[Inhoud]

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Het gelukkige dorp.

Zoolang de vijand niet geheel uit het gezicht der vesting teruggetrokken was, had majoor Pendennis besloten te Fairoaks garnizoen te blijven houden. Hij scheen Pen’s gedrag niet te bespieden, noch eenigen dwang op zijne handelingen uit te oefenen; maar desniettemin wist hij den knaap voortdurend onder zijn eigen oog, of dat zijner handlangers te houden, en alle gangen van den jongen Arthur waren diens waakzamen voogd ten volle bekend.

Vermoedelijk is er geen mensch, onder al degenen, die dezen of een anderen roman lezen, die niet vroeger of later door het lot, de omstandigheden, de valschheid eener vrouw, of eigen schuld, in zijne liefde gedwarsboomd is. Laat zoo iemand zich dan zijne eigen gemoedsstemming in dat geval voor den geest roepen en zich daardoor Pen’s zielesmart voorstellen. O, wat treurige nachten en koortsige uren! O, wat dolzinnige begeerten, die tegen de rots der onmogelijkheid of der onverschilligheid opgolfden en van het onwrikbare graniet afstuitten! Indien wij dezen zelfden nacht eene lijst konden opmaken van de jammerkreten en gedachten en verwenschingen van rusteloos ronddwalende minnaars te Londen, wat een catalogus zou dat niet zijn! Ik zou wel eens willen weten, hoeveel percent van de mannelijke bevolking des morgens ten twee of drie ure wakker liggen, de trage uren tellen, en zich onrustig, smachtend en wanhopig van de rechter- op de linkerzijde wentelen. Wat is het eene vlijmende smart! Wel heb ik nooit gehoord, dat een man bepaald van verliefdheid gestorven is, maar ik heb wel een man van 150 pond onder den druk eener ongelukkige liefde tot 110 pond zien inkrimpen, zoodat men kan zeggen, dat ongeveer een vierde gedeelte van hem verloren was gegaan, – wat inderdaad geen kleinigheid mag heeten. Later heeft hij echter zijne vroegere zwaarte herkregen; misschien is hij thans dikker dan ooit; zeer waarschijnlijk heeft eene nieuwe genegenheid zijn hart en zijne ribben omvat en deze op hun gemak gebracht, en de jonge Pen is een man, die zich, gelijk anderen, troosten zal. Wij zeggen dit, opdat de dames hem niet te voorbarig beklagen, noch zich ernstig ongerust maken over zijne ziekte. Zijne moeder was dat wèl, maar wat bestaat er, dat de moederliefde niet zou vreezen of zich inbeelden? „Wees zeker, mijne waardste,” zeide majoor Pendennis op galante wijze tegen haar, „dat de jongen er van zal opkomen. Zoodra wij haar weg hebben, zullen wij hem wel ergens heen brengen en hem een beetje van het leven laten zien. Wees intusschen gerust. De helft der smart, die men ondervindt wanneer [119]men eene vrouw verliest, is eer een gevolg van ijdelheid dan van liefde. Door eene vrouw verlaten te zijn, is zeker verschrikkelijk; maar let eens op, hoe gemakkelijk wij haar verlaten.”

Mevrouw Pendennis wist niets daarvan. Deze soort van kennis was niet binnen den kring van de ondervinding dezer eenvoudige dame gevallen. Zij hield dan ook niet van dit onderwerp en sprak er liefst niet over; haar hart had zijne eigene kleine ramp gehad, had er zich boven verheven en was genezen; en misschien had zij niet veel medelijden met de verliefdheid van anderen, – natuurlijk die van Arthur uitgezonderd, met wiens lijden zij zich vereenzelvigde, – zoodat zij zeer waarschijnlijk bij de vele ongesteldheden en smarten van den knaap aanmerkelijk meer dan Pen zelf leed. In zijne tegenwoordige droefenis hield zij met ijverzuchtige en stille meewarigheid het oog op hem, ofschoon hij, gelijk wij reeds vermeld hebben, niet met haar sprak over zijn rampzaligen toestand.

Het verdient gezegd te worden, dat de majoor niet weinig talent en lijdzaamheid, en eene allerloffelijkste belangstelling voor zijne familie aan den dag legde. Het leven op Fairoaks moest onuitstaanbaar vervelend zijn voor een man, die tot de helft der huizen van Londen toegang had en gewoon was zich elken avond op drie of vier partijen te vertoonen. Nu en dan een diner met doctor Portman, of een landjonker uit den omtrek, en een lusteloos spelletje triktrak met de weduwe, – die alles in het werk stelde om hem aangenaam bezig te houden, – dit behoorde tot zijne voornaamste uitspanningen. Hij zag reikhalzend naar de komst van den brievenzak uit en las het avondblad van den eersten regel tot den laatsten. Vlijtig nam hij allerlei gezondheidsmaatregelen in acht, want hij meende, dat een stil leventje, gedurende eenigen tijd, hem nuttig zou zijn na de Londensche feestdagen. Elken morgen en middag kleedde hij zich met zorg, en nam hij geregelde beweging, door het terras op en neer te wandelen. Deze waardige en wereldsche wijsgeer vrijwaarde zich aldus met zijn wandelstok, zijn toilet, zijn medicijnkistje, zijn triktrakbord en zijn nieuwsblad tegen de verveling; en zoo majoor Pendennis niet, gelijk de bijen tegen den tuinmuur der weduwe, van elk zonnig uur partij trok, bracht hij uur op uur door, zooals hij het best vermocht, waardoor hij zich zijne ballingschap eventjes draaglijk maakte. Het trok de aandacht, dat hij na dit tijdperk zijns levens gaarne het gesprek op den Amerikaanschen oorlog, den moord van Wyoming en de schitterende bedrijven van Saint-Lucie bracht, waarvan de geheime oorzaak was, dat hij een paar deelen der Britsche Jaarboeken op zijne slaapkamer gevonden en vlijtig doorgelezen had. Aldus weet een man van geregelde levenswijze zich naar de omstandigheden te schikken en zich met een kalm gelaat boven het lot verheven te toonen.

Pen ging soms des avonds aan het triktrakbord zitten, of luisterde des zomeravonds naar de eenvoudige muziek, die zijne moeder maakte, – maar hij was, in weerwil van dit alles, gejaagd en ellendig. Men zag hem zelfs vóór het aanbreken van den dag opstaan en naar een karpervijver in Clavering Park gaan, een somber water met ontelbare ruischende rietstengels en elzeboomen, waar eene melkmeid zich ten tijde van den grootvader van den baronet verdronken had en haar geest, naar men zeide, nog spookte. Maar Pen verdronk zich niet, waarvoor zijne moeder misschien bang was. Hij ging daar gaarne visschen en op [120]zijn gemak peinzen, terwijl de dobber in de kleine kringetjes van den vijver op en neer danste en de visschen er rondom sprongen. Als hij beet kreeg, was hij zeer opgetogen, en op die wijze bracht hij meer dan eens karpers, zeelten en palingen thuis, die de majoor op de wijze, gelijk op het vasteland gebruikelijk was, toebereidde.

Bij dien vijver, en onder een boom, die zijn geliefkoosd toevluchtsoord was, vervaardigde Pen een aantal verzen, op zijne omstandigheden toepasselijk – verzen, waarover hij in later tijd bloosde, daar hij zich verwonderen moest, dat hij ooit zulke wartaal voor den dag had kunnen brengen. En wat dien boom aangaat – wel, het is in eene holte van dien zelfden boom, waar hij zijn tinnen doosje met wormen en andere vischbehoeften neerzette, dat hij later – doch wij zijn voorbarig! Genoeg voor het oogenblik, dat hij verzen schreef en daarbij veel verlichting vond. Wanneer iemands verdriet of hartstocht van dien aard is, dan moge hij zijne smart luid ontboezemen, maar zij is niet erg. Wanneer een heer zijn brein foltert, om op hemel een ander rijmwoord te vinden dan gewemel en kemel, dan is zijn verdriet dichter bij het einde dan hij zelf weet. En zoo was het ook met Pen. Hij had zijne heete en koude koorts, zijne dagen van neerslachtigheid of knorrigheid en doffe gelatenheid of wanhoop, en tusschenbeide dolle vlagen van woede en verlangen, waarin hij Rebecca zadelde en als een dolleman over de velden of naar Chatteries galoppeerde, waarbij hij den rug van het paard met de armen zat te molenwieken, en roerlieden en tolgaarders verwonderd deed opzien, door in het voorbijrijden den naam der ongetrouwe schoone luidkeels uit te galmen.

Mijnheer Foker legde in dezen tijd talrijke en welkome bezoeken op Fairoaks af, waar zijne opgeruimdheid en zijne grappen den majoor en Arthur niet weinig vermaakten en daarentegen de weduwe en de kleine Laura verbaasden. Zijn wagentje veroorzaakte groote opschudding op de markt te Clavering, waar hij een stalletje omverreed, den poedel van jufvrouw Pybus over het kaalgeschoren lichaam reed en een glaasje bitter in het Wapen van Clavering dronk. Het gansche plaatsje vernam wie hij was en zocht in het Jaarboek der pairs zijn naam onder de aanverwanten van den adel op. Maar hij was nog zóó jong en hunne uitgaven van het Jaarboek waren zóó oud, dat zijn naam in vele dier jaargangen niet voorkwam; en zijne mama, thans eene vrij bejaarde dame, stond er, onder de kinderen van den graaf van Rosherville, nog vermeld als Lady Agnes Milton. Doch zijn naam, rijkdom en deftige af komst waren spoedig in Clavering bekend, waar men zeker kan zijn, dat de kleine liefdesgeschiedenis van Pen met de actrice te Chatteries ook zeer vrijmoedig besproken werd.

Wanneer men van den weg naar Londen, die langs de portierswoning van Fairoaks loopt, den blik op het oude stadje Clavering St. Mary slaat en den snelvlietenden en blinkenden Brawl van de stad af langs de bosschages van Clavering Park ziet kronkelen en den ouden kerktoren en de puntige daken der huizen ziet uitsteken tusschen boomen en oude muren, achter welke zich een achtergrond van zonnige heuvelen verheft, die westwaarts van Clavering naar zee loopen, – dan schijnt het plaatsje zoo vroolijk en gezellig, dat menig reiziger van den top der diligence een smachtend verlangen daarnaar moet ondervonden en de gedachte gekoesterd hebben, dat het toch wel aangenaam zou zijn, [121]aan het einde van den strijd des levens in zulk een kalm en vriendelijk hoekje een toevluchtsoord te vinden. Tom Smith, de koetsier der diligence Alacrity, wees dikwijls een boom bij de rivier aan, van waar men een fraai gezicht op de kerk en de stad had, en verhaalde dan aan zijn reisgezel op den bok, dat schilders van daar de kerk uitteekenden, die vroeger eene abdij was geweest, – en inderdaad was het een mooi gezicht, dat ik aan de schilders Stanfield en Roberts op hun eerstvolgend reisje aanbeveel

Gelijk Konstantinopel, van den Bosphorus gezien, gelijk mevrouw Rougemont, wanneer men van de overzijde der zaal haar in hare loge ziet zitten, gelijk menig voorwerp dat wij in het leven najagen en bewonderen zoolang wij het niet bezitten, is Clavering liefelijker op een afstand dan bij nadere kennismaking. De stad, die op eenige ellen afstands zoo vroolijk schijnt, ziet er zeer doodsch en vervelend uit. Men ziet niemand op straat dan op marktdagen. Het gekletter van een paar klompen klinkt de halve stad door, en men kan het kraken van het oude verroeste uithangbord van het Wapen van Clavering hooren, zonder dat men door eenig ander geluid afgeleid wordt. Er is in de societeit geen bal geweest sedert de partij, die de vrijwilligers van Clavering aan hun kolonel, den ouden Sir Francis Clavering, gaven; en de stallen, die eenmaal de paarden van dat prachtige, maar uitgestorven regiment bevatten, zijn thans somber en leeg, behalve Donderdags, wanneer de boeren daar uitspannen en hunne huifkarren en chaisen een flauwen schijn van levendigheid aan het plaatsje bijzetten, of wanneer op de rechtsdagen de rechterlijke ambtenaren vergadering houden in de kamer, die vroeger aan het kaartspel gewijd was.

Aan de zuidzijde der markt staat de kerk met hare groote grijze torens, welker fijn beeldhouwwerk in het zonnelicht schittert, hetwelk de schaduwen der zware steenen beren donker kleurt en de schitterende vensters en vlammende weerhanen verguldt. Eeuwen geleden werd het beeld van de beschermheilige der kerk boven het voorportaal weggebroken; de heiligenbeelden, welke in dien tijd van vrome vernielzucht binnen het bereik van steenen of hamers stonden, zijn hoofdeloos en verminkt, en van die, welke er ongeschonden afkwamen, kent alleen doctor Portman de namen en de geschiedenis, want zijn hulpprediker Smirke bemoeit zich niet veel met de oudheidkunde en mijnheer Simcoe (de gemaal eener „freule,” die thans mevrouw Simcoe is) beschouwt, als predikant en oprichter van de Kapel der Ruste in het lagere gedeelte der stad, die beelden als iets verfoeilijks.

De pastorie is een hecht, breed gebouw van baksteen, uit den tijd van koningin Anna. Zij komt met verschillende uitgangen in de kerk en op de markt uit, en staat aan den ingang van Yew-Tree-Lane, waar zich de school van den eerwaarden Wapshot, Yew-Tree-Cottage van jufvrouw Flather, het slachthuis van den vleeschhouwer, eene oude schuur of brouwerij uit de dagen der abdij, en de jongejufvrouwen-kostschool der dames Finucane bevinden. De zitplaatsen van de leerlingen der beide scholen waren op de galerij aan beide zijden van het orgel, totdat de doctor – toen de abdijkerk tamelijk leeg werd door het wegblijven van vele leden der gemeente, die zich naar de kettersche kapel in het lagere gedeelte der stad lieten lokken – de dames Finucane bewoog haar lieve kuddeke naar beneden te laten komen, waar de hoedjes der jonge dames aan de vrij leege banken eenig leven bijzetten. In de groote bank [122]der familie Clavering ziet men niets dan de beeltenissen der overledene baronets en hunne vrouwen; daar is Sir Poyntz Clavering, ridder en baronet, met een baard van vierkante snede, geknield tegenover zijne vrouw met een ontzaglijken halskraag; eene zeer dikke dame, Rebecca Clavering, in haut-relief, wordt hemelwaarts gedragen door twee engeltjes, die er eene zware vracht aan schijnen te hebben – en meer van dien aard. Wat herinnerde Pen zich in latere jaren die beelden duidelijk, en wat zat hij ze in zijne jeugd nauwkeurig te bekijken als de doctor zijne leerrede van den preekstoel opdreunde en Smirke’s zachtmoedig gezicht met de ééne krul op zijn voorhoofd over het groote gebedenboek aan den lezenaar heenkeek!

De bewoners van Fairoaks gingen trouw naar de oude kerk; hunne bedienden hadden er eene bank, evenals die van Wapshot en van de dames Finucane, drie meiden en een knap jonkman in livrei. De familie Wapshot was talrijk en geloovig. Glanders en zijne kinderen kwamen geregeld ter kerk, en een der apothekers ook. Jufvrouw Pybus ging om beurten naar de kerk in de stad en naar de abdijkerk. De leerlingen der armenschool en hunne bloedverwanten kwamen natuurlijk. Wapshot’s jongens maakten een luid en hartverkwikkend gedruis, door met de voeten te schuifelen wanneer zij de kerk binnenmarcheerden en de trap naar de galerij opliepen, en hunne neuzen zeer dikwijls onder den dienst snoten. Om kort te gaan, de gemeente zag er zoo ordelijk uit als men in dezen slechten tijd verwachten mocht. De abdij kerk bezat een prachtig koorhek en vele wapens aan de muren en op de grafzerken. De doctor besteedde een groot gedeelte van zijn inkomen om zijne geliefde kerk op te knappen, en had haar met een heerlijk geschilderd glasvenster, dat in de zuidelijke Nederlanden gekocht was, en een orgel, groot genoeg voor eene hoofdkerk, begiftigd.

Doch in spijt van orgel en venster – of wel denkelijk ten gevolge van dit laatste, dat uit een papistisch land gekomen en vol afgodische voorstellingen was – bloeide de nieuwlichterskerk te Clavering op de ergerlijkste wijze onder den neus der orthodoxie, en vele leden der gemeente van den doctor liepen naar mijnheer Simcoe en de freule, zijne vrouw, over. Door hunne onvermoeide pogingen was zelfs de methodisten-kapel in de nabijheid leeggeloopen, die vóór Simcoe’s komst zoo vol placht te zijn, dat men de ruggen der toehoorders als het ware uit de kerkramen zag puilen. De traktaatjes van mijnheer Simcoe fladderden de deur van alle huisjes, die tot het gebied van den doctor behoorden, binnen, en werden even gretig aangenomen als de soep der welwillende mevrouw Portman, welke door de ondankbare schepsels nog al afgekeurd werd. Bij de werklieden in de lintfabriek, die bij het veer aan den Brawl lag en rondom welke de nieuwe stad was opgerezen, kon de orthodoxie in het geheel geen ingang vinden. De bedaarde jufvrouw Myra werd door de vurige mevrouw Simcoe en hare vrouwelijke adjudanten geheel uit het veld geslagen. Ach, het was eene zware beproeving voor de vrouw van den doctor, haar mans gemeente te zien wegsmelten; bij de weinige gelegenheden, wanneer zij met elkander in aanraking kwamen, den voorrang te moeten laten aan de vrouw van een afgescheiden dominé, omdat deze de dochter van een Ierschen pair was; en te weten, dat er in Clavering, hunne eigen stad Clavering, waaraan de doctor veel meer dan de inkomsten van zijn ambt besteedde, eene partij bestond, die hem in een kwaden naam bracht, omdat hij een partijtje whist [123]speelde, en hem een heiden noemde, omdat hij den schouwburg bezocht. In hare verdrietige stemming spoorde zij hem aan den schouwburg en het kaartspel te laten varen – en het was werkelijk reeds zeer moeielijk een partijtje bijeen te krijgen, zoo luide werd dat tijdverdrijf veroordeeld; – maar de doctor verklaarde, dat hij doen zou wat recht was in zijne oogen en wat de groote en goede George III deed (wiens kapelaan hij was geweest); en wat betrof het afzien van het whisten, omdat die dwaze menschen er aanmerking op maakten, verklaarde hij, dat hij liever tot zijn laatsten dag toe met zijne vrouw en Myra met den blinde spelen zou, dan voor die verfoeilijke vervolging te buigen.

Van de beide familiën, die bezitters waren van de fabriek (door welke de forellenvangst in den Brawl bedorven en al het kwaad in de stad gebracht was), ging de oudste compagnon, mijnheer Rolt, naar de methodistische kapel, en de jongste, mijnheer Barker, naar de nieuwe kerk. In één woord, de menschen krakeelden in dit kleine plaatsje oneindig meer dan buren te Londen doen; en in het leeskabinet, dat de voorzichtige en vredelievende Pendennis opgericht had en dat een onzijdig gebied had behooren te zijn, werd zóó hevig getwist, dat men tegenwoordig bijna niemand meer in de leeszaal aantrof, behalve Smirke, die, ofschoon door eene flauwe vriendschapsbetrekking met de factie van Simcoe verbonden, nog altijd zekeren smaak voor tijdschriften en wereldsgezinde litteratuur behouden had; en den ouden Glanders, wiens grijs hoofd en ruige knevels men aan het venster kon zien; en natuurlijk de kleine mevrouw Pybus, die ieders brieven, welke de post aanbracht, bekeek (want de leeszaal te Clavering was, gelijk ieder weet, in de leesbibliotheek van Baker in London Street, vroeger Hog Lane) en alle advertentiën uit de courant las.

Men kan begrijpen welk eene opschudding de tijding van Pen’s liefdesgeschiedenis te Chatteries, in dit lieftallige maatschappijtje, teweegbracht. Het nieuws werd van huis tot huis rondgedragen en maakte het onderwerp der gesprekken bij hoogkerkschen, laagkerkschen en geenkerkschen uit; het werd tusschen de dames Finucane en hare secondanten besproken en hoogst waarschijnlijk ook door de jonge dames op de slaapzalen behandeld; de groote jongens van Wapshot kenden eveneens eene lezing van het verhaal en bekeken Pen nieuwsgierig als hij in zijne bank in de kerk zat, of wezen hem spottend met den vinger aan als hij over straat liep. Zij hadden altijd een hekel aan hem gehad en noemden hem Lord Pendennis, omdat hij geen grove kleeren droeg gelijk zij, een paard hield en zich zoo kwasterig voordeed.

