De hulpprediker was zijn dagelijksch bezoek op Fairoaks komen afleggen en bevond zich boven, op Pen’s kamer, waar hij den schijn aannam van met zijn leerling te studeeren. Het was vroeg dien zelfden namiddag, toen mevrouw Portman, na bij mevrouw Pybus afgedaan te hebben, het weer zoo buitengemeen fraai vond, dat zij besloot hare wandeling tot Fairoaks uit te strekken en daar een bezoek aan hare hooggeschatte vriendin te brengen. In den loop van het gesprek vertelde de dominésvrouw aan mevrouw Pendennis en den majoor een zeer groot geheim aangaande mijnheer Smirke, den hulpprediker, hetgeen niets minder betrof, dan dat hij eene liefde, eene zeer oude liefde koesterde, die hij lang verborgen had gehouden.
„En aan wie heeft mijnheer Smirke zijn hart geschonken?” vroeg mevrouw Pendennis, trotsch, maar toch inwendig wel wat ongerust.
„Wel, mevrouw,” antwoordde de andere dame, „toen hij pas hier was en wel eens bij ons at, zeiden de menschen, dat wij hem voor Myra trachtten te winnen, zoodat wij hem niet meer konden vragen. Toen zeide men, dat hij zijn oog ergens elders had laten vallen; maar, wat mij betreft, ik sprak het altijd tegen en zeide, dat gij –”
„Ik!” riep mevrouw Pendennis uit: „wat zijn de menschen toch onbeschaamd! Mijnheer Smirke is hier gekomen als onderwijzer van Arthur, en ik sta verstomd, dat iemand zou durven –”
„Bij mijne ziel, dat gaat een beetje ver!” zeide de majoor, terwijl hij de courant en zijn dubbel lorgnet neerlegde. [138]
„Ik kan die mevrouw Pybus niet uitstaan,” ging Helena verontwaardigd voort.
„Ik zeide haar ook, dat er niets van aan was,” hernam mevrouw Portman. „Ik heb het altijd gezegd, mevrouw-lief, en nu komt het uit, dat onze ingetogene heer geëngageerd is met eene jonge dame – zekere jufvrouw Thompson, van Clapham Common – ik weet niet hoelang al; en ik ben er, wat mij betreft en voor Myra, blij om, want een ongetrouwd hulpprediker is altijd lastig in huis. Natuurlijk blijft dit geheel onder ons, maar ik meende het u te moeten vertellen, om onaangenaamheden te voorkomen. Maar onthoud wel: als het u belieft geen enkel woord over deze zaak!”
Mevrouw Pendennis antwoordde, met de grootste oprechtheid, dat zij dat nieuws met buitengewoon genoegen vernomen had, en drukte de hoop uit, dat mijnheer Smirke, die een zeer welwillend en beminnelijk mensch was, eene goede vrouw zou treffen. Toen de bezoekster weg was, bespraken Helena en haar broeder de zaak nog eens met het meeste welgevallen, en de vriendelijk gezinde dame verweet zich haar hooghartig gedrag tegenover den heer Smirke, dien zij in den laatsten tijd ontweken had, in plaats van hem dankbaar te zijn voor de aanhoudende zorgen, die hij aan Arthur wijdde.
„Erkentelijkheid mag men jegens dat soort van menschen wel betoonen,” zeide de majoor, „maar van gemeenzaamheid kan geen sprake zijn. Deze heer geeft zijne lessen en krijgt er zijn geld voor, gelijk ieder ander meester. Gij zijt te nederig, mijne beste! Verschil van standen en zoo voorts moet blijven bestaan. Ik heb u al vroeger gezegd, dat gij te voorkomend waart jegens mijnheer Smirke.”
Maar Helena gaf dit niet toe; en nu Arthur op het punt van vertrekken stond en zij zich herinnerde hoe uiterst beleefd mijnheer Smirke was geweest, hoe hij boodschappen voor haar had gedaan, boeken gebracht en muziek gekopieerd, hoe hij Laura zooveel geleerd en haar een aantal lieve geschenkjes gegeven had; nu verweet zij zich in haar hart, dat zij den hulpprediker ondankbaar had bejegend; en dit gevoel werd zoo sterk, dat zij, toen hij met Pen naar beneden ging en, alvorens te vertrekken, nog in het voorhuis talmde, naar buiten kwam en hem met een vrij sterken blos de hand gaf, met uitnoodiging om hare huiskamer binnen te treden, waar men, zeide zij, hem tegenwoordig in het geheel niet meer zag. Daar er dien dag een vrij goed diner zou zijn, noodigde zij mijnheer Smirke ook uit om er aan deel te nemen; en wij kunnen ons overtuigd houden, dat hij die heerlijke uitnoodiging met de grootste blijdschap aannam.
