aldus in de met eikenhout beschoten ontbijtkamer van den deken in vertrouwelijk gesprek zaten, konden zij over het grasperk heen kapitein Costigan’s venster zien, waar de arme Pen drie weken te voren maar al te zichtbaar was geweest. De doctor was woedend over de onoprechtheid der hospita, jufvrouw Creed, die de aanhoudende bezoeken van Sir Derby Oaks bij hare inwoners verborgen had, en dreigde haar uit de groote kerk te bannen. Maar de scherpzinnige majoor meende, dat alles juist naar wensch geloopen was; en, na zich dien nacht rijpelijk beraden te hebben, achtte hij zich sterk genoeg om naar kapitein Costigan te gaan en hem onder de oogen te zien.

„Ik ga den draak bevechten,” zeide hij lachend tegen doctor Portman.

„Ik geef u absolutie, mijnheer, en hoop, dat het geluk uwe onderneming zal bekronen,” antwoorde de doctor.

Het kan wel zijn, dat hij en mevrouw Portman en jufvrouw Myra, terwijl zij bij hunne vriendin, de vrouw van den deken, in de gezelschapskamer zaten, meer dan eens naar het venster van den vijand heenzagen, om te ontdekken of zij ook eenig teeken van den strijd konden waarnemen.

De majoor ging, volgens de inlichtingen, die hij bekomen had, om de kerk heen, en stond spoedig voor het deurtje van jufvrouw Creed. Hij ging binnen en kon, toen hij de trap naar het vertrek van kapitein Costigan opklom, duidelijk het stampen van voeten en het schreeuwen van: „Ha! ha!” daar binnen hooren.

„Dat is Sir Derby Oaks, die schermles neemt,” zeide het kind, dat den majoor tot gids diende. „Hij neemt les op Maandag, Woensdag en Vrijdag.”

De majoor klopte aan en eindelijk kwam een lang heer, met een degen en een masker in de eene en een schermhandschoen in de andere hand, te voorschijn.

Pendennis maakte eene eerbiedige buiging tegen hem en zeide: „Ik geloof, dat ik de eer heb kapitein Costigan te spreken – ik ben majoor Pendennis.”

De kapitein salueerde met zijn wapen en antwoordde: „Majoor, de eer is aan mij; het doet mij genoegen u te zien.”