In het begin van het regentschap van George den Prachtlievende woonde in een stadje in het westen van Engeland, Clavering geheeten, zeker heer met name Pendennis. Er leefden er nog, die zich herinnerden [6]zijn naam geschilderd te hebben gezien op een bord onder een vergulden vijzel en stamper, boven de deur van een zeer gering winkeltje in Bath, waar de heer Pendennis het beroep van apotheker en chirurgijn uitoefende, en waar hij niet alleen heeren op hunne ziekenkamers en dames in de belangwekkendste tijdperken van haar leven bezocht, maar zich ook wilde verwaardigen om eene hechtpleister aan eene boerin aan de toonbank te verkoopen, of tandenborstels, haarpoeier en Londensche parfumerieën aan den man te brengen. Deze feiten waren sommige lieden te Clavering bereid te bezweren, want de herinnering hield daar misschien langer stand dan in eene groote en drukke hoofdstad.
En evenwel was dat apothekertje, dat aan den komenden man een stuiver vlugzout of een welriekend stuk Windsor-zeep verkocht, een gentleman van goede opvoeding en van eene familie zoo oud als de beste in het graafschap Somerset. Hij bezat een Cornwallschen stamboom, die de Pendennis’en tot den tijd der Druïden deed opklimmen, en de hemel weet hoeveel hooger. Zij hadden zich eerst in later tijd met de Normandische geslachten verzwagerd en waren aan al de groote familiën van Wallis en Bretagne vermaagschapt. Pendennis had ook voor een gedeelte eene academische opleiding genoten, en zou dien weg wellicht verder met grooten roem bewandeld hebben, zoo het noodlot niet in het tweede jaar van zijn verblijf te Cambridge gewild had, dat zijn vader stierf, waardoor de arme Pen genoodzaakt werd tot den stamper en den vijzel over te gaan. Hij had altijd een afkeer van zaken gehad, en het was alleen nooddwang en het aanbod van zijn moeders broeder, een Londensch apotheker van geringe familie, tot welke Pendennis’ vader zich door zijn huwelijk verlaagd had, die John Pendennis tot zulk een afschuwelijk beroep dreven.
Hij scheidde zich spoedig na zijne leerjaren van zijn onbeschaafden oom en vestigde zich te Bath met een bescheiden medisch uithangbord. Een tijdlang had hij een harden strijd tegen de armoede te voeren, en het uiterste wat hij doen kon, was den winkel en diens vergulde sieraden behoorlijk te onderhouden en het zijner bedlegerige moeder gemakkelijk te maken. Doch het gebeurde eens, dat Lady Ribstone, op weg naar de concertzaal, door een dronken Ier, die haar draagstoel torschte, tegen Pen’s eigen deurstijl geslagen werd, waarbij de draagstok zelfs door de fraaiste lichtroode flesch heenging, die het venster van den chirurgijn versierde. De dame sprong gillende uit het voertuig en werd in den winkel van mijnheer Pendennis met een stoel geriefd, terwijl men haar met kaneelwater en vlugzout weder tot haar zelve bracht.
Mijnheer Pendennis’ manieren waren zoo ongemeen fatsoenlijk en werkten zoo bedarend, dat Milady, de echtgenoote van Sir Pepin Ribstone, baronet, van Codlingbury in het graafschap Somerset, haar redder, gelijk zij hem noemde, tot apotheker van haar en hare familie, die zeer talrijk was, aanstelde. Toen de jonge heer Ribstone van de school te Eton gekomen was om de kerstvacantie thuis door te brengen, overlaadde hij zich de maag en kreeg eene koorts, waarbij Pendennis hem met groote bekwaamheid en teedere zorg behandelde. Met één woord, hij kwam in de gunst bij de familie van Codlingbury, en van dien dag af begon het hem voor den wind te gaan. De aanzienlijke lui van Bath hielden hem de hand boven het hoofd, en het waren inzonderheid de dames, die hem op de handen droegen en bewonderden. Eerst veranderde hij zijn onaanzienlijk winkeltje in een fraaien winkel; daarop schafte hij [7]zijn debiet van tandenborstels en parfumerieën af, als onvoegzaam voor een heer van deftige afkomst; vervolgens sloot hij zijn winkel geheel en al en behield alleen eene kleine apotheek, waarin een fatsoenlijk jonkman hem behulpzaam was; toen hield hij een wagentje met een knecht om hem te rijden; en vóór haar scheiden uit de wereld had zijne arme oude moeder nog het genoegen, uit het venster harer slaapkamer, waar haar stoel heengerold werd, haar beminden John in een gesloten eigen rijtuig te zien stappen, wel is waar een rijtuig voor slechts één paard, maar met het wapen der familie Pendennis fraai geschilderd op de portieren. „Wat zou Arthur nu wel zeggen,” vroeg zij, doelende op een jonger zoon van haar, „die mijn besten Johnny niet ééns is komen opzoeken in al den tijd zijner armoede en beproevingen?”
„Kapitein Pendennis is met zijn regiment in Indië, moeder,” merkte mijnheer Pendennis aan, „en, met uw welnemen, zou ik wenschen, dat gij mij niet Johnny noemdet in tegenwoordigheid van dien jongen man – van Parkins.”
Eerlang kwam de dag, dat zij ophield haar zoon met Johnny of eenig ander zoet naampje aan te spreken, en het was nu in zijn huis zeer eenzaam zonder die vriendelijke, hoewel klagende stem. Hij liet zijne nachtbel verplaatsen en overbrengen in de kamer waar de goede oude vrouw zoo menig lang jaar had zitten morren, en hij ging in het hooge en ruime bed daar slapen. Hij was over de veertig, toen deze gebeurtenissen voorvielen; voordat de oorlog afgeloopen was; voordat George de Prachtlievende den troon besteeg; ja vóór den tijd van deze geschiedenis: maar wat is een gentleman zonder stamboom? Pendennis had den zijne tegen dezen tijd in eene fraaie lijst en achter glas doen ophangen in zijne receptiekamer, tusschen de afbeeldingen van den huize Codlingbury in Somersetshire en het St.-Bonifacius-College te Cambridge, waar hij de korte en blijde dagen van zijn jongelingsleven had doorgebracht. Dien stamboom had hij uit een koffer gehaald, – gelijk Sterne’s officier om zijn degen riep, – nu hij een gentleman was en hem toonen mocht.