Helena, die door de ontvangen mededeelingen van allen vroegeren twijfel en achterdocht ten opzichte van den hulpprediker verlost was, gedroeg zich onder den maaltijd bovenmate vriendelijk en lieftallig jegens mijnheer Smirke en verdubbelde hare beleefdheden, misschien wel omdat majoor Pendennis zeer hoog en terughoudend jegens den leermeester van zijn neef was. Wanneer de majoor aan Smirke een glas wijn aanbood, sprak hij tegen hem als een vorst tegen een geringen onderhoorige, en wel met zooveel nederbuigende goedheid, dat zelfs Pen er om lachen moest, ofschoon hij overigens van zijn kant geneigd was even verwaand te zijn als de meeste jongelui.
Maar Smirke trok zich de ongemanierdheden van den majoor niet aan, zoolang zijne gastvrouw hem vriendelijk behandelde. Hij bracht [139]een heerlijk uurtje naast haar aan tafel door, wendde al zijne spraakzaamheid aan om haar te behagen, handelde over geestelijke en wereldsche dingen, over de armen-loterij en de jaarlijksche vergadering van het zendeling-genootschap, over den laatst uitgekomen roman, over die mooie preek van den bisschop en over de voorname partijen te Londen, waarvan hij een verslag in de dagbladen gelezen had; kortom, hij verzuimde geen der kunstgrepen, waardoor een pas van de academie gekomen geestelijk heer, met aanleg zoowel voor luchtige als ernstige zaken en tevens met de zucht naar het voorname bezield, die een onberispelijk leven leidt en een gevoelig hart bezit, een aangenamen indruk kan trachten te maken op haar, aan wie hij zijne genegenheid schenkt.
Majoor Pendennis kwam zeer spoedig nadat zijne zuster en de kleine Laura de eetzaal hadden verlaten, geeuwende dat vertrek uit. „Wat is die man onuitstaanbaar vervelend, en wat sloeg hij door!” zeide de majoor.
„Hij is zeer vriendelijk voor Arthur geweest, die heel veel van hem houdt,” antwoordde mevrouw Pendennis. „Ik zou wel eens willen weten, wie die jufvrouw Thompson is, met wie hij gaat trouwen.”
„Ik dacht altijd, dat de kerel zijne oogen ergens anders had laten vallen,” hernam de majoor.
„Waar dan?” vroeg mevrouw Pendennis met de grootste argeloosheid. „Op Myra Portman?”
„Op Helena Pendennis, als gij het dan weten wilt,” antwoordde haar schoonbroeder.
„Op mij? Onmogelijk!” zeide Helena, die volmaakt goed wist, dat dit wel degelijk het geval was geweest. „Zijn huwelijk zal eene gelukkige gebeurtenis zijn. Ik hoop, dat Arthur niet te veel wijn zal drinken.”
Nu had Arthur, vrij trotsch op het voorrecht, dat hij de sleutels van den kelder onder zijne berusting had, en zich herinnerende, dat hij waarschijnlijk weinige diners meer met zijn dierbaren vriend Smirke zou hebben, eene goede hoeveelheid wijn voor den maaltijd laten uitzetten, en toen de oudere gasten met de kleine Laura vertrokken waren, begon hij met den hulpprediker de flesch tamelijk druk aan te spreken.
Eéne flesch gaf spoedig den geest; eene andere stortte meer dan de helft van haar bloed, voordat de twee drinkebroers nog een half uur bij elkander hadden gezeten. Pen had met een hollen lach en eene holle stem een beker geledigd op de valschheid der vrouwen, en er op sarcastische wijze bijgevoegd, dat de wijn in ieder geval eene minnares was, die nooit bedrog pleegde en een man altijd het welkom toebracht.
Smirke merkte zachtzinnig aan, dat hij, wat hèm betrof, wel vrouwen kende, die enkel oprechtheid en teederheid waren; en met zijne oogen naar de zoldering en een zucht alsof hij aan een dierbaar wezen dacht, dat niet genoemd mocht worden, nam hij zijn glas op en dronk het uit, waarop het rozeroode vocht zijn gelaat begon te kleuren.