Om de waarheid te zeggen, was het mevrouw Portman zelve, die de schiedenis van Pen’s verliefdheid hoofdzakelijk in omloop had gebracht. Elk nieuwtje, dat deze openhartige vrouw vernam, bracht zij onvermijdelijk aan hare buren over; en toen zij door het opzienbarende geval te Chatteries in het bezit van Pen’s geheim was gekomen, wist de arme doctor Portman, dat het den volgenden dag in het geheele kerspel, waar hij predikant was, bekend zou zijn. En dit was ook werkelijk het geval; het gansche stadje was op de hoogte; binnen weinige uren had de schiedenis de ronde gedaan door het leeskabinet, den modewinkel, en schoenenwinkel, den komenijswinkel aan den hoek der markt, bij mevrouw Pybus, bij de Glanders’, op de oefening bij mevrouw Simcoe, bij de eigenaren der fabriek, ja, in de fabriek zelve, en was de dwaasheid van Arthur Pendennis op ieders tong. [124]

Al de kennissen van doctor Portman hielden hem staande, toen hij den volgenden dag over straat ging. De arme dominé wist, dat zijne Betsy de verspreidster van het nieuws was, en ergerde zich inwendig. Maar, het zou toch binnen een paar dagen uitgekomen zijn, en dan was het maar beter, dat de stad de ware toedracht der zaak kende. Wij behoeven hier niet te beschrijven wat de inwoners van Clavering dachten over de slechte opvoeding, die mevrouw Pendennis aan haar zoon gegeven had, en over de vermetelheid van dien baardeloozen schavuit van een Arthur, die met eene actrice had willen trouwen. Zoo er in ons vaderland hoogmoed bestaat (en zeker bezit men er meer dan genoeg van), dan is die nergens dieper geworteld dan bij niet rijke oude jufvrouwen in kleine plaatsjes. „Goede hemel!” ging de kreet op, „wat is die moeder blind voor dien brutalen en eigenzinnigen jongen, die op zijn volbloedpaard de houding van een lord aanneemt, voor wien ons gezelschap niet goed genoeg is, en die eene leelijke, geblankette actrice uit eene kermistent, waar hij zich zeker ook wil engageeren, zou willen trouwen. Als de goede oude heer Pendennis nog leefde, zou dit schandaal nooit gebeurd zijn.”

Neen, dat zou het waarschijnlijk niet, en wij zouden nu niet bezig zijn met Pen’s geschiedenis te verhalen. Het was waar, dat hij tegenover de bevolking van Clavering een zekeren hoogmoed aan den dag legde. Daar hij van nature fier en rondborstig was, verveelden hem hun gekakel en praatjes en nagemaakte voornaamheid, en legde hij daarvoor eene minachting aan den dag, die hij niet verbergen kon. De doctor en de hulpprediker waren de eenige menschen daar ter plaatse, in wie Pen belang stelde, – zelfs mevrouw Portman deelde in het algemeene wantrouwen omtrent hem en zijne moeder, de weduwe, die zich aan den omgang met de inwoners onttrok en dienovereenkomstig gehekeld werd, omdat zij – men zou zeggen! – zich op gelijken voet met de groote familiën van het graafschap wilde plaatsen. Zij moest zich schamen! Mevrouw Barker aan de fabriek nam viermaal meer vleesch van den slager dan de bewoners van Fairoaks, – in weerwil van al hunne voorname airs.

Enz., enz., enz. De lezer kan dit verder met bijzonderheden aanvullen, naar gelang van zijn smaak voor dorpspraatjes en zijne ondervinding daarvan. Het meegedeelde is genoeg om te doen zien op welke wijze eene brave vrouw, die zich alleen met de vervulling van hare plichten jegens hare naasten en hare kinderen bezig hield, en een oprechte, ronde knaap, met een warm hart en vol goede eigenschappen, die aan elk mensch ter wereld het beste toewenschte, vijanden en lasteraars vonden onder lieden, waar zij ver boven stonden en wien zij nooit een zweem van leed berokkend hadden. De honden van Clavering liepen rondom het huis van Fairoaks te janken en vonden er hun vermaak in, Pen te vervolgen.

Doctor Portman en Smirke zorgden wel, dat zij der weduwe het hoofd niet warm maakten met de aanhoudende praatjes, die over den armen Pen liepen, ofschoon deze er van op de hoogte gehouden werd door Glanders, die een vriend des huizes was. Men kan zich zijne verontwaardiging voorstellen: was er niemand in het stadje, van wien hij rekenschap kon vorderen? Eerlang begonnen sommige grappenmakers: „Lang leve Fotheringay!” en andere sarcastische toespelingen op het gebeurde, met krijt op de poort van Fairoaks te schrijven. Iemand [125]anders bracht eene groote tooneelaffiche van Chatteries mede en plakte die daar op zekeren nacht met ouwels aan. Toen Pen eens de lagere stad doorreed, meende hij, dat de werklieden der fabriek hem najouwden; en eindelijk, toen hij eens door de deur van den doctor het kerkhof opstapte, waar eenige der jongens van Wapshot rondslenterden, nam de grootste van deze, een jonge heer van omtrent twintig jaar, de zoon van een klein landbezitter uit de buurt, die in de hoedanigheid van kostleerling bij mijnheer Wapshot woonde, eene tooneelachtige houding bij een pas gedolven graf aan en begon, met een afschuwelijken grijns, Ophelia’s verzen uit Hamlet op te zeggen.

Pen ontstak zoodanig in woede, dat hij met een uitroep, die heel veel naar een vloek geleek, op den langen Hobnell toesprong, hem met de karwats, die hij in de hand hield, een geweldigen striem over het gezicht gaf, de karwats daarop wegwierp, den lafhartigen schavuit toeriep, dat hij zich verdedigen moest, en een oogenblik later den verbluften jongen schelm in het graf smeet, dat op een geheel anderen bewoner wachtte.

Daarop riep hij, met gebalde vuisten en een gezicht, dat van drift en verontwaardiging trilde, Hobnell’s kameraden toe, dat hij al die schurken afwachtte, als zij maar durfden. Maar mokkend deinsden zij achteruit en bliezen den aftocht toen doctor Portman naar zijn hek kwam, terwijl mijnheer Hobnell, met akelig bebloeden neus en lippen, weer uit het graf kroop.

Met blikken, die dood en verderf aan de naar hunne zijde van het kerkhof terugtrekkende jongens verkondigden, keerde Pen door het hek van den doctor terug en onderging een verhoor van dien heer. Hij was zoo ontroerd, dat hij ternauwernood spreken kon. Toen hij antwoordde, brak hij in snikken los. „De – lafaard heeft mij beledigd, mijnheer,” en de doctor zag den vloek, waarvan dit gezegde vergezeld ging, door de vingers en eerbiedigde de gevoelens van dit eerlijke en zooveel lijdende jonge hart.

De oude Pendennis, die als echt man van de wereld eene gepaste en aanhoudende vrees voor het oordeel zijner medemenschen koesterde, was verbazend geërgerd over het zotte stormpje, dat in Chatteries woedde en Pen’s reputatie heen en weer slingerde. Doctor Portman en kapitein Glanders moesten de aanvallen der gansche maatschappij van Chatteries tegen den jeugdigen verworpeling, die als een monster van slechtheid beschouwd werd, afslaan. Pen zeide thuis niets van het gevecht op het kerkhof, maar begaf zich naar Baymouth, om zijn vriend den heer Henry Foker te raadplegen, die dadelijk met zijn rijtuig voor het Wapen van Clavering kwam, en van daar door middel van Domkop een briefje „aan den weledelgeboren heer Thomas Hobnell, ten huize van den eerwaarden heer Wapshot” zond, met de beleefde vraag wanneer hij dien heer zou mogen spreken.

Domkop bracht de boodschap terug, dat het briefje door mijnheer Hobnell geopend en aan een half dozijn van de grootste jongens voorgelezen was, op welke het diepen indruk scheen te maken; en dat Hobnell, nadat zij samen gepraat en gelachen hadden, gezegd had, dat hij na de namiddagschool, waarvoor de bel reeds luidde, een antwoord zou zenden, en dat toen juist mijnheer Wapshot in zijn doctors tabbaard te voorschijn was gekomen, – want Domkop was ervaren in de academische costumen, daar hij mijnheer Foker reeds op de Academie bediend had. [126]

Foker ging in den tusschentijd de merkwaardigheden van Clavering bezien, maar daar hij geen smaak voor de schoone bouwkunde had, boeide doctor Portmans fraaie kerk hem weinig en verklaarde hij den toren voor zoo rot als eene oude Stiltonsche kaas. Hij slenterde de straten door en bekeek de weinige winkels. Kapitein Glanders zag hij aan het venster der leeszaal staan, en, na dien heer goed bekeken te hebben, knikte hij hem eens toe, ten bewijze van zijne tevredenheid. Bij den slager informeerde hij met den schijn van de grootste belangstelling naar den prijs van het vleesch, en vroeg wanneer er weer geslacht werd. Hij drukte zijn kleinen neus tegen de winkelkast van madame Fribsby plat, om te zien of er niet een mooi modemaakstertje in den winkel zat; maar er was geen mooier gezichtje aanwezig dan dat van den mutsenbol met eene Fransche muts op, die voor de glazen stond, en madame Fribsby zelve, die slechts onduidelijk in het achterkamertje te zien was, waar zij een roman zat te lezen. Dit voorwerp was niet belangwekkend genoeg om mijnheer Foker tot eene langdurige beschouwing uit te lokken, zoodat hij, na alles bezichtigd te hebben in de stad en in de stallen, waar geene andere beesten stonden dan een enkel oud paar huurpaarden, die den karigen kost verdienden door de fatsoenlijke lui naar de diners in het graafschap te rijden, gevaar liep geheel ten prooi der verveling te worden, toen men eindelijk iemand met eene boodschap van mijnheer Hobnell aandiende.

Dit was geen mensch anders dan de heer Wapshot in eigen persoon, die in de grootste verontwaardiging, met Pen’s brief in de hand, kwam binnenstuiven en aan Foker vroeg hoe hij zulk eene onchristelijke boodschap als eene uitdaging aan een leerling van zijne school durfde overbrengen.

Werkelijk kwam het schrijven van Pen aan zijn vijand van den vorigen dag daarop neer, dat, indien Hobnell, na de kastijding, die zijne onbeschaamdheid ruimschoots verdiend had, de voldoening mocht verlangen, die onder gentlemen gebruikelijk is, de vriend van mijnheer Arthur Pendennis, de heer Henry Foker, gemachtigd was alle schikkingen met den heer Hobnell te maken.

„En dus heeft hij u met het antwoord gezonden, mijnheer?” vroeg Foker, den schoolmeester van top tot teen in zijn geestelijk gewaad opnemende.

„Als hij die goddelooze uitdaging had aangenomen, zou ik hem afgeranseld hebben,” zeide mijnheer Wapshot met een blik op mijnheer Foker, waarin men lezen kon: „en ik zou u ook wel eens een ferm pak willen toedienen.”

„Dat is bepaald heel vriendelijk van u,” antwoordde Pen’s gemachtigde. „Ik heb mijn principaal al verteld,” ging hij met groote deftigheid voort, „dat de ander naar mijn inzien niet vechten zou. Hij wil zeker liever geranseld worden dan vechten. Zult ge ook iets gebruiken, mijnheer .….? ik heb het geluk niet, uw naam te kennen.”

„Ik heet Wapshot, mijnheer, en ben de meester van de school, mijnheer,” schreeuwde de ander; „en ik verkies niets te gebruiken, mijnheer, dank je wel, en ik heb geen lust om kennis met je te maken, mijnheer.”

„Nu – de uwe heb ik bepaald niet gezocht,” antwoordde mijnheer Foker. „In gevallen van dezen aard, weet je, vind ik het heel verkeerd, er dominés in te halen, maar – over den smaak valt niet te oordeelen, mijnheer.” [127]

„En ik vind het heel verkeerd, dat jongens, mijnheer, zoo lichtvaardig over moord spreken als gij dat doet,” brulde de schoolmeester, „en als ik u op mijne school had –”

„Dan zoudt ge het mij zeker beter leeren, mijnheer,” vulde Foker met eene buiging den volzin aan. „Maar, dank je wel, mijnheer! Mijne opvoeding is voltooid, mijnheer, en ik ga niet weer naar school, mijnheer. Als het ooit gebeurt, dan zal ik uw vriendelijk aanbod in gedachte houden. Jan, laat dezen heer eens uit – en natuurlijk, daar mijnheer Hobnell zich verkiest te laten afranselen, kunnen wij daar niets tegen hebben, mijnheer, maar zal het ons een genoegen zijn hem daarop te onthalen, als hij ons ooit weer in den weg komt.”

Bij deze woorden maakte de jonge schavuit eene buiging tegen den bejaarden heer, die zijne kamer verliet, en ging een briefje aan Pen schrijven, waarin hij dezen berichtte, dat mijnheer Hobnell niet vechten wilde, en berustte onder de kastijding, die Pen hem had toegediend.