[Inhoud]

ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Waarin de Sylphide weer te voorschijn komt.

Aanzienlijker lui dan Morgan de kamerdienaar waren niet zoo goed als die heer onderricht omtrent het bedrag van Lady Clavering’s rijkdom; en toen mylady in de hoofdstad aankwam, ging de roep van haar uit, dat zij een onmetelijk fortuin bezat. Als de bronnen van hare schatten noemde men indigo-fabrieken, opium-schepen, banken, die van roepijen overstroomden, diamanten en juweelen van indische vorsten en ontzaglijke interesten, welke deze betaalden voor geld, dat zij zelven, of hunne voorgangers, bij Lady Clavering’s vader hadden opgenomen. Hare rekening bij haar Londenschen bankier kende men tot op een stuiver, en die som bevatte zooveel nullen, dat zij den verbaasden toehoorder evenveel O’s van bewondering deed slaken. Het was eene bekende zaak, dat een afgevaardigde van een Indisch vorst, zekere kolonel Altamont, eerste gunsteling van den nabob van Lucknow, een zeer buitengewoon man, die, naar men zeide, het Mohammedaansche geloof omhelsd en duizenden hachelijke en gevaarlijke avonturen beleefd had, zich op het [335]oogenblik in het land bevond, om met de begum (Indische vorstin) Clavering te onderhandelen over den verkoop van den vermaarden diamant uit den neusring van den nabob, „het licht van den Dewan.”

Onder den titel van „begum” begon reeds de faam van Lady Clavering in Londen zich te verspreiden, eer zij zelve nog in de hoofdstad was gekomen: en gelijk Delolme en Blackstone en alle andere lofredenaars van de Britsche Constitutie het ten hoogste prijzen, dat wij verdiensten van allerlei aard onder onze aristocratie opnemen en de laagstgeboren man, als hij het maar verdient, met het pairsgewaad kan bekleed worden en naast een Cavendish of een Stanley zitting nemen: zoo kunnen onze voorname kringen er zich op verhoovaardigen, dat, hoe trotsch zij zijn, hoe jaloersch op hunne voorrechten, hoe nauwlettend op degenen, die zij opnemen, echter alle slagboomen dadelijk vallen, als een mensch slechts rijk genoeg is, en dat hij of zij verwelkomd wordt gelijk de rijkdom dat verdient. Deze omstandigheid stelt onze Britsche onafhankelijkheid en de eerlijkheid van ons hart in het licht; onze hoogere standen zijn niet zulke trotsche aristocraten als de domkoppen beweren; integendeel, als iemand maar geld genoeg heeft, zullen zij hem de hand toesteken, zijne diners komen eten, op zijne bals dansen, zijne dochters trouwen of hunne eigene lieftallige meisjes aan zijne zoons ten huwelijk geven, en wel met evenveel voorkomendheid als de geringste roturier dat zou doen.

Evenals onze vriend, de chevalier Strong, het bestuur had gevoerd over de inrichting van het landelijk verblijf stond hij aan de voorname Londensche behangers, die het huis in de stad voor de ontvangst der familie Clavering gereedmaakten, met zijn raad en zijn smaak ten dienste. Bij de opsiering van dit elegante verblijf was de brave Strong even verheugd alsof hij er zelf de eigenaar van geweest ware. Hij hing de schilderijen op en liet ze weer verhangen, hij maakte eene studie van de plaatsing der canapé’s, hij had bijeenkomsten met de kooplieden en leveranciers, die het benoodigde voor de nieuwe huishouding moesten verschaffen; en te gelijk nam de zaakwaarnemer en vertrouwde vriend van den baronet deze gelegenheid waar, om zijne eigene kamers behoorlijk in te richten en zijn eigen keldertje te voorzien; zijne vrienden maakten hem hun compliment over het nette voorkomen zijner vertrekken, en de uitverkoren gasten, die eene côtelet bij Strong kwamen eten, vonden ook eene flesch uitmuntenden wijn om het maal te kruiden. De chevalier was thans goed af, gelijk hij het noemde, en had zeer pleizierige kamers in Shepherd’s Inn. Hij werd bediend door een voormalig soldaat van het Spaansche legioen, een zijner krijgsmakkers, dien hij in de bres van een Spaansch fort achtergelaten en in een dwarsstraatje in Tottenhamcourt Road teruggevonden had, en dien hij had verheven tot den rang van lijfknecht voor hem zelven en voor den kameraad, die op dit oogenblik zijne kamers met hem deelde. Die kameraad was niemand anders dan de gunsteling van den nabob van Lucknow, de manhaftige kolonel Altamont.

Niemand was minder nieuwsgierig, of, zoo men wil, meer bescheiden dan Ned Strong, zoodat hij den eigenlijken aard der geheimzinnige betrekkingen, die zeer spoedig na hunne eerste ontmoeting te Baymouth tusschen Sir Francis Clavering en den afgevaardigde van den nabob ontstonden, niet trachtte uit te vorschen. De kolonel kende blijkbaar een geheim, dat den baronet in zekere mate in zijne macht leverde; en [336]Strong, die wist dat zijn patroon vroeger een vrij ongeregeld leven had geleid en dat zijne loopbaan bij zijn regiment in Indië niet heel eervol was geweest, onderstelde, dat de kolonel, die zwoer dat hij Clavering te Calcutta zeer goed gekend had, een zeker gezag op Sir Francis kon uitoefenen, waaraan deze genoodzaakt was zich te onderwerpen. Strong had dan ook reeds lang ontdekt, dat Sir Francis Clavering besluiteloos, zonder beginselen en zwak van verstand, kortom naar lichaam en ziel een onbeduidend mensch en een lafaard was.

Zijne excellentie had na de ontmoeting te Baymouth een paar malen een onderhoud met den armen Clavering gehad; de baronet deelde den aard dier gesprekken aan Strong niet mede, hoewel hij door middel van dezen heer, die zijn gevolmachtigde in allerhande zaken was, brieven aan Altamont deed toekomen. Bij een van die gelegenheden moet de afgevaardigde van den nabob echter in een zeer slecht humeur geweest zijn, want hij frommelde Clavering’s brief in de handen samen en riep op zijne eigenaardige manier en met nadruk uit:

„Honderd pond! laat hem naar den drommel loopen! Ik wil geen brieven meer hebben en geen gekheden meer aanhooren. Zeg Clavering dat ik duizend moet hebben, of dat ik, bij den hemel! spreken en hem vernietigen zal. Als hij mij duizend pond wil geven, ga ik naar buitensland en verpand mijn woord van eer, dat ik hem een jaar lang niet meer lastig zal vallen. Breng hem die boodschap van mijnentwege over, Strong, beste jongen; en zeg hem, dat, indien het geld aanstaanden Vrijdag ten twaalf ure niet hier is, zoo waar als ik heet gelijk ik heet, een bericht in de dagbladen van Zaterdag zal plaatsen en de volgende week den ganschen boel in de lucht zal laten vliegen!”

Strong bracht die woorden aan zijn principaal over, op wien zij zulk een indruk maakten, dat de chevalier op den dag en het uur, die bepaald waren, met de geëischte som in Altamonts hotel te Baymouth verscheen. Altamont zeide, dat hij een gentleman was, en gedroeg zich ook als zoodanig; hij betaalde zijne rekening in het logement, en het dagblad van Baymouth vermeldde, dat hij naar het buitenland vertrokken was. Strong was er bij, toen hij zich te Dover inscheepte. „Het moet voor het minst eene valsche handteekening zijn, waardoor Clavering zich in de macht van dien kerel gegeven heeft,” dacht hij, „en die wissel zal in het bezit van Altamont zijn.”

Eer het jaar echter verloopen was, had ons land het geluk den kolonel weer op zijne stranden te zien aankomen. Een verwenscht ongeluk op het rouge te Baden-Baden, zeide hij, had hem den hals gebroken; geen gentleman kon het uithouden tegen eene kleur, die veertienmaal achtereen bovenkwam. Hij was genoodzaakt geweest op Sir Francis Clavering te trekken, om naar het vaderland te kunnen terugkeeren; en ofschoon Clavering zelf aan geld gebrek leed (want hij moest uitgaven voor zijne verkiezing tot lid van het parlement doen, hij had zijne buitenplaats moeten inrichten en hij was bezig zijne Londensche woning te meubileeren), wist hij toch middel te vinden om kolonel Altamont’s wissel te accepteeren, hoewel tegen wil en dank, want Strong hoorde Sir Francis, onder vele vloeken, den wensch uiten, dat de kolonel in Duitschland voor zijn leven gevangen ware gezet, en dat hij op die wijze voorgoed van hem bevrijd ware geworden.

Sir Francis was genoodzaakt deze gelden voor den kolonel buiten weten van zijne vrouw op te nemen; want ofschoon de goede dame in [337]hare uitgaven zeer mild en zelfs overdadig te werk ging, had zij te gelijk met het groote fortuin van haar vader Snell veel aanleg voor de behandeling van geldzaken van hem geërfd, en legde zij haar man wel eene ruime som toe, maar niet meer dan zij oordeelde dat voor een heer van zijn stand noodig was. Nu en dan gaf zij hem nog iets extra of betaalde eene openstaande speelschuld; maar zij vorderde altijd eene vrij nauwkeurige opgaaf van de onderwerpen, waarvoor die gelden bestemd waren: en wat de subsidiën aan den kolonel betrof, verklaarde Clavering ronduit aan Strong, dat hij zijne vrouw daarover niet kon spreken.

Het verschaffen van deze en andere gelden aan zijn patroon was een gedeelte van mijnheer Strong’s levenstaak; en op de kamers van den chevalier in Shepherd’s Inn hadden talrijke onderhandelingen tusschen heeren van de geldmarkt en Sir Francis Clavering plaats en werden vele banknoten van aanzienlijk bedrag en reepen gezegeld papier over en weer gewisseld. Het schijnt, dat, als iemand sedert zijne jeugd de gewoonte heeft gehad zich in schulden te steken en zijne promessen, om over een jaar te betalen, te verruilen tegen dadelijke geldsommen, een goed geluk hem van duurzaam nut kan zijn; zeer korten tijd na dat tijdperk van voorspoed is de geldschieter weer in huis en komen de wissels met de oude onderteekening weer op de markt. Clavering vond het raadzamer die heeren in Strong’s woning dan in zijn eigen huis te ontvangen; en de chevalier droeg den baronet zulk eene vriendschap toe, dat men, ofschoon hij geen duit bezat, zijn naam als trekker op de meeste wissels kon zien, die Sir Francis Clavering accepteerde. Nadat zij van die acceptatie voorzien waren, ging Strong ze in de City disconteeren. Zoodra de vervaldag naderde, ging hij met de houders der wissels onderhandelen en betaalde hun iets op rekening, of kreeg uitstel tegen nieuwe acceptatiën. De menschen moeten leven, hoe het ook ga, op regelmatige of onregelmatige wijze; en gelijk wij uit den Hongaarschen opstand van 1849 weten, dat het garnizoen van Komorn onbekommerd en vroolijk was, tooneelstukken opvoerde, op de bals danste en kalm de rations opat, ofschoon zij met eene bestorming van de Oostenrijkers en, indien deze de overwinning behaalden, met de galg bedreigd werd, – zoo leven er honderden onversaagde lui te Londen, die levenslustig rondwandelen, elken dag tamelijk vroolijk en overvloedig dineeren, des nachts rustig slapen, en toch altijd een deurwaarder meer of minder dicht in de nabijheid en een strop van schulden om den hals hebben, – kleine beproevingen, welke Ned Strong, de oud-soldaat, zeer kalm doorstond.

Maar wij zullen nog wel nader gelegenheid hebben, met deze en andere belangwekkende bewoners van Shepherd’s Inn kennis te maken, en ondertusschen laten wij Lady Clavering met hare vrienden veel te lang op de stoep in Grosvenor Place wachten.

Het allereerst kwamen zij in de prachtige eetzaal, die op middeleeuwschen stijl was ingericht, ofschoon Lady Clavering, al had het haar leven gegolden, niet had kunnen zeggen waarom dat was geschied, „tenzij,” merkte de eenvoudige vrouw lachend aan, „omdat Clavering en ik menschen van middelbaren leeftijd zijn,” – en thans werd den bezoekers het rijkelijke overschot van het ontbijt aangeboden, waarvan Lady Clavering en Blanche zoo even gebruik hadden gemaakt. Wanneer er niemand bij was, wist onze kleine sylphide, die aan het diner nauwelijks meer dan zes rijstkorreltjes at, gelijk Amina, de vriendin [338]der Ghouls in de Arabische Nachtvertellingen, een geducht gebruik van mes en vork te maken en at zij eene belangrijke hoeveelheid lamscôteletten, in welk soort van huichelarij zij, naar men gelooft, op andere voorname jonge dames geleek. Pen en zijn oom bedankten voor het onthaal, doch betuigden met de noodige complimenten hunne bewondering over den stijl der eetzaal, dien zij „zeer zuiver” noemden, hetgeen de vereischte uitdrukking was. Er stonden Hollandsche stoelen met hooge ruggen uit de zeventiende eeuw; er was een gebeeldhouwd buffet uit de zestiende; een kastje, samengesteld uit de gesneden beschotten eener kerk in de Nederlanden, en eene groote koperen kerkkroon boven de ronde eikenhouten tafel; men zag er oude familieportretten, gekocht bij de kunstkoopers in Wardour Street, en tapijtbehangsels uit Frankrijk, stukken van wapenrustingen, slagzwaarden en strijdbijlen van carton-pierre, spiegels, heiligenbeeldjes en Saksisch porselein, – in één woord, niets kon zuiverder zijn. Achter de eetzaal lag het boekvertrek, voorzien van borstbeelden en boeken, alle van één formaat, en heerlijke armstoelen en statige bronzen groepen in den streng klassieken stijl. Hier, achter dubbele deuren, kwam Sir Francis na het diner eene sigaar rooken, Bell’s Life in London lezen en een slaapje doen, als hij niet in zijne clubs bij het biljart stond te rooken, of in de speelhuizen in St. James op rouge en noir zette.

Maar wat kon den zuiveren smaak der gezelschapszalen evenaren? De tapijten waren zoo dik en donzig, dat uwe voetstappen daarop even weinig gedruis maakten als uwe schaduw; op den witten grond prijkten rozen en tulpen zoo groot als beddepannen, in het rond stonden hooge stoelen, stoelen met gedraaide pooten, stoelen zoo tenger, dat zeker niemand anders dan eene sylphide er op zitten kon, ingelegde tafels met zeldzame nesterijen, porseleinen sieraden uit alle tijden en landen, bronzen beeldjes, vergulde dolken, prachtjaarboekjes, yatagans, Turksche pijpen en doozen Parijsche bonbons. Waar men ook ging zitten, had men herders en herderinnen van Saksisch porselein bij en naast zich; voorts waren er lichtblauwe poedels en eenden en hanen en hennen van porselein; er waren nimfen van Boucher en herderinnen van Greuze, alles inderdaad zeer kuisch; nog zag men er mousselinen gordijnen en brocade gordijnen, vergulde kooien met papegaaien en andere buitenlandsche vogels, twee gillende kakketoes, waarvan de eene de andere trachtte te overschreeuwen en te oversnateren; eene klok, die deuntjes speelde, op eene console, en eene andere op den schoorsteenmantel, die galmende slagen gaf als een torenuurwerk; er was in één woord alles aanwezig, wat de weelde begeeren en de sierlijkste smaak verzinnen kon. Eene Londensche gezelschapszaal, die ingericht is zonder naar kosten te vragen, is ontegenzeglijk eene der verrukkelijkste en merkwaardigste vertooningen van den tegenwoordigen tijd. De Romeinen uit den laatsten tijd van het Romeinsche Rijk, de lieve markiezinnen en gravinnen uit de dagen van Lodewijk XV, kunnen ternauwernood een gekuischter smaak bezeten hebben dan onze tijdgenooten aan den dag leggen; en ieder, die de receptiezalen van Lady Clavering zag, was verplicht te erkennen, dat zij allerelegantst waren, en dat de fraaiste zalen van Londen, die van Lady Harley Quin, die van Lady Hanway, of die van mevrouw Hodge Podgson, de vrouw van den grooten spoorwegkoning, met geen uitstekender „zuiverheid van smaak” waren ingericht. [339]

De arme Lady Clavering had echter weinig verstand van zulke zaken en laboreerde aan een bedroevend gebrek aan eerbied voor de pracht, die haar omringde. „Ik weet alleen, dat het ontzettend veel geld kost, majoor,” voegde zij haar gast toe, „en dat ik niemand raden zou op die teere vergulde stoelen te gaan zitten; één brak er onder mij, den avond toen wij ons tweede diner gaven. Waarom zijt gij ons niet vroeger komen opzoeken? Wij zouden u ook gevraagd hebben.”

„Gij hadt mama zeker gaarne dien stoel willen zien breken, mijnheer Pendennis?” zeide Blanche op spottenden toon, want zij was boos dat Pen met mama praatte en lachte, en omdat mama een aantal verkeerde woorden had gebezigd toen zij haar huis beschreef – en om nog honderd andere zeer geldige redenen.

„Ik had er bij willen zijn, om Lady Clavering den arm te bieden, als zij hem noodig had gehad,” antwoordde Pen met eene buiging en een blos.

Quel preux chevalier!” riep de sylphide uit en wierp haar hoofdje in den nek.

„Herinner u, dat ik medelijden moet hebben met iedereen die valt;” hernam Pen; „ik heb eenmaal zelf dat ongeluk ondervonden.”

„Maar gij keerdet naar kuis terug, om u door Laura te laten troosten,” zeide jufvrouw Amory. Pen schrikte. Hij hoorde zich niet gaarne herinneren aan den troost, dien Laura hem had toegediend, en het deed hem zeer weinig genoegen, dat de afwijzing, die hij van haar ondergaan had, aan de wereld bekend was. Daar hij dus niets wist te antwoorden, begon hij eene verbazende belangstelling in de meubels, die hem omringden, aan den dag te leggen, en den smaak van Lady Clavering ten hoogste te prijzen.

„Prijs mij niet,” gaf de eerlijke Lady Clavering ten antwoord; „het is alles het werk van den behanger en van Strong; zij deden het, terwijl wij nog op het park waren – en – en – Lady Rockminster is hier geweest en heeft gezegd, dat de salons er zeer goed uitzagen,” zeide Lady Clavering, met een gelaat en op een toon, die van grooten eerbied getuigden.

„Mijne nicht Laura logeert thans bij haar,” zeide Pen.

„Ik bedoel de douairière niet, maar de jonge Lady Rockminster.”

„Zoo?” riep majoor Pendennis uit, toen hij dien naam uit de groote wereld hoorde. „Als mylady het goedgekeurd heeft, Lady Clavering, dan kan er niet veel aan ontbreken. Lady Rockminster is, als het ware, het middelpunt van den kring der lieden van aanzien en smaak, Arthur. En de zalen zijn inderdaad zeer fraai!” en toen de majoor dit van de groote dame zeide, sprak hij op fluisterenden toon; en met een eerbied en een ontzag, alsof hij zich in de kerk bevond, liet hij zijn oog door de vertrekken gaan.

„Ja, Lady Rockminster is het eindelijk, die ons onder den arm heeft genomen,” zeide Lady Clavering.

Eigenlijk, mama,” riep Blanche haar met eene schelle stem toe.

„Nu, eigenlijk dan,” zeide mylady: „het is zeer vriendelijk van haar, en wij zullen er ons wel in schikken; maar het is eindelijk – och, eigenlijk – niet altijd pleizierig. Zij regelt onze bals voor ons, en wil de gasten opgeven, die voor onze diners genoodigd moeten worden. Maar dat kan ik niet toelaten; ik wil mijne oude vrienden bij mij zien, en daarom wil ik haar niet al de kaarten laten uitzenden en als een stomme [340]aan het hoofd van mijne eigen tafel zitten. Gij moet bij ons komen eten, Arthur, en gij ook, majoor, – laat eens zien, – den 14den. Het is geen van onze groote diners, Blanche,” sprak zij en keek om naar hare dochter, die zich op de lippen beet en voor eene sylphide een heel zuur gezicht zette.

De majoor antwoordde met een lach en eene buiging, dat hij veel liever in een klein, stil gezelschap dan aan een groot diner wilde komen. Hij had genoeg van die groote partijen gehad en gaf de voorkeur aan de eenvoudigheid van den huiselijken kring.

„Ik vind altijd, dat een diner den tweeden dag het best smaakt,” vervolgde Lady Clavering in de meening dat zij hare eerste rede verbeterde. „Den 14den zullen wij een prettig gezelschapje uitmaken,” bij welken tweeden misslag jufvrouw Blanche hare handen in wanhoop ineensloeg en uitriep: „O mama, vous êtes incorrigible!” Majoor Pendennis verklaarde, dat hij dol was op prettige gezelschapjes, en verwenschte in zijn hart de onbeschaamdheid van mylady, dat zij een man als hem op het overschot van een groot diner durfde vragen. Maar hij was van zuinigen aard, en dus bedenkende, dat hij deze menschen kon laten loopen zoodra zich iets beters opdeed, nam hij de uitnoodiging met een heel kalm gezicht aan. Wat Pen betreft, deze had nog geen dertig jaren dineerens achter den rug en het denkbeeld van een fijn diner in een prachtig huis lachte hem nog altijd toe.

„Wat was dat voor eene kleine woordenwisseling tusschen u en jufvrouw Amory?” vroeg de majoor aan Pen, toen zij heengingen. „Ik dacht, dat gij vroeger met haar au mieux waart?”

Vroeger is eene rekbare uitdrukking als het eene vrouw betreft,” gaf Pen op fatterigen toon ten antwoord, „Was en is zijn twee verschillende woorden, oom, vooral als er vrouwenharten bij betrokken zijn.”

„Och, zij veranderen evenals wij,” hernam de oude heer. „Ik herinner mij nog, dat er, toen wij de Kaap de Goede Hoop bemachtigd hadden, eene dame was, die voorgaf zich te willen vergiftigen om den wille van uw onderdanigen dienaar; en voor den drommel, binnen drie maanden liep zij van haar man weg en ging met een ander op de vlucht! Verslinger u niet aan die jufvrouw Amory. Zij is vrijmoedig, nuffig en slecht opgevoed, en hare positie is eenigszins – nu, dat doet er niet toe. Maar denk niet om haar; tien duizend pond is niet genoeg voor u. Wat is tien duizend pond, beste jongen? Men zou met de renten ternauwernood de modemaakstersrekening van dat meisje kunnen voldoen.”

„Gij schijnt een kenner van modemaaksterszaken te wezen, oom,” zeide Pen.

„Dat ben ik ook geweest, mijnheer,” antwoordde de majoor; „en een oud krijgsros kan de trompet niet hooren, of het begint te brieschen, begrijpt ge!” en te gelijk begroette hij een voorbijrijdend rijtuig, dat het Park binnenrolde, met een blik en eene buiging, die bestemd waren diepen indruk te maken, maar er wel wat ouderwetsch uitzagen.

„Het rijtuig van Lady Catherine Martingale,” zeide hij; „geweldig, mooie meisjes, die dochters, ofschoon ik mij hare moeder nog zeer goed herinner, die duizendmaal mooier was. Neen, Arthur, beste jongen, met uw voorkomen en vooruitzichten moet gij eenmaal een goeden coup in zaken van huwelijk doen; en ofschoon ik dit niet zou willen zeggen op Fairoaks, jonge guit! ha, ha! doet eene reputatie van een beetje [341]ondeugend, ja een homme dangereux te zijn, een jonkman geen kwaad bij de vrouwen. Het bevalt haar, mijnheer – zij hebben een hekel aan een melkbaard. Jongelui moeten jongelui zijn, weet ge. Maar wat het huwelijk betreft,” ging de oude zedemeester voort, „dat is geheel wat anders! Trouw eene vrouw met geld. Ik heb u reeds vroeger gezegd, dat men even gemakkelijk eene rijke als eene arme vrouw kan krijgen; en dat het verduiveld veel pleizieriger is bij een goed toebereid diner aan te zitten, met uwe kleine entrées behoorlijk opgediend, dan niets te hebben dan een verd – koude schapebout voor u en uwe vrouw. Wij zullen den 14den een lekker diner hebben, als wij bij Sir Francis Clavering gaan; laat het daarbij blijven met die familie, mijn jongen. Houd hen aan, maar alleen om te dineeren. Wacht u verder voor jeugdige dwaasheden en dien onzin van liefde in een hutje van klei.”

„Het moet een hutje met koetshuis en stalling zijn, oom,” zeide Pen, zinspelende op het algemeen bekende liedje van den Duivelstocht; maar zijn oom kende dat gedicht niet (ofschoon het niet onmogelijk is, dat hij Pen juist tot dat reisje voorbereidde) en ging met zijne wijsgeerige opmerkingen voort, waarbij hij met de vatbaarheid van den leerling, tot wien hij ze richtte, zeer ingenomen was. Arthur Pendennis was ook inderdaad een handelbare jongen, die gereedelijk den toon van zijn buurman aannam en dit maar al te gemakkelijk vond.

De brompot Warrington gromde, dat Pen zulk een fat werd, dat hij spoedig onuitstaanbaar zou wezen. Maar eigenlijk was de voorspoed en de levenslust van den jonkman een prettig iets voor zijn ouderen makker. Deze zag Pen gaarne opgeruimd en dartel, overvloeiende van gezondheid, leven en hoop, evenals iemand, die sinds lang geen vermaak meer vindt in paillas en harlekijn, nog altijd genoegen schept in het genot, dat een kind van de pantomime heeft. Mijnheer Pen’s vroegere neerslachtigheid verdween met de komst van meerderen voorspoed, en toen de zon hem begon te beschijnen, look hij weer op.