Pen dreunde eenige verzen op, dien morgen door hem gemaakt, waarin hij aan zich zelven verkondigde, dat de vrouw, die zijne liefde versmaad had, niet waardig kon zijn hem te bezitten; dat hij uit den waanzinnigen liefdesdroom ontwaakt was en in dien staat van zaken de hardvochtige bedriegster natuurlijk ging verlaten; dat een geslachtsnaam, die eens beroemd was geweest in het land, daar nog wel eens weerklinken kon, hoewel hij nooit meer de gelukkige en onbezorgde knaap [140]zou zijn, die hij slechts weinige maanden geleden was, en dat zijn hart nooit meer zou wezen wat het geweest was eer de hartstocht het vervuld en de smart het bijna gebroken had; dat, ofschoon de dood hem persoonlijk even welkom was als het leven, en hij niet zou terugdeinzen om van dit laatste te scheiden, indien het niet ware om den wille van dat ééne teedere wezen, welks geluk van zijn geluk afhing, – hij toch hoopte te toonen, dat hij eene waardige spruit was van zijn geslacht, en dat de valsche vrouw eenmaal zou leeren verstaan hoe groot de schat en hoe edel het hart was, dat zij verworpen had.
Pen, zeg ik, die een zeer prikkelbaar gestel bezat, droeg deze verzen met zijne volle aangename stem voor, die van ontroering trilde terwijl hij sprak. Als hij in dezen staat van opgewondenheid verkeerde, bloosde hij altijd, en ook zijne groote, eerlijke, grijze oogen leverden de bewijzen van een zoo oprecht, welgemeend en manhaftig gevoel, dat jufvrouw Costigan, indien zij een hart bezeten had, onvermijdelijk door hem vermurwd had moeten worden; en zeer waarschijnlijk is het, dat zij, gelijk hij zeide, de genegenheid, die hij aan haar verspild had, ten eenemale onwaardig was.
De sentimenteele Smirke werd aangestoken door de ontroering, die zijn jeugdigen vriend bevangen had. Over de dessertborden en de wijnglazen greep hij Pen’s hand. Hij zeide, dat de verzen heerlijk waren, dat Pen een dichter, een groot dichter was en, indien de hemel het vergunde, eene grootsche loopbaan in de wereld te gemoet ging. „Het geluk vergezelle u, lieve Arthur,” riep hij uit; „de wonden, waaraan gij thans lijdt, zijn slechts tijdelijk en juist uwe smart zal uw hart reinigen en versterken. Ik heb u altijd de grootste en de schitterendste toekomst voorspeld, zoodra gij eenige gebreken en zwakheden zult hebben afgelegd, die u tot nog toe aankleven. Doch gij zult die overwinnen, beste jongen, gij zult ze overwinnen, en als gij bekend en beroemd zijt, gelijk eenmaal het geval zal wezen, gedenk dan uw ouden leermeester en de gelukkige dagen uwer vroege jeugd!”
Pen zwoer, dat hij dit doen zou, en bevestigde het met een nieuwen handdruk over de glazen en de abrikozen heen. „Ik zal nooit vergeten hoe vriendelijk gij voor mij zijt geweest, Smirke,” sprak hij. „Ik weet niet, hoe ik er zonder u zou gekomen zijn. Gij zijt mijn beste vriend.”
„Ben ik dat wezenlijk, Arthur?” vroeg Smirke, strak door zijn bril kijkende, terwijl zijn hart zoo hevig begon te kloppen, dat hij dacht, dat Pen het hooren moest.
„Mijn beste vriend, mijn vriend voor eeuwig,” antwoordde Pen. „God zegen je, ouwe jongen!” en bij die woorden dronk hij het laatste glas van de tweede flesch van dien vermaarden wijn, dien zijn vader had opgedaan, die zijn oom in veiling had gekocht, dien Lord Levant van buitenslands had laten komen, en die nu, als een slaaf, wien het onverschillig was, genoegen verschafte aan zijn tegenwoordigen eigenaar en zijn jongen meester opvroolijkte.
„Wij zullen nog eene flesch laten komen, ouwe jongen,” zeide Pen, „bij de onsterfelijke goden, nog ééne flesch! Hoera! – de wijn kost geen geld. Oom heeft mij verteld, dat hij Sheridan in de club vijf flesschen heeft zien drinken, behalve nog eene flesch maraskijn. Dit is een van de fijnste wijnen in Engeland, zegt hij. En dat is het ook! Niets kan er mee in vergelijking komen. Nunc vino pellite curas – cras ingens iterabimur aequor – schenk nog eens in, ouwe Smirke, een okshoofd [141]van dien wijn zou u geen kwaad doen!” En daarop begon mijnheer Pen het drinklied uit den Freischütz te zingen. De vensters der eetzaal stonden open en zijne moeder wandelde zachtkens het grasperk daar buiten op en neer, terwijl de kleine Laura naar het ondergaan der zon keek. De volle, frissche tonen van den knaap troffen het oor der weduwe. Het deed haar hart goed, dat zij hem hoorde zingen.
