Vroeger is in deze geschiedenis gewag gemaakt van mijnheer Garbetts, den eersten held in het treurspel, een veelbelovend en athletisch jong acteur, van gezelligen aard en ongeregelde leefwijze, die met Costigan op een zeer vriendschappelijken voet stond. Beiden waren de voornaamste sieraden van den vriendenkring in het hotel de Ekster, stonden elkander ten dienst in verschillende wisselzaken, die zij aan de hand hadden, en leenden elkander hunne kostbare handteekening. Kortom, zij waren vrienden, ofschoon mijnheer Garbetts zelden bij Costigan aan huis kwam, daar jufvrouw Fotheringay niet van hem hield en mevrouw Garbetts van haar kant zeer jaloersch op haar was. Het ware van de zaak was, dat Garbetts zijn hof aan jufvrouw Fotheringay gemaakt en van haar een afwijzend antwoord ontvangen had, eer hij zijne hand aan mevrouw G. had aangeboden. Hunne geschiedenis behoort echter niet tot dit verhaal; het zij genoeg, dat mijnheer Garbetts, zoodra Emily en mijnheer Bows het huis verlaten hadden, door Costigan geroepen werd, als een geschikt vriend, om in het tegenwoordige geval geraadpleegd te worden. Hij was een zwaar gebouwd man met eene luide stem en een barsch voorkomen, die de mooiste beenen van het gezelschap had, en voor de grap een pook stuk kon slaan op zijn gespierden arm.
„Loop eens gauw heen, Tommy,” zeide Costigan tegen den kleinen boodschaplooper, „en haal mijnheer Garbetts van zijne kamers boven den varkensslager, ge weet wel waar het is, en bestel dan in den Druiventros twee glazen whisky-grog, – heet, hoor!” Tommy ging er dus op uit en een oogenblik later verschenen Garbetts en de whisky.
Kapitein Costigan verhaalde hem niet al de vroegere voorvallen, die de lezer kent; maar stelde, met behulp van den grog, een dreigenden brief aan majoor Pendennis op, waarin hij vorderde, dat die heer geene hinderpalen aan het voorgenomen huwelijk van mijnheer Arthur Pendennis met zijne dochter, jufvrouw Fotheringay, in den weg zou leggen, maar een dag hoe eer hoe liever voor het sluiten van dat huwelijk bepalen, of anders hem de voldoening, die tusschen mannen van eer gebruikelijk was, geven zou. En indien majoor Pendennis geen lust mocht hebben in een dier alternatieven, gaf de kapitein te verstaan, dat hij genoodzaakt zou wezen zijne karwats op het lichaam van den majoor te [98]laten neerkomen. Wij kunnen de letterlijke bewoordingen van dien brief niet meedeelen, om redenen, die dadelijk zullen blijken; maar hij was ongetwijfeld in den mooisten stijl van den kapitein gesteld, en zorgvuldig gesloten met het groote zilveren cachet der Costigan’s, – het eenige stuk van het familiezilver, dat de kapitein nog bezat.
Garbetts werd met de boodschap en dien brief afgezonden, en met eene zegenbede drukte de Generaal zijn ambassadeur de hand en zag hem vertrekken. Daarop haalde hij zijne eerwaardige en moorddadige duelleerpistolen met de vuursteensloten te voorschijn, die menigen lustigen knaap te Dublin tot zwijgen gebracht hadden; en na die onderzocht en in behoorlijken toestand bevonden te hebben, haalde hij uit de latafel al de brieven en verzen van Pen, die hij daar bewaarde en die hij altijd gelezen had, alvorens Emily ze mocht inzien.
Na een kwartiertje kwam Garbetts met een betrokken en neerslachtig gezicht terug.
„Hebt gij hem gezien?” vroeg de kapitein.
„Ja zeker,” antwoordde Garbetts.
„En wanneer moet het zijn?” hernam Costigan, terwijl hij den haan van een der pistolen onderzocht en ter hoogte van zijne roode oogen bracht.
„Wanneer moet wat zijn?” vroeg mijnheer Garbetts.
„De ontmoeting, beste jongen.”
„Gij bedoelt toch geen duel, kapitein?” zeide Garbetts met ijzing.
„Wat duivel zou ik anders bedoelen, Garbetts? Dien man, die mijne eer belaagd heeft, wil ik doodschieten of zelf als zijn slachtoffer vallen.”
