[Inhoud]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Waarin jufvrouw Fotheringay een nieuw engagement sluit.

Kort na de hiervoren vermelde gebeurtenissen trad de regisseur Bingley in zijne beroemde rol van Rolla in Pizarro voor eene zoo buitengemeen dun bezette zaal op, dat men bijna tot de gevolgtrekking zou gekomen zijn, dat die rol op verre na zoo gunstig niet bij de bevolking van Chatteries aangeschreven stond als bij den acteur zelven. Er was schier niemand in den schouwburg. De arme Pen kon over bijna al de loges beschikken en zat daar eenzaam en met roode oogen over den rand te leunen en als wezenloos naar het tooneel te staren, toen Cora opkwam. Als zij niet op de planken was, zag hij niets. Spanjaarden en Peruanen, optochten en gevechten, priesters en zonnemaagden verschenen en verdwenen en redeneerden met elkander, zonder dat Arthur eenigszins acht op hen sloeg; hij zag alleen Cora, naar wie hij zuchtte. Later verklaarde hij, dat het hem verwonderde, dat hij geen pistool meegenomen en haar doodgeschoten had, zoo dol was hij van liefde, woede en wanhoop, en wie weet of hij, zonder zijne moeder thuis, met wie hij over zijn rampspoed sprak, maar wier stille deelneming en meewarigheid den eenvoudigen knaap, wiens hart half gebroken was, staande hield, niet tot een wanhopigen stap zou gekomen zijn en zijn leven ontijdig op het voorplein der gevangenis van Chatteries zou geëindigd hebben? Daar zat hij dan nu in zijne ellende naar haar te staren, maar zij sloeg even weinig acht op hem, als hij op de overige toeschouwers.

Jufvrouw Fotheringay zag er ongemeen lieftallig uit, in een wit gewaad en een luipaardsvel, met eene zon op hare borst en opzichtige prulbraceletten aan hare fraaie blanke armen. Heerlijk declameerde zij de weinige woorden van hare rol, en haar voorkomen beantwoordde er nog beter aan. Die oogen, die Pen bekoord hadden, rolden en blonken even schitterend als altijd; maar het was niet naar hem, dat zij zich dezen avond richtten. Hij wist niet op wien zij het gemunt hadden, en merkte het tweetal heeren in de loge naast de zijne niet op, waar de blikken van jufvrouw Fotheringay aanhoudend heengingen.

Evenmin was aan Pen de ongeloofelijke verandering in het oog vallen, die er, kort na de verschijning van die twee heeren in den schouwburg, op het tooneel had plaats gehad. Er was zoo weinig publiek in de zaal, dat het eerste bedrijf van het stuk zich lusteloos voortsleepte, en zelfs was er sprake van geweest om het geld terug te geven, [113]evenals op dien ongelukkigen avond toen de arme Pen weggedreven werd. De acteurs bekommerden zich volstrekt niet om hunne rol, geeuwden onder hunne samenspraken en praatten in de pauzen hardop tegen elkander. Zelfs Bingley was zonder lust en mevrouw B., als Elvira, sprak zoo zacht, dat men haar bijna niet verstaan kon.

Vanwaar kwam het, dat mevrouw Bingley plotseling hare stem verhief en begon te bulken als de ossen van Bazan? vanwaar, dat Bingley, zijne lusteloosheid afschuddende, als een Kean over het tooneel vloog en gilde? Waarom gaven Garbetts en Rowkins en jufvrouw Rouncy zich zooveel moeite om hun talent of bevalligheid ten toon te spreiden, en waarom speelden, gesticuleerden, keken en declameerden zij zoo luid, met het oog op de twee heeren in loge Nº. 3?

De een was een stil mannetje in het zwart, met een grijs hoofd en een opgeruimd, slim gezicht. De ander was in alle opzichten een in het oog loopend en opmerkelijk persoon. Het was een rijzig en zwaarlijvig heer met een haviksneus en een overvloed van bruin krulhaar en bakkebaarden. Zijne jas was rijk met lussen en fluweel versierd. Hij droeg een fraai vest, schitterende ringen, eene juweelen speld, en een horlogeketting om den hals. Toen hij met de eene hand, in een witten glacéhandschoen gestoken, zijn gelen zakdoek uithaalde, verspreidde zich een heerlijke geur van muskus en bergamot door de zaal. Het was blijkbaar een heer van hoogen stand, en het kleine tooneelgezelschap van Chatteries speelde voornamelijk om hem te behagen. Het was, om kort te gaan, niemand anders dan mijnheer Dolphin, de groote Londensche tooneeldirecteur, vergezeld van zijn trouwen vriend en secretaris, mijnheer William Minns, zonder wien hij nooit op reis ging. Hij was nog geen tien minuten in den schouwburg, of zijne hooge tegenwoordigheid werd door Bingley en de overigen ontdekt, waarop allen om het mooist begonnen te spelen en zijne aandacht poogden te trekken. Zelfs jufvrouw Fotheringay’s koel hart, dat anders door niets van streek werd gebracht, begon misschien een weinig te kloppen, toen zij voor den beroemden Londenschen directeur optrad. Zij behoefde in hare rol niet veel anders te doen dan er bekoorlijk uit te zien en in eene schilderachtige houding te staan, terwijl zij haar kind omvatte; en deze taak volbracht zij op eene bewonderenswaardige wijze. Tevergeefs poogden de verschillende acteurs den bijval van den grooten tooneel-sultan te verwerven. Pizarro kon hem geen teeken van aanmoediging afpersen. Bingley bulkte en mevrouw Bingley gilde, maar de directeur nam slechts een snuifje uit zijne groote gouden doos. Eerst bij het laatste tooneel, als Rolla waggelend opkomt met het kind (Bingley is zoo sterk niet meer als vroeger, en zijn vierde zoontje, de jonge heer Talma Bingley, is een monsterachtig dik kind voor zijn leeftijd), als Rolla waggelend met het kind naar Cora komt, die met een gil toespringt en uitroept: „O God, hij is bebloed!” – eerst toen klapte de Londensche directeur in de handen en barstte in luide bravo’s uit.

Toen mijnheer Dolphin met zijne toejuiching klaar was, tikte hij zijn secretaris op den schouder en zeide: „Bij den hemel, Billy, wij zullen haar kunnen gebruiken!”

„Wie heeft haar dat kunstje geleerd?” vroeg Billy, een satiriek oud heertje; „ik herinner mij, haar in den Olympischen schouwburg gezien te hebben, en ik laat mij hangen als zij eene a voor eene b kende.”

Mijnheer Bows in het orkest was het, die haar dat „kunstje” geleerd [114]had. Het gansche tooneelgezelschap hoorde de toejuiching en schaarde zich, toen de gordijn gevallen was, rondom jufvrouw Fotheringay om haar geluk te wenschen en haar te benijden.

Dat mijnheer Dolphin in den kleinen schouwburg van het afgelegene Chatteries verscheen, had de volgende oorzaak. In weerwil van al zijne inspanningen, in weerwil van de aanhoudende triomfkreten, van de uitgelezen sujetten, van de zegepralen van het echt oude Engelsche tooneel, welke zijne aanplakbiljetten verkondigden, verkeerde zijn schouwburg (dien wij, met uw welnemen, om niemands gevoeligheid noch belangen te kwetsen, het Museum Theater zullen noemen) in gansch geen bloeienden toestand, en de beroemde directeur stond aan den rand van den ondergang. De groote Hubbard had twintig avonden in deftige drama’s gespeeld en niemand had er voordeel van gehad dan hij zelf; de vermaarde mijnheer en mevrouw Cawdor waren in het treurspel van mijnheer Rawhead en met hun eigen geliefkoosd repertoire opgetreden en hadden geen publiek getrokken. De Duitsche Herr Garbage had met zijne leeuwen en tijgers een korten tijd opgang gemaakt, totdat een der dieren een stuk uit den schouder van den „Herr” gebeten had, waarop de lord-kamerheer er zich mee bemoeide en een einde aan deze soort van vertooningen maakte. En het groote lyrische drama, ofschoon met ongeëvenaarde pracht en bijval opgevoerd, met monsieur Poumons als eersten tenor en een ontzaglijk orkest, had op zijn zegetocht den armen Dolphin bijna verpletterd; zoodat zijn genie en zijn vermogen, hoe groot beiden ook waren geweest, uitgeput schenen. Hij sleepte zich met halve salarissen, kleine opera’s, onbeduidende oude blijspelen en zijn corps de ballet treurig door het overige van het seizoen voort, en iedereen verwachtte hem den eenen of anderen dag in de lijst der bankroetiers in de Gazette vermeld te zien.