Omstreeks den tijd van het afsterven van mevrouw Pendennis overleed ook eene andere van haar zoons patiënten te Bath, en wel die deugdzame oude Lady Pontypool, dochter van Reginald, twaalfden graaf van Bareacres, en bijgevolg achter-oudtante van den tegenwoordigen graaf, en weduwe van John tweeden Lord Pontypool, alsmede van den weleerwaarden John Wales, van de Armageddon-kapel te Clifton. Gedurende de vijf laatste jaren haars levens werd Milady opgepast door mejufvrouw Helens Thistlewood, eene zeer verre bloedverwante van het bovengenoemde edele huis van Bareacres, en dochter van den luitenant ter zee R. Thistlewood, die in den slag van Kopenhagen sneuvelde. Onder het dak van Lady Pontypool vond jufvrouw Thistlewood eene behaaglijke schuilplaats, voor zooveel kost en inwoning betrof, maar zij zuchtte onder zulk eene helsche tirannie, als alleen vrouwen elkander kunnen aandoen, of van elkander verdragen. De dokter, die ten minste tweemaal daags Lady Pontypool bezocht, moest noodwendig de engelachtige zachtheid en vriendelijkheid opmerken, waarmede het meisje de smadelijke bejegeningen van hare oude bloedverwante verduurde; en het was toen zij in de achterste rouwkoets stapten, om het geëerbiedigde overschot van de oude dame naar de abdij van Bath, waar het thans rust, te vergezellen, dat hij de jonge dame in het zachte bleeke gelaat zag en besloot haar zekere vraag te doen, welker strekking zijn pols ten minste negentig slagen in de minuut deed aangeven. [8]
Hij was meer dan twintig jaar ouder dan zij, en in geen tijdperk zijns levens had hij tot de zeer hartstochtelijke menschen behoord. Misschien had hij in vroeger tijd een minnehandel moeten smoren – misschien ware het maar goed, dat alle eerste liefdesgeschiedenissen gesmoord of verdronken wierden als jonge katjes; – maar hoe dit zij, op zijn drie en veertigste jaar was hij een bedachtzaam, bedaard heertje met zwarte kousen en een kaal hoofd, en weinige dagen na de begrafenis bracht hij haar een bezoek, en toen hij haar den pols voelde, hield hij hare hand in de zijne vast en vroeg haar waarheen zij nu gaan zou, nu de familie Pontypool op de nalatenschap was neergestreken, die in kisten gespijkerd, en in manden gepakt, en met hooi omzwachteld, en in stroo bedolven, en met drie sloten in met groen baai bekleede zilverkisten weggeborgen, en onder de oogen van de arme jufvrouw Helena weggereden werd, – hij vroeg haar waar zij nu voorgoed zou gaan wonen?
Hare oogen schoten vol tranen en zij antwoordde, dat zij het niet wist. Zij bezat een weinigje geld. De oude dame had haar – zoo waar! – duizend pond sterling vermaakt en zij zou dus in een kosthuis gaan, of op eene school; eigenlijk wist zij nog niet waarheen.
Toen vroeg haar Pendennis, terwijl hij in het bleeke gezichtje staarde en haar koude handje bleef vasthouden, of zij bij hem wilde komen wonen? Hij was oud in vergelijking van – van zulk eene bloeiende jonge dame als mejufvrouw Thistlewood (Pendennis behoorde nog tot de oude wellevende school van gentlemen en apothekers), maar hij was van goede afkomst, en, naar hij zich vleide, ook van goed karakter en humeur. Zijne vooruitzichten waren goed en werden met den dag beter. Hij stond alleen in de wereld en had behoefte aan eene welwillende en trouwe gezellin, wier geluk het doel van zijn leven zou zijn; kortom, hij zeide eene kleine redevoering bij haar op, die hij denzelfden morgen in zijn bed bedacht en in zijn rijtuig gerepeteerd en gepolijst had, toen hij bij de jonge dame zijne opwachting ging maken.
Het is wel mogelijk, zoo hij eene jeugdige amourette had gehad, dat ook zij eens van een ander lot gedroomd had dan te trouwen met een heertje, dat op de tanden beet en een gemaakt lachje vertoonde, dat allerbeleefdst was jegens den knecht, als hij de trap opsloop naar de gezelschapszaal, en overmatig vriendelijk jegens de kamenier, die de wacht had aan de deur der slaapkamer; om wien hare meesteres gewoon was te bellen als om een knecht en die daaraan met nog grooter vaardigheid beantwoordde; en die drankjes zond en anekdoten bedacht om zijne patiënten te vermaken en zijne eigene belangen te bevorderen. Misschien zou zij aan een ander man de voorkeur gegeven hebben – maar zij wist aan den anderen kant hoe braaf, hoe verstandig, hoe achtenswaardig Pendennis was; hoe goed hij voor zijne moeder was geweest en hoe onvermoeid hij voor haar had gezorgd; en het slot der bijeenkomst was, dat zij, met een hoogen blos, voor Pendennis eene zeer diepe nijging maakte en verlof verzocht – om zijn allervriendelijkst voorstel in bedenking te mogen nemen.
Zij trouwden in het doodsche seizoen te Bath, dat het levendigste seizoen te Londen was. En nadat Pendennis, door bemiddeling van een gepromoveerd vriend in zijn eigen vak, eene woning besproken had in Holles Street, Cavendish Square, bracht hij zijne vrouw in een rijtuig met twee paarden daarheen, liet haar de voorname lui zien, die op de receptie ten hove gingen, en verschafte haar in één woord al de vermaken, [9]die de hoofdstad aanbood. Hij gaf ook kaartjes af bij Lord Pontypool, bij den graaf van Bareacres en Sir Pepin en Lady Ribstone, zijne eerste en meest welwillende begunstigers. Bareacres nam geen notitie van de kaartjes. Pontypool kwam eene visite maken, bewonderde mevrouw Pendennis en zeide, dat Lady Pontypool haar zou komen opzoeken, hetgeen zij deed door middel van haar lakei John, die haar kaartje bracht benevens eene uitnoodiging tot een concert, dat over vijf weken ten harent zou plaats hebben. Op dat tijdstip zat Pendennis weder in zijn éénspans rijtuigje en diende drankjes en pillen toe; maar de Ribstone’s hadden hem en zijne vrouw op eene partij genoodigd, en Pendennis snoefde daarop tot zijn laatsten ademtocht.
Het was altijd Pendennis’ heimelijke zucht geweest, een gentleman te zijn. Een dokter in de provincie, wiens inkomsten niet buitengemeen groot zijn, heeft veel tijd en spaarzaamheid noodig om zooveel geld over te leggen, dat hij een huis en wat land kan koopen; doch behalve dat onze vriend ingetogen leefde en een goed overleg had, hielp de Fortuin hem een handje en plaatste hem op het punt, dat hij zoo vurig wenschte te bereiken. Hij belegde wat geld zeer voordeelig in den aankoop van een huis en een landgoedje dicht bij het vroeger genoemde dorp Clavering. Geene woorden zijn in staat om zijn hooggespannen gevoel van eigenwaarde te beschrijven – en hij zou het ook niet gaarne aan iemand bekend hebben, – toen hij het beleefde, dat hij inderdaad grondeigenaar was en over landerijen gaan kon, waarvan hij heer en meester was. Een gelukkige koop van aandeelen in eene kopermijn deed zijne gegoedheid aanmerkelijk toenemen, en, slim genoeg, deed hij ze weder van de hand, toen die mijn nog in blakende gunst stond bij het publiek. Ten slotte deed hij zijne zaak te Bath aan mijnheer Parkins over, voor eene aardige som in baar geld en een jaargeld, dat hem moest uitgekeerd worden gedurende een zeker getal jaren nadat hij voor altijd het gebruik van vijzel en stamper had opgegeven.