„De duivel haal mij als ik uitdagingen overbreng,” hernam Garbetts. „Ik ben een huisvader, kapitein, en wil niets met pistolen te maken hebben. Daar hebt gij uw brief terug;” en tot verbazing en verontwaardiging van kapitein Costigan, wierp zijn afgevaardigde bij die woorden den brief met zijn groot geklad opschrift en het slordige lak neder.
„Hebt gij hem gezien en hem toch den brief niet gegeven?” riep de kapitein woedend uit.
„Ja, ik heb hem gezien, maar ik kon hem niet spreken, kapitein,” zeide mijnheer Garbetts.
„En waarom niet, voor den duivel?” vroeg de ander.
„Omdat er iemand bij was, met wien ik liefst niet in aanraking wilde komen, evenmin als gij,” antwoordde de treurspeler met eene grafstem. „Dat lievertje van een Tatham zat bij hem, kapitein.”
„Die lafhartige schurk!” bulderde Costigan. „Hij is bang en wil mij aangeven.”
„Let wel, dat ik niets met het vechten wil te maken hebben,” zeide de acteur norsch, „en ik wou, dat ik Tatham ook niet gezien had, noch dat wisseltje –”
„Houd uw mond, bluffert! Ik geloof, dat gij een bloodaard zijt,” sprak kapitein Costigan met de woorden van „Sir Lucius O’Trigger,” welk karakter hij met talent op en buiten het tooneel gespeeld had, en na nog eenige woordenwisseling ging het paar in alles behalve goede luim van elkander.
Wij hebben hun gesprek hier slechts verkort meegedeeld, en de lezer weet het hoofdpunt, waarover het liep; doch hij zal nu ook inzien, dat wij den juisten inhoud van den brief, dien de kapitein aan den majoor had geschreven, niet kunnen meedeelen, omdat laatstgenoemde heer niet in de gelegenheid was geweest de missive te openen. [99]
Toen jufvrouw Costigan in gezelschap van den getrouwen Bows van de repetitie thuis kwam, vond zij haar vader in groote spanning zijne kamer op en neer loopende, te midden van eene sterke groglucht, die, naar het scheen, zijn onthutst gemoed niet tot bedaren had kunnen brengen. De papieren van Pendennis lagen op tafel rondom de ledige glazen en het nu overbodige theelepeltje, waarvan de kapitein zich bediend had om zijn glas en dat van zijn vriend om te roeren. Toen Emily binnentrad, sloot hij haar in zijne armen en riep haar op wanhopigen toon, en met oogen, die in tranen zwommen, toe: „Bereid u op het ergste voor, mijn kind, mijn engel van een kind!”
„Gij zijt weer beschonken, papa,” zeide jufvrouw Fotheringay, terwijl zij haar vader op zeide duwde. „Gij hadt mij beloofd, dat gij vóór den eten geen drank zoudt gebruiken.”
„Arm kind! ik heb maar een enkel slokje genomen om mijn verdriet te verzetten,” riep de troostelooze vader uit; „het is om mijne zorgen te verdrinken, dat ik het glas licht.”
„Uwe zorgen hebben veel noodig om ze te verdrinken, waarde kapitein,” zeide Bows en bootste daarbij den tongval van zijn vriend na; „wat is er gebeurd? Heeft dat lief heertje met zijn pruikje u boos gemaakt?”
„Die schelm met zijn uitgestreken gezicht! Ik dorst naar zijn bloed!” brulde Cos, onderwijl jufvrouw Milly, die zich uit zijne omhelzing had losgerukt, naar hare kamer was gegaan en daar hoed en shawl afdeed.
„Ik dacht wel, dat hij iets kwaads brouwde: hij was al te beleefd,” zeide de ander. „En wat is hij komen zeggen?”
„O Bows! Hij heeft mij verpletterd!” antwoordde de kapitein, „Er is eene duivelsche samenspanning tegen mijne arme dochter gesmeed; en ik houd het er voor, dat allebei die Pendennis’en, oom en neef, helsche verraders en schurken zijn, die van het aangezicht der aarde verdelgd moesten worden.”
„Wat is het dan? wat is er gebeurd?” vroeg Bows in geen geringe spanning.
Costigan maakte hem bekend met de mededeeling van den majoor, dat de jonge Pendennis geen twee duizend, en zelfs geen tweehonderd pond ’s jaars bezat, en gaf lucht aan zijne verbolgenheid, dat hij zijne onschuldige dochter door zulk een bedrieger had laten vleien en bepraten, en dat hij zulk eene adder in zijn eigen boezem gekoesterd had. „Maar ik heb die slang van mij af geschud,” zeide Costigan; „en wat zijn oom betreft, ik zal op dien ouden heer zulk eene wraak nemen, dat hem den dag, waarop hij een Costigan heeft durven beleedigen, berouwen zal.”
„Wat wilt gij dan, generaal?” vroeg Bows.
„Ik wil hem het leven benemen, Bows – zijn gemeen, verraderlijk leven, mijn jongen!” en daarbij klopte hij onheilspellend en woest op de oude gehavende pistoolkist. Bows had hem dikwijls een beroep hooren doen op die doodelijke wapenen, waarmede hij zijne vijanden wilde vellen; maar de kapitein vertelde hem niet, dat hij reeds aan majoor Pendennis eene uitdaging gezonden had, zoodat mijnheer Bows in dit geval niet veel acht sloeg op de pistolen.
Op dit oogenblik keerde jufvrouw Fotheringay met een volkomen gezond, gelukkig en onverschillig voorkomen uit haar eigen vertrek in de zitkamer terug, als een treffend en weldadig contrast met haar vader, die van woede, verdriet, ergernis en andere aandoeningen beefde. Zij [100]bracht een paar satijnen schoenen mee, die vroeger wit waren geweest, en die zij nu met broodkruim zooveel mogelijk schoon wilde wrijven, daar zij er den volgenden Dinsdagavond als Ophelia – in welke rol zij dan weer zou optreden – de waanzinnige mee moest spelen.
Zij bezag de papieren, die op de tafel lagen, bleef staan alsof zij iets vragen wilde, doch bedacht zich, ging naar de kast, waar zij een bruikbaar stuk brood uitzocht om er de satijnen schoenen mee te bewerken, en keerde toen weer naar de tafel terug, ging er met de schoenen op haar gemak bij zitten en vroeg daarop, in haar ongekunstelden Ierschen tongval, aan haar vader: „Waarom hebt ge de brieven en verzen en andere dingen van den jongen heer Arthur voor den dag gehaald, pa? Gij zijt toch zeker niet voornemens dien onzin weer door te lezen?”
„O Emily!” riep de kapitein uit, „die knaap, dien ik als den zoon mijns boezems liefhad, is niets dan een schurk en een bedrieger, gij arm meisje!” en daarbij zag hij zoo tragisch mogelijk naar Bows aan de overzijde, die van zijn kant met zekere bezorgdheid naar jufvrouw Costigan keek.
„Kom, kom! De arme jongen is zoo onnoozel als een schoolknaap,” gaf zij ten antwoord. „Al die kinderen schrijven verzen en onzin.”
„Hij heeft de rol van eene adder aan deze haardstede en van een verrader in dit gezin gespeeld,” schreeuwde de kapitein. „Ik zeg u, dat hij niets is dan een bedrieger.”
„Wat heeft de arme jongen gedaan, papa?” vroeg Emily.
„Gedaan? Hij heeft ons op de gruwelijkste wijze bedrogen,” antwoordde Emily’s papa. „Hij heeft met uwe genegenheid den spot gedreven en mijne eigene fijngevoeligheid gekwetst. Hij heeft zich voorgesteld als iemand van fortuin, en nu blijkt het, dat hij niet veel meer dan een bedelaar is. Heb ik u niet dikwijls gezegd, dat hij twee duizend pond ’s jaars bezat? En nu, jufvrouw Costigan, kan ik u verzekeren, dat hij arm is; dat hij afhankelijk is van de mildheid zijner moeder, eene goede vrouw, die weer hertrouwen kan, die misschien eeuwig zal blijven leven en die maar vijfhonderd pond ’s jaars bezit. Hoe durft hij vergen, dat gij u aan eene familie verbinden zult, die de middelen mist om u te verzorgen? Gij zijt gruwelijk bedrogen en om den tuin geleid, Milly, en ik geloof, dat zijn oude schelm van een oom met de pruik in het komplot tegen ons is.”
„Die zachtzinnige oude heer? Wat heeft die gedaan, papa?” vroeg Emily weer, nog altijd met onverstoorbare kalmte.
Costigan deelde aan Milly mee, dat majoor Pendennis, met zijne dubbelhartige beleefde Londensche manieren, hem na haar vertrek onderricht had, dat de jonge Arthur in het geheel geen fortuin bezat en hem (Costigan) verwezen had naar de procureurs („die, zooals hij wist, een wissel van mij in handen hebben, zoodat ik hen niet onder de oogen kan komen,” merkte de kapitein tusschen haakjes aan), om het testament van den vader van den knaap in te zien. Ten slotte verklaarde de kapitein, dat beiden een helsch bedrog gepleegd hadden, zoodat hij een huwelijk of hun bloed eischte.
Milly keek zeer ernstig en nadenkend, terwijl zij hare satijnen schoenen wreef. „Mij dunkt, als er geen geld is, papa, zou het nutteloos zijn hem te trouwen,” sprak zij zoo deftig als een orakel.
„Waarom zeide de schavuit, dat hij geld had?” vroeg Costigan. [101]
„De arme jongen heeft altijd gezegd, dat hij arm was,” antwoordde het meisje. „Gij waart het, papa, die volhieldt, dat hij rijk moest zijn, en mij dwongt hem te nemen.”
„Hij had oprecht moeten zijn en ons met zijne positie bekend maken, Milly,” hernam haar vader. „Een jonkman, die een kostbaar paard berijdt en shawls en armbanden ten geschenke geeft, is een bedrieger als hij geen geld heeft. Zijn oom zal ik de pruik aftrekken, als ik hem tegenkom. Bows moet hem eene uitdaging brenger en hem dat vertellen. Of er moet een huwelijk komen, of hij moet mij als man in het gevecht staan; anders trek ik hem voor een hotel of op de wandelpaden van Fairoaks ten aanschouwe van iedereen bij den neus, – zoo waar ik leef.”
„En gij kunt, zoo waar ik leef, iemand anders met uwe boodschap zenden,” antwoordde Bows lachende. „Ik ben een speelman en geen vechtersbaas, kapitein.”
„Bah! gij hebt geen moed, mijnheer!” bulderde de generaal. „Dan zal ik, als niemand mij helpen wil of partij voor mij trekt, mijn eigen secondant zijn. Ik zal mijne pistoolkist meenemen en hem in de koffiekamer van den George neerschieten.”
„En dus heeft de arme Arthur geen geld?” zuchtte jufvrouw Costigan op bijna klagenden toon. „Arme jongen! Het was een goede jongen ook; hij was opgewonden en sprak onzin, met zijne verzen en poëzie en zoo meer, maar hij was oprecht en mild; ik hield wezenlijk van hem – en hij hield van mij ook,” liet zij er zachter op volgen, terwijl zij aanhoudend haar schoen wreef.
„Waarom trouwt gij hem dan niet, als gij zooveel van hem houdt?” viel mijnheer Bows tamelijk driftig uit. „Hij is niet meer dan tien jaar jonger dan gij. Zijne moeder zal er zich misschien in schikken, en dan kunt gij op Fairoaks Park gaan wonen en geborgen zijn. Waarom wordt gij geen groote dame? Ik zou mijn kost kunnen verdienen met de viool, en de Generaal zou van zijn pensioen kunnen leven. Waarom trouwt gij hem niet? Gij weet, dat hij van u houdt.”
„Er zijn anderen, die evenveel van mij houden, Bows, en die geen geld hebben en oud genoeg zijn,” antwoordde jufvrouw Milly deftig.
„Ja voor den –,” vloekte Bows op bitteren toon, „die oud en arm en gek genoeg zijn.”
„Er zijn oude gekken en jonge ook. Dat hebt gij zelf dikwijls gezegd, malle vent,” hernam de gebiedende schoone met een veelbeteekenenden blik op het oude heertje. „Als Pendennis geen geld genoeg heeft om er van te leven, zou het eene dwaasheid zijn hem te trouwen; en daarmee is het uit!”
„En de jongen?” vroeg Bows. „Waarachtig, jufvrouw Costigan, gij werpt een man als een ouden handschoen weg.”
„Ik weet niet wat gij bedoelt, Bows,” antwoordde jufvrouw Fotheringay kalm, en begon aan den tweeden schoen te wrijven. „Bezat hij de helft van de twee duizend pond ’s jaars, die papa hem toekende, of de helft van die helft, ik zou hem trouwen. Maar waartoe leidt het, als men een bedelaar neemt? Wij zijn reeds arm genoeg. Het zou nergens toe dienen, dat ik ging wonen bij eene oude dame, die misschien stuursch en kregel is, en mij elke bete zou misgunnen. (Het is waarlijk haast etenstijd, en nog heeft Suze de tafel niet gedekt.) En,” voegde Jufvrouw Costigan er volmaakt argeloos bij, „indien er eens kleintjes [102]kwamen? – wel, papa, dan zouden wij niet eens zoo goed af wezen als tegenwoordig.”
„Neen, waarlijk, dat zoudt ge ook niet, beste Milly,” gaf haar vader ten antwoord.
„En dus is het uit met al die mooie praatjes over Arthur Pendennis van Fairoaks Park, – van de vrouw van het parlementslid,” zeide Milly met een lachje. „Wij zouden zulke mooie rijtuigen en paarden hebben om te rijden! – daar hadt gij altijd den mond van vol, papa! Maar het is altijd hetzelfde! Zoodra een man mij maar aankeek, moest gij u inbeelden, dat hij mij zou trouwen; en als hij een goeden rok aanhad, was hij in uwe oogen zoo rijk als Crezes.”
„– Als Croesus,” zeide mijnheer Bows.
„Nu, noem hem zooals gij het goedvindt. Doch het is waar, dat papa mij in de laatste acht jaar wel twintigmaal heeft uitgehuwd. Zou ik niet Lady Poldoody van Oystertown Castle worden? Verder hadden wij dien kapitein ter zee te Porthsmouth, en dien ouden chirurgijn te Norwich, en dien methodisten-predikant hier verleden jaar, en wie weet hoeveel meer! Nu, ik wil wedden, dat ik in weerwil van al uwe plannen ten slotte nog als Milly Costigan zal sterven. En dus heeft die arme kleine Arthur geen geld? Blijf hier eten, Bows; wij hebben eene heerlijke vleeschpastei.”
„Ik zou wel eens willen weten of zij al klaar is met Sir Derby Oaks,” dacht Bows, wiens oogen en gedachten haar altijd bespiedden. „De kunstgrepen van de vrouwen gaan alle bevatting te boven, en ik ben zeker, dat zij dien knaap niet zoo licht zou opgeven, als zij niet een ander plan in het hoofd had.”
Het zal niemands aandacht ontgaan zijn, dat jufvrouw Fotheringay, ofschoon zij over het algemeen het stilzwijgen bewaarde en niet veel waard was wanneer het gesprek over poëzie, letterkunde of de schoone kunsten liep, in haar eigen familiekring onbeschroomd en bovendien verstandig spreken kon. Men kon haar juist geen romanesk meisje noemen; hare letterkundige begaafdheden waren niet groot; zoodra zij het tooneel verliet, sloeg zij geen oog meer in Shakespeare, en al den tijd, dat zij het tooneel versierde, begreep zij geen woord van hem; doch over een podding of een naaiwerk, of hare eigen huiszaken, kon zij zoo goed oordeelen als iemand ter wereld; en daar zij door geene sterke verbeelding of hartstochtelijkheid van den weg gebracht werd, had zij best de gelegenheid om een kalm oordeel te vellen. Toen Costigan, onder hun maaltijd, zich zelven en zijn gezelschap trachtte diets te maken, dat de opgave van den majoor aangaande Pen’s geldelijke aangelegenheden ongeloofwaardig en niets dan eene list van dien ouden schijnheilige was, om hun aanleiding te geven, dat zij zelven het engagement afbraken, wilde jufvrouw Milly volstrekt niet toegeven, dat er misleiding van de zijde der tegenpartij mogelijk was, terwijl zij duidelijk in het licht stelde, dat het haar vader was, die zich zelven had misleid en niet de arme kleine Pen, die nooit getracht had hun een rad voor de oogen te draaien. Wat dien armen knaap betrof, verzekerde zij, dat zij hem uit den grond van haar hart beklaagde. Zij at met buitengewoon veel smaak, tot verbazing van mijnheer Bows, die eene opmerkelijke bewondering en te gelijk minachting voor die vrouw koesterde; en onder en na dien maaltijd besprak het drietal de beste wijze, om gaan deze liefdesgeschiedenis een einde te maken. Costigan’s [103]plan om den majoor bij den neus te gaan trekken, vervloog in rook onder het gebruik van zijn glas whisky-grog na den eten; hij was zeer onderdanig jegens zijne dochter en bereid tot elk plan, dat zij mocht vaststellen met betrekking tot de crisis, die zij zag dat ophanden was.