Een heer, wiens naam in een vroeger verhaal1 voorkomt, de ervaren kunstbeschermer en verlichte voorstander van de muziek en het drama, de hooggeboren heer markies van Steyne, behoorde onder de voorname vrienden van het Museum Theater en bezat daar eene groote tooneelloge. Ten gevolge zijner drukke werkzaamheden op staatkundig gebied kon zijn lordschap niet dikwijls en dan nog niet vroeg in den schouwburg komen. Doch bij wijlen kwam hij tijdig genoeg voor het ballet, en altijd werd hij met het grootste ontzag door den directeur bejegend, van wien hij zich soms verwaardigde een bezoek in zijne loge te ontvangen. Die loge had gemeenschap met het tooneel, en als er iets gebeurde, dat hem bijzonder behaagde, wanneer hij een nieuw gezichtje onder de koristen ontdekte, of als eene schoone danseres hare passen buitengemeen bevallig of vlug uitvoerde, werd mijnheer Wenham, mijnheer Wagg of een ander adjudant van den markies achter de coulissen gezonden, om de goedkeuring van den grooten man kenbaar te maken of de vragen te doen, waartoe zijn lordschaps nieuwsgierigheid, of belangstelling in de dramatische kunst, aanleiding gaf. De toeschouwers konden Lord Steyne niet zien, want hij zat zedig achter eene gordijn en keek alleen naar het tooneel, – maar dat hij aanwezig was, kon men zien aan de blikken, die het geheele corps de ballet en de voornaamste danseressen naar zijne loge wierpen. Zoo heb ik, bij voorbeeld, bij den palmendans in het ballet van „Cook op Otaheite,” waarin [115]niet minder dan honderd twintig mooie wilde meisjes met palmtakken en voorschootjes van veeren rondom Floridor als kapitein Cook moeten dansen, vele dozijnen oogen naar die loge zien lonken, terwijl zij er vóór dansten, en dikwijls heb ik mij verbaasd over de tegenwoordigheid van geest van mademoiselle Sauterelle, of mademoiselle de Bondi, bijgenaamd la petite Caoutchouc, die, terwijl zij al volants in de lucht zweefden, altijd met hare mooie oogen naar de loge, waar de groote Steyne zat, bleven lonken. Nu en dan hoorde men eene krassende stem achter de gordijn: „Brava! brava!” roepen, of zag men een paar witte handschoenen daaruit te voorschijn komen, die een aanvang maakten met het applaudissement. Wanneer Bondi of Sauterelle weer op den grond kwamen, nijgden en glimlachten zij inzonderheid voor die handen, eer zij weer hijgend en verheugd naar hare plaatsen op het tooneel terugkeerden.

Op zekeren avond zat deze groote man dan met eenige uitverkoren vrienden in zijne loge in het Museum Theater, waar zij zooveel gedruis maakten en zoo luid lachten, dat het parterre zich begon te ergeren en vele verontwaardigde stemmen zoo gebiedend: „Stilte!” riepen, dat Wagg zich verwonderde, dat de politie die rumoermakers niet naar buiten bracht. Wenham vermaakte het gezelschap in de loge met uittreksels uit een brief, dien hij van majoor Pendennis ontvangen had, wiens uitstapje naar het platteland in het midden van het Londensche seizoen door zijne vrienden opgemerkt en natuurlijk betreurd was.

„Het geheim is ontdekt,” zeide mijnheer Wenham, „er is eene vrouw in het spel.”

„Wel verd –, Wenham, hij is van uw leeftijd!” zeide de heer achter de gordijn.

Pour les âmes bien nées, l’amour ne compte pas le nombre des années,” antwoordde mijnheer Wenham heel galant. „Ik hoop, wat mij betreft, er een slachtoffer van te blijven tot aan mijn dood en mijn hart geregeld eens in het jaar te breken.” Hetgeen eigenlijk met andere woorden zeggen wilde: „Mylord, daar moest gij niet van spreken; ik ben drie jaar jonger dan gij, en tweemaal zoo goed geconserveerd.”

„Wenham, gij roert mij,” zeide de groote man met een zijner gebruikelijke vloeken. „Bij den –, dat doet gij! Ik mag het wel, dat iemand al de illusiën der jeugd tot op uw leeftijd behoudt, en dat zijn hart zoo warm blijft als het uwe. Wel voor den –, mijnheer, het is mij een genoegen zulk een edelaardig, onschuldig schepsel aan te treffen. – Wie is die meid daar in de tweede rij, met de blauwe linten, de derde van het tooneel – mooie meid! Ja, gij en ik, wij zijn sentimenteele kerels. Wagg, geloof ik, geeft er niet veel om – gij geeft meer om uwe maag dan om uw hart, Wagg, – niet waar, mijn jongen?”

„Ik houd van alles wat lekker is,” antwoordde Wagg onbewimpeld. „Belles en Bourgogne, Venus en vogels. Ik zal niet zeggen, dat de tortelduiven van Genus te verachten zijn, omdat men ze in de London Tavern niet gebraden kan krijgen; maar – maar vertel ons eens alles van den ouden Pendennis, mijnheer Wenham,” eindigde hij plotseling, – want zijne aardigheid viel in het water, daar hij zag, dat zijn beschermheer niet luisterde. Steyne had zijn kijker voor de oogen en keek naar iets op het tooneel.

„Ja wel, ik heb die aardigheid over de tortelduiven van Venusen en de London Tavern al meer gehoord – gij begint af te takelen, arme Wagg. [116]Als gij niet oppast zal ik een anderen hofnar moeten zoeken,” zeide Lord Steyne, terwijl hij zijn kijker neerlegde, „Ga voort, Wenham, met hetgeen den ouden Pendennis betreft.”

„Waarde Wenham,” – zoo begint hij, las mijnheer Wenham, – „daar mijn goede naam sinds de drie laatste weken in uwe handen overgeleverd is geweest en gij mij ongetwijfeld volgens uwe gewoonte naar hartelust over den hekel hebt gehaald, zoudt gij tot afwisseling wel eens hulpvaardig kunnen zijn en mij een dienst bewijzen. Het betreft eene kiesche zaak, – entre nous, une affaire de coeur. Een jong vriend van mij is dol verliefd geraakt op zekere jufvrouw Fotheringay, eene actrice van den schouwburg alhier, die, ik beken het, eene zoo schoone vrouw is als men ergens zien kan en die, naar mijn oordeel, zoo goed speelt als de beste actrice, die zich ooit blankette. Zij speelt Ophelia, Lady Teazle, Mevrouw Haller en zulke rollen. Zij doet zich, op mijn woord, zoo goed voor als Georges in haar besten tijd, en munt, voor zooveel ik het beoordeelen kan, verre uit boven alles wat wij op ons tooneel hebben. Ik zou een engagement te Londen voor haar wenschen. Kunt gij uw vriend Dolphin niet bewegen haar eens te komen zien, – haar te engageeren, – haar van hier weg te halen? Een enkel woord van een voornaam vriend van ons (gij weet wel wien ik meen) zou alles afdoen, en indien gij den heer van Gaunt House op mijne hand kondt krijgen, zou ik tot elken wederdienst bereid zijn, want gij zoudt mij den grootsten dienst bewijzen, die mogelijk is. Kom, bewijs me, dat gij een best mensch zijt, zooals ik altijd gezegd heb, en beschik wederkeerig over uw toegenegen

A. Pendennis.

„Die zaak is heel duidelijk,” zeide mijnheer Wenham, toen hij den brief uitgelezen had; „de oude Pendennis is verliefd.”

„En wil die vrouw te Londen hebben – dat is zoo klaar als de zon,” merkte mijnheer Wagg aan.

„Ik wou Pendennis, met zijne rheumatiek, wel eens op de knieën zien liggen,” hernam mijnheer Wenham.

„Of hem het voorwerp zijner liefde eene lok van zijn haar zien vereeren,” vervolgde Wagg.

„Gekheid,” zeide de groote man. „Heeft hij niet familie op het land? Hij heeft ons gesproken van een neef, die veel invloed kon uitoefenen op de verkiezing van een parlementslid. Let er eens op: het zal iets met dien neef zijn. Die jongen zit in ongelegenheid. Het is mij ook overkomen – ik zat te Eton in de vijfde klasse – dochter van een groenteboer – en zwoer, dat ik haar trouwen zou. Ik was smoorlijk op haar verliefd – arme Polly!” Hier hield hij op, en misschien rees het verledene Lord Steyne voor den geest en was George Gaunt weer een knaap en nog niet geheel verloren. „Het moet, naar het verslag van Pendennis, eene mooie vrouw zijn. Roep Dolphin eens, en laten wij hooren of hij iets van haar weet.”

Op die woorden vloog Wenham de loge uit, snelde den bediende voorbij, die aan de deur, welke met het tooneel gemeenschap had, op wacht stond en mijnheer Wenham met den diepsten eerbied groette, en had weinig moeite, daar hij op die plaats gemeenzaam bekend was, [117]om den directeur te vinden, die bezig was, gelijk wel meer gebeurde, tegen de dames van het corps de ballet te razen en te vloeken, omdat zij haar plicht niet gedaan hadden.

De vloeken verstierven op Dolphin’s lippen, zoodra hij Wenham zag, en hij trok de vuist terug, waarmede hij eene der nalatige koristen dreigde, om de hand van den nieuwaangekomene te drukken. „Hoe vaart ge, mijnheer Wenham? Hoe gaat het heden avond met mylord? Hij ziet er bijzonder goed uit,” zeide de directeur met een lachje, alsof hij nooit uit zijn humeur was geweest, waarop hij met het grootste genoegen Lord Steyne’s ambassadeur volgde, om zijne opwachting bij den grooten man te maken.

De tocht naar Chatteries was het gevolg van dat gesprek, en mijnheer Dolphin schreef uit de stad aan mylord, dat hij zich de eer gaf den markies van Steyne te verwittigen, dat hij de dame gezien had, van wie mylord had gesproken, dat hij evenzeer door hare talenten als door haar voorkomen getroffen was, en dat hij een engagement met jufvrouw Fotheringay had gesloten, die weldra de eer zou hebben voor het Londensche publiek en voor zijn edelen en verlichten beschermer, den markies van Steyne, op te treden.

Pen las het bericht van jufvrouw Fotheringay’s nieuw engagement in het blad van Chatteries, waarin hij zoo dikwijls hare bekoorlijkheden bezongen had. De redacteur sprak met lof van haar talent en hare schoonheid en voorspelde haar eene schitterende toekomst in de hoofdstad. Bingley, de regisseur, begon te adverteeren: „De laatste avond van jufvrouw Fotheringay’s engagement.” De arme Pen en Sir Derby Oaks waren trouwe bezoekers van den schouwburg, – Sir Derby in de tooneelloge, waaruit hij ruikers wierp en waarin hij lonkjes ontving, en Pen in de bijna ledige loges, verbijsterd, rampzalig en eenzaam. Buiten die twee bekommerde niemand er zich om, of jufvrouw Fotheringay ging of bleef – of wèl misschien nog iemand, te weten, mijnheer Bows in het orkest.

Bows verliet op zekeren avond die plaats en begaf zich naar de loge, waar Pen zat, dien hij de hand toereikte en verzocht naar buiten te komen en met hem mee te wandelen. Zij liepen al pratende de straat op, en gingen in het maanlicht op de brug van Chatteries zitten en spraken over haar. „Wij mogen wel op dezelfde brug zitten,” sprak Bows, „want wij hebben lang in dezelfde schuit gevaren. Gij zijt niet de eenige man, wiens hoofd door die vrouw op hol is gebracht. En ik ben minder te verontschuldigen dan gij, omdat ik ouder ben en haar beter ken. Zij heeft evenmin een hart als de steen, waartegen gij leunt; en die steen, of gij, of ik, zou in het water kunnen vallen en nooit weer boven kunnen komen, zonder dat zij er zich over bekommerde. Ja toch – zij zou zich om mij bekommeren, omdat zij mij voor haar onderricht noodig heeft; en zij zal zonder mij zich niet kunnen redden en genoodzaakt zijn uit Londen om mij te schrijven. Maar zij zou het niet doen, indien zij mij niet noodig had. Zij heeft geen hart en geen hoofd, geen begrip, geen gevoel, geen verdriet en geen zorg; – niets hoegenaamd! Ik had bijna gezegd, dat zij geen genoegen ook had – maar zij houdt van eten en het streelt haar als de menschen haar bewonderen.”

„En dat doet gij ook?” zeide Pen, zich zelven vergetende en verwonderd over het mismaakte, eenvoudige oude mannetje.

„Dat is eene gewoonte, evenals snuiven of borrels drinken,” gaf hij [118]ten antwoord. „Ik bewonder haar sinds vijf jaar uit gewoonte en kan haar niet meer missen. Ik ben het, die haar gemaakt hebt tot hetgeen zij is. Als zij mij niet laat roepen, zal ik haar volgen; maar ik weet, dat zij mij ontbieden zal. Zij heeft mij noodig. Eenmaal zal zij trouwen en mij wegwerpen, zooals ik dit eindje sigaar doe!”

Het gloeiende vonkje viel in het water daar beneden en verdween, en toen Pen dien avond naar huis reed, dacht hij werkelijk nog aan iemand anders dan aan zich zelven.


1 Vanity Fair (De Kermis der IJdelheid).