Zijn zoon, Arthur Pendennis, was acht jaar oud toen dit gebeurde, zoodat het geen wonder is, dat deze, die Bath en de chirurgijnsaffaire zoo jong verliet, bijna geheel vergat, dat er zulk eene plaats bestaan had, en dat zijn vaders handen ooit bezoedeld werden door het rollen van afschuwelijke pillen, of het uitstrijken van smerige pleisters. De oude man zelf sprak nooit over den winkel, nooit maakte hij eenige zinspeling daarop; hij ontbood den geneesheer uit Clavering, wanneer zijn gezin hulp van dien aard noodig had, legde de zwarte kniebroek en de zwarte kousen geheel ter zijde, woonde de markten en de terechtzittingen van het gerechtshof bij, en droeg eene donkergroene jas met koperen knoopen en donkerbruine slobkousen, alsof hij zijn leven lang een Engelsch landjonker ware geweest. Hij was gewoon aan de deur van zijn portiershuisje de diligences te zien aankomen, en deftig te buigen voor de conducteurs en koetsiers, die onder het voorbijrijden den hoed afnamen. Hij was het, die het Leesmuseum van Clavering en de Samaritaansche soep- en dekenmaatschappij oprichtte. Hij was het, die teweegbracht, dat de post, die vroeger over Cacklefield liep, dat dorp liet liggen en door Clavering kwam. Ter kerke was hij een even ijverig kerkeraadslid als trouw kerkbezoeker. Elken Donderdag ging hij op de markt langs de veehokken naar de groentestallen, bekeek de monsters haver, kauwde graankorrels, betastte de beesten, drukte zijn duim in de borst der ganzen, woog die vogels met het voorkomen [10]van een kenner, en deed zaken met de boeren in het Wapen van Clavering, zoo goed als de oudste bezoeker van dat gastvrij huis. Evenzeer als het hem vroeger een genoegen was geweest, was het hem nu eene ergernis als hij dokter werd genoemd, zoodat degenen, die bij hem in een goed blaadje wilden staan, hem altijd den titel van „jonker” gaven.
De hemel weet waar zij vandaan kwamen, maar eene gansche reeks van portretten der Pendennis’en hing tegenwoordig in de met eikenhout beschoten eetzaal van den dokter; hij bezwoer, dat al die conterfeitsels van de hand van Lely en Van Dyck waren; maar wanneer hij over de geschiedenis van de origineelen ondervraagd werd, antwoordde hij zeer in het algemeen, dat het „voorvaderen van hem” waren. Men kon aan zijne vrouw wel zien, dat zij aan die genealogische legenden niet geloofde, want doorgaans trachtte zij, zoodra hij daarover begon, het gesprek op een ander onderwerp te brengen. Maar zijn zoontje geloofde er onvoorwaardelijk aan, en Roger Pendennis van Agincourt, Arthur Pendennis van Crecy, generaal Pendennis van Blenheim en Oudenaarde waren even wezenlijke en echte menschen voor dezen jongen heer als – wat zullen wij noemen? – als Robinson Crusoe, of Peter Wilkins, of de zeven kampvechters der Christenheid, wier geschiedenissen zich onder zijne boeken bevonden.
Het vermogen van Pendennis, dat, ten ruimste genomen, niet meer dan achthonderd pond sterling ’s jaars beliep, veroorloofde hem, in weerwil van het meeste overleg en de grootste spaarzaamheid, geenszins zich op gelijken voet te stellen met de aanzienlijken van het graafschap; maar hij had een deftigen en aangenamen omgang onder de naast daaraanvolgende soort. Waren zij geen rozen, zoo tierden zij toch dicht bij de rozen en bezaten zij een goed deel van de kenmerken der voorname wereld. Zij lieten hun zilverwerk luchten, en dineerden bij elkander, op avonden als de maan scheen, tweemaal in het jaar, bij welke feestelijke gelegenheden zij van twaalf mijlen ver in het rond bijeenkwamen; en behalve het gezelschap van het platteland genoten de Pendennis’en dat van Clavering zooveel, ja meer dan hun lief was; want jufvrouw Pybus zwierf altijd rondom Helena’s broeikasten en verstoorde de geregelde werking der soepkaarten en der kolenuitdeelingen; de gepensioneerde kapitein Glanders van het 50ste regiment garde-dragonders snoefde altijd over de stallen en tuinen van den jonker en trachtte dezen te betrekken in zijne twisten met den predikant, den postmeester, den weleerwaarden heer F. Wapshot, die aan het hoofd der school te Clavering stond, welke laatste zijn zoon Anglesea Glanders halfdood gerost had, – kortom met het geheele dorp. En dikwijls wenschten Pendennis en zijne vrouw zich geluk, dat hunne huizinge Fairoaks bijna eene mijl buiten Clavering lag; anders zou hun erf nooit een oogenblik vrij zijn geweest van de nieuwsgierige oogen en het gekakel van dezen of genen der mannelijke en vrouwelijke bewoners van die plaats.
Het park van Fairoaks loopt uit op de kleine rivier Brawl, en aan de andere zijde lagen de plantsoenen en bosschen (zooveel althans als er van was overgebleven) van Clavering Park, toebehoorende aan den baronet Sir Francis Clavering. Toen de Pendennis’en zich op Fairoaks kwamen vestigen, was dit park als weidegrond verhuurd en werd het door schapen en koeien bevolkt. Luiken sloten de vensters der huizinge, een prachtig hardsteenen paleis, met groote trappen, standbeelden en portieken; men vindt er de afbeelding van in de Schoonheden van Engeland [11]en Wallis. Sir Francis’ grootvader, Sir Richard Clavering, was den achteruitgang der familie begonnen door den bouw van dit paleis; zijn opvolger had dien voltooid door het te bewonen. De tegenwoordige Sir Francis verbleef ergens buitenlands, en er deed zich niemand op, rijk genoeg om dat ontzaglijke landhuis te huren, welks eenzame kamers, muffe en holklinkende portalen en sombere galerijen Arthur Pendennis als knaap vele malen bevende doorkruist had. Tegen zonsondergang had men van het grasperk van Fairoaks een fraai uitzicht; dit perk en het park van Clavering plachten zich dan in een gouden gloed te hullen, die beiden heerlijk stond. De bovenvensters der groote huizinge straalden met zulk een brandenden gloed, dat het aan de oogen pijn deed; het riviertje stroomde kabbelend westwaarts en verloor zich in een somber bosch, waarachter de torens der oude abdijkerk van Clavering (om welke die stad tot den huidigen dag Clavering St. Mary’s wordt genoemd) in purperpracht omhoog rezen. De gestalten van den kleinen Arthur en zijne moeder wierpen lange blauwe schaduwen over het gras, en dan begon hij (want een tooneel van landelijk schoon roerde steeds den knaap, die deze gevoeligheid van zijne moeder had geërfd) zekere versregelen op te zeggen, beginnende:
Hoe blinkt uw majesteit alom
In ’t onbegrensde heiligdom
Der schepping, eeuwig Koning!
