[Inhoud]

ELFDE HOOFDSTUK.

De onderhandeling.

De majoor en de kapitein waren oude krijgers en gewoon den vijand onder de oogen te zien, zoodat wij mogen aannemen, dat beiden hunne tegenwoordigheid van geest volkomen behielden; doch het overige gezelschap in de zitkamer van Cos was wel een beetje ontsteld over de verschijning van Pendennis. Het koele hart van jufvrouw Fotheringay begon voorzeker sneller te kloppen, want er kwam een sterke en gezonde blos op hare wang, terwijl luitenant Sir Derby Oaks haar met een zuur gezicht aankeek. Het kromme, oude mannetje in de vensterbank, [90]die het schermen der beide heeren aangezien had (wier stampen en springen zoo geweldig was geweest, dat hij alle pogingen had moeten staken om de tooneelmuziek te blijven kopieeren, waaraan hij bezig was geweest), zag nieuwsgierig naar den nieuw aangekomene op, toen de majoor met de mooi gepoetste laarzen de kamer binnentrad en rechts en links de bevalligste buigingen tegen de aanwezigen maakte.

„Mijne dochter – mijn vriend mijnheer Bows – mijn dappere jonge leerling en vriend, mag ik wel zeggen, Sir Derby Oaks,” zeide Costigan met vorstelijke beleefdheid, terwijl hij de aandacht van den majoor op elk van die personen vestigde. „Binnen een oogenblik, majoor, ben ik geheel tot uw dienst;” en met die woorden een belendend vertrekje, waar zijne slaapplaats was, binnen te vliegen, om met zijn haarborstel (een antiek en verwonderlijk voorwerp) zijn sluik haar op te strijken, zijne oude stropdas af te rukken en eene nieuwe om te doen, die Emily voor hem gemaakt had, een schoon boordje op te zetten en den nieuwen rok aan te trekken, dien hij bij gelegenheid van jufvrouw Fotheringay’s benefice had besteld, was voor den nog altijd vluggen Costigan het werk van een oogenblik.

Sir Derby volgde hem en kwam ook spoedig uit dat kamertje te voorschijn, waar hij zich in zijn uniformrokje gedost had, dat om zijne zware ledematen zeer eng sloot, en hetgeen hij en jufvrouw Fotheringay, en misschien ook de arme Pen, ten hoogste bewonderden.

Intusschen was er een gesprek tusschen de actrice en den bezoeker begonnen en waren de gebruikelijke opmerkingen over het weer gewisseld, toen Costigan in zijn nieuw pak binnentrad.

„Ik behoef mij tegen u niet te verontschuldigen, majoor,” zeide hij op zijne deftigste maar beleefdste manier, „dat ik u in mijne hemdsmouwen ontving.”

„Een oud soldaat kan zich niet nuttiger bezig houden dan met een jong krijgsman het gebruik van zijn zwaard te leeren,” antwoordde de majoor met wellevendheid, „Ik herinner mij wel in den ouden tijd gehoord te hebben, kapitein Costigan, dat gij het uwe zeer goed kondt hanteeren.”

„Hoe! hebt gij ooit van Jack Costigan gehoord, majoor?” vroeg de ander opgetogen.

Dat had de majoor inderdaad gedaan. Hij had zijn neef aangaande alles wat betrof zijn nieuwen vriend, den Ierschen officier, uitgehoord. Of hij niets anders van den kapitein wist dan hetgeen hij op die wijze had vernomen, dan wel of hij zich in waarheid zijner herinnerde, kunnen wij niet zeggen. Maar majoor Pendennis was een man van eer en onkreukbare waarheidsliefde en beweerde zich zeer goed te herinneren, dat hij mijnheer Costigan ontmoet had aan de tafel van Sir Richard Strachan, op Walcheren, waar hij hem had hooren zingen.