„Gij – gij drinkt te veel, Arthur,” zeide Smirke zacht – „gij windt u te veel op.”
„Neen,” zeide Pen, „van vrouwen krijgt men hoofdpijn, maar hiervan niet. Schenk in, ouwe jongen, en laten wij drinken – zeg eens, Smirke, beste jongen – laten wij op haar drinken – op uwe haar, meen ik, – niet op de mijne, waar ik zweer dat ik geen zier meer om geef – neen, geen duit – neen, geen pijp tabak – neen, dit glas wijn niet! Vertel eens alles van die dame, Smirke; ik heb u dikwijls om haar hooren zuchten.”
„O!!” zeide Smirke, en zijn mooi batisten overhemd met de glinsterende hemdsknoopjes zwoegde van de aandoening, die zijn teeder en overstelpt hart bewoog.
„O!! wat een zucht!” riep Pen uit, die buitenmate vroolijk werd; „schenk in, mijn jongen, en drink eens uit; gij moogt niet neen zeggen; geen gentleman weigert een toast! Dit gaat op hare gezondheid; ik wensch u veel geluk, en hoop, dat zij spoedig mevrouw Smirke zal wezen!”
„Meent gij dat inderdaad?” vroeg Smirke, bevend als een rietje. „Meent gij dat werkelijk, Arthur?”
„Of ik dat meen? Natuurlijk meen ik het. Uitgedronken! Op de gezondheid van mevrouw Smirke: hip, hip, hoera!”
Krampachtig zwolg Smirke zijn glas wijn in en Pen zwaaide het zijne boven zijn hoofd en juichte zoo luidruchtig, dat zijne moeder en Laura op het grasperk er zich over verwonderden en zijn oom, die in de huiskamer over zijn dagblad zat te dutten, opsprong en bij zich zelven zeide: „Die jongen drinkt te veel! Smirke moest er een einde aan maken.”
„Ik ben u dankbaar voor uwe vriendelijkheid,” zeide de hulpprediker blozende en met beklemde borst. „O, beste Arthur, gij – gij kent haar wel –”
„Hoe! – is het Myra Portman? Wees er gelukkig mee. Zij heeft wel een verduiveld breed middel; maar ik wensch u toch geluk, ouwe jongen!”
„O, Arthur!” kermde de hulpprediker weder, en knikte sprakeloos met zijn hoofd.
„Ik vraag u wel verschooning. Het zou mij spijten als ik u beleedigd had; maar het is toch waar, dat zij een breed middel, een verduiveld breed middel heeft,” hernam Pen, bij wien de derde flesch zichtbaar begon te werken.
„Het is juffer Portman niet,” zeide de ander met eene wanhopige stem.
„Is het iemand te Chatteries of te Clapham? Iemand hier? Kom – het is toch de oude Pybus niet, of de jonge jufvrouw Rolt uit de fabriek? – die is pas veertien jaar.”
„Het is iemand, die wel wat ouder is dan ik, Pen,” bekende Smirke, terwijl hij de oogen naar zijn vriend ophief en ze daarna weer met schuldbesef op zijn bord sloeg.
Pen barstte nu in lachen uit. „Het is madame Fribsby! bij den hemel, het is madame Fribsby! Madame Frib, bij de onsterfelijke goden!” [142]
Nu kon de hulpprediker zich niet langer bedwingen. „O, Pen!” riep hij uit; „hoe kunt gij gelooven, dat iemand van die – van die meer dan alledaagsche wezens, die gij hebt opgenoemd, indruk zou hebben kunden maken op mijn hart, terwijl ik dagelijks in de gelegenheid was, de volmaaktheid te aanschouwen! Misschien ben ik krankzinnig, misschien wil ik mij te vermetel verheffen, misschien ben ik aanmatigend – maar twee jaar lang is mijn hart slechts met één beeld vervuld en kent het geen anderen afgod. Heb ik u niet als een zoon liefgehad, Arthur? – spreek op: heeft Charles Smirke u niet als een zoon bemind?”
„Ja, ouwe jongen, je bent heel goed voor me geweest,” antwoordde Pen, wiens genegenheid voor zijn onderwijzer echter in geenen deele op die van een zoon voor zijn vader geleek.
„Mijne middelen, ik moet het bekennen, zijn voor het oogenblik beperkt,” draafde Smirke door, „en mijne moeder is niet zoo mild als ik zou kunnen wenschen; maar wat zij bezit, zal bij haar dood aan mij komen. Hoorde zij, dat ik eene dame van stand en fortuin trouwde, dan zou zij wèl mild zijn, daarvan ben ik zeker. Wat ik bezit of later erven mocht – en dat is minstens vijfhonderd pond ’s jaars – zou ik voor haar vastzetten – en – en bij mijn dood zoudt gij – dat wil zeggen –”
„Wat drommel bedoelt gij toch? en wat heb ik met uw geld te maken?” vroeg Pen, die er niets van begreep.
„Arthur! Arthur!” riep de ander opgewonden uit: „gij zegt, dat ik uw beste vriend ben. Laat ik méér voor u zijn. O, begrijpt gij dan nog niet, dat het engelachtige wezen, hetwelk ik bemin – de reinste, de beste der vrouwen – niemand anders is dan uw lieve, lieve engel van een – moeder!”
„Mijne moeder!” riep Arthur uit, terwijl hij opsprong en in een oogenblik nuchter was. „Wel verduiveld, Smirke, gij moet gek wezen! zij is zeven of acht jaar ouder dan gij!”
„Hebt gij u daardoor laten weerhouden?” vroeg Smirke op klagenden toon en met blijkbare toespeling op het bejaarde voorwerp van Pen’s hartstocht.
De knaap voelde den steek en bloosde tot achter de ooren. „Die gevallen staan niet gelijk, Smirke,” gaf hij ten antwoord, „en gij hadt die woorden wel vóór u kunnen houden. Een man kan zijn rang wel eens vergeten en eene vrouw daartoe opheffen; maar vergun mij op te merken, dat onze omstandigheden zeer verschillend zijn.”
„Wat bedoelt gij, beste Arthur?” vroeg de hulpprediker weemoedig, wegkrimpende bij de gedachte, dat zijn doodvonnis hem aangekondigd zou worden.
„Wat ik bedoel? Ik bedoel wat mijne woorden uitdrukken. Mijn meester, ik zeg mijn meester, heeft geen recht, eene vrouw van mijn moeders stand ten huwelijk te vragen. Het is misbruik van vertrouwen! Dat zeg ik, Smirke, en dat het ongepast, heel ongepast is – eene laagheid!”
„O, Arthur!” begon de hulpprediker met gevouwen handen en een verslagen gezicht; maar Arthur stampte op den grond en trok aan de bel. „Laten wij er niet meer over spreken. Wij zuilen een kop koffie gebruiken, als gij het goedvindt,” zeide hij majestueus en verzocht daarop den ouden knecht, die op het schellen binnenkwam, dien drank te brengen. [143]
Jan zeide, dat hij juist de koffie in de huiskamer had gebracht en dat majoor Pendennis den jongen heer Arthur verzocht daar te willen komen, waarbij de oude man een verbaasden blik op de drie leege wijnflesschen wierp. Smirke zeide, dat hij – dat hij liever niet meer binnen zou komen, waarop Arthur hooghartig antwoordde: „Zooals het u behaagt,” en last gaf mijnheer Smirke’s paard voor te brengen. De arme jongen zeide, dat hij den weg in den stal wel wist en zelf zijn hit zou halen, waarop hij in het voorhuis in de treurigste stemming zijne jas aantrok en zijn hoed opzette.
Pen volgde hem blootshoofds naar buiten. Helena wandelde nog altijd het fluweelzachte grasperk op en neer, terwijl de zon onderging. De hulpprediker nam den hoed af, boog bij wijze van afscheid, en richtte zich naar de staldeur, door welke beiden verdwenen. Smirke kende, gelijk hij gezegd had, den weg naar den stal zeer goed. Hij frommelde aan de zadelriemen, die Pen voor hem vastmaakte, legde den teugel aan en voerde den hit op het plein. De knaap was geroerd door de droefheid, die hij op het gelaat van den ander onder het opstijgen waarnam. Pen reikte hem de hand, die Smirke sprakeloos in de zijne drukte.
„Zeg eens, Smirke,” voegde Pen hem met eene ontroerde stem toe, „vergeef mij, als ik u iets hards gezegd heb, – want gij zijt altijd heel, heel vriendelijk voor mij geweest. Maar dit kan niet zijn, ouwe jongen, het kan niet zijn. Wees man! God zegen je!”
Smirke knikte zwijgend en reed het hek van het park uit. Pen zag hem nog een paar minuten na, tot hij op den weg verdween en het hoefgekletter wegstierf. Helena talmde nog altijd op het grasperk tot haar jongen terugkwam. Toen streek zij het haar van zijn voorhoofd weg en kuste hem hartelijk. Zij vreesde, sprak zij, dat hij te veel wijn gebruikt had. Waarom was mijnheer Smirke heengegaan zonder thee te blijven drinken?
Pen keek haar met eene goedhartige vroolijkheid aan en zeide lachend, dat Smirke niet heel wel was. In langen tijd had Helena haar zoon niet zoo opgeruimd gezien. Hij nam haar in den arm en wandelde met haar voor het huis op en neer. Laura begon op de ruiten der huiskamer te trommelen en te lachen en te knikken. „Komt binnen, gij met u beiden!” riep majoor Pendennis: „de koffie wordt ijskoud!”
Toen Laura naar bed was, kwam Pen, die van zijn geheim bijna stikte, er mee voor den dag en beschreef het pijnlijke, maar potsierlijke tooneel, dat plaats had gevonden. Helena hoorde het gebeurde aan, onder menig blosje, hetwelk op haar bleek gelaat zeer goed stond, en met eene verlegenheid, waarin Arthur een ondeugend pleizier had.
„Het is verduiveld onbeschaamd!” zeide majoor Pendennis, terwijl hij zijne kaars opnam. „Hoever zal de vermetelheid van die menschen nog gaan?” Pen en zijne moeder voerden dien avond nog een lang gesprek, vol van liefde, vertrouwen en vroolijkheid, en de knaap sliep geruster en werd opgeruimder wakker dan in vele maanden het geval was geweest.
Alvorens de groote Dolphin Chatteries verliet, sloot hij niet alleen een voordeelig engagement met jufvrouw Fotheringay, maar stelde hij haar ook op onbekrompen wijze eene som gelds ter hand, om de schulden af te doen, die de kleine familie gedurende haar verblijf kon gemaakt [144]hebben en die, vooral ten gevolge van de zuinigheid en het beleid der dame, niet belangrijk waren. De kleine rekening bij den drankverkooper, welke majoor Pendennis vereffend had, was Costigan’s voornaamste schuld, en ofschoon de kapitein eens verzekerde, dat hij dat geld tot den laatsten stuiver zou terugbetalen, schijnt hij aan die bedreiging geen gevolg gegeven te hebben, en de wetten der eer schreven hem ook in het minst niet voor, dat hij zich op die wijze wreken moest.
Toen jufvrouw Costigan gezorgd had, dat de uitstaande rekeningen tot den laatsten stuiver voldaan waren, stelde zij het overschot aan haar vader ter hand, die zijne vrienden nu mild onthaalde, en aan de kleine Creeds meer appelen en koek gaf dan hij hun ooit te voren geschonken had, zoodat jufvrouw Creed de gedachtenis van haar huisgenoot altijd later in eerbiedige herinnering hield en de kleinen bitter schreiden toen hij heenging. In één woord, hij sprong zoo aardig met het geld om, dat het binnen weinige dagen geheel verteerd was en hij, toen de dag van vertrek ophanden was, op den heer Dolphin moest trekken voor eene som tot bestrijding van de reiskosten.
In eene herberg van dat landstadje hield een genootschap van heeren, die zich „de Boekaniers” noemden, wekelijks eene vergadering van een zeer levendigen, ja, van zeer luidruchtigen aard. Eenige der schranderste bollen van Chatteries behoorden tot die vroolijke club. Groves, de apotheker (geen beter kerel stak ooit eene pijp in den mond), Smart, de verdienstelijke en grappige portretschilder uit de High Street, Croker, de slimme directeur van het verkoophuis, en de onversaagde Hicks, sedert drie en twintig jaar de talentvolle redacteur van den County Chronicle and Chatteries Champion, behoorden tot de equipage der Boekaniers, waar de regisseur Bingley zich Zaterdagsavonds ook gaarne bijvoegde, als hij verlof van zijne vrouw kreeg.
Costigan was nu en dan ook wel eens een Boekanier geweest. Maar wegens onnauwkeurigheid in zijne betalingen was hij in den laatsten tijd nagenoeg van het gezelschap uitgesloten, waar hij onaangename aanmerkingen van den kastelein te verduren had, volgens wiens beweren een Boekanier, die zijne verteringen niet betaalde, onwaardig was een zeebandiet te wezen. Doch toen de Niers – gelijk de leden der club zich bij verkorting noemden – vernamen, dat jufvrouw Fotheringay een uitstekend engagement had gekregen, kwam er een groote omkeer in de gevoelens ten aanzien van kapitein Costigan. Solly, de kastelein van de Druiventros (ik behoef niet te zeggen, dat er nooit achtenswaardiger kastelein achter het buffet stond), verhaalde op zekeren avond aan de heeren in de vergaderzaal der Boekaniers, hoe loffelijk de kapitein zich gedragen had, die al zijne schulden te Chatteries had afgedaan, met inbegrip van de drie pond veertien shillings, die hier nog van hem stonden. Solly verklaarde, dat Cos een goede kerel en door en door een gentleman was, gelijk hij ook altijd gezegd had, en ten slotte wist hij zoo krachtig op de gemoederen der Boekaniers te werken, dat zij besloten den kapitein een diner aan te bieden.
Dit feestmaal had op den laatsten avond van Costigan’s verblijf te Chatteries plaats en was op de gewone uitnemende wijze door Solly bezorgd. Zijne vrouw had een eenvoudig, maar zoo degelijk oud-Engelsch diner gereedgemaakt, als ooit op eene tafel dampte. Omtrent achttien heeren zaten aan den feestdisch neder. Mijnheer Jubber (de groote lakenkooper uit de High Street) was president en had den geachten gast [145]der club aan zijne rechterhand. De bekwame en gelijkmoedige Hicks was bij deze gelegenheid vice-president. De meeste leden waren tegenwoordig, en ook de heeren Foker en Spavin namen, als vrienden van kapitein Costigan, deel aan de partij.
Toen het dessert was opgebracht, zeide de president: „Costigan, er is wijn, als gij dien hebben wilt;” doch daar de kapitein de voorkeur aan punch gaf, werd er bij acclamatie tot dien drank besloten, en nadat Non nobis heerlijk gezongen was door de heeren Bingley, Hicks en Bullby (van het koor der hoofdkerk, een pretmaker van de eerste soort), stelde de president een toast in op den koning, die met geestdrift door de heeren van Chatteries gedronken werd, waarna hij, zonder verdere voorafspraak, het welzijn instelde van „hun vriend, kapitein Costigan.”
Toen het daverend gejuich, dat door het oude Chatteries weergalmde, opgehouden had, stond kapitein Costigan op, om te antwoorden en hield eene rede van twintig minuten, waarbij hij meer dan eens door zijne aandoening overweldigd werd.
De dappere kapitein zeide, dat men hem vergeven moest indien zijne woorden den behoorlijken samenhang misten, daar zijn hart te vol was om te spreken. Hij zou eene stad gaan verlaten, beroemd om hare oudheid, om hare gastvrijheid, om de schoonheid harer vrouwen, om de standvastige trouw, de edelmoedigheid, de gulheid harer mannen (toejuichingen). Hij verwisselde die antieke en eerwaardige stede, waar aan hij, zoolang zijn geheugen hem bleef, niet zonder aandoening en liefde zou denken, met eene hoofdstad, waar de talenten zijner dochter ten volle zouden kunnen schitteren en waar hij als een beschermengel over haar waken zou. Hij zou nooit vergeten, dat het Chatteries was, waar zij de bekwaamheid verkregen had, waarmede zij nu in een anderen kring ging prijken, en in haar naam en zijn eigen naam zeide Jack Costigan hun hartelijk dank en wenschte hij hun Gods besten zegen toe. Deze rede van den dapperen officier werd met donderende toejuichingen ontvangen.
Mijnheer Hicks, de vice-president, stelde daarop in sierlijke en krachtige bewoordingen jufvrouw Fotheringay’s gezondheid voor.
Daarvoor betuigde kapitein Costigan weer zijn dank in een diep gevoeld en welsprekend antwoord.
Mijnheer Jubber bracht een toast uit op het drama en het tooneel van Chatteries. Mijnheer Bingley wilde dien beantwoorden, doch werd daarin verhinderd door kapitein Costigan, die, uit hoofde van zijne langdurige betrekking tot het tooneel van Chatteries en ten behoeve zijner dochter, het gezelschap bedankte. Hij deelde hun daarbij mee, dat hij te Gibraltar en te Malta in garnizoen gelegen en de inneming van Vlissingen bijgewoond had. De hertog van York was een voorstander van het drama, hij had dikwijls de eer gehad met zijne koninklijke hoogheid en den hertog van Kent te dineeren, en de eerste werd met recht de vriend van den soldaat genoemd (toejuichingen).
Hier volgde een toast op het leger, en andermaal bedankte kapitein Costigan daarvoor. In den loop van den avond zong hij zijne welbekende liederen: de Deserteur, Jan van Vooght, het Biggetje onder het bed en het Dal van Avoca. Deze avond was een groote triomf voor hem, – maar eindigde toch. Alle triomfen en alle avonden nemen een einde. Den volgenden dag zaten hij en zijne dochter (die van al hare vriendinnen [146]afscheid genomen en zich met jufvrouw Rouncy verzoend had, aan wie zij een halsketting en eene wit satijnen japon tot eene gedachtenis geschonken had) in de diligence Competitor en reden de poort van Fairoaks Lodge voorbij, zonder dat Pendennis er iets van wist.