tot groote stichting van mevrouw Pendennis. Zulk eene wandeling en onderhoud eindigden doorgaans met een aantal kinderlijke en moederlijke omhelzingen; want lief te hebben en te bidden waren de hoofdbezigheden van deze beminnelijke vrouw; en dikwijls heb ik Pendennis op zijne onbesuisde wijze hooren zeggen, dat hij zeker was in den hemel te zullen komen, want dat zijne moeder daar zonder hem niet gelukkig zou kunnen zijn.
Wat John Pendennis als vader des gezins en zoo voorts betreft, iedereen had het grootste ontzag voor hem, en zijne bevelen werden als die der Meden en Perzen gehoorzaamd. Zijn hoed was zoo glad geborsteld als die van wien ook in het gansche rijk. Zijne maaltijden werden elken dag op dezelfde minuut opgedragen, en wee dengenen, die te laat kwamen, zooals met den kleinen Pen, een onmanierlijken kleinen schavuit, soms het geval was. Hij deed zijne gebeden, las zijne brieven, verrichtte zijne zaken, bezocht zijn stal en tuin, zijn kippenloop en hondenhok, zijne schuur en zijn varkenskot altijd op vaste uren. Na het middagmaal deed hij altijd een dutje met de courant de Globe op zijne knie en zijn geel zijden zakdoek over zijn gelaat. (Majoor Pendennis zond de gele zakdoeken uit Indië en zijn broeder had hem geholpen om den majoorsrang te koopen, zoodat zij tegenwoordig goede vrienden waren). En derhalve, daar zijn diner ten zes ure, op klokslag af, plaats had en de bovenbedoelde bewondering van het ondergaan der zon kan gesteld worden op omtrent half acht, is het vermoedelijk, dat hij zich niet veel moeite gaf om het uitzicht van zijne vensters over het grasperk te genieten, of deel te nemen aan de dichterlijke ontboezemingen en de liefkoozingen, die daarbij plaats hadden.
Zij vielen zelden voor in zijne tegenwoordigheid. Hoe uitgelaten vroolijk moeder en kind te voren waren, zij werden ingetogen en stil zoodra mijnheer Pendennis met zijn dagblad onder den arm de huiskamer binnentrad. [12]En hier was het, terwijl de kleine Pen, in een grooten stoel weggedoken, alle boeken las, die hij machtig kon worden, dat de „jonker” zijne geliefkoosde artikelen in de Tuinbouw-Courant las, of een deftig partijtje piket met mevrouw Pendennis speelde, of met een vriend, die eens uit het dorp was komen overwippen.
Gewoonlijk zorgde Pendennis, dat ten minste één van zijne groote diners plaats had als zijn broeder de majoor, die, na den terugkeer van zijn regiment uit Indië en Nieuw-Zuid-Wallis, zijn ontslag uit den dienst genomen had, zijn tweejarig bezoek op Fairoaks kwam afleggen. „Mijn broeder, majoor Pendennis,” was steeds het onderwerp der gesprekken van den rustenden dokter. Het gansche gezin liep hoog weg met „mijn broeder den majoor.” Hij was de schakel, die hen met de groote wereld van Londen en met de toongevers der hoofdstad verbond. Hij bracht altijd het laatste nieuws omtrent den adel mee en was gewoon met lords en groote lui te dineeren. Hij sprak van deze met militair ontzag en bescheidenheid. Zoo zeide hij bijvoorbeeld: „Lord Bareacres is zoo goed geweest mij op Bareacres te noodigen voor de fazantenjacht,” of: „Lord Steyne heeft de beleefdheid gehad mij te vragen, of ik de Paaschdagen op Stillbrook wil komen doorbrengen,” en men kan zich overtuigd houden, dat de gangen van mijn broeder den majoor door den waardigen heer Pendennis behoorlijk werden bekend gemaakt aan zijne vrienden van het Leesmuseum te Clavering, op de bijeenkomsten der vrederechters of in de provinciale hoofdplaats. De rijtuigen kwamen met bezoekers van tien mijlen in het rond om den majoor te zien als hij te Fairoaks verbleef, en zijn roem als man van de wereld was in het geheele graafschap gevestigd. Er liep een gerucht, dat hij jufvrouw Hunkle, van Lilybank, de dochter van den ouden Hunkle den procureur, zou trouwen, die ten minste vijftienhonderd pond sterling ’s jaars ten huwelijk zou brengen; doch mijn broeder de majoor wilde zich met die zaak niet inlaten, hoe voordeelig zij ook aan de meeste menschen zou zijn toegeschenen. „Ben ik ongetrouwd,” zeide hij, „dan let niemand er op hoe arm ik ben. Ik heb het geluk om te gaan met personen, zoo hoog geplaatst in de wereld, dat de eenige honderden of duizenden ’s jaars meer of minder geen verschil maken in de achting, die zij mij wel gelieven toe te dragen. Jufvrouw Hunkle, ofschoon eene hoogst fatsoenlijke dame, kan niet op de afkomst of de manieren bogen, die haar aanspraak zouden kunnen geven om ontvangen te worden in den kring, waarin ik de eer heb mij te bewegen. Ik zal als een oud vrijer leven en sterven, John; en ik twijfel niet of uwe geachte vriendin, jufvrouw Hunkle, zal wel een waardiger voorwerp voor hare genegenheid vinden dan een afgeleefden en gepensioneerden oud-soldaat.” De tijd bevestigde de juistheid der vermoedens van den grijzen man van de wereld; jufvrouw Hunkle trouwde een jong Fransch edelman, en woont op dit oogenblik te Lilybank als barones de Carambole, na van haar wilden jongen guit van een baron zeer kort na hun huwelijk gescheiden te zijn.
De majoor stond bij schier al de leden van het kleine gezin op Fairoaks in groote gunst. Hij was even goedhartig als wellevend, en koesterde oprechte genegenheid en achting voor zijne schoonzuster, die hij, en volkomen naar waarheid, voor eene echte dame, als er eene in Engeland was, en eene eer voor de familie verklaarde. Hare bedeesde schoonheid, hare natuurlijke zachtzinnigheid en lieftalligheid, en die eenvoud en waardigheid, welke onbevlekte reinheid en onschuld steeds aan eene bevallige [13]vrouw schenken, maakten haar ook inderdaad den lof van haar broeder ten volle waardig. Ik geloof niet, dat het nationaal vooroordeel is, hetgeen mij eene fijn beschaafde Engelsche dame als de meest volkomene van alle schepselen des hemels op deze aarde doet beschouwen. In wie anders ziet men zooveel aanvalligheid en zooveel deugd, zooveel getrouwheid en zooveel teederheid, met zulk eene volmaakte verfijning en zedigheid vereenigd? En met fijn beschaafde dames bedoel ik geen hertoginnen of gravinnen. Hoe hoog haar stand ook zij, kunnen zij slechts dames wezen, en niets meer. Doch bijna ieder man, die in de wereld leeft, heeft het geluk, althans naar wij hopen, eenige zoodanige personen onder zijne bekenden te tellen, – vrouwen, in wier engelachtige natuur zoowel iets ontzagwekkends als iets schoons is waar te nemen; aan wier voeten de wildsten en onbuigzaamsten onder ons moeten nederknielen en zich verootmoedigen, vol bewondering voor die aanbiddelijke reinheid, die nooit iets verkeerds schijnt te doen of te denken.
Arthur Pendennis had het geluk eene moeder te bezitten, met deze gezegende eigenschappen bedeeld. Gedurende zijne kindsheid en jeugd beschouwde de knaap haar als weinig minder dan een engel; als een bovennatuurlijk wezen, dat enkel wijsheid, liefde en schoonheid was. Wanneer haar man met haar naar de hoofdplaats reed, of naar de bals en concerten, die gedurende den tijd der zittingen van het hof van assises gegeven werden, dan was hij gewoon met zijne vrouw aan den arm de zaal binnen te treden en de voorname lui in het gezicht te zien, alsof hij zeggen wilde: „Zie maar eens toe, mylord; kan iemand uwer mij eene vrouw gelijk deze toonen?” Zij maakte sommige dames van het platteland, die driemaal meer geld hadden dan zij, woedend door eene soort van onnavolgbare volkomenheid, die zij in haar vonden. Jufvrouw Pybus zeide, dat zij koel en hooghartig was; jufvrouw Pierce, dat zij te trotsch was voor haar stand; mevrouw Wapshot wilde, als vrouw van een doctor in de godgeleerdheid, den voorrang hebben boven haar, die maar de vrouw van een geneesheer was. Maar ondertusschen ging deze dame de wereld door, zonder zich in het minste gelegen te laten zijn aan den lof of de blaam, die over haar uitgesproken werd. Zij scheen niet te weten, dat zij bewonderd of gehaat werd omdat zij zoo volkomen was, maar bewandelde kalm den levensweg, hare gebeden verrichtende, haar gezin liefhebbende, hare buren bijstaande en haar plicht vervullende.
Dat echter zelfs eene vrouw feilloos zou zijn, is iets, dat de natuur niet gedoogt, die ons van zielsgebreken voorziet, gelijk zij ons met hoofdpijn, ziekte of dood begiftigt, zonder welke het wereldplan niet zou kunnen uitgevoerd worden, ja zonder welke sommige der heerlijkste eigenschappen van de menschheid niet in toepassing zouden kunnen worden gebracht. Gelijk pijn de geestkracht en lijdzaamheid, tegenspoed de volharding, armoede de vlijt en het vernuft, gevaar den moed en wat niet al meer voortbrengt of opwekt, zoo roepen omgekeerd de deugden zelve sommige ondeugden in het leven, en zoo was met één woord mevrouw Pendennis met de ondeugd besmet, welke de jufvrouwen Pybus en Pierce in haar ontdekt hadden, namelijk die van hoogmoed, niet zoozeer op haar eigen persoon als wel op haar gezin. Zij sprak van mijnheer Pendennis (zonder twijfel een achtenswaardig klein heer, maar er leven anderen, even braaf als hij) met een soort van eerbiedig ontzag, alsof hij de paus van Rome op zijn troon ware geweest en zij een kardinaal, die aan zijne voeten knielde en hem den wierook toezwaaide. [14]Den majoor beschouwde zij als een soort van Bayard onder de majoors; en wat haar zoon Arthur betrof, dien jongen heer aanbad zij met eene innigheid, welke het schelmpje met bijna dezelfde koelheid bejegende als waarmede het standbeeld van den heilige in de St.-Pieterskerk te Rome de vurige kussen ontvangt, welke de geloovigen op zijn teen drukken.
Deze ongelukkige ingenomenheid en afgoderij van de goede vrouw was oorzaak van een groot deel der rampen van den jongen heer, die de held dezer geschiedenis is en die alzoo bij den aanvang er van verdient vermeld te worden.
De makkers van Arthur Pendennis op de Grauwebroedersschool verklaren, dat hij in zijne jongensjaren noch als een domkop noch als een schrandere bol de aandacht trok. Hij deed stipt wat er van hem gevergd werd en niets meer. Zoo hij zich in iets onderscheidde, het was in het maken van verzen; maar hoe groot zijne geestdrift ook mocht wezen, ze hield op zoodra hij het voorgeschreven getal regels had opgesteld (geheel anders dan bij voorbeeld de jonge Swettenham, die, zonder meer dichtvuur in zijn boezem dan mijnheer Wakley, toch in den loop van slechts één vrijen middag een honderdtal taaie hexameters aan den meester bracht; of de jonge Fluxmore, die niet alleen zijne eigen verzen, maar bovendien die van de geheele vijfde klasse maakte). Nooit las hij buiten de schooluren iets tot zijne onderrichting; maar daarentegen verslond hij al de romans, tooneelstukken en dichtbundels, die hij machtig kon worden. Hij had nooit van den meester slagen gehad, maar het was een wonder hoe hij den geesel had kunnen ontkomen. Wanneer hij geld op zak had, bracht hij het royaal door in taartjes voor hem zelven en zijne vrienden, en men herinnerde zich het geval, dat hij op één dag negen en een halven shillings had uitgegeven van de tien, die hij gekregen had. Bezat hij geene fondsen, dan haalde hij op krediet. Kon hij geen krediet krijgen, dan deed hij het maar zonder, en hij was er bijna even tevreden onder. Hij getroostte zich eens, zonder een woord te zeggen, een pak slagen, dat voor een goeden kennis bestemd was, maar een slag, hoe licht ook, van een vriend, deed hem van woede brullen. Van vechten had hij sinds zijne vroegste jeugd een afkeer, evenals van drankjes, de Grieksche spraakkunst of eenige andere inspanning, en hij wilde zich met niets van dat alles ophouden, tenzij in den uitersten nood. Zelden, zoo ooit, loog hij, en kleine jongens zat hij nooit op den kop. De meesters of groote scholieren, die goed voor hem waren, had hij met kinderlijke drift lief. En ofschoon de rector, wanneer hij zijn Horatius niet kende, of zijn Grieksche treurspel niet kon construeeren, zeide dat die jongen van een Pendennis eene schande was voor de school; een uitverkorene voor ellende in deze wereld en verdoemenis hier namaals, een verkwister, die waarschijnlijk zijn achtenswaardigen vader tot den bedelstaf en zijne moeder tot een onteerd graf zou brengen, en meer van dien aard, – zoo begon de kleine Pen, die eerst onthutst en verschrikt was over die verwijten, er langzamerhand aan te gewennen, daar de rector dezelfde lofspraak toezwaaide aan de meeste leerlingen dezer school (die toch geen in het oog loopend getal bandieten en zakkenrollers heeft opgeleverd); en werkelijk heeft hij ook tot op den huidigen dag zijne ouders niet vermoord, noch eenige daad gepleegd, welke deportatie of ophanging verdiende.
