Een brief als die van den majoor joeg natuurlijk doctor Portman naar Fairoaks, en hij spoedde er zich heen met die vlugheid, die een goedhartig mensch aan den dag legt als hij eene onaangename tijding moet meedeelen. Hij wenschte dat zoo spoedig mogelijk achter den rug te krijgen. Het doet hem leed, maar que voulez-vous? de tand moet er uit en hij duwt u in den stoel neer, en het is verbazend met hoeveel moed, met welk eene krachtige vuist hij er de tang aan zet. Misschien zou hij niet volkomen dezelfde vlugheid of vaardigheid aan den dag leggen als het zijn tand was; maar kort en goed, het is voor u plicht den uwen te laten trekken. De doctor las dus den brief aan Myra en mevrouw Portman voor, vergezeld van vele afkeurende ontboezemingen over den jongen schavuit, die zich al dieper en dieper in het verderf stortte, stelde die dames in de gelegenheid om de tijding in Clavering uit te bazuinen, hetgeen zij ook met hare gewone nauwkeurigheid en vlugheid deden, en wandelde toen naar Fairoaks, om de weduwe op het nieuws voor te bereiden. [184]
Maar zij wist het al. Zij had Pen’s brief gelezen en het had haar in zekere mate verlicht. Vele, vele maanden lang had haar een benauwend voorgevoel van iets kwaads, dat in aantocht was, neergedrukt. Het ergste wist zij nu en haar lieveling was met een berouwhebbend en verbrijzeld hart tot haar teruggekeerd. Wat had zij meer noodig? Al wat de dominé wist aan te voeren (en zijne aanmerkingen werden hem ingegeven door zijn gezond verstand, en waren door hare ouderwetschheid van nog meer gewicht) was niet in staat om bij Helena eenige verontwaardiging of bijzondere verdrietelijkheden op te wekken, tenzij misschien de vrees, dat de jonkman zich ongelukkig zou gevoelen. Wat was die graad, waarom zooveel beweging gemaakt werd, en welk nut zou hij Pen doen? Waarom hadden doctor Portman en zijn oom er zoo op aangedrongen om den jongen naar eene plaats te zenden, waar hij zooveel verleiding te duchten had en zoo weinig goeds kon leeren? Waarom lieten zij hem niet thuis bij zijne moeder? Wat zijne schulden betrof, die moesten natuurlijk betaald worden, – zijne schulden! – kwam al het geld van zijn vader hèm niet toe en had hij het recht niet om het te verteren? Op deze wijze weerlegde de weduwe den eerzamen doctor en, zonderling! al de pijlen zijns toorns gleden machteloos van haar zachtzinnigen boezem af.
Een aangenaam bedrijf, sinds de oudste tijden bekend, waardoor broeders en zusters hunne genegenheid jegens elkander aan den dag leggen en waarmee ook Pen en zijn zusje Laura zich tamelijk druk in hunne kindsche dagen hadden bezig gehouden, was met de wederzijdsche toestemming van beiden sedert eenigen tijd nagelaten. Toen mijnheer Arthur, na in eenige maanden niet thuis geweest te zijn, van de academie terugkwam, vond hij, in plaats van het dood eenvoudige meisje, dat hij achtergelaten had, eene rijzige, slanke, bevallige jonkvrouw, wie hij zich niet verstouten kon den kus aan te bieden, dien hij vroeger gewoon was geweest haar toe te dienen; eene jonkvrouw, die hem ontving met eene gracieuse nijging, eene toegestoken hand en een sterken blos, die hare wang juist op die plaats kleurde, waar de jonge Pen zijn kus placht aan te brengen.
