Terwijl de bewoners van Fairoaks dit eentonige leven leidden ontwaakte het groote huis op den heuvel, aan de overzijde van het riviertje de Brawl, uit den sluimer, waarin het gedurende het leven van twee geslachten zijner eigenaren verzonken had gelegen, en begon het ongewone teekenen van vernieuwde drukte te toonen.
Juist omstreeks den tijd van Pen’s kleinen tegenspoed, toen hij zoo diep in rouw gedompeld was, dat hij geen acht kon slaan op de lotgevallen van personen, waarin hij minder belang stelde dan in Arthur Pendennis, verscheen er in de provinciale bladen een bericht, dat althans in het graafschap, en in al de steden, dorpen, heerenhuizen, buitenplaatsen en pastorieën, vele mijlen rondom Clavering, groot opzien baarde. Op de markt te Clavering, op de kermis te Cackleby, bij de zittingen van het hof van assises te Chatteries, op de weide van Gooseberry, wanneer het rijtuig van den landjonker het éénspanssjeesje van den hulpprediker tegenkwam en beiden stilhielden om even een praatje te maken; aan de deur der kerk van Tinckleton, terwijl de klok op den zonnigen morgen luidde en de witte jurken en roode mantels in grooten getale over de groene weide aanstroomden om den zondagsdienst bij te wonen, in honderd gezelschappen in den omtrek – overal, kortom, had men er den mond vol van, dat Clavering Park op het punt stond van weer bewoond te worden.
Een vijftal jaren geleden had men uit advertentiën in de bladen van het graafschap vernomen, dat jonkheer Francis Clavering, eenige zoon van den baronet Sir Francis Clavering, van Clavering Park, in de kapel van het Britsche gezantschap te Florence gehuwd was met Jemima [192]Augusta, dochter van den heer Samuel Snell te Calcutta en weduwe van den heer J. Amory. Het praatje ging toenmaals in het graafschap, dat Clavering, die sedert vele jaren geruïneerd was, eene niet onbemiddelde weduwe uit Indië had getrouwd. Sommige personen uit het graafschap hadden het pasgehuwde paar gezien. De Kicklebury’s hadden hen op hunne reis door Italië ontmoet. Clavering woonde toen in het paleis Poggi te Florence, gaf partijen en leefde er goed van, maar keerde niet naar Engeland terug. Een volgend jaar was de jonge Peregrine, van Cackleby, die in de groote vacantie eene reis deed, met de Clavering’s in aanraking gekomen, die toen het kasteel Schinkenstein aan het Mummelmeer bewoonden. Degenen, die er belang in stelden, hoorden nu en dan iets van het waardige paar te Rome, te Lucca, te Nizza, op de bad- en speelplaatsen aan den Rijn en in België, en geruchten, hen betreffende, woeien als het ware met buien naar Clavering’s voorouderlijke woning over.
Hunne laatste verblijfplaats was Parijs, waar zij met glans en op een grooten voet schijnen geleefd te hebben, nadat de dood van den heer Snell te Calcutta aan zijne dochter in Europa bekend was geworden.
Van het vroegere leven van Sir Francis Clavering is weinig te zeggen, dat dien geachten baronet tot eer zou verstrekt hebben. Die heer, de zoon van een vader, die in zijn land niet durfde terugkomen en op een somber oud kasteel in de nabijheid van Brugge woonde, had eene flauwe poging gedaan om het leven te beginnen als luitenant bij een regiment Dragonders, maar was bijna dadelijk op weg blijven steken. Het bezoeken der speeltafels bracht hem spoedig ten val, zoodat hij na een paar jaar dienst verplicht was zijne officiersplaats te verkoopen, eenigen tijd in harer majesteits gevangenis van Fleet Street doorbracht en toen naar Ostende overstak, om zijn vader, den jichtigen balling, op te zoeken. In België, Frankrijk en Duitschland kon men vervolgens dezen kalen en verongelukten verkwister eenige jaren lang zien rondsluipen in koffiehuizen en badplaatsen, zijn geluk wagen in speelhuizen, dansen op bals in kosthuizen, en aan wedrennen deel nemen, op de paarden van anderen.
Het was in een kosthuis te Lausanne, dat Francis Clavering – zooals hij het noemde – een gelukkigen coup deed en trouwde met de weduwe Amory, die eerst onlangs uit Calcutta was teruggekeerd. Zijn vader stierf kort daarop, en ten gevolge van dat overlijden werd zijne vrouw Lady Clavering. Mijnheer Snell van Calcutta was zoo opgetogen over dien titel, dat hij het jaargeld zijner dochter verdubbelde en iets later bij zijn overlijden aan haar en hare kinderen een fortuin naliet, dat, indien het door het gerucht niet vergroot was, inderdaad schitterend mocht heeten.
Vóór dien tijd hadden er omtrent de dame geruchten geloopen, die wel niet ongunstig voor hare reputatie luidden, maar toch een onaangenamen indruk nalieten. De voornaamste Engelschen in het buitenland ontweken hare kennismaking; hare manieren waren niet van de fijnste, en zij was van eene jammerlijk lage en onbekende afkomst. De Indische oudgasten, die men in grooten getale aantreft in elke stad op het vasteland waar Engelschen komen, spraken met minachting van haar vader, den slecht befaamden procureur en indigo-smokkelaar, en van haar eersten man Amory, die stuurman op den Oostindievaarder was geweest, waarmee jufvrouw Snell naar haar vader te Calcutta terugkeerde. [193]Vader noch dochter verkeerden in de voorname wereld te Calcutta, en op het paleis van den gouverneur-generaal had men nooit van hen gehoord. De oude Sir Jasper Rogers, voormaals president van het gerechtshof te Calcutta, had eens tegen zijne vrouw gezegd, dat hij eene rare historie van Lady Clavering’s eersten man zou kunnen vertellen; maar tot groote spijt van Lady Rogers en van de jonge dames zijne dochters, had men den ouden president nooit kunnen bewegen het geheim te verklappen.
Iedereen verscheen echter gaarne op de partijen, die Lady Clavering gaf, toen zij zich in het hotel Bouilli, in de Rue Grenelle te Parijs, vestigde en gedurende den winter van 183– in de voorname wereld luisterrijk optrad. De Faubourg St. Germain nam zich harer aan. Burggraaf Bagwig, onze hooggeschatte ambassadeur, behandelde haar blijkbaar met achting. De prinsen van den bloede bezochten hare salons. De stijfste en aanzienlijkste Engelsche dames, die zich in de hoofdstad van Frankrijk ophielden, wilden haar wel kennen en hielden hare eer op, zooals de onbesproken Lady Elderbury, de stugge Lady Rockminster en de eerbiedwaardige gravin van Southdown, menschen, in één woord, die wegens hunne strengheid bekend waren en wier deugd iedereen in de oogen schitterde; – zulk een algemeenen en weldadigen invloed had het bezit van tien duizend pond ’s jaars (sommigen zeiden zelfs twintig duizend) op den naam en de faam van Lady Clavering uitgeoefend. Daaraan paarde zij eene onbegrensde mildheid en liefdadigheid. Iedereen (die tot de groote wereld behoorde) kon over hare beurs beschikken, zoodra een liefdadig plan op touw werd gezet. De Fransche dames de charité ontvingen bijdragen van haar, tot ondersteuning van scholen en kloosters; zonder onderscheid te maken, schreef zij in voor den Armenischen patriarch, voor pater Barbarossa, die naar Europa gekomen was om liefdegaven voor zijn klooster op den berg Athos in te zamelen; voor den zendingspost der doopsgezinden te Quashyboe, en voor de Episcopaalsche kolonie Feefawfoe, het grootste en meest woeste der Kannibalen-Eilanden. Men vertelt, dat, op denzelfden dag toen madame de Cricri vijf napoleons van haar ontving tot ondersteuning van de arme vervolgde Jezuïeten, die op dat oogenblik in Frankrijk in zeer kwaden reuk stonden, zij zich door Lady Budelight op de lijst liet zetten voor eene bijdrage ten behoeve van dominé J. Ramshorn, die in een visioen den last ontvangen had om den paus te Rome te gaan bekeeren. En behalve dit alles, en wel ten genoegen der wereldlingen, gaf de dame de beste diners en de luisterrijkste bals en soupers, die gedurende dat seizoen te Parijs gegeven waren.
In dien tijd moet het geweest zijn, dat de goedhartige dame de zaken met de schuldeischers van haar echtgenoot heeft weten te vereffenen; want Sir Francis vertoonde zich weder in zijn vaderland, zonder dat hij voor gijzeling beducht behoefde te zijn; de Morning Post en het blad van het graafschap vermeldden, dat hij zijn intrek in Mivart’s hotel genomen had, en op zekeren dag zag de oude huishoudster op Clavering House, die van nieuwsgierigheid brandde, een rijtuig met vier paarden de lange laan oprijden, en voor het met mos begroeide bordes van de groote en sombere portiek stilhouden.
Het was een open rijtuig, waarin drie heeren zaten. Op het achterbankje zat onze oude kennis, de heer Tatham van Chatteries, terwijl de eereplaatsen ingenomen werden door een heer van een knap en deftig [194]uitzicht, met snorren, bakkebaarden, pelskraag en mantel uitgedost, en een bleek man met een lusteloos uitzicht die, schijnbaar zeer zwak, uit het rijtuig steeg, toen de kleine procureur en de heer in het bont er reeds luchtig uitgesprongen waren.
Zij klommen de groote bemoste stoep op en begaven zich naar de hoofddeur van het gebouw, waar een buitenlandsche knecht, met oorringen en eene pet met goudgalon, geweldig aan den grooten schelknop der gebarsten en gebeeldhouwde poort trok. Men hoorde het geluid der schel door het uitgestrekte en sombere gebouw weergalmen. Na eenige oogenblikken klonken er voetstappen door den marmeren gang, de deur werd geopend en daar stonden jufvrouw Blenkinsop, de huishoudster, Polly haar adjudant, en Smart de boschwachter nederig te buigen.
Smart trok aan eene lok van het hooikleurige haar, dat zijn door de zon verschroeid voorhoofd versierde, sloeg met den linkerhiel achteruit alsof een hond hem in de kuiten beet, en stak het hoofd vooruit om eene buiging te maken. De oude jufvrouw Blenkinsop maakte eene nijging. De kleine Polly, haar adjudant, nijgde eveneens en liet daarop verscheidene haastige buigingen volgen, terwijl jufvrouw Blenkinsop erg aangedaan stamelde: „Welkom op Clavering, Sir Francis. Het doet mij in het hart goed, nog eens iemand van de familie te zien.”
Die toespraak en die buigingen waren altemaal gericht tot dien voornamen heer met het bont en den mantel, die den hoed zoo kranig op één oor droeg en met zooveel zelfbehagen de snorren opkrulde. Maar die heer schaterde het uit van lachen en antwoordde: „Gij slaat de plank mis, oudje, – ik ben Sir Francis niet, die het erfslot zijner voorvaderen komt bezoeken. Vrienden en vasallen, ziet daar uw wettigen heer!”
En met die woorden wees hij op den bleeken, kwijnenden heer, die van zijn kant antwoordde: „Stel je zoo mal niet aan, Ned!”
„Ja, jufvrouw Blenkinsop,” ging hij voort, „ik ben Sir Francis Clavering; ik herinner mij u nog zeer goed. Mij hebt gij zeker vergeten? Hoe vaart ge?” en daarbij greep hij de bevende hand: der oude jufvrouw en knikte haar niet onvriendelijk toe, in weerwil van haar verbaasd gezicht.
Jufvrouw Blenkinsop verzekerde op haar geweten af, dat zij Sir Francis overal zou herkend hebben, want dat hij het evenbeeld was van Sir John, die dezen voorafgegaan was.
„Ja, ja – dank je – dat spreekt – zeer verplicht – en zoo voorts,” zeide Sir Francis, terwijl hij een wezenloozen blik door de groote zaal liet gaan. „Akelige ouwe spelonk, vindt je niet, Ned? Maar ééns van mijn leven hier geweest, toen mijn vader ruzie had gehad met mijn grootvader, in ’23.”
„Akelig? Heerlijk, zeg ik! Precies het kasteel van Otranto! Hier kunnen wij waarachtig de geheimen van Udolpho hebben!” antwoordde de heer, die met den naam van Ned werd aangesproken. „Wat een haard! Men zou er een olifant kunnen braden! Mooi gebeeldhouwde galerij! Het is zeker door Inigo Jones gebouwd. Ik wed vijf tegen twee, dat het van Inigo Jones is?”
„Het bovengedeelte is van Inigo Jones; het benedengedeelte is in den tijd van George I door den beroemden Hollandschen architect Van der Putty verbouwd, op last van Sir Richard, den vierden baronet,” berichtte de huishoudster. [195]
„Zoo – oo!” zeide de baronet. „Nu, Ned, gij weet ook alles!”
„Ja, ik weet wel het een en ander,” antwoordde Ned. „Ik weet, dat dit schoorsteenstuk geen Snijders is – drie tegen één, dat het eene kopie is. Dat zullen wij restaureeren, beste jongen. Ge zult verwonderd staan, hoe het van een streekje vernis zal opkomen. Die ouwe heer in zijn rood costuum is zeker Sir Richard?”
„Die sheriff van het graafschap en in den tijd van koningin Anna lid van het parlement was,” zeide de huishoudster vol verbazing over de kennis van den vreemdeling; „die dame aan zijne rechterhand is Theodosia, de vrouw van Harbottle, den tweeden baronet, geschilderd door Lely en voorgesteld in het karakter van Venus, de godin der schoonheid; – naast haar staat haar zoon Gregory, de derde baronet, afgebeeld als Cupido, de minnegod, met boog en pijlen in de hand; in het andere vak ziet men Sir Rupert, die door Karel I tot ridder-banneret verheven werd en wiens bezittingen door Olivier Cromwell verbeurdverklaard zijn.”
„Dank je, jufvrouw Blenkinsop, maar ge behoeft niet verder voort te gaan,” zeide de baronet. „Wij zullen het gebouw wel alleen doorwandelen. Frosch, geef mij eene sigaar. Oók eene sigaar, mijnheer Tatham?”
De kleine Tatham probeerde het met de sigaar, die de koetsier van Sir Francis hem gaf, maar trok er de akeligste gezichten bij. „Gij behoeft niet met ons om te gaan, jufvrouw Blenkinsop. Zeg eens, jij – hoe heet je ook weer? – Smart, geef de paarden voer en wasch hun den bek. Ik zal niet lang blijven. Kom mee, Strong, – ik ken den weg, ik ben in ’23 hier geweest, in het laatst van grootvaders leven.” En Sir Francis ging met kapitein Strong, want dezen naam en titel voerde de vriend van den baronet, uit de groote zaal naar de receptiekamers en liet de teleurgestelde jufvrouw Blenkinsop vrij, om zich door eene zijdeur naar hare vertrekken te begeven, die voor het oogenblik de eenige bewoonbare kamers in het zoo lang ongebruikt gebleven heerenhuis waren.
Het gebouw was zoo reusachtig groot, dat geen huurder rijk genoeg was om het te bewonen, en toen Sir Francis en zijn vriend de eene kamer na de andere doorliepen, hadden zij de gelegenheid, om de ruimte, somberheid en voormalige pracht te bewonderen. Rechts van den hoofdingang waren de salons en gezelschapskamers en aan de andere zijde de eikenhouten kamer, de huiskamer, de eetzaal en de bibliotheek, waar Pen in vroeger dagen boeken gevonden had. Langs drie zijden der vestibule liep eene galerij, uit welke men door afzonderlijke gangen in de voornaamste slaapkamers kwam, waarvan vele een indrukwekkenden omvang hadden en nog overblijfselen van den ouden luister vertoonden. Op de tweede verdieping vond men een doolhof van kleine, ongemakkelijke zoldertjes, bestemd voor de bedienden der groote lui, die het huis in aloude tijden bewoonden. Ik ken geen verblijdender teeken van de meerdere menschlievendheid, die onzen tijd eigen is, dan de tegenstelling tusschen onze tegenwoordige wijze van bouwen en die onzer voorvaderen, en de betere zorg voor de dienstboden en de armen dan in die dagen toen mylord en mylady onder vergulde verhemelten sliepen en hunne bedienden zich op bovenvertrekjes behelpen moesten, die niet zoo luchtig of zindelijk waren als onze hedendaagsche stallen.
Bij die wandeling der beide heeren door het huis was de eigenaar zeer stil en legde weinig blijdschap over het bezit van zijn eigendom aan den dag, terwijl daarentegen zijn vriend de kapitein de plaatselijke [196]gesteldheid met zooveel belangstelling en aandacht opnam, dat men hem voor den meester en den ander voor een onverschillig bezoeker van het gebouw zou gehouden hebben. „Ik zie, dat er wat van te maken is,” riep de kapitein uit. „Laat het maar eens aan mij over, en met geringe kosten zal ik het tot een sieraad van het land maken. Wat eene mooie tooneelzaal zou de bibliotheek kunnen zijn; het scherm zou tusschen de kolommen kunnen hangen, die de zaal verdeelen! Wat eene heerlijke kamer voor een galop! het gansche graafschap zou er in kunnen! Wij zullen de zaal behangen met het tapijtwerk uit uw tweede salon in de Rue de Grenelle en de eikenhouten kamer met die middeleeuwsche kabinetten en wapenrustingen meubileeren. Wapenrustingen steken heerlijk tegen donker eikenhout af, en er is op de Quai Voltaire een Venetiaansche spiegel te krijgen, die op een haar in dien hoogen schoorsteen passen zal. De lange zaal moet natuurlijk wit en karmozijn hebben, de gezelschapszaal geel satijn, en de kleine gezelschapskamer lichtblauw met kant er overheen, hé?”
„Ik herinner mij, dat mijn ouwe heer mij in die kleine kamer afroste,” zeide Sir Francis deftig; „de ouwe had altijd een hekel aan mij.”
„Chits zal wel waarschijnlijk de stof moeten zijn in de kamers van mylady en in de suite op het bovenportaal, de slaapkamer, de zitkamer en de kleedkamer? Wij zullen van het balkon eene broeikas maken. Waar wilt gij uwe kamers hebben?”
„Laat de mijne maar in den noordervleugel zijn,” antwoordde de baronet geeuwende, „buiten het bereik van jufvrouw Amory’s verwenschte piano. Die kan ik niet uitstaan. En van ’s morgens tot ’s avonds zit zij er bij te gillen.”
De kapitein schaterde het uit. In den verderen loop van hunne wandeling door het gebouw stelde hij de geheele overige inrichting der vertrekken vast, en toen de tocht was afgeloopen, traden zij de kamer van den rentmeester, nu bij jufvrouw Blenkinsop in gebruik, binnen, waar mijnheer Tatham een platten grond van het landgoed zat te bestudeeren en de oude huishoudster een collation ter eere van haar heer en meester had aangericht.
Vervolgens namen zij de keuken en de stallen op, voor welke Sir Francis veel belangstelling aan den dag legde, waarna kapitein Strong den tuin wilde bezoeken, doch de baronet riep uit: „Laat de tuin en al die boel naar den drommel loopen!” Ten slotte reed hij van de plaats even onverschillig weg als hij er gekomen was, en dien avond vernamen de bewoners van Clavering, dat Sir Francis Clavering het park bezocht had en voornemens was er zijn verblijf te vestigen.
Toen dit te Chatteries bekend werd, geraakte de gansche bevolking in beweging, zoowel hoogkerkschen als laagkerkschen, gepensioneerde kapiteins en oude vrijsters en douairières, jachtminnende landjonkertjes uit den omtrek, boeren, winkeliers en fabriekarbeiders: kortom, jan en alleman binnen en buiten het plaatsje. Het nieuws woei naar Fairoaks over en werd daar door de dames en mijnheer Pen met zekere opgewektheid vernomen. „Jufvrouw Pybus zegt, dat er een heel lief meisje in huis is, Arthur,” zeide Laura, die op dit punt even voorkomend en lief was als de vrouwen doorgaans zijn, – „zekere jufvrouw Amory, Lady Clavering’s voordochter. Natuurlijk zult gij, zoodra zij aankomt, op haar verliefd worden.” [197]
„Praat toch zoo mal niet, Laura!” riep Helena uit, terwijl Pen er om lachte en uitriep: „Nu, er is een jonge Sir Francis voor u.”
„Die is pas vier jaar oud,” hernam jufvrouw Laura. „Maar ik zal mij met dien knappen officier troosten, dien vriend van Sir Francis. Hij zat verleden Zondag in de kerk in de bank der Claverings, en hij draagt heel mooie knevels.”
Het aantal leden van Sir Francis’ gezin (die alle in de bovenstaande regelen genoemd zijn) was vrij spoedig in het stadje bekend, evenals al wat verder zijne huishouding betrof, voor zoover menschelijke nieuwsgierigheid en vernuft het konden nasporen. De lanen en wandelpaden van het park werden nu op zomeravonden druk bezocht door de inwoners der stad, die zich naar het groote huis richtten, overal rondgluurden en hunne aanmerkingen maakten over de veranderingen, waarmee men bezig was. Ontelbare wagens uit Chatteries en Londen brachten de eene vracht meubelen na de andere aan, maar hoeveel er ook waren, kapitein Glanders wist wat elke wagen bevatte en geleidde de bagage naar het huis.
Want hij was reeds een vertrouwde kennis van kapitein Strong geworden. Deze laatste bewoonde te Clavering dezelfde kamers, die vroeger den vreedzamen Smirke gehuisvest hadden, en stond hoog in de gunst bij zijne huisvrouw, madame Fribsby. De kapitein had in persoon en kleeding een prachtig voorkomen; hij bezat eene frissche kleur, blauwe oogen, zwarte bakkebaarden, eene breede borst en eene athletische gestalte; eene kleine overhelling tot gezetheid benadeelde zijne flinke gestalte volstrekt niet en nooit bood dapperder soldaat den vijand eene breeder borst aan. Als hij de High Street te Clavering opging met den hoed op één oor, met zijn stok op de steenen slaande, en hij dien rondzwaaide en er houwen en steken mee uitvoerde, waarbij zijn vroolijke lach door de anders zoo stille straten weergalmde, dan was hij in het stadje zoo welkom als de zonneschijn en een troost voor de inwoners.
Reeds den eersten marktdag kende hij elk mooi meisje, dat ter markt kwam; hij maakte grappen met al de vrouwen, praatte met de boeren over hun vee en at des middags aan de boerentafel in het Wapen van Clavering, waar hij allen door zijne aardigheden en geestige zetten deed schudden van lachen. „Het is een aardige kerel, dat valt niet tegen te spreken,” was het eenparig gevoelen der heerenboeren. Hij schudde er wel twintig de hand toen zij op hunne oude knollen van het plein der herberg wegreden en wuifde hen zwierig met zijn hoed na, terwijl hij aan de deur van het logement zijne sigaar stond te rooken. In den loop van den avond was hij aan het buffet volkomen thuis, en wist hij hoeveel huur de kastelein betaalde, hoeveel bunders land hij in pacht had, hoeveel mout hij in zijn zwaar bier deed, en of hij zich ooit van Baymouth of van de visschersdorpen aan de kust wat brandewijn verschafte, waarvoor geen accijns betaald was.
Hij had zich eerst in het heerenhuis trachten in te richten, maar vond het zoo vervelend, dat hij het niet kon uithouden. „Ik ben voor de gezelligheid geboren,” zeide hij tegen kapitein Glanders. „Ik ben hier, om Clavering’s huis wat in orde te brengen, want, onder ons gezegd, Frans heeft geen vast karakter, mijnheer, geen vast karakter; hij heeft er geen hart voor, mijnheer,” (en bij die woorden zette hij zijne eigen borst op), „maar ik moet gezellig verkeer hebben. De oude jufvrouw Blenkinsop gaat om zeven uur naar bed en neemt Polly mee. De twee [198]eerste avonden was er in dat groote huis niemand dan ik en het Spook, en, ik wil er wel voor uitkomen, mijnheer, ik houd van gezelschap. Dat doet een oud soldaat meestal.”
Glanders vroeg waar Strong gediend had, waarop de kapitein zijne knevels opkrulde en met een lachje antwoordde, dat de ander liever moest vragen waar hij niet had gediend. „Ik begon, mijnheer, als cadet bij de Hongaarsche ulanen, en toen de Grieksche onafhankelijkheidsoorlog uitbrak, verliet ik dien dienst ten gevolge van onaangenaamheden met mijn ouwe; ik behoorde tot de zeven, die zich uit Missolonghi redden, en vloog in de lucht met een van Bozzaris’ branders, alles nog pas op mijn zeventiende jaar. Ik zal u mijn kruis van den Verlosser laten zien, indien gij van avond op mijne kamer een glas grog wilt komen drinken, kapitein. Ik heb nog eenige andere van die nesterijen in mijn lessenaar liggen. Ik bezit den Witten Adelaar van Polen, dien ik op het slagveld van Ostrolenka uit handen van Skrzynecki ontving” (hij sprak Skrzynecki’s naam met eene verwonderlijke juistheid en welgevallen uit). „Ik was luitenant bij het vierde regiment, mijnheer, en wij marcheerden door de liniën van Diebitsch – dwars er doorheen, mijnheer, Pruisen in, zonder een schot te lossen. Och, kapitein, dat was eene slecht berekende onderneming! Deze wond ontving ik aan de zijde van den koning vóór Oporto – waar hij die volgelingen van Pedro, die alleen van beursspeculatiën verstand hadden, zou vernield hebben, indien Bourmont mijn raad had willen volgen. Vervolgens diende ik in Spanje bij de troepen van den koning tot aan den dood van mijn waarden vriend Zumalacarreguy; – toen ik zag, dat het spel uit was, zoodat ik mijn degen aan den wand hing, kapitein. Alva bood mij een regiment aan, de Muleteros der koningin; maar ik kon het niet van mij verkrijgen – waarachtig, ik kon het niet, – en nu, mijnheer, nu weet gij wie Ned Strong – de chevalier Strong, zooals men mij in het buitenland noemt – wie Ned Strong is, zoogoed als hij het zelf weet.”
Op deze wijze leerde bijna iedereen te Clavering Ned Strong kennen. Hij vertelde het aan madame Fribsby, aan den kastelein van den George, aan Baker in het leesmuseum, aan mevrouw Glanders en de kinderen aan tafel; en eindelijk vertelde hij het aan mijnheer Arthur Pendennis, die op zekeren dag, toen hij uit verveling Clavering binnendrentelde, den chevalier Strong in gezelschap met kapitein Glanders vond, die met zijn nieuwen bekende ten hoogste ingenomen was.
Het duurde maar heel kort, of kapitein Strong was evengoed thuis in Helena’s huiskamer als op de eerste verdieping bij madame Fribsby, en hij vroolijkte het eentonige huis met zijn opgeruimden zin en zijn onvermoeid gepraat op. De beide dames hadden nog nooit zoo iemand gezien. Hij hield haar bezig met duizenderlei verhalen van gevechten en gevaren, van Grieksche gevangenen, Poolsche schoonen en Spaansche nonnen. Hij kende dozijnen liederen in een half dozijn talen, zette zich aan de piano en zong ze met eene volle krachtige stem achter elkander af. De twee dames zeiden, dat hij alleraardigst was, en dat was hij ook; ofschoon zij tot nog toe niet veel ondervinding van mannelijk gezelschap hadden gehad, daar zij in den loop van haar leven slechts weinige mannen gezien hadden buiten den ouden Portman, den majoor en mijnheer Pen, die zonder tegenspraak een genie was, maar genieën zijn thuis nog al saai en vervelend.
Kapitein Strong maakte zijne nieuwe vrienden te Fairoaks niet alleen [199]met zijn eigen levensloop, maar ook met de gansche geschiedenis der familie, die nu op Clavering zou komen wonen, bekend. Hij was het, die het huwelijk tusschen zijn vriend Frans en de weduwe Amory beklonken had. Zij had behoefte aan rang en hij aan geld. Kon men een doelmatiger huwelijk bedenken? Hij was het, die het tot stand gebracht en die twee menschen gelukkig gemaakt had. Er bestond geen zweem van romaneske verliefdheid tusschen die beiden; de weduwe was van geen leeftijd of gestalte voor romaneske buien, en als Sir Francis maar zijn spelletje biljart en zijn diner had, bekommerde hij zich om weinig anders. Maar zij waren zoo gelukkig als iemand maar zijn kan. Clavering zou naar zijn land en geboorteplaats terugkeeren, het fortuin zijner vrouw zou de hypotheken helpen aflossen, en zijn zoon en erfgenaam zou een der mannen van het graafschap worden.
„En jufvrouw Amory?” vroeg Laura, die buitengewoon nieuwsgierig ten opzichte van die jonge dame was.
Strong begon te lachen. „O,” zeide hij, „jufvrouw Amory is eene muze – jufvrouw Amory is een mysterie – jufvrouw Amory is eene femme incomprise” – „Wat is dat?” vroeg de eenvoudige mevrouw Pendennis; maar de chevalier gaf haar geen antwoord en kon dat misschien ook niet. „Jufvrouw Amory schildert, jufvrouw Amory schrijft gedichten, jufvrouw Amory componeert muziek, jufvrouw Amory rijdt als Diana Vernon. Met één woord, jufvrouw Amory is een pronkjuweel.”
„Ik heb een hekel aan knappe vrouwen,” zeide Pen.
„Dank je,” zeide Laura. Wat haar betrof, was zij zeker, dat zij jufvrouw Amory allerliefst zou vinden; zij smachtte letterlijk naar zulk eene vriendin. En daarbij keek zij Pen recht in de oogen, alsof elk woord, dat de kleine huichelares sprak, een Evangelie was.
Aldus werd van te voren de weg tot kennismaking tusschen de bewoners van Fairoaks en hunne rijke buren van het park gebaand; en Pen en Laura zagen even verlangend naar hunne overkomst uit, als de nieuwsgierigsten onder de bewoners van Clavering. Een Londenaar, die elken dag nieuwe gezichten ziet en er bij geeuwt, zal misschien lachen om de belangstelling, waarmee landbewoners een bezoeker te gemoet zien. Een bewoner der hoofdstad, die hen bezocht heeft, leeft in de herinnering zijner landelijke vrienden nog jaren na dat hij hen verlaten en, ver weg gespoeld op de onmetelijke Londensche zee, hen hoogst waarschijnlijk vergeten heeft. Doch de eilanders herinneren het zich nog lang na dat de zeeman weer heengestevend is en kunnen u nog opnoemen wat hij zeide en wat hij droeg, hoe hij er uitzag en hoe hij lachte. Om kort te gaan, de komst van een vreemde heeft op het land eene belangrijkheid, welke wij niet kunnen begrijpen, wij, die niet weten wie er naast ons woont en het ook liefst niet willen weten.
Toen de schilders en behangers en meubelmakers hunne taak op het heerenhuis volbracht hadden en het onder oppertoezicht van kapitein Strong zoodanig hadden verfraaid, dat hij zich wel op zijn smaak mocht beroemen, verklaarde die heer, dat hij naar Londen ging, waar thans de gansche familie was aangekomen, en dat hij spoedig zou terugkomen, om haar in hare herstelde woonstede te installeeren.
Zij werden voorafgegaan door detachementen bedienden. Rijtuigen werden van over zee aangevoerd en van Baymouth overgebracht door paarden, die daar reeds vooraf onder geleide van koetsiers en stalknechts waren aangekomen. Op zekeren dag kwamen er boven op de diligence [200]Alacrity twee groote, droefgeestige mannen mee, die met hunne koffers aan de portiersloge werden afgezet. Het waren de heeren Frederik en James, lakeien, die in hoofdsteden thuis behoorden, maar zich wel een verblijf op het platteland wilden getroosten, en de gala- en gewone livreien der familie Clavering meebrachten.
Een anderen dag zette de wagen een buitenlandsch heer, die met vele lokken en kettingen versierd was, aan den ingang der buitenplaats af. Hij maakte aan het portiershuisje groot rumoer tegen de vrouw van den boschwachter (die, uit de westelijke graafschappen afkomstig, geen woord van zijn Engelsch of van zijn Gasconsch Fransch verstond), omdat er geen rijtuig gereed stond om hem naar het huis te rijden, dat eene mijl verder lag, en omdat hij in zijn vermoeiden toestand en met zijne verlakte laarzen geen uren ver kon loopen. Dit was monsieur Alcide Mirobolant, vroeger chef van zijne hoogheid den hertog van Borodino, van zijne eminentie kardinaal Beccafico en tegenwoordig chef de bouche van Sir Francis, baronet. Monsieur Mirobolant’s boekerij, schilderijen en piano waren reeds vroeger aangekomen onder geleide van een jong Engelschman van goeden aanleg, zijn adjudant. Hij werd verder bijgestaan door eene ervaren Londensche keukenmeid, die vrouwelijke beambten van minder rang onder hare bevelen had.
Hij dineerde niet in de kamer van den rentmeester, maar gebruikte zijn voedsel in eenzaamheid, in zijne eigen vertrekken, waar een dienstmeisje tot zijne beschikking was gesteld. Het was indrukwekkend, hem in zijne kamerjapon een menu te zien opstellen. Voordat hij daartoe overging, zette hij zich altijd aan de piano, om eenigen tijd te spelen. Indien hij daarin gestoord werd door de dienstbode, beklaagde hij zich op een aandoenlijken toon, want, zeide hij, elk groot kunstenaar had behoefte aan de eenzaamheid, om zijne werken tot volmaaktheid te brengen.
Maar in de overmaat onzer genegenheid en vereering voor monsieur Mirobolant loopen wij te ver vooruit en voeren wij hem vóór zijn tijd ten tooneele.
De chevalier Strong was bij het huren van al de Londensche bedienden betrokken geweest en scheen in werkelijkheid de heer des huizes te zijn. Sommigen hunner zeiden, dat hij de rentmeester was, maar vergunning had met de familie aan tafel te eten. Hoe het zij, hij wist zich te doen eerbiedigen en twee der aangenaamste kamers van het heerenhuis werden voor hem afgezonderd.
Hij wandelde op den gewichtigen dag op het terras, toen een open rijtuig en een dier reiskoetsen of familie-arken, zooals alleen de Engelsche ouderliefde kon uitvinden, onder het daverend luiden van de kerkklokken te Clavering, van welke de vlag wapperde, met snuivende paarden door het parkhek naar den hoofdingang van het huis rolden. De beide vleugeldeuren der gebeeldhouwde poort vlogen open. Twee hoogere beambten in het zwart, de groote en melancholische heeren thans in livrei en met poeier in het haar, en de plattelandsdienstboden, die aangenomen waren om hen te helpen, stonden in de vestibule hun meester op te wachten en bogen als rijzige olmen wanneer de najaarswind door het park huilt. Tusschen deze twee rijen bedienden ging Sir Francis Clavering met een volmaakt onverschillig gezicht heen; Lady Clavering met een paar schitterende zwarte oogen en een goedhartig gelaat, terwijl zij zeer genadig boog en knikte; de jonge heer Francis Clavering, die [201]zijne mama aan haar kleed hield (en den optocht stuitte om den grootsten lakei te bekijken, wiens voorkomen den jongen heer scheen te treffen) en juffer Blandy, de gouvernante van den jongen heer Francis, en jufvrouw Amory, de dochter der lady, aan den arm van kapitein Strong. Het was zomer, doch er brandden vreugdevuren in den schoorsteen der groote zaal en in de kamers, die de leden van het gezin betrekken zouden.
Monsieur Mirobolant had den optocht van achter een der lindeboomen in de laan begluurd. „Elle est là,” zeide hij, en legde zijne met ringen versierde hand op zijn rijk geborduurd fluweelen vest met glazen knoopen. „Je t’ai vue, je te bénis, o ma sylphide, o mon ange!” en daarop dook hij weer in het struikgewas weg en spoedde zich naar zijne fornuizen en ketels terug.
Den volgenden Zondag nam hetzelfde gezelschap, dat wij zijn intocht op Clavering Park hebben zien doen, openlijk de antieke bank in de kerk in bezit, waar zoovele voorouders van den baronet gebeden hadden en nu in afbeeldsel knielden. Er was zulk een toeloop om de nieuw aangekomenen te zien, dat de afgescheiden kerk, tot groote ergernis van haar dominé, leeg bleef staan; en toen de staatsiekoets met de schimmels en den koetsier met zijne zilverwitte pruik en de statige lakeien voor de oude kerkdeur stilhield, was daar zulk een gedrang als men in een aantal jaren niet gezien had. Kapitein Strong kende iedereen en groette voor het gansche gezelschap. De landbewoners verklaarden, dat mylady in het geheel niet mooi was, maar brillant gekleed ging, hetgeen ook de waarheid was, want zij droeg den fijnsten shawl, de keurigste pelisse, den prachtigsten hoed met bloemen, dien men zich voorstellen kan, benevens eene macht van ringen, cameeën, broches, kettingen, gespen en andere snuisterijen, waarvan ik den naam niet weet, terwijl linten van alle breedten en met alle kleuren van den regenboog rondom haar heen wapperden. Jufvrouw Amory was gelijk eene vestaalsche maagd zedig in eene duivenkleur gedost, en de jonge heer Francis droeg het toenmaals zeer in zwang zijnde costuum van Rob Roy Macgregor, een vermaard Schotsch bandiet. De baronet legde meer levendigheid dan gewoonlijk aan den dag; hij had eene soort van benijdenswaardige ongevoeligheid over zich, die hem een diner, een sterfgeval of eene trouwpartij met dezelfde kalme onverschilligheid zou hebben doen te gemoet gaan.
De bedienden van Clavering hadden plaatsen in eene afzonderlijke bank, en de opgetogen gemeente zag de Londensche heeren „met meel op hun hoofd” en den verbazenden koetsier met zijne zilveren pruik zich daar nederzetten, zoodra hij zijne paarden in het Wapen van Clavering onder dak had gebracht.
Toen de godsdienstoefening aan den gang was, begon de jonge heer Francis zulk een keel op te zetten, dat Frederik, de langste der lakeien, door zijn meester gewenkt werd en op diens last den jongen heer wegdroeg, die het daarbij uitgilde en hem zoo heftig op het hoofd sloeg, dat het poeier als wierookwolken rondvloog. Hij kwam niet eer tot bedaren, dan toen men hem op den bok van het rijtuig geplaatst had, waar hij met John’s zweep koetsiertje speelde.
„Gij begrijpt wel, dat de kleine schavuit nooit te voren in de kerk was geweest, jufvrouw Bell,” zeide de baronet op slaperigen toon tegen eene jonge dame, die een bezoek bij de familie aflegde; „geen wonder, [202]dat hij zooveel lawaai maakte. In de stad ga ik ook niet naar de kerk, maar ik geloof, dat men buiten een goed voorbeeld moet geven – en zoo voorts.”
Met een lachje antwoordde jufvrouw Bell, dat de kleine jongen geen bijzonder goed voorbeeld had gegeven.
„Och, dat weet ik niet,” zeide de baronet. „Het is geen kwaad voorbeeld ook. Als Frans iets hebben wil, schreeuwt hij er om, en als hij schreeuwt krijgt hij het ook.”
Hier begon het kind om een schotel gebakjes te huilen, die op de tafel stond, en er plotseling over het tafellaken heen zijn arm naar uitstekende, wierp hij een glas wijn over het beste vest van een der aanwezige gasten, mijnheer Arthur Pendennis, die erg boos was, dat hij zulk een mal figuur maakte en zijn vlekkeloos overhemd nu met wijn bezoedeld was.
„Wij bederven hem zoo!” zeide Lady Clavering tegen mevrouw Pendennis met een innigen blik op het engeltje, welks handen en gezicht op dit oogenblik vol zaten met het schuim, waarmee de gebakjes, die men meringues à la crême noemt, gevuld waren.
„Het is heel verkeerd,” zeide mevrouw Pendennis, alsof zij zelve nooit een kind bedorven had.
„Mama zegt, dat zij mijn broertje bederft – houdt gij dat wel voor mogelijk, jufvrouw Bell? Zie hem eens aan, – is het geen engeltje?”
„Ziet ge wel, dat ik gelijk had?” zeide de baronet. „Hij heeft geschreeuwd, en nu heeft hij het gekregen. Ga je gang maar, Frans, ouwe jongen!”
„Sir Francis is een zeer verstandig vader,” fluisterde jufvrouw Amory. „Vindt ge niet, jufvrouw Bell? Maar ik zal u niet meer jufvrouw Bell noemen – ik zal Laura zeggen. Ik heb u in de kerk zoo bewonderd. Uw kleed was niet gemaakt naar den laatsten smaak en uw hoed was niet heel frisch meer; maar ge hebt zulke mooie grijze oogen en zulk eene lieve kleur!”
„Ge zijt wel goed,” hernam jufvrouw Bell lachend.
„Uw neef is een mooie jongen en weet dit van zich zelven. Hij is verlegen de sa personne. Hij heeft de wereld nog niet gezien. Heeft hij genie? Eene zekere jufvrouw, een klein vrouwtje in verkreukt satijn en met fluweelen schoenen – zekere jufvrouw Pybus – is hier geweest en zeide, dat hij geleden heeft. Ik heb ook geleden, – en hoe is het met u, Laura, is uw hart ooit getroffen?”
Laura antwoordde: „Neen!” maar bloosde misschien een weinigje bij die gedachte, of op die vraag, zoodat de andere voortging:
„O Laura, ik ben er al achter! Het is de beau cousin. Vertel er mij eens alles van, want ik heb u reeds als eene zuster lief.”
„Gij zijt heel vriendelijk,” hernam jufvrouw Bell met een glimlach, „en – en ik kan niet ontkennen, dat het eene zeer plotselinge genegenheid is.”
„Dat is het geval met elke genegenheid. Het is iets electrisch, iets onwillekeurigs. Het is eene zaak van het oogenblik. Ik wist van het eerste oogenblik af, dat ik van u houden zou. Gevoelt ge het ook niet?”
„Voor het oogenblik nog niet,” antwoordde Laura, „maar – het zal zeker wel komen, als ik er mij op toeleg.”
„Noem mij dan voortaan bij mijn naam.”
„Maar ik ken dien nog niet,” riep Laura uit. [203]
„Mijn naam is Blanche, – een lieve naam, niet waar? Noem mij voortaan zoo.”
„Blanche – waarlijk een heel lieve naam.”
„En, terwijl mama met die vriendelijke dame spreekt – in welke betrekking staat die tot u? Zij moet eenmaal zeer mooi geweest zijn, maar zij is nu eenigszins passée; zij is niet behoorlijk gantée, maar zij heeft eene fraaie hand. Terwijl mama haar bezig houdt, kunt gij wel eens meegaan naar mijne kamer –– mijne eigen, eigen kamer! Het is een juweeltje van eene kamer, ofschoon die akelige kapitein Strong ze ingericht heeft. Zit gij éprise van hem? Hij zegt dat van u, maar ik weet wel beter; het is de beau cousin. Ja, il a de beaux yeux. Je n’aime pas les blonds ordinairement. Car je suis blonde, moi – je suis Blanche et blonde,” en bij deze woorden keek zij in den spiegel en maakte eene moue, terwijl zij geen oogenblik naar Laura’s antwoord op hare vragen wachtte.
Blanche was blond en geleek eene sylphide. Zij had blond haar, met hier en daar een groenen weerschijn. Maar daarbij had zij donkere wenkbrauwen en lange zwarte wimpers, die heerlijke bruine oogen overschaduwden. Zij had zulk een dun middeltje, dat het verwonderlijk was, en zulke kleine voetjes, dat men denken moest, dat het gras er ternauwernood onder zou buigen. Hare lippen waren als lichtgekleurde rozenknoppen, en haar stemmetje gleed als glas over de liefste pareltjes van tandjes, die men zien kan. Zij liet ze ook dikwijls zien, want zij waren zeer mooi. Zij was zeer goedhartig, en een lachje deed niet alleen die tanden heerlijk uitkomen, maar liet ook twee lieve kuiltjes zien, die zich op hare beide wangen genesteld hadden.
Zij liet hare teekeningen aan Laura zien, die ze heerlijk vond. Zij speelde haar vlug en schitterend eenige van hare walsen voor en Laura was nog meer verrukt. En eindelijk las zij haar eenige gedichten in het Fransch en Engelsch voor, die ook van hare compositie waren en bewaard werden in een eigen boek – haar eigen, lief, klein boekje, dat in blauw fluweel gebonden was, met een verguld slot, en op het plat in gouden letters den titel droeg: Mes Larmes.
„Is dat geen lieve naam, Mes Larmes?” vroeg de jonge dame, die met al wat zij deed ingenomen was, en ook alles zeer goed deed. Laura erkende, dat het een lieve naam was. Zij had nog nooit in haar leven zoo’n meisje gezien, zoo iets liefs, zoo talentvol, zoo teer en zoo bekoorlijk; een meisje, dat als een vogeltje kwinkeleerde, door zulk een prettig kamertje rondtrippelde, en van zulk een aantal mooie boeken, schilderijen en bloemen omringd was. In hare opgetogenheid vergat het oprechte en welwillende landmeisje zelfs jaloersch te zijn. „Waarlijk, Blanche,” sprak zij, „alles in uw kamertje is lief, en gij zijt het liefste van alles.” Blanche lachte eens, keek in den spiegel, keerde naar Laura terug, wier beide handen zij greep en kuste, zette zich aan de piano en galmde een liedje uit, alsof zij een nachtegaal ware.
Dit was het eerste bezoek van Fairoaks op Clavering Park, ter beantwoording van het bezoek van Clavering Park aan Fairoaks, naar aanleiding dat Fairoaks eenige dagen na de aankomst van Sir Francis’ gezin kaartjes op Clavering Park afgegeven had. De vriendschap tusschen de beide jonge dames groeide zoo snel op als de boonenstaak in het sprookje, die in één nacht tot aan de wolken opschoot. De lange lakeien waren aanhoudend met rosé briefjes op weg naar Fairoaks, waar men een knap [204]meisje in de keuken vond, hetgeen die heeren wellicht naar eene zoo nederige plaats lokte. Jufvrouw Amory zond muziek of een nieuwen roman of eene plaat uit het Journal des Modes aan Laura; of er kwamen vruchten met het compliment van mylady; of jufvrouw Amory verzocht en bezwoer jufvrouw Bell te komen dineeren, met de lieve mevrouw Pendennis, indien zij zich sterk genoeg gevoelde, en mijnheer Arthur, indien een bedaard gezelschapje niet te vervelend voor hem was; zij zou den hittenwagen zenden om mevrouw Pendennis af te halen en zij nam geene weigering aan.
Arthur was evenmin als Laura voornemens het te weigeren. Helena, die zich werkelijk niet al te wel gevoelde, was blij, dat die twee ten minste genoegen zouden hebben, zag hen met een liefdevollen blik na toen zij vertrekken, en bad inwendig, dat zij niet mocht opgeroepen worden voordat die twee menschen, die zij liever had dan iemand anders ter wereld, vereenigd zouden zijn. Terwijl zij bij hun vertrek de brug overgingen, herinnerde zij zich andere zomeravonden, vijf en twintig jaar geleden, toen ook zij haar korten lentetijd van liefde en geluk genoot. Dat alles was nu voorbij. De maan zag uit de purperen lucht neder en de sterren stonden daar te flikkeren evenals op die vroegere avonden, die haar nog zoo levendig voor den geest stonden. Hij lag daar in het verre land in het graf en de rollende golven scheidden hen van elkander. Goede hemel! wat herinnerde zij zich de uitdrukking van zijn gelaat bij hun afscheid nog duidelijk! Het zag haar nu nog even treurig en helder aan als op dat oogenblik, uit het verre verschiet van die vele jaren.
Mijnheer Pen en jufvrouw Laura vonden het gezelschap op Clavering Park een buitengemeen aangenaam toevluchtsoord op zomeravonden. Blanche verklaarde, dat zij van Laura raffoleerde, en hoogst waarschijnlijk was mijnheer Pen met Blanche wel ingenomen. Zijne levendigheid keerde terug en hij lachte en snaterde, dat Laura het met verbazing aanhoorde. De vlugge en geestige, de lachende en net gekleede Pen in Lady Clavering’s gezelschapskamer was niet meer dezelfde Pen, die in zijn jachtbuis in de huiskamer op Fairoaks zat te geeuwen. Soms werd er muziek gemaakt. Laura had eene liefelijke alt-stem en zong dan met Blanche, die het beste onderwijs in het buitenland genoten had en verrukt was hare vriendin tot leermeesteres te kunnen strekken. Nu en dan nam mijnheer Pen deel aan die concerten, maar veel meer gebeurde het, dat hij jufvrouw Blanche opgetogen zat aan te kijken terwijl zij zong. Enkele malen werden er veelstemmige liederen gezongen, waarbij kapitein Strong groote diensten bewees en een daverenden bas uitgalmde, waarop de kapitein niet weinig trotsch was.
„Aardige kerel, die Strong, – vindt ge niet, jufvrouw Bell?” voegde Sir Francis haar wel eens toe. „Speelt écarté met Lady Clavering – kan alles spelen, kruis of munt, piano, kaart, wat ge verkiest. Hoelang denkt ge wel, dat hij al bij mij is? Kwam met een reiszak eene week logeeren, en waarachtig, nu is hij al drie jaar gebleven. Aardige kerel, niet waar? Weet echter niet hoe hij aan een duit geld komt, – weet het waarachtig niet, jufvrouw Laura!”
En echter betaalde de chevalier altijd als hij aan Lady Clavering verloor; en zoo hij drie jaar bij zijn vriend had gewoond, had hij dat ook betaald – met opgeruimdheid, met voorkomendheid, met gezelligheid, met duizend kleine diensten, waardoor hij zich aangenaam maakte. [205]Wie zou een beter vriend begeeren dan iemand, die altijd vroolijk, nooit te ver of te dichtbij, en tot elk dienstbetoon voor zijn patroon bereid was, hetzij om een liedje te zingen of eene conferentie met een advocaat te houden, een duel te vechten, of een kapuin voor te snijden?
Ofschoon Laura en Pen doorgaans te zamen naar Clavering Park gingen, deed mijnheer Pen soms zonder haar gezelschap eene wandeling daarheen, hetgeen hij haar niet vertelde. Hij kreeg liefhebberij in het hengelen in de Brawl, die door het Park loopt en niet ver van den tuinmuur voorbijstroomt, en door een toevalligen samenloop van omstandigheden wandelde jufvrouw Amory dan ook (daar zij naar hare bloemen was gaan zien) en was zeer verwonderd mijnheer Pendennis daar aan het visschen te vinden.
Ik ben benieuwd hoeveel forellen Pen ving, terwijl de jonge dame er naast stond te kijken? dan wel of jufvrouw Blanche het lieve vischje was, dat rondom zijne vlieg dartelde en dat mijnheer Pen trachtte te verschalken? Hij werd in ieder geval een groot liefhebber van die gezonde en versterkende hengeloefeningen en liet zijne vlieg aanhoudend op de wateren van de Brawl dansen.
Jufvrouw Blanche van haar kant bezat een gevoelig hart, en daar zij, gelijk zij zelve verklaarde, gedurende haar kort leven en ondervinding vrij wat „geleden” had, kon zij natuurlijk sympathie koesteren voor andere teergevoelige wezens, zooals Pen, die ook geleden hadden. Hare genegenheid voor Laura en die lieve mevrouw Pendennis verdubbelde; als deze niet op het Park waren, kon zij niet rusten voordat zij zelve te Fairoaks was. Zij speelde met Laura en las Fransch en Duitsch met haar, terwijl mijnheer Pen van zijn kant Fransch en Duitsch met beiden las, hij zette sentimenteele balladen van Schiller en Goethe voor de dames in Engelsche dichtmaat over, en Blanche ontsloot Mes Larmes voor hem en deelde hem eenige der klagende ontboezemingen van hare eigene teedere muze mede.
Het bleek uit die gedichten, dat dit jeugdig schepseltje inderdaad verbazend moest geleden hebben. Zij was met het denkbeeld van zelfmoord vertrouwd. Aanhoudend smachtte zij naar den dood. Eene verwelkte roos vervulde haar met zulke hevige smart, dat men gedacht zou hebben, dat zij er aan had moeten sterven. Het was wonder hoe zulk een jong meisje (dat een aangenaam „te huis” had, of op eene flinke kostschool geweest was en, voor zoover men zien kon, over geen verdrietelijkheden of harde behandeling te klagen had) zooveel geleden kon hebben, in zulk een oceaan van wanhoop en hartstochtelijkheid zich had kunnen storten (gelijk een ondeugende jongen, die volstrekt naar zee wil) en, na daarop rondgezwalkt te hebben, er het levend had kunnen afbrengen. Wat moet zij een aanleg voor schreien gehad hebben, om zoovele van Mes Larmes te kunnen storten!
Het is waar, jufvrouw Blanche’s tranen waren niet bijzonder zilt; maar Pen, die hare verzen las, beschouwde ze als zeer voldoende voor eene dame, en schreef zelf eenige verzen voor haar. Zij waren zeer woest en hartstochtelijk, zeer gloeiend, zoet en krachtig; en hij schreef niet alleen verzen, maar – o die schelm! o die bedrieger! hij werkte verzen uit vroeger tijd, die voor zekere jufvrouw Emily Fotheringay geschreven waren, ten behoeve van jufvrouw Blanche Amory om en maakte ze op haar vóórnaam toepasselijk. [206]