Tom Smith de koetsier maakte mijnheer Costigan, die in een dampkring van brandewijngrog op den bok zat, opmerkzaam op Fairoaks. Maar de kapitein zeide, dat het een heel min buitentje was, en voegde er bij: „Ge moest het kasteel Costigan in het graafschap Mayo eens zien, mijn jongen!” – waarop Tom antwoordde, dat hij het inderdaad heel graag eens zou willen zien.
Zij waren weg, en Pen had niets van hen gezien! Hij vernam hun vertrek eerst den volgenden dag uit de courant, en galoppeerde toen dadelijk naar Chatteries, om te vernemen of het wel waar was. Zij waren inderdaad vertrokken. Vóór het lieve, welbekende venstertje hing een blad papier met de aankondiging: „Kamers te huur.” Hij snelde naar boven, om de kamer nog eens te zien. Lang bleef hij in de oude vensterbank, van waar hij en Emily zoo dikwijls te zamen naar buiten hadden gezien, in den tuin van den deken staren. Met eene soort van huivering trad hij haar thans ledige slaapkamertje binnen. Het was uitgeschrobd en voor nieuwe bewoners ingericht. De spiegel, die haar schoon gelaat had teruggekaatst, hing te blinken voor hare opvolgster. De gordijnen lagen vierkant opgevouwen op het bedje. Hij wierp zich neer en verborg zijn aangezicht in het verlaten kussen.
Laura had een beursje geknoopt, waarin zijne moeder eenige goudstukken had gestoken, hetwelk Pen dien zelfden morgen op zijne toilettafel had gevonden. Hij gaf één dier munten aan het kleine meisje, dat de Costigan’s bediend had, en één aan de kinderen, omdat zij zeiden, dat zij zooveel van haar hielden. Het was slechts weinige maanden geleden, en wat schenen er toch vele jaren verloopen sedert hij den eersten voet in die kamer gezet had! Hij besefte, dat alles voorbij was. Zelfs dat hij de diligence niet gezien had, scheen een noodlottig teeken. De arme knaap gevoelde zich verlaten, afgemat, diep rampzalig en eenzaam.
Zijne moeder zag aan zijn blik toen hij weer thuis kwam, dat zij weg was. Hij was nu ook verlangend om weg te vliegen, evenals andere personen binnen en buiten Chatteries. De arme Smirke wilde zich uit de nabijheid der weduwe, die eene sirene voor hem geweest was, verwijderen. Foker had genoeg van Baymouth en meende, dat nu eenige academische soupertjes geene onaangename afwisseling zouden opleveren. Majoor Pendennis snakte er naar om ook weg te komen en wat fazanten te Stillbrook te gaan schieten en zich aan al de ergernissen en praatjes van het dorp te onttrekken. De weduwe en Laura begonnen in zenuwachtige spanning Pen’s bagage gereed te maken en koffers met zijne boeken en zijn linnen te vullen. Helena schreef kaartjes met den naam „Arthur Pendennis”, die behoorlijk op de kisten gespijkerd werden, en waarnaar zij en Laura met droevige en betraande oogen keken. Eerst lang, zeer lang na dat hij vertrokken was, herinnerde zich Pen welk eene standvastige en teedere genegenheid die vrouwen hem betoond hadden en hoe zelfzuchtig hij zich gedragen had.
Spoedig breekt de avond aan, dat eene diligence met hoorngeschal en brandende lantarens aan het hek van Fairoaks stilhoudt, en terwijl de [147]koffers van Pen en van zijn oom boven op het rijtuig worden geplaatst, klimmen beiden een oogenblik later er in. Helena en Laura staan bij de groene boschjes in het schijnsel der lantarens van de diligence; de conducteur roept, dat alles klaar is; het rijtuig rolt weer voort, de lantarens verdwijnen en Helena’s hart en gebeden gaan mee. Haar heilige zegen volgt den vertrekkenden knaap. Hij heeft het ouderlijk nest verlaten, waar het hem te nauw was geworden, doch waarheen hij, na de allereerste vlucht, bebloed en gewond teruggekeerd was. Hij smacht om weer uit te vliegen en zijne onrustige vleugels te beproeven.
Wat ziet het huis er zonder hem eenzaam uit! De koffers met touwen er om en de boekenkisten staan op zijne ledige studeerkamer. Laura vraagt verlof, om in Helena’s kamer te komen slapen; en nadat zij zich daar in slaap heeft geweend, begeeft hare moeder zich zachtkens naar Pen’s ontruimd vertrek, werpt zich op de knieën voor het bed, waarop het maanlicht nu schijnt, en bidt voor haar zoon, zóó als alleen moeders weten te bidden. Terwijl hij mijlen ver wordt heengevoerd, weet hij, dat haar reine zegen hem volgt op zijn weg.