Ik heb geen slag om vrouwelijk schoon te beschrijven, en, om de waarheid te zeggen, geef ik er ook niet om, daar goedhartigheid en deugd, naar mijne overtuiging, veel nuttiger voor eene jonge dame zijn loutere bekoorlijkheden van gelaat en gestalte. Ik zal dus geene bepaalde schets van Laura Bell op zestienjarigen leeftijd trachten te geven. Zij had toen reeds hare tegenwoordige lengte van vijf voet vier duim bereikt, zoodat zij door sommigen van haar eigen geslacht, die liever zien, dat eene vrouw klein is, eene sliersperge en door anderen een boonenstaak genoemd werd; maar indien zij een boonenstaak was, droeg die toch fraaie rozen, en staat het vast, dat vele herders er gaarne rondom zouden gedanst hebben. Doorgaans zag zij er bleek uit, met een zwak blosje op de wangen; doch zij werden in een oogenblik rood als de gelegenheid het meebracht en bloosden nog heel lang na, want de rozen bleven, als de aandoening reeds voorbij was, die de lieve bloempjes in het leven had geroepen. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat hare oogen sinds hare vroegste jeugd zeer groot waren, en die eigenaardigheid ook later behielden. Welwillende critici (altijd dames) zeiden, dat zij met die oogen „werkte” en de heeren en dames, die in haar gezelschap waren, altijd toelonkte; doch zij schitterden van [185]nature en konden het evenmin helpen, dat zij dit deden, als de eene ster het helpen kan, dat zij helderder flikkert dan de andere. Het was zeker om dit schitteren te temperen, dat mejufvrouw Laura’s oogen met een paar sluiers begiftigd waren in den vorm van de langste en fijnst mogelijke zwarte wimpers, zoodat dezelfde menschen, die zooveel aanmerking op die oogen hadden, van haar vertelden, dat zij, wanneer zij de oogen sloot, dit deed om hare wimpers te laten zien. Ik moet dan ook bekennen, dat het een lief gezicht moet geweest zijn haar te zien slapen.
Hare kleur was bijna zoo blank als die van Lady Mantrap, en dat wel zonder behulp van het poeier, waarvan die dame zich bedient. Haar neus moet ik aan de verbeeldingskracht van den lezer overlaten. Indien haar mond misschien wat groot was (zooals jufvrouw Piminy beweert, wier mond men zou meenen met een stuivertje te kunnen bedekken, als men niet wist, dat er zulke geduchte brokken in konden), gaf iedereen toe, dat zij een bekoorlijken lach had en daarbij twee rijen parelwitte tanden liet zien, terwijl hare stem zoo zacht en liefelijk was, dat men muziek meende te hooren als men naar haar luisterde. Daar zij gewoon is zeer lange kleedjes te dragen, zeggen de menschen natuurlijk, dat hare voeten niet heel klein zijn; maar zij zijn misschien van de grootte, die aan hare gestalte voegt, en al steekt mevrouw Pincher haar voet uit, dan volgt daaruit nog niet, dat alle andere dames de hare ook eeuwigdurend op het tapijt moeten brengen. Met één woord, jufvrouw Laura Bell was op haar zestiende jaar een heel lief jong meisje. Laten wij hopen, dat er zoo nog vele duizenden gevonden worden in dit land, waar nog geen gebrek aan goedheid, zedigheid, reinheid en schoonheid bestaat.
Jufvrouw Laura nu was sedert den tijd toen zij zelfstandig begon te denken (en in de twee laatste jaren had zij naar lichaam en geest eene buitengewone ontwikkeling gekregen) maar half tevreden geweest over Pen’s gedrag en manieren. Zijne brieven aan zijne moeder waren in den laatsten tijd zeer schaars en kort geworden. Tevergeefs voerde de liefhebbende weduwe aan, hoe druk Arthur het had met studeeren en hoe gebonden hij was. „Het is beter, dat hij een prijs verliest,” zeide Laura, „dan dat hij zijne moeder vergeet; en bovendien, mama, kan ik niet zien, dat hij vele prijzen behaalt. Waarom komt hij zijne vacantie niet bij u doorbrengen, in plaats van in de deftige huizen zijner voorname vrienden? Er is daar niemand, die half zooveel van hem houdt als – als gij.” „Als ik alleen, Laura?” zuchtte mevrouw Pendennis. Laura verklaarde onbewimpeld, dat zij geen zier om Pen gaf als hij zijne plichten jegens zijne moeder niet in acht nam; en zij liet zich niet overtuigen door de argumenten, die Helena in hare teerhartigheid opzocht, dat de knaap zijn weg in de wereld moest banen; dat zijn oom gaarne zag, dat hij kennis maakte met personen, die hem in zijn verder leven van nut konden zijn; dat mannen duizenden plichten en bezigheden moesten nakomen, waarvan de vrouwen geen begrip hebben, en meer van dien aard. Misschien geloofde Helena even weinig aan die redenen van verschooning als hare pleegdochter; maar zij trachtte te gelooven, dat zij er aan geloofde, en troostte zich met hare moederlijke verblinding. Het is een punt, waarover vermoedelijk menig man heeft nagedacht, dat wij, wat wij ook uitvoeren, tamelijk zeker zijn van het hart eener vrouw, hetwelk wij eenmaal bezeten hebben, en dat [186]die onvermoeide teederheid en vergevensgezindheid ons nooit verlaten.
Al verder had er in Arthur’s gesprekken en manieren in den laatsten tijd eene vrijheid, om niet te zeggen roekeloosheid geheerscht, die Laura had gekwetst en geërgerd. Wel had hij haar nooit door ruwheid beleedigd, noch haar een enkel woord toegevoegd, dat zij niet had moeten hooren; want mijnheer Pen was een gentleman en gedroeg zich van nature, en ten gevolge van zijne opvoeding, wellevend jegens elke vrouw, van welken stand ook; doch hij sprak lichtvaardig en oneerbiedig over de vrouwen in het algemeen en was minder beleefd in zijne handelingen dan in zijne woorden, en achteloos in verschillende opzichten en in kleinigheden. Het ergerde mejufvrouw Laura, dat hij zijne akelige pijpen binnenshuis rookte, dat hij met zijne moeder niet naar de kerk wilde gaan, dat hij niet met haar ging wandelen of bezoeken afleggen, en dat men hem met een roman en in zijne kamerjapon geeuwende vond als de zachtzinnige weduwe van de vervulling dier plichten terugkeerde. De held uit Laura’s kindsche dagen, over wien zij zoo ontelbaar vele avonden had zitten praten met Helena (die eindelooze verhalen opdischte van de deugden, de hartelijkheid en den moed, die de jongen aan den dag had gelegd toen hij op school was), verschilde geheel en al van den jonkman, dien zij tegenwoordig kende, die onbeschroomd en geestig, spotziek en tartend was, die den draak scheen te steken met de eenvoudige bezigheden, vermaken of zelfs godsdienstige oefeningen der vrouwen, bij welke hij zich nu bevond en die hij onder zulke gezochte voorwendsels verliet.
Ook het gebeurde met jufvrouw Fotheringay wekte Laura’s ergernis en verontwaardiging op, toen zij er van hoorde, eerst door eenige spottende aanmerkingen van majoor Pendennis bij gelegenheid van een bezoek, dat hij op Fairoaks aflegde, en vervolgens door de buren te Clavering, die haar op dat punt ruimschoots konden inlichten. Had een Pendennis zich aan zulk eene vrouw willen wegwerpen! Moest de zoon van Helena dag op dag van zijn eigen huis wegrijden, om voor eene actrice op de knieën te vallen en met haar akeligen vader te zitten drinken! Kon een goed zoon zulk een man en zulk eene vrouw in zijn huis willen brengen, en haar boven zijne moeder stellen! „Ik zou weggeloopen zijn, mama; dat zou ik, al had ik barrevoets door de sneeuw moeten gaan!” zeide Laura.
„En dus zoudt gij mij ook verlaten hebben?” zeide Helena, waarop Laura natuurlijk hare woorden introk, en de beide vrouwen elkander in de armen snelden, met die drift, die aan beiden eigen was, en die niet weinigen van hare kunne kenmerkt. Vanwaar, dat jufvrouw Laura zoo verontwaardigd was over Arthur’s liefdesgeschiedenis? Misschien wist zij niet, dat, zoo de mannen zich aan vrouwen wegwerpen, de vrouwen zich evenzeer wegwerpen aan mannen; en dat men evenmin reden kan geven van de liefde als van eenige andere physieke voor- of tegeningenomenheid. Misschien was zij ook verkeerd ingelicht door de menschen te Clavering en de oude mevrouw Portman, die zeer verbitterd was op Pen, vooral sedert zijn ongemanierd gedrag jegens den doctor en sedert de rampzalige jongeling sigaren gerookt had onder kerktijd. En in de laatste plaats kan het zijn, dat zij jaloersch was, maar dit is eene ondeugd, waartoe men zegt, dat de dames slechts zelden vervallen.
Was zij boos op Pen, jegens zijne moeder bezielde haar een dergelijk gevoel niet. Zij wijdde zich aan Helena met al de kracht harer jeugdige [187]genegenheid – eene genegenheid zooals vrouwen, wier hart nog vrij is, gewoon zijn aan de vriendin, die haar het naast is, toe te dragen. Het was eene toewijding, het was een hartstocht, het was eene mengeling van allerlei teerhartigheid en dwaasheid; het was een regen van lief koozingen, zoete woordjes en vleierijen, welke koele geschiedschrijvers met baarden niet mogen oververtellen. Wij mannen moeten op die instinctmatige uitingen niet laag neerzien, al kunnen wij ze zelven niet gevoelen. Die vrouwen zijn voor ons gemak en veraangenaming geschapen, mijne heeren, – evenals de andere mindere diersoorten.
Doch nauwelijks had jufvrouw Laura vernomen, dat Pen rampspoedig en verdrietig was, of al haar toorn verdween dadelijk en maakte plaats voor het teederste en onredelijkste medelijden. Hij werd op eens weer de oude Pen voor haar, de ronde en hartelijke, de edelaardige en teerhartige Pen. Dadelijk trok zij met Helena partij tegen doctor Portman, toen deze het uitschreeuwde over Pen’s gruwelijke misdrijven, Schulden? Wat bedroegen zijne schulden? Het was eene kleinigheid; op last van zijn oom was hij in een kring gekomen, die kostbaar was, en natuurlijk moest hij op denzelfden voet leven als de jonge heeren, met wie hij verkeerde. Schande, dat hij zijn graad niet gehaald had? de arme jonen was ziek toen hij zich aan het examen onderwierp; hij kon juist door die schulden, die hem drukten, niet aan de wiskunde en al die gekheid denken; zeker waren ook wel eenige van die akelige onderwijzers en leeraren jaloersch op hem, en hadden zij hunne eigene gunstelingen, die vóór moesten gaan. En zij was zeker, dat ook nog wel andere menschen een hekel aan hem hadden, hardvochtig voor hem waren en hem niet goed behandelden. In dier voege redeneerde dat jonge schepseltje, met gloeiende wangen, en oogen, die van toorn schitterden, en daarop ging zij vaar Helena, wier hand zij greep en ten aanschouwe van den doctor kuste, waarbij hare blikken hem trotseerden en schenen te vragen, hoe hij een woord durfde inbrengen tegen den zoon van hare „moeder?”
Toen de eerwaarde heer, niet weinig te leur gesteld en verbaasd over de onwrikbare hardnekkigheid dier vrouwen, vertrokken was, herhaalde Laura hare omhelzingen en argumenten met tiendubbele warmte jegens Helena, die gevoelde, dat er in de meeste dezer laatste veel waars lag. Er moest eene samenzwering tegen Pen bestaan. Zij hield zich overtuigd, dat hij een der examinatoren beleedigd had, die nu eene laaghartige wraak op hem had genomen: niets was waarschijnlijker. Alles bij elkander genomen, deed de tijding van Pen’s ongeluk deze beide dames zeer weinig aan. Pen, die te Londen van schaamte en verdriet wegkromp en door wroeging gefolterd werd als hij aan de smart zijner moeder dacht, zou zeer verbaasd hebben gestaan, indien hij gezien had hoe kalm zij den slag verdroeg. Ja, slagen zijn aan vrouwen welkom, als zij meenen, dat deze de afgedwaalde genegenheid weer zullen doen terugkeeren. Wees zeker, indien gij aan uwe geliefde slechts eene korst brood hebt overgelaten, dat zij er niet onder zal wegkwijnen, maar slechts een zeer klein stukje voor zich zelve zal nemen, als gij dan het overige maar in haar gezelschap wilt komen opeten.
Zoodra de doctor weg was, zorgde Laura, dat er vuur in de kamers van mijnheer Arthur aangelegd en zijn beddegoed gelucht werd, en daarmede was zij ongeveer op hetzelfde oogenblik klaar toen Helena een allerteersten en allerhartelijksten brief aan Pen voltooid had; waarop [188]het meisje, met een lieftallig lachje, hare mama bij de hand nam en naar die vertrekken bracht, waar het vuur zoo vroolijk knetterde, en hier zetten de beide liefhebbende schepseltjes zich op het bed en spraken, ik weet niet hoelang wel, over Pen. Laura voegde een postscriptum bij Helena’s brief, waarin zij hem haar liefsten Pen noemde en uitnoodigde om dadelijk (met twee van de aardigste streepjes onder dat woord) thuis te komen en een gelukkig leventje bij zijne moeder en zijn toegenegen zusje Laura te leiden.
In het holle van den nacht (nadat deze twee damen des avonds heel wat in den Bijbel gelezen en, onder het gaan naar hare slaapkamer, nog eens even in Pens vertrekken gekeken hadden) – in het holle van den nacht dan gebeurde het, dat Laura, die niet zelden het kussen gebruikte, waarop de slaapmuts van den overleden Pendennis gerust had, plotseling uitriep: „Zijt gij wakker, mama?”
Helena schrikte en antwoordde: „Ja, ik ben wakker.” Ofschoon zij al dien tijd zoo stil als een muisje had gelegen, had zij inderdaad nog geen oog toegedaan, maar naar het nachtlichtje op den schoorsteen liggen kijken, en uur op uur aan Pen gedacht.
Daarop begon mejufvrouw Laura (die evenzeer gehuicheld had en, in hare eigen gedachten verzonken, zoo stil had gelegen als Helena’s speld met het haar van Pen en Laura, op het met kant omzoomde witte speldenkussen op de kaptafel) een merkwaardig plan aan mevrouw Pendennis uiteen te zetten, dat zij in hare bedrijvige hersentjes overlegd had, en waardoor alle bezwaren voor Pen in één oogenblik en zonder den minsten last voor iemand ter wereld zouden worden uit den weg geruimd.
„Ge weet, mama,” zeide de jonge dame, „dat ik tien jaar bij u gewoond heb en dat gij al dien tijd geen stuiver van mijn geld genomen, maar mij behandeld hebt, alsof ik om Godswil werd onderhouden. Dit nu heeft mij erg zeer gedaan, want ik ben trotsch en heb niet gaarne verplichting aan iemand. En daar het, als ik op kostschool was gegaan – maar dat heb ik niet willen doen – mij ten minste vijftig pond ’s jaars zou gekost hebben, is het duidelijk, dat ik u tienmaal vijftig pond schuldig ben, die ik weet, dat gij voor mij in de bank te Chatteries geplaatst hebt, maar die mij in het geheel niet toekomen. Nu zal ik morgen naar Chatteries gaan, om dien lieven ouden mijnheer Rowdy met zijn kale hoofd te spreken en er hem om te vragen, – ik meen niet om zijn hoofd, maar om die vijfhonderd pond. Hij zal er zeker nog wel tweehonderd pond bij willen geven, die wij kunnen uitsparen en teruggeven; daarop zullen wij dat geld aan Pen zenden, die er al zijne schulden mee kan betalen, zonder dat het iemand deert, en dan zullen wij verder gelukkig met elkander leven.”
Wij behoeven niet te herhalen wat Helena op die kleine redevoering antwoordde, daar de repliek der weduwe bestond uit een aantal onsamenhangende uitroepen, omhelzingen en andere betuigingen, die niets ter zake deden. Doch de beide vrouwen sliepen na dat onderhoud rustig in, en toen het nachtlichtje knetterend uitging en de zon schitteren boven de purperen heuvelen verrees en de vogels vroolijk begonnen te zingen en te fluiten in de bladerlooze boomen en blinkende sparren van Fairoaks, ontwaakte Helena ook, en toen zij een blik sloeg op het lieve gelaat van het meisje, dat naast haar lag te slapen, met hare lippen tot een glimlach geopend, met blosjes op hare wangen, terwijl haar boezem [189]in zachte golvingen rees en daalde alsof er blijde droomen over heenzweefden, toen gevoelde Pen’s moeder zich zoo gelukkig en dankbaar, dat geene andere woorden het konden uitdrukken dan die, welke vrome vrouwen naar den weldadigen Gever van liefde en genade opzenden, tot wiens eere onophoudelijk een koor van dergelijke lofgezangen uit alle oorden van den aardbol opstijgt.
Ofschoon men Januari had en het vrij koud was, gevoelde mijnheer Pen zulk een oprecht berouw en stond zijn plan om zuinig te zijn zoo vast, dat hij geen plaats binnen in de diligence wilde nemen, maar achterop zat met zijn vriend den conducteur, die, zich zijner vroegere mildheid herinnerende, hem een overvloed van winterjassen leende. Misschien was de kou de oorzaak, dat zijne knieën knikten toen hij aan de portierswoning afstapte, of wellicht was hij ontroerd bij de gedachte, dat hij het vriendelijke wezen zou weerzien, welks liefde hij op zulk eene zelfzuchtige wijze vergolden had. De oude Jan stond te wachten om zijn meesters bagage aan te nemen, maar vertoonde zich nu in een bombazijnen jasje en droeg niet langer zijne bruine en blauwe livrei, „Ik ben nu tuinier en stalknecht en woon in het portiershuisje,” zeide de waardige man toen hij met een lachje en eene soort van kleur Pen verwelkomde; doch zoodra Pen den hoek van het geboomte om was en uit de diligence niet meer gezien kon worden, kwam Helena te voorschijn met een gelaat, dat van liefde en vergevensgezindheid straalde; want vergeven is eene zaak, waaraan sommige vrouwen de voorkeur geven boven alles.
Wij kunnen ons overtuigd houden, dat de weduwe, die zeker ander doelwit beoogde, geen tijd verzuimd had met het edele, grootmoedige, schitterende aanbod van Laura aan Pen te schrijven, waarbij zij haar brief verder opvulde met een stortvloed van zegeningen over hare beide kinderen. Het was waarschijnlijk de kennis van die geldelijke verplichting, die Pen zoo erg deed blozen bij het ontmoeten van Laura, die hem in het voorhuis opwachtte en deze maal – deze maal alleen – de kleine overeenkomst verbrak, die wij hiervoren gezegd hebben, dat in de laatste jaren tusschen haar en Arthur bestond; doch – wij hebben in het tegenwoordige hoofdstuk al veel te veel van kussen gesproken.
Dus kwam de verloren zoon weer thuis; men slachtte het gemeste kalf voor hem en het werd hem zoo aangenaam gemaakt als twee eenvoudige vrouwen dat vermochten. In den eersten tijd werden geene toespelingen gemaakt op het ongelukkige geval te Oxbridge, noch vragen gedaan omtrent zijne verdere plannen. Doch Pen overlegde alles druk bij zich zelven en op zijne eigen kamer, waar hij veel tijd in overdenking doorbracht.
Weinige dagen na zijne thuiskomst reed hij met zijn paard naar Chatteries en keerde hij boven op de diligence terug. Hij deelde daarop aan zijne moeder mede, dat hij zijn paard had weggebracht om het te laten verkoopen, en toen dit geschied was overhandigde hij haar den wissel voor het bedrag, hetgeen zij – en Pen misschien ook – als eene daad van buitengewone deugd en zelfverloochening beschouwde, doch hetgeen Laura verklaarde niet meer dan een staaltje van zijn plicht te zijn.
Zelden sprak hij over de leening, die Laura had aangeboden en die de weduwe dan ook slechts onder zekere voorwaarden aanvaard had; maar een paar malen zinspeelde hij zeer verlegen en stotterend op die [190]welwillendheid en betuigde er zijn dank voor; maar blijkbaar kwetste het zijne ijdelheid, dat hij aan de weeze verplichting had voor dien bijstand. Hij kwelde zijn geest om middelen te vinden, om het haar te vergelden.
Hij staakte het wijndrinken en bepaalde zich, hoewel op zeer matige schaal, tot whisky-grog. Hij liet ook het rooken van sigaren na, maar wij moeten bekennen dat hij in de laatste jaren evenveel, zoo niet meer, van pijpen en tabak hield, zoodat dit offer hem niet zwaar viel.
Na den eten, wanneer hij zich bij de dames in de gezelschapskamer voegde, dutte hij veel, en het is ontegenzeglijk, dat hij zeer somber en melancholisch was. Hij keek met veel belangstelling naar het voorbijrijden der diligence, kuierde geregeld naar Clavering om de couranten te lezen, dineerde met iedereen, die zoo goed was hem te noodigen (en het deed de weduwe genoegen, als hij op die eenzame plaats eenige afleiding kon hebben), en speelde menig partijtje met kapitein Glanders.
Hij ontweek doctor Portman, die op zijne beurt telkens zeer strenge blikken van onder zijn breedgeranden hoed op Pen wierp, als zij elkander tegenkwamen. Hij ging echter geregeld met zijne moeder ter kerk en las in hare plaats de dagelijksche gebeden voor de huishouding. Die huishouding, altijd op een bescheiden voet ingericht, had nu nog eene groote vermindering ondergaan; een paar meiden deden al het huiswerk en de zilveren tafelstellen zagen in het geheel het daglicht niet meer. Jan trok des Zondags, als hij ter kerk ging, zijne livrei aan, om zijn stand op te houden, maar dat was enkel voor den vorm. Hij was tuinier en deed het buitenwerk, want zijn voorganger Upton had zijn ambt nedergelegd en was vertrokken. Er was maar een klein vuurtje in de keuken op Fairoaks, en Jan en de meiden dronken daar des avonds hun bier bij het licht van ééne enkele kaars. Dit alles was het bedrijf van mijnheer Pen en die staat van zaken kon niet bijdragen om zijne opgeruimdheid te vermeerderen.
Een tijdlang zeide Pen, dat geene macht ter aarde hem zou bewegen naar Oxbridge terug te keeren, nadat hij er zoo akelig vandaan was gekomen; doch op zekeren dag verklaarde hem Laura met menig blosje, dat zij van oordeel was, dat hij, als eene soort van vergoeding, eene soort van zelfbestraffing voor zijne – zijne luiheid, naar de academie behoorde terug te keeren om zijn graad te halen, indien hij dien op die wijze bekomen kon; en derhalve keerde mijnheer Pen daarheen terug.
Een gedropen student is een ongelukkig voorwerp aan eene academie; hij behoort daar tot geene bepaalde klasse van jongelui en niemand wil met hem te doen hebben. Pen gevoelde, dat al de mooie veeren, die hij gedurende zijne jaren van luister verworven had, hem ontvallen waren, en vertoonde zich dus zelden buiten zijn Collegie, want hij ging ’s morgens geregeld naar de kapel der academie en sloot zich des avonds in zijne kamer op, ver van het gedruis en de soupers der oud-studenten. Er zwierven geen schuldeischers rondom zijne vertrekken, want zij waren allen betaald. Er werd ternauwernood een enkel kaartje bij hem afgegeven. De studenten van zijn tijd hadden hun graad behaald en waren vertrokken. Hij onderwierp zich aan zijn tweede examen en kwam er met het meeste gemak door. Hij herkreeg een weinig rust, toen hij zijn graad als candidaat behaald had. [191]
Op zijne terugreis van Oxbridge legde hij een bezoek bij zijn oom te Londen af; maar de oude heer ontving hem zeer koel en reikte hem ternauwernood den wijsvinger. Toen hij zich voor de tweede maal aanmeldde, zeide Morgan de kamerdienaar, dat mijnheer niet thuis was.
Pen keerde naar Fairoaks, zijne boeken, zijne ledigheid, zijne eenzaamheid en zijne wanhoop terug. Hij begon verscheidene treurspelen te schrijven en vervaardigde een aantal verzen, die een somberen geest ademden. Hij vormde allerlei plannen van studie en liet die weer varen. Hij dacht er aan om dienst te nemen, om zich bij het Spaansche legioen te laten inlijven, – om het een of ander beroep te kiezen. Hij ergerde zich over zijne gevangenschap en verwenschte zijne luiheid, die er de oorzaak van was. Helena zeide, dat hij het zich te veel aantrok, en zijne neerslachtigheid was haar eene foltering. Zoodra zij het met hunne geldmiddelen konden schikken, zou hij eene buitenlandsche reis doen – hij zou naar Londen gaan – hij zou van het vervelende gezelschap van twee arme vrouwen bevrijd worden. En het was vervelend – dat leed geen tegenspraak. De gewone zwaarmoedigheid der teerhartige weduwe scheen in eene nog somberder stemming over te gaan; en Laura zag met angst, dat hare dierbare vriendin ieder jaar meer verkwijnde en afviel terwijl hare bleeke wangen voortdurend holler werden.