Vele van de groote jongens, met welke Pendennis werd opgevoed, [15]matigden zich, lang voor dat zij de school verlieten, al de rechten van mannen aan. Velen, bij voorbeeld, rookten sigaren en sommigen hadden reeds een aanvang gemaakt met zich te bedrinken. Eén had een duel gehad met een luitenant van een doormarcheerend regiment, ten gevolge van een twist in den schouwburg; een ander hield waarlijk een wagentje en een paard er op na, dat hij van een stalhouder in Covent-Garden had gehuurd, en Zondags kon men hem daarmee in Hyde-Park zien rijden met een knecht met gekruiste armen en wapenknoopen. Vele der oudste jongens waren verliefd en toonden elkander in vertrouwen gedichten aan of brieven en haarlokken van jonge dames; Pen echter, als een zedige en bedeesde knaap, benijdde voor het oogenblik die makkers meer dan dat hij hen navolgde. Hij was vooralsnog niet verder dan de theorie; de practijk des levens moest nog geheel komen. En – tusschen haakjes – o, teedere moeders en deftige vaders van christelijke gezinnen, een verbazend iets is die theorie des levens, gelijk zij mondeling geleerd wordt op eene groote openbare school. Waarlijk, indien gij die veertienjarige knapen, die in tegenwoordigheid van hunne moeders blozen en stilletjes wegsluipen uit de tegenwoordigheid harer dochters, onder elkander kondt hooren spreken – het zou de beurt der vrouwen zijn om te blozen! Voordat hij nog twaalf jaar was en terwijl zijne moeder hem als een engeltje van onschuld beschouwde, had de kleine Pen genoeg hooren praten om hem op zekere punten verschrikkelijk wijs te maken, – en dat, mevrouw, is ook het geval met uw hartediefje van een zoontje met zijne rozenwangetjes, die van de kostschool thuis komt om de kerstvacantie door te brengen. Ik zeg niet, dat de jongen verloren is, of dat hem die onschuld verlaten heeft, die hij medekreeg uit „het hemelsch vaderland” maar dat de schaduwen van deze aarde snel over hem komen en dat wij zooveel mogelijk medewerken om hem te bederven.
Welnu dan – Pen had zich juist voor het eerst in het publiek vertoond met een rok, of cauda virilis, en keek met innige belangstelling in het spiegeltje op zijne kamer, of zijne bakkebaarden reeds begonnen uit te botten gelijk die van zijne gelukkiger kameraden; en in plaats van de drievoudige stem, waarmede hij placht te spreken en te zingen (want zijne zangstem was zeer lief, en als kleine jongen liet men hem „Waar kan men beter zijn,” „Mijn schoone page,” een paar Fransche liedjes, die zijne moeder hem geleerd had, en andere balladen tot vermaak van de grootere jongens zingen), was hij plotseling tot een diepen bastoon vervallen, afgewisseld met eene piepstem, die, wanneer hij op school moest construeeren, den meester en de scholieren in lachen deed uitbarsten, – in één woord, hij was ongeveer zestien jaar oud, toen hij plotseling van zijne academische studiën werd afgeroepen.
Het was tegen het einde van de voormiddagschool, en Pen was tot op dit oogenblik geheel vrijgeloopen, toen de rector hem aan het construeeren van een Grieksch treurspel zette. Hij kende er geen woord van, ofschoon de kleine Timmins, die naast hem zat, het hem uit al zijne macht influisterde. Pen had een paar erge bokken geschoten, toen de geduchte meester tegen hem losbrak.
„Pendennis,” sprak hij. „gij zijt onverbeterlijk lui en voorbeeldeloos dom. Gij zijt eene schande voor de school en voor uwe familie, en ik twijfel niet of gij zult dat in later tijd voor uw vaderland zijn. Indien die ondeugd, welke ons als de wortel van alle kwaad wordt voorgehouden, [16]werkelijk is, zooals de zedemeesters ons hebben afgeschilderd (en ik trek de juistheid hunner beschouwing niet in twijfel), voor welk eene vervaarlijke hoeveelheid van misdaad en ongerechtigheid strooit gij dan thans, rampzalig jongeling, het zaad uit! Ongelukkig loshoofd! Een knaap, die op zijn zestiende jaar δε overzet met en in plaats van maar, is niet enkel schuldig aan onbegrijpelijke dwaasheid, domheid en botheid, maar aan eene ondankbaarheid jegens zijne ouders, die ik met huivering aanzie. Een scholier, die zijn Grieksch treurspel niet leert, bedriegt zijn vader, die geld besteedt voor zijne opvoeding. Een jongen, die zijn vader bedriegt, is niet ver verwijderd van het bestelen of bedriegen van zijn buurman. Een man, die zijn naaste bedriegt, boet zijne misdaad aan de galg. Hem echter beklaag ik niet (want hij wordt naar verdienste behandeld), maar zijne wanhopige en verslagene ouders, die door zijne misdaden naar een ontijdig graf gedreven worden of, zoo zij het leven behouden, in ellendigen en onteerden ouderdom voortkwijnen. Ga zoo maar voort, en ik verzeker u, dat de eerstvolgende fout u eene tuchtiging met de roede op den hals zal halen. Wie lacht daar? Welke kwajongen onderstaat zich daar te lachen?” brulde de rector.
En inderdaad, terwijl de meester die toespraak hield, was er een algemeen gegichel achter hem in het schoolvertrek. De redenaar zat met zijn rug naar de open deur van deze antieke kamer, en een heer, die zeer bekend was met deze plaats, want èn majoor Arthur èn mijnheer John Pendennis hadden hier school gegaan, vroeg aan een jongen van de vijfde klasse, die bij de deur zat, naar Pendennis. Grinnikend wees de knaap naar den schuldige, over wien de rector den vloed zijner rechtmatige gramschap uitstortte. Majoor Pendennis kon zijn lach niet weerhouden. Hij herinnerde zich dat hij bij denzelfden pilaar gestaan had waar Pen junior thans stond, en tal van jaren geleden door des rectors voorganger op dezelfde wijze gekastijd was. In één oogenblik ging het bericht rond, dat het Pendennis’ oom was, en een honderdtal jeugdige gezichten, tusschen verwondering en lachlust zwevende, keerden zich nu eens naar den nieuw aangekomene en dan eens naar den gevreesden rector.
De majoor verzocht den jongen uit de vijfde klasse zijn kaartje aan den rector te willen geven, hetgeen de knaap met een guitigen blik deed. Majoor Pendennis had op het kaartje geschreven: „Ik moet Arthur naar huis medenemen; zijn vader is zeer ziek.”
Toen de rector het kaartje ontving en met een vrij onthutsten blik in zijne toespraak bleef steken, barstte de tot nog toe half onderdrukte lachlust der jongens in een algemeen gejoel uit. „Stilte!” gilde de rector, op den vloer stampende. Pen keek op en zag wie zijn bevrijder was; de majoor wenkte hem ernstig met een van zijne witte handschoenen en Pen wierp haastig zijne boeken neer en kwam tot hem.
De rector haalde zijn horloge uit. Het was twee minuten over éénen. „Wij zullen Juvenalis in de namiddagschool behandelen,” zeide hij, den oudsten scholier toeknikkende; en al de jongens, begrijpende wat dit beteekende, pakten hunne boeken bijeen en stroomden het vertrek uit.
De jonge Pen zag aan het gezicht van zijn oom, dat er thuis iets gebeurd was. „Is er een ongeluk met – moeder?” vroeg hij, maar hij kon ternauwernood spreken van ontroering en van de tranen, die op het punt stonden uit zijne oogen te springen. [17]
„Neen,” antwoordde de majoor, „maar uw vader is ernstig ziek. Ga dadelijk uw koffer pakken; er staat aan de poort een rijtuig op ons te wachten.”
Pen spoedde zich naar zijn kosthuis, om te doen wat zijn oom hem beval; en de rector, die nu alleen in het schoolvertrek over was gebleven, kwam zijn ouden schoolkameraad de hand drukken. Men zou zich bezwaarlijk hebben kunnen voorstellen, dat dit dezelfde man was. Evenals Asschepoetster op een gegeven uur van eene schitterende en prachtig gekleede prinses in een gewoon meisje in een grijs gewaad veranderde, zoo verdween al de donderende majesteit en schrikwekkende gramschap van den schoolmeester toen de klok één sloeg.
„Er is toch niets ernstigs, hoop ik?” zeide de rector. „Het zou jammer zijn den jongen weg te halen, als dit niet het geval was. Het is een beste jongen, wel wat lui en vadsig, maar een zeer fatsoenlijk kereltje, ofschoon ik hem niet zoo aan het construeeren kan krijgen als ik wel wenschen zou. Komt gij niet binnen, om het tweede ontbijt mee te gebruiken? Het zal mijne vrouw veel plezier doen u te zien.”
Doch majoor Pendennis bedankte. Hij zeide, dat zijn broeder zeer ziek was en den vorigen dag eene beroerte had gehad, zoodat het grootelijks de vraag was of zij hem nog levend zouden aantreffen.
„Er is geen andere zoon, niet waar?” zeide de rector, waarop de majoor antwoordde: „Neen.”
„Er is nog al – nog al – wat geld, geloof ik?” vroeg de eerste zoo losjes.
„Hm! wel iets!” zeide de majoor. Daarmee liep dit gesprek ten einde, en Arthur Pendennis nam met zijn oom in het rijtuig plaats, om nooit meer naar school terug te keeren.
Toen men door Clavering reed, wenkte de stalknecht, die onder de poort van het Wapen van Clavering stond, den postiljon op eene onheilspellende wijze toe, alsof hij zeggen wilde, dat alles gedaan was. De vrouw van den tuinier kwam het hek opendoen en liet de reizigers met een sprakeloos hoofdschudden door. Al de luiken te Fairoaks waren gesloten en het gelaat van den ouden huisknecht stond dof, toen hij hen binnenliet. Ook Arthur’s gezicht was bleek, doch meer van schrik dan van smart. Welke warmte en liefde de overledene mocht bezeten hebben (en hij had van ganscher harte zijne vrouw aangebeden en zijn zoon liefgehad en bewonderd), hij had dat alles in zich zelven besloten, en de knaap was nooit in staat geweest door die kille buitenschors heen te dringen. Maar Arthur was zijn leven lang zijn vaders trots en roem geweest, en zijn naam was de laatste, welken John Pendennis had trachten uit te spreken, toen hij daar neerlag met de hand zijner vrouw tusschen zijne kille en klamme vingeren, de opflikkerende geest verdween in de duisternis des doods, en het leven en de wereld voor hem voorbijging.
Het kleine meisje, welks gelaat een oogenblik onder de luiken had heengegluurd toen het rijtuig kwam aanrijden, opende de deur in het voorhuis, greep zwijgend Arthur’s hand, toen hij nederboog om haar een kus te geven, en bracht hem de trap op bij zijne moeder. De oude John ontsloot de eetzaal voor den majoor. Het vertrek was duister ten gevolge van de gesloten luiken, en in het rond hingen al de sombere portretten der Pendennis’en. Hij dronk een glas wijn. Die flesch was vier dagen vroeger voor zijn broeder opengetrokken. Diens hoed lag geborsteld op [18]de tafel in het voorhuis, waar ook zijne nieuwsbladen lagen te wachten, met zijn brievenzak, waarop in de koperen plaat gegraveerd stond: Den weledelgeboren heer John Pendennis van Fairoaks. De dokter en de procureur van Clavering, die het rijtuig hadden zien doorrijden, kwamen een half uur na de aankomst van den majoor ook met postpaarden en gingen door de achterdeur binnen. De eerste gaf een breedvoerig verslag van de ziekte en het overlijden van den heer Pendennis, en weidde uit over zijne deugden en de achting, waarin hij in den omtrek stond, en over het groote verlies, dat het collegie der vrederechters en het bestuur van het provinciale hospitaal in hem leden, enz. Mevrouw Pendennis, zeide hij, hield zich zeer goed, vooral sedert de aankomst van den jongen heer Arthur. De procureur bleef talmen en dineerde met majoor Pendennis, terwijl zij den namiddag besteedden met over zaken te spreken. De majoor was de executeur van zijn broeder en toeziende voogd over diens zoon, die onder de voogdij van mevrouw Pendennis kwam. Alles was onvoorwaardelijk aan haar vermaakt, behalve in het geval, dat zij een tweede huwelijk aanging, – iets, hetgeen met eene zoo jonge en schoone dame licht zou kunnen gebeuren, gelijk mijnheer Tatham zeer galant zeide, indien de overledene andere bepalingen gemaakt had. De majoor zou zich natuurlijk bij deze indrukwekkende en treurige gelegenheid met het geheele bestuur over alles belasten. Het was als erkenning van dit gezag, dat de oude John de huisknecht, na den majoor de kaars gebracht te hebben om naar bed te gaan, hem volgde met het zilvermandje, en hem den volgenden morgen den sleutel van de klok in den gang kwam brengen, daar mijnheer, zooals John zeide, gewoon was die elken Donderdag op te winden. De kamenier van mevrouw Pendennis bracht hem boodschappen van hare meesteres. Zij bevestigde het bericht van den dokter, dat de aankomst van den jongen heer Arthur zijne moeder aanmerkelijk had opgebeurd.
Wat er tusschen die dame en den knaap voorviel gaat ons niet aan. Over die heilige aandoeningen van liefde en smart is het gepaster, een sluier te werpen. Het moederlijk gevoel is voor mij een heilig geheim. Wat men in de Roomsche kerken ziet verzinnelijkt onder het beeld der Moedermaagd met eene borst van liefde overvloeiende, geloof ik, dat men elken dag kan aanschouwen, waarvoor men de Almachtige Barmhartigheid dankbaar mag zijn. Ik zag nog maar kort geleden eene joodsche vrouw met een kind op hare knieën, van wier gelaat eene zoo engelachtige zachtheid op het kind afstraalde, dat ze eene soort van heiligenglans rondom die beiden scheen te vormen. Ik verklaar plechtig, dat ik voor haar had kunnen knielen om in haar de goddelijke goedertierenheid te aanbidden, die ons begiftigde met de moederliefde, welke met het ontstaan van ons geslacht begon en de geschiedenis der menschheid heiligt.
Hierdoor was het, in één woord, dat mevrouw Pendennis zich over den dood van haar gemaal troostte, dien zij echter altijd als den besten, oprechtsten, verstandigsten, edelaardigsten, talentvolsten en meest ontzagwekkenden der mannen bleef vereeren. Zou het leven uit te houden zijn, of de maatschappij aan den gang kunnen blijven, indien de vrouwen geen afgoden van ons maakten? Ieder man mag wel bidden, dat geene zijner vrouwelijke bekenden hem naar zijne wezenlijke waarde leere schatten. Indien uwe vrouw u kende gelijk gij zijt, buurman, zou zij er niet hard over treuren als zij uwe weduwe wierd en zij zou uwe graflamp zeer spoedig laten uitgaan, of misschien zelfs niet eens de moeite nemen [19]om die te ontsteken, terwijl daarentegen Helena Pendennis een allerliefst gedenkteeken voor haar echtgenoot oprichtte en het lampje aanhoudend van de kostelijkste olie voorzag.
Wat Arthur Pendennis betreft, ik zou niet durven verzekeren, dat hij, na den vreeselijken schok, welken het gezicht van zijn overleden vader hem moet hebben toegebracht, en na den weemoed en de aandoening, die zulk een voorval ongetwijfeld opwekte, – dat hij, zeg ik, niet op het oogenblik zelf van zijne smartelijke ontroering, en terwijl hij zijne moeder omhelsde en haar teederlijk vertroostte, in zijn hart een heimelijken triomf en opgetogenheid gevoelde. Hij was nu het hoofd en de meester. Hij was Pendennis, en allen, die hem omringden, waren zijne dienstknechts en meiden. „Gij zult mij toch niet wegsturen?” vroeg de kleine Laura, die naar hem toe trippelde en zijne hand vatte. „Gij zult mij toch niet naar school zenden, – niet waar, Arthur?”
Arthur gaf haar een kus en tikte haar op het hoofd. Neen, zij zou niet naar school gaan. En dat hij zelf er ooit weer zou heengaan, dat was geheel buiten questie. Hij had besloten, dat dit tooneel uit zijn leven niet meer herhaald zou worden. Te midden van de algemeene smart en terwijl het lijk nog boven de aarde stond, had hij gelegenheid gehad om te bepalen, dat hij voortaan altemaal vrije dagen zou hebben, dat hij niet vroeger zou opstaan dan hij goedvond, dat hij zich niet meer den mantel zou laten uitvegen door den rector, met honderd andere dergelijke voornemens en besluiten voor de toekomst. Wat reizen onze gedachten snel! en hoe vaardig worden ze uit onze wenschen geboren! Toen hij met Laura aan zijne hand, na het hondenhok, de kippenloopen en andere geliefkoosde plaatsen bezocht te hebben, in de keuken kwam, stonden de dienstboden, die bij deze treurige gelegenheid daar stemmig met hunne kennissen bijeen waren en bier zaten te drinken, allen op en bogen of nijgden voor hem, – de eigenlijke dienstboden, en de daglooners met hunne vrouwen, en Sally Potter, die met den brievenzak naar Clavering ging, en de bakkersknecht van Clavering. Hij herinnerde zich dadelijk en met een onbeschrijfelijk welgevallen, dat zij den laatsten keer, toen hij met vacantie thuis was geweest, nooit voor hem waren opgestaan. De keukenmeid riep: „Heerejee!” en fluisterde: „Wat wordt de jonge heer Arthur groot!” Thomas, de stalknecht, die juist wilde drinken, zette, toen zijn meester verscheen, de kan verschrikt neer. De meester van Thomas was innig gevleid met de eer, die hem daardoor bewezen werd. Hij stapte door en ging de jachthonden zien. Flora stak haar neus in zijn vest en Ponto blafte van genoegen en rukte aan zijn ketting. Pen gedroeg zich jegens de honden als een beschermer en zeide: „Koest, koest, Flora!” op zijne genadigste manier. Vervolgens ging hij Laura’s kippen en de varkens en den boomgaard en de melkerij in oogenschouw nemen; wie weet of hij niet bloosde bij de herinnering, dat hij nog pas de vorige, vacantie den grooten appelboom zoo wat geplunderd had en door de melkmeid beknord was omdat hij room had gesnoept.
De weledelgeboren heer John Pendennis, „voormaals een aanzienlijk geneesheer te Bath en later een uitstekend vrederechter, een welwillend landheer en een voorstander van vele liefdadige inrichtingen en openbare instellingen zoo in dezen omtrek als in het geheele graafschap,” werd in de abdijkerk van Clavering St. Mary ter aarde besteld. Zijne begrafenis, zeide de koster, was eene der fraaiste, die men gezien had [20]sedert Sir Roger Clavering daarheen was gebracht. Eene schoone marmeren plaat, van welke wij het vorenstaande opschrift gekopieerd hebben, werd boven de bank in de kerk, die voor de bewoners van Fairoaks bestemd is, in den muur gemetseld. Men ziet daarop tot den huidigen dag het wapen der Pendennis’en met het helmteeken, een adelaar, die in de zon staart, met de wapenspreuk: Nec tenui pennâ1. Dominé Portman zinspeelde den volgenden Zondag zeer gepast en vriendelijk op den overledene als „onze dierbare afgestorven vriend,” en Arthur Pendennis regeerde in zijne plaats.