De kapitein, die Pen en zijn oom beiden had willen aanvliegen en neervellen zoolang hij zich voor de beleedigde partij hield, deinsde nu wel eenigszins terug voor de gedachte om den eerstgenoemde te ontmoeten, en vroeg „wat zij voor den drommel tegen den jongen zeggen moesten, wanneer hij zich aan het engagement hield en zij het van hun kant verbraken?” „Hoe?” zeide Bows. „Weet gij niet hoe men een man afschepen moet? Laat eene vrouw het u dan maar eens uitleggen!” en daarop legde jufvrouw Fotheringay uit, dat zoo iets zeer eenvoudig kon geschieden en niets gemakkelijker was. „Papa schrijft aan Arthur en vraagt hem welke beschikkingen hij in geval van een huwelijk denkt te maken en wat zijne middelen zijn. Arthur schrijft terug en meldt wat hij bezit, en dan wed ik, dat alles bevonden zal worden zooals de majoor zegt. Daarop schrijft papa weer, dat dit niet genoeg is en dat het beter is, dat het engagement afgebroken worde.”
„En natuurlijk sluit gij er een regeltje van afscheid in, waarbij gij zegt, dat gij hem altijd als een broeder zult beschouwen,” zeide mijnheer Bows, haar op zijne spottende wijze aanziende.
„Natuurlijk zal ik dat doen,” antwoordde jufvrouw Fotheringay. „Het is in mijn oog een zeer brave jongen. Och, reik mij het zout eens aan. Wat zijn dat mooie noten!”
„En zal er dus niemand bij den neus getrokken worden, Cos, beste jongen? Het spijt mij, dat gij zoo te leur gesteld wordt,” zeide mijnheer Bows.
„Neen, denkelijk niet,” antwoordde Cos, zijn eigen neus wrijvende. „Wat zult gij met die brieven en verzen en gedichten doen, Milly, mijn schatje? Gij moet ze terugzenden.”
„Pruikenburg zou er honderd pond voor geven,” zeide Bows op hoonenden toon.
„Ja, dat zou hij zeker,” zeide kapitein Costigan, die zich nu leiden liet zooals men wilde.
„Papa,” zeide jufvrouw Milly, „zoudt gij er niet voor zijn, om den armen jongen zijne brieven terug te zenden? Die brieven en gedichten behooren mij toe. Zij waren heel lang en vol van onzin en latijn en dingen, waarvan ik de helft niet begreep; om de waarheid te zeggen, heb ik ze niet alle gelezen, maar wij zullen ze aan hem terugzenden, als het er tijd voor is.” En daarop begaf jufvrouw Fotheringay zich naar eene lade en nam er een nommer van den County chronicle and Chatteries champion uit, waarin Pen gloeiende verzen geschreven had, die hare optreding in de rol van Imogene verheerlijkten, en na het blad, waarop dat gedicht voorkwam, op zijde gelegd te hebben (want gelijk de dames van haar beroep gewoon zijn, verzamelde zij alle gunstige recensiën en beschrijvingen van haar spel), pakte zij er al de brieven, gedichten, ontboezemingen en hersenschimmen van Pen in en bond het pakje netjes met een touwtje toe, zooals zij een zakje suiker zou gedaan hebben.
Onder dat bedrijf was zij in het minst niet aangedaan. Hoeveel uren had de knaap niet over die papieren doorgebracht! Van hoeveel liefde en smachten, van hoeveel edele trouw en manhaftige toewijding, van [104]hoeveel doorwaakte nachten en koortsige uren, in eenzaamheid doorleefd, hadden zij niet kunnen getuigen! Zij bond ze toe als een pakje uit den kruidenierswinkel, en ging zitten en zette de thee met een volkomen rustig en tevreden hart: terwijl Pen op tien mijlen afstands naar haar zat te verlangen en haar beeld in het binnenste zijner ziel koesterde.