Bij den kalmen en hartelijken toon, waarop dit verkondigd werd, zag Bows geheel verbijsterd op. „Maar wij zullen daar later nog wel eens over spreken,” zeide de majoor, die zich misschien niet vast wilde praten; „aan jufvrouw Fotheringay is het, dat ik heden mijne opwachting kom maken, en daarbij vereerde hij haar met eene zoo hoffelijke en bevallige buiging, dat hij zich jegens eene hertogin niet eerbiediger had kunnen gedragen.

„Ik hoorde van uw spel door mijn neef, mejufvrouw,” zeide de majoor; „die dweept met u, zooals ik geloof, dat gij best weet. Doch [91]Arthur is maar een knaap, een opgewonden jonge kerel, wiens gezegden men niet letterlijk moet opnemen, en dus beken ik, dat ik gaarne zelf wilde oordeelen. Vergun mij u thans te zeggen, dat uw spel mij verrukte en verbaasde. Ik heb onze beste actrices gezien en geloof, op mijn woord, dat gij die alle overtreft. Ge zijt zoo vorstelijk als mevrouw Siddons.”

„Waarachtig, dat heb ik ook altijd gezegd,” riep Costigan uit, met een knipoogje tegen zijne dochter. „Ga zitten, majoor.” Milly stond bij dien wenk op, nam een losgetornd satijnen kleedje van den eenigen ledigen stoel en bracht dien met eene van hare bevalligste nijgingen aan majoor Pendennis.

„Gij zijt zoo roerend als jufvrouw O’Neill,” ging hij voort na eene buiging en nam plaats. „Uw gezang herinnerde mij aan mevrouw Jordan in haar besten tijd, toen wij nog jonge heeren waren, kapitein Costigan, en uwe manieren brachten mij Mars voor den geest. Hebt gij Mars ooit gezien, jufvrouw Fotheringay?”

„Er waren twee Maher’s in den schouwburg van Crow Street,” antwoordde jufvrouw Emily; „met Fanny ging het nog al, maar Biddy was niet veel bijzonders.”

„De majoor meent zeker den god des oorlogs, beste Milly,” kwam de vader tusschen beiden.

„Dien Mars meende ik eigenlijk niet, ofschoon het Venus zeker niet euvel te duiden is, dat zij aan hem denkt,” antwoordde de majoor met een lachje rechtstreeks aan het adres van Sir Derby Oaks, die nu in zijne uniform weer binnenkwam; doch de dame begreep de woorden niet, die de majoor bezigde, en het compliment bracht Sir Derby niet in goed humeur, die het waarschijnlijk evenmin vatte en het in ieder geval zeer stuursch en stijf opnam, terwijl hij ongerust naar jufvrouw Fotheringay gluurde, met een gezicht alsof hij vragen wilde: „wat drommel doet die vent hier?”

Majoor Pendennis liet zich door de kwade luim van dien heer volstrekt niet van zijn stuk brengen. Hij vermaakte er zich integendeel mede. „Zoo,” dacht hij, „er is een mededinger in het veld,” en heimelijk uitte hij den wensch, dat Sir Derby niet alleen de mededinger, maar de overwinnaar mocht zijn in den kampstrijd tusschen hem en Pen.

„Ik vrees, dat ik uwe schermles gestoord heb, maar ik kan slechts kort te Chatteries vertoeven, en ik brandde van verlangen om met mijn ouden wapenbroeder kapitein Costigan kennis te maken en om eene dame, die mij op het tooneel zoozeer geboeid had, meer van nabij te zien. Ik was gisterenavond niet de eenige, die opgetogen was, jufvrouw Fotheringay (indien ik u zoo moet noemen, ofschoon uw eigen familienaam zeer oud en edel is). Een geestelijk heer van mijne kennis ging verrukt over Ophelia naar huis, en ik zag Sir Derby Oaks een ruiker werpen, die nooit door eenige actrice beter verdiend werd. Ik zou er zelfs een meegebracht hebben, indien ik had kunnen vermoeden wat ik zien zou. Zijn dat niet dezelfde bloemen, die ik ginds op den schoorsteenmantel in een glas water zie staan?”

„Ik houd dol veel van bloemen,” zeide jufvrouw Fotheringay, met een smachtend lonkje naar Sir Derby Oaks, – maar de baronet bleef nog altijd een zuur gezicht zetten.

„Schoon bij schoon – luidt het zoo niet in het stuk?” vroeg mijnheer Pendennis, die zoo innemend mogelijk wilde zijn. [92]

„Waarlijk, dat weet ik niet. Waarschijnlijk wel. Ik doe niet veel aan de letterkunde,” antwoordde Sir Derby.

„Is dat mogelijk?” hernam de majoor, met voorgewende verwondering. „Hebt gij dus uw vaders liefde voor de letteren niet geërfd, Sir Derby? Het was een degelijk geleerde, en ik had de eer hem zeer goed te kennen.”

„Zoo!” zeide de ander en schudde gemelijk het hoofd.

„Hij redde mij het leven,” vervolgde Pendennis.

„Wezenlijk?” riep jufvrouw Fotheringay uit en liet hare oogen eerst verwonderd op den majoor en vervolgens met erkentelijkheid op Sir Derby rusten. Maar deze laatste was tegen die lonken bestand, en wel verre van verheugd te schijnen, dat zijn vader, de apotheker, het leven van majoor Pendennis had gered, zag de jonkman er veeleer uit, alsof hij wenschte, dat de zaak een geheel anderen loop had genomen.

„Mijn vader was een zeer bekwaam dokter, geloof ik,” zeide de baronet bij wijze van antwoord. „Ik zelf behoor niet tot dat vak. Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer. Ik heb eene afspraak – adieu, Cos – jufvrouw Fotheringay, goedenmorgen.” En ondanks de smeekende blikken en verlokkende lachjes der jonge dame, verliet de dragonder de kamer met eene stroeve buiging. Men hoorde het kletteren van zijne sabel terwijl hij de krakende trap afdaalde, en de toornige stem, waarmee hij tegen den kleinen Tom Creed vloekte, die in den gang speelde en wiens tol Sir Derby met eene verwensching de straat op schopte.

Op het gelaat van den majoor kwam geen zweem van een glimlach, ofschoon hij alle reden had om te lachen. „Een verbazend knap jonkman – zoo’n fiksch soldaat als ik ooit gezien heb,” zeide hij tegen Costigan.

„Een sieraad van het leger en van het gansche menschelijke geslacht,” antwoordde Costigan. „Een jongmensch van beschaafde manieren, wellevend en minzaam in den omgang en met een vorstelijk vermogen. Hij houdt eene rijke tafel; bij het regiment draagt men hem op de handen, en hij weegt meer dan honderd kilo’s.”

„Het is volmaakt een ridder uit den ouden tijd,” zeide de majoor lachend. „Ik houd mij overtuigd, dat al de jonge dames hem bewonderen.”

„In weerwil van zijne zwaarte, is hij niet onbevallig nu hij nog jong is,” merkte Milly aan, „maar er zit niets bij.”

„Hij is het best te paard,” zeide Bows, waarop Milly meedeelde, dat hij bij den wedren de derde was geweest met zijn Brard Tearaway, en de majoor begon te begrijpen, dat er bij de jonge dame zelve niet heel veel zat, en zich te verwonderen hoe zij zoo onbeduidend kon zijn en toch zoo goed kon spelen.

Met Iersche gastvrijheid drong Costigan natuurlijk er op aan, dat zijn gast iets gebruiken zou; en de majoor, die even weinig honger had als gij zoudt hebben na een diner bij den lord-mayor, verklaarde, dat hij aan een beschuitje en een glas wijn de voorkeur gaf boven iets anders, daar hij flauw was van het lange vasten – want hij wist, dat de gevers zich zeer gestreeld vinden wanneer men kleine bewijzen van welwillendheid van hen aanneemt en dat de menschen u onvermijdelijk genegen moeten worden wanneer zij u gastvrijheid mogen betoonen.

„Wat van dien ouden madera, Milly, mijn liefje,” zeide Costigan met een wenk tegen zijne dochter, waarop die dame, zich met een blik [93]van verstandhouding tot haar vader keerende, de kamer verliet en naar beneden ging, waar zij haar kleinen boodschaplooper, den jongen heer Tommy Creed, stilletjes riep, en hem een stuk geld gaf met last om in den Druiventros een half fleschje madera en bij den bakker een zakje beschuitjes te gaan halen, waarvoor hij, als hij in een ommezien terug was, twee beschuitjes tot belooning zou hebben.

Terwijl Tommy Creed daarop uit was, zat jufvrouw Costigan beneden bij jufvrouw Creed en vertelde aan hare hospita, dat de oom van mijnheer Arthur Pendennis, de majoor, boven was, een aardig, beleefd oud heer, de zachtzinnigheid zelf, en dat Sir Derby razend jaloersch weggeloopen was, zoodat zij niet wist hoe zij den vrede tusschen beiden moest herstellen.

„Zij heeft de sleutels van den kelder onder hare bewaring, majoor,” zeide mijnheer Costigan, toen het meisje de kamer verliet.

„Op mijn woord van eer, gij houdt er een juweel van een keldermeester op na,” antwoordde Pendennis galant, „en het verwondert mij niet, dat de jongelui dol op haar zijn. Toen wij in hunne jaren waren, kapitein Costigan, geloof ik, dat wij ons met minder mooie vrouwen zouden tevreden gesteld hebben.”

„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer – en gelukkig de man, die haar krijgt. Vraag hier mijn vriend, Bob Bows, maar eens, of jufvrouw Fotheringay niet nog schooner van ziel dan van lichaam is, en of zij niet een beschaafden geest, een fijn verstand en een lief humeur bezit?”

„O, natuurlijk,” zeide mijnheer Bows, vrij droogjes. „Daar komt Hebe blozende uit den kelder. Zoudt gij niet denken, dat het tijd wordt voor de repetitie, jufvrouw Hebe? Gij valt in de boete als gij te laat komt,” en daarbij wierp hij een blik op de jonge dame, die zeggen wilde, dat het beter was, dat zij heenging en de beide oude heeren alleen liet.

Op deze aanmaning nam jufvrouw Hebe hoed en doek, en zag er buitengemeen bekoorlijk, opgeruimd en lachend uit; en Bows rolde zijne papieren op en strompelde de kamer door om zijn hoed en stok te halen.

„Moet gij al gaan?” vroeg de majoor. „Kunt gij ons niet nog eenige minuten schenken, jufvrouw Fotheringay? Vergun een oud man, eer gij ons verlaat, u de hand te drukken, en geloof mij, dat ik trotsch ben op de eer uwer kennismaking en dat ik oprecht zou wenschen uw vriend te zijn.”

Op deze galante toespraak maakte jufvrouw Fotheringay eene diepe nijging en de majoor volgde haar tot aan de deur, waar hij hare hand op de vriendelijkste en vaderlijkste wijze drukte. Bows stond verbaasd over dit vertoon van hartelijkheid. „De familie van den knaap kan toch zeker niet wenschen, dat hij haar trouwt,” dacht hij – en aldus vertrokken zij.

„Nu gaat het er op los,” dacht majoor Pendennis. Costigan maakte dadelijk van de afwezigheid zijner dochter gebruik om het overschot van den wijn uit te drinken en zond het eene glas na het andere van den madera uit den Druiventros met eene haastige en bevende hand naar binnen. De majoor kwam aan de tafel terug, nam het glas op en dronk het, joviaal met de lippen smakkende, uit. Indien het madera uit den bijzonderen kelder van Lord Steyne en geen Kaapwijn uit eene herberg ware geweest, had hij geene grootere tevredenheid kunnen toonen. [94]

„Lekkere madera, kapitein Costigan,” zeide hij. „Waar krijgt gij dien vandaan? Ik drink met dit glas op de gezondheid van dat betooverende meisje. Nu, kapitein, het verwondert mij niet, dat de hoofden der mannen door haar op hol geraken. Ik houd mij overtuigd, dat zij even geestig als schoon is, en ik twijfel er niet aan, of zij is even goedig als talentvol.”

„Een goed meisje, mijnheer, een goed meisje,” zeide de verrukte vader, „en ik drink van ganschen harte op hare gezondheid. Zal ik nog een fleschje uit den kelder laten halen? Het is dicht bij de hand. Niet? Ja waarlijk, mijnheer, gij moogt wèl zeggen, dat het een goed meisje is, de trots en de roem van haar vader, den eerlijken, ouden Jack Costigan! De man, die haar krijgt, zal een juweel aan haar hebben, mijnheer. Ik drink zijne gezondheid, en gij weet wel wien ik bedoel, majoor.”

„Het verbaast mij volstrekt niet, dat oud en jong op haar verlieven,” antwoordde deze, „en ik moet u ronduit verklaren, dat, ofschoon ik op mijn armen neef Arthur zeer boos was toen ik van de verliefdheid van den jongen hoorde, ik het hem, nu ik de dame zelf gezien heb, volmondig vergeven kan. Bij den hemel, ik zou zelf nog wel eene kans willen wagen, indien ik niet te oud en te arm was.”

„En een beter man zou zij niet kunnen krijgen, majoor, daar ben ik zeker van,” riep Jack verrukt uit. „Uwe vriendschap, mijnheer, verheugt mij. Uwe bewondering voor mijne dochter brengt mij de tranen in oogen. – tranen, mijnheer – manhaftige tranen, en wanneer zij mijn nederig verblijf met uwe eigen prachtige woning verwisselt, hoop ik, dat zij er een plaatsje voor haar armen, ouden vader, den armen ouden Jack Costigan, zal openhouden.” De kapitein voegde de daad bij het woord, en terwijl hij tegen den majoor sprak werden zijne met bloed beloopen oogen vochtig.

„Uwe gevoelens doen u eer aan,” zeide de ander. „Maar, kapitein Costigan, ik kan mijn lachlust niet bedwingen over één ding, dat gij daar gezegd hebt.”

„En dat is, mijnheer?” vroeg Jack, die op een te hoog heroïsch en sentimenteel standpunt stond, om er van af te dalen.

„Gij hebt van onze „prachtige woning” gesproken – mijn zusters huis, vooronderstel ik.”

„Ik meen het park en de woning van den weledelgeboren heer Arthur Pendennis van Fairoaks Park, dien ik nog eens lid van het parlement voor zijne geboorteplaats Clavering hoop te zien, als hij oud genoeg is om die gewichtige betrekking op zich te nemen,” riep de kapitein met groote deftigheid uit.

De majoor glimlachte, toen hij een pijl uit zijn eigen koker herkende. Hij was het, die bij Pen het denkbeeld opgewekt had, om zitting in het parlement te krijgen voor het naburige vlek, en de arme jongen had er blijkbaar over gezwetst tegen Costigan en de dame van zijn hart. „Fairoaks Park, waarde heer?” zeide de majoor. „Kent gij onze geschiedenis? Wij zijn voorzeker van eene overoude familie, maar ik trad de wereld in met nauwelijks geld genoeg om mijn luitenantsrang te koopen, en mijn oudste broeder was een plattelandsapotheker, die elken stuiver van zijn geld met zijn mortier en zijn stamper verdiend heeft.”

„Ik heb besloten dit over het hoofd te zien, mijnheer, uit aanmerking van de erkende oudheid uwer familie,” zeide Costigan majestueus. [95]

„Loop naar den duivel!” dacht de majoor, doch hij boog en glimlachte.

„Ook de Costigan’s hebben tegenspoed gehad, en ons Huis het kasteel Costigan is in geenen deel meer wat het was. Ik heb zeer deftige lui gekend, die apothekers waren, mijnheer, en er zijn er wel in Dublin, die de eer hebben gehad aan de tafel van den lord-stadhouder te dineeren.”

„Gij zijt zeer vriendelijk, dat gij het niet zoo nauw met ons wilt nemen,” hervatte de majoor; „doch veroorloof mij u te doen opmerken, dat dit de vraag niet is. Gij hebt zoo even van mijn neefje gesproken als erfgenaam van Fairoaks Park en ik weet niet wat meer.”

„Ongetwijfeld nog inschrijvingen op het grootboek, majoor, en zeker op zijn tijd een aardig legaatje van u zelven.”

„Waarde heer, ik zeg u, dat de jongen de zoon van een plattelandsapotheker is,” schreeuwde majoor Pendennis uit, „en dat hij, als hij meerderjarig wordt, geen stuiver te wachten heeft.”

„Kom, kom, majoor, gij steekt den draak met mij,” hernam mijnheer Costigan; „ik twijfel niet of mijn jonge vriend heeft twee duizend pond ’s jaars te wachten.”

„Twee duizend takkebossen! Ik vraag verschooning, beste heer; maar heeft de jongen u misleid? dat ligt anders niet in zijn aard. Op mijn woord van eer, als gentleman en bovendien als executeur van mijn broeders testament, verzeker ik u, dat hij niet veel meer dan vijfhonderd pond ’s jaars naliet.”

„En met overleg is dat ook nog een aardig sommetje, mijnheer,” antwoordde de kapitein. „Wel, ik heb menschen dagelijks hunne flesch zien drinken en hunne koets met vier paarden houden in Ierland van vijfhonderd pond ’s jaars, – met stipt overleg. Wij zullen er wel mee rondkomen, mijnheer – laat dat maar aan Jack Costigan over.”

„Waarde kapitein Costigan – ik geef u mijn woord, dat mijn broeder geen duit aan zijn zoon Arthur heeft vermaakt.”

„Houdt gij mij voor den gek, majoor Pendennis?” riep Jack Costigan uit. „Spot gij met de gevoelens van een vader en een gentleman?”

„Ik vertel u de zuivere waarheid,” hernam majoor Pendennis. „Al wat mijn broeder bezat, heeft hij aan zijne weduwe vermaakt, ofschoon, dat is waar, met gedeeltelijken overgang op den knaap. Maar zij is nog eene jonge vrouw en kan hertrouwen als hij haar boos maakt, – of zij kan hem overleven, want zij stamt af uit een geslacht, waarvan allen stokoud worden. En ik vraag u, als gentleman en man van de wereld, wat mijne zuster, mevrouw Pendennis, uit een inkomen van vijf honderd pond ’s jaars, hetwelk haar gansche fortuin uitmaakt, aan haar zoon kan afstaan, om hem in staat te stellen zich zelven en uwe dochter in den rang, die zulk eene voortreffelijke jonge dame toekomt, te handhaven?”

„Moet ik dus tot het besluit komen, mijnheer, dat de jonge heer, uw neef, dien ik als mijn eigen vleesch en bloed heb getroeteld en liefgehad, een bedrieger is, die met de genegenheid van mijn geliefd kind gespeeld heeft?” riep de Generaal, ziedend van toorn, uit. „Hebt gij zelf op het ontvankelijke hart van den jonkman gewerkt, om hem te bewegen zijn engagement en daarmede het hart van mijne aangebeden Emily te breken? Pas op, mijnheer, dat gij met de eer van Jack Costigan niet spot! Als ik dat van iemand ter wereld kon vooronderstellen, dan zou, bij den hemel, zijn bloed moeten stroomen, mijnheer, onverschillig of hij oud of jong ware.” [96]

„Mijnheer Costigan!” riep de majoor uit.

„Mijnheer Costigan kan en zal zijne eigene eer en die zijner dochter weten te beschermen,” hernam de ander. „Ziet ge die latafel? Daarin liggen stapels brieven, door die slang aan mijn onschuldig kind geschreven; daarin staan beloften, mijnheer, genoeg om er eene hoededoos mee te vullen; en wanneer ik den schurk voor den rechter gesleept en in zijne meineedigheid en schande ten toon gesteld heb, bezit ik nog een ander middel van herstel in die mahoniekouten kist, mijnheer, dat mij recht zal verschaffen, mijnheer, tegen iedereen – geef maar goed acht op mijne woorden, majoor Pendennis – tegen iedereen, die uw neef heeft aangeraden om een krijgsman en gentleman te beleedigen. Hoe? Zou mijne dochter verstooten, mijn grijze haar geschandvlekt worden door den zoon van een apotheker? Bij den hemel, mijnheer, ik wou den man wel eens zien, die dat zou durven doen!”

„Moet ik daaruit afleiden, dat gij in de eerste plaats dreigt de brieven van een knaap van achttien jaar aan eene vrouw van acht en twintig openbaar te maken, en in de tweede plaats mij de eer te bewijzen om mij uit te dagen?” vroeg de majoor, nog altijd volmaakt kalm.

„Gij hebt mijne bedoeling zeer juist gevat, majoor Pendennis,” antwoordde de kapitein, terwijl hij zijne verwarde bakkebaarden over zijne kin trok.

„Nu, nu, dat zal het onderwerp van latere schikkingen uitmaken. Maar wees zoo goed, waarde heer, eer wij tot kruit en kogels komen, bij u zelven eens na te gaan, waarmee ter wereld ik u kan benadeeld hebben? Ik heb u verteld, dat mijn neef afhankelijk is van zijne moeder, die weinig meer dan vijfhonderd pond ’s jaars hezit.”

„Ik heb mijne eigen gedachten over de juistheid van die opgave,” zeide de kapitein.

„Wilt gij er u van overtuigen bij de heeren Tatham alhier, de zaakwaarnemers van mijne zuster?”

„Ik wil met die heeren niets te maken hebben,” antwoordde de kapitein, zichtbaar ontsteld. „Als het waar is wat gij zegt, dan ben ik door iemand schandelijk bedrogen, en op dien persoon zal ik mij wreken.”

„Is het mijn neef?” riep de majoor, terwijl hij opsprong en den hoed opzette. „Heeft hij u ooit verteld, dat hij twee duizend pond ’s jaars bezat? Heeft hij dat gedaan, dan heb ik mij in den knaap vergist. Leugens te vertellen is in onze familie nooit gebruikelijk geweest, kapitein Costigan, en ik geloof, dat mijn broeders zoon dit tot nu toe ook niet geleerd heeft. Onderzoek liever eens of gij u zelven niet misleid, of dwaze overdrijvingen op hooren zeggen aangenomen hebt. Wat mij betreft, mijnheer, verzeker ik u, dat ik niet bang ben voor al de Costigan’s in Ierland en zeer goed weet hoe ik mij tegen bedreigingen van dien kant moet waarborgen. Ik kom hier als de voogd van den knaap om te protesteeren tegen een allerdwaast en allerongerijmdst huwelijk, dat niet anders dan armoede en ellende ten gevolge kan hebben; en wanneer ik het belet, geloof ik, dat ik evenzeer de vriend ben van uwe dochter (die zonder twijfel eene hoogst fatsoenlijke jonge dame is) als van mijne eigen familie; en beletten zal ik dat huwelijk, mijnheer, met al de middelen, die in mijne macht staan. Daar, dat is het wat ik te zeggen heb, mijnheer.”

„Maar niet wat ik te zeggen heb, majoor Pendennis, en gij zult nog nader van mij hooren,” zeide mijnheer Costigan, met een vervaarlijken blik. [97]

„Voor den –, mijnheer, wat bedoelt gij?” vroeg de majoor, zich op den drempel der deur omkeerende en den onversaagden Costigan in de oogen ziende.

„Ik meen in den loop van het gesprek vernomen te hebben, dat gij in het George-Hotel logeert?” zeide mijnheer Costigan plechtstatig. „Een vriend van mij zal daar zijne opwachting bij u komen maken eer gij vertrekt, mijnheer.”

„Laat hij zich dan haasten, mijnheer Costigan,” riep de majoor, schier buiten zich zelven van woede. „Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer.” En terwijl majoor Pendennis de trap afging maakte kapitein Costigan over, de leuning van het portaal eene prachtig uitdagende buiging tegen hem.