Op den bepaalden dag ging majoor Pendennis, die geene betere uitnoodiging gekregen had, met Arthur, die geene betere verlangde, ten huize van Sir Francis Clavering dineeren. Toen Pen en zijn oom de gezelschapszaal binnentraden, vonden zij daar niemand dan Sir Francis, zijne vrouw en onzen vriend kapitein Strong, dien Arthur blij was weer te zien, terwijl de majoor hem zeer zuur aankeek, daar hij in het geheel niet gestreeld was door het vooruitzicht van aan te zitten met Clavering’s verd–n hofmeester, gelijk hij Strong zeer oneerbiedig noemde. Maar toen mijnheer Welbore, wiens landgoed naast dat van Clavering lag en die zijn medelid in het parlement was, spoedig daarop binnenkwam, werd de oude Pendennis weer wat tevreden gesteld, want, ofschoon Welbore zeer droog was en even weinig deel nam aan het gesprek bij tafel als de knecht achter zijn stoel, was hij een aanzienlijk landjonker van oude afkomst, met een inkomen van zeven duizend pond ’s jaars; en in zulk gezelschap gevoelde de majoor zich altijd op zijn gemak. [342]Hierop volgden nog andere aanzienlijke personen: de douairière Lady Rockminster, die hare redenen had om op goeden voet met de familie Clavering te willen staan, en Lady Agnes Foker, met haar zoon Henry, onzen ouden bekende. Mijnheer Pynsent kon niet komen, daar zijne parlementaire plichten hem noodzaakten in het Lagerhuis te blijven, ofschoon de twee andere wetgevers die plichten van hun kant zeer licht telden. Jufvrouw Blanche Amory was de laatste van het gezelschap, die verscheen. Zij was in een verrukkelijk wit zijden kleedje gedost, dat hare blanke schouders op het voordeeligst deed uitkomen. Foker fluisterde aan Pen, die haar met blijkbare bewondering aanzag, de woorden in het oor, dat hij haar als een „dooddoener” beschouwde. Zij vond goed zich heden zeer beminnelijk jegens Arthur te gedragen, stak hem op de hartelijkste wijze de hand toe, sprak over het mooie Fairoaks, vroeg naar de lieve Laura en zijne moeder, zeide, dat zij er naar snakte om weer naar buiten te gaan, en was in één woord volkomen eenvoudig, minzaam en natuurlijk.
Henry Foker verbeeldde zich nog nooit zulk een beminnelijk en bekoorlijk meisje gezien te hebben. Hij was het gezelschap van dames niet gewoon en zat er meestal sprakeloos bij; maar hij bemerkte, dat hij in tegenwoordigheid van jufvrouw Amory spreken kon, en daardoor werd, hij ongehoord levendig en woordenrijk, zelfs voordat het diner opgedragen en het gezelschap naar de benedenvertrekken gegaan was. Hij zou gaarne zijn arm aan de schoone Blanche gegeven en haar de met tapijten belegde breede trap afgevoerd hebben; maar zij viel bij deze gelegenheid aan Pen ten deel, daar mijnheer Foker, ten gevolge van zijn hoogeren rang als kleinzoon van een graaf, aangewezen werd om mevrouw Welbore-Welbore te geleiden.
Maar ofschoon Foker toen zij naar beneden gingen van het voorwerp zijner wenschen gescheiden was, stond hij verrukt dat hij zich aan tafel weer aan de zijde van jufvrouw Amory bevond, en hij vleide zich, dat die gezegende plaats het gevolg was van zijne behendige kunstgrepen. Het is echter zeer waarschijnlijk, dat die regeling niet zijn werk, maar dat van iemand anders was. Blanche had aldus de beide jonge heeren tot hare bevelen, één aan elke zijde, en ieder hunner trachtte zoo galant en innemend mogelijk te zijn.
Foker’s mama, die van hare plaats het oog op haar lieveling had, stond verbaasd over zijne levendigheid, want Henry sprak aanhoudend tegen zijne schoone buurvrouw over al de onderwerpen van den dag.
„Hebt ge Taglioni in de Sylphide gezien, jufvrouw Amory? Breng mij die suprême de volaille nog eens,” (dit werd gesproken tot den knecht in zijne nabijheid); „dank je! Waar de suprêmes toch vandaan komen? ik zou wel eens willen weten waar de pooten der vogels blijven? Zij is betooverend in de Sylphide, niet waar?” en daarop was hij zoo vriendelijk het lieve air te gaan neuriën, dat door dat liefste aller balletten heenloopt, hetwelk nu met die schoonste en bevalligste aller danseressen tot het verledene behoort. Zullen de jongelieden ooit iets zoo bekoorlijks, zoo klassieks, – ooit iets als Taglioni weerzien?
„Jufvrouw Amory is zelve eene sylphide,” zeide Pen.
„Wat hebt gij eene heerlijke tenorstem, mijnheer Foker,” zeide de jonge dame. „Gij hebt ongetwijfeld goed onderricht gehad. Ik zing zelve een weinig en zou wel eens met u willen zingen.”
Pen herinnerde zich, dat de jonge dame bijna gelijkluidende woorden [343]tot hèm had gericht en in vroegere dagen zoo gaarne met hèm had gezongen. En daarover bij zich zelven smalende, kwam de nieuwsgierige vraag bij hem op, met hoeveel andere heeren zij wel sedert dien tijd duetten zou gezongen hebben? Doch hij achtte het niet raadzaam, die onbescheiden vraag hardop te doen, en zeide dus alleen, met de teerste uitdrukking, die hij op zijn gelaat kon roepen: „Ik zou u wel gaarne eens weer hooren zingen, jufvrouw Blanche; ik weet niet dat ik ooit eene stem gehoord heb, die mij zóó beviel als de uwe.”
„Ik dacht, dat gij die van Laura zoo mooi vondt,” antwoordde jufvrouw Blanche.
„Die van Laura is eene alt, en die stem is, gelijk gij weet, dikwijls van streek,” hernam Pen bits. „Ik heb te Londen veel muziek gehoord,” ging hij voort. „Maar die zangers van beroep vervelen mij, want zij schreeuwen te hard, of ik ben te oud, of wel te veel blasé geworden. Men wordt te Londen zeer spoedig oud, jufvrouw Amory. En evenals alle oude menschen, stel ik alleen nog belang in de liederen, die ik in mijne jeugd gehoord heb.”
„Ik houd het meest van Engelsche muziek, en geef niet veel om vreemde liederen. Geef mij wat van dat lamsvleesch,” zeide mijnheer Foker.
„Ik ben dol op Engelsche balladen,” zeide jufvrouw Amory.
„Wilt ge na het diner een der oude liederen voor mij zingen?” vroeg Pen met smeekende stem.
„Wil ik na het diner een Engelsch liedje voor u zingen?” vroeg de sylphide aan mijnheer Foker, tot wien zij zich keerde. „Als gij belooft spoedig boven te komen, zal ik het doen,” en bij deze woorden gaf zij hem de volle laag uit hare oogen.
„Nu, ik zal spoedig genoeg na het diner komen,” zeide hij met eenvoudigheid. „Ik geef niet veel om wijn na tafel – onder het diner neem ik mijne lading in – gebruik ik mijn aandeel, weet ge; en als ik genoeg heb, kom ik aan de thee. Ik ben van huiselijken aard, jufvrouw Amory; ik ben een zeer eenvoudig mensch, en als ik mijn zin krijg, ben ik doorgaans in een goed humeur, niet waar, Pen? Die gelei, als het u belieft – niet die, – die andere, met de kersen er in. Hoe krijgen zij toch die kersen binnen in de gelei?” En op die wijze praatte de argelooze jonkman altijd door, en jufvrouw Amory luisterde naar hem met onverstoorbare kalmte. Toen de dames naar de bovengewesten vertrokken, perste Blanche de beide jonge heeren de stellige belofte af, dat zij de tafel spoedig zouden verlaten, waarna zij met een vriendelijken blik voor elk van hen vertrok. Zij liet hare handschoenen naast Foker en haar zakdoek naast Pen vallen. Aan elk van beiden bewees zij deze of gene kleine oplettendheid; hare beleefdheid gaf wellicht aan mijnheer Foker een weinig meer voet dan hare vriendelijkheid aan Pen; maar het welwillende schepseltje deed haar best, om de beide heeren genoegen te doen. Foker ving haar laatsten blik op, toen zij de deur uitsnelde; die schitterende blik gleed over het breede witte vest van mijnheer Strong heen en trof Henry recht in het hart. De deur ging achter de toovenares toe, en hij zette zich met een zucht neder en zond een glas wijn naar binnen.
Daar het diner, waaraan Pen en zijn oom deel namen, niet tot de groote partijen behoorde, was het aanmerkelijk vroeger opgedragen dan [344]die plechtige feestmalen van het Londensche seizoen, welke volgens het ingevoerde gebruik weinig vroeger dan negen ure aanvangen; en daar het gezelschap slechts klein was en jufvrouw Blanche, die gaarne aan de piano in de gezelschapszaal wilde gaan, aanhoudend hare moeder wenkte om op te staan, gaf Lady Clavering daartoe spoedig het sein, zoodat het nog volle daglicht was toen de dames in de bovenvertrekken terugkeerden, van welker met bloemen beladen balkons zij het uitzicht hadden op de twee Parken, op de arme echtparen en kinderen, die nog door het eene park drentelden, en op de equipages met dames en de paarden der dandy’s, die de poort van het andere doorreden. Kortom, de zon was nog niet achter de olmboomen van Kensington Gardens ondergegaan en verguldde nog het standbeeld, dat de dames van Engeland ter eere van zijne genade den hertog van Wellington opgericht hebben, toen Lady Clavering en hare vriendinnen de heeren bij den wijn achterlieten.
De vensters der eetzaal stonden open, om de versche lucht binnen te laten, en gaven dus aan de voorbijgangers een aangenaam of wellicht tergend gezicht op zes heeren met witte vesten, die een aantal karaffen en allerlei soorten van vrachten voor zich hadden; straatjongens, die onder het voorbijgaan tegen het hek opklommen, om eens een kijkje te nemen, zeiden tegen elkander: „Hi, hi, Jan, zoudt ge daar ook niet eens willen zitten en een stukje van die ananas proeven?” – de paarden en rijtuigen van den adel reden voorbij en brachten hunne vrachten naar Belgravia, om toilet te maken; de agent van politie liep met zware stappen voor de huizen op en neer; de avondschemering viel; de lantarenaansteker kwam en deed het gas voor de deur van Sir Francis ontvlammen; de hofmeester trad de eetzaal binnen en ontstak de antieke Gothische kroon boven de antieke eettafel van gesneden eikenhout; en dus zag men van buiten een avondtafereel van feestgenot en waskaarsen daar binnen; en van binnen af had men het gezicht op een stillen zomeravond en den muur van St.-Jamespark en de lucht daar boven, waarin juist een paar sterren begonnen te flikkeren.
James, die met gekruiste beenen tegen den deurpijler van zijn meesters huis stond te leunen, keek peinzend naar dit laatstgenoemde kalme tafereel, terwijl een toeschouwer, die zich aan het hek had vastgeklemd, het eerstgenoemde tooneel beschouwde. De diender X., die voorbijging, vestigde zijne aandacht op geen van beiden, maar wel op den man, die de staven van het hek vastklemde en in Sir Francis Clavering’s eetzaal keek, waar Strong, die het woord voor het gansche gezelschap voerde, zat te lachen en te praten.
De man aan het hek was prachtig uitgedost met kettingen, juweelen en een sierlijk vest, al hetgeen door de lichten in het huis zeer gunstig uitkwam; zijne laarzen glommen; hij had koperen knoopen aan zijn rok en groote witte manchetten over zijne handen; kortom, hij zag er zoo voornaam uit, dat X. zich verbeeldde, dat hij een lid van het parlement of een persoon van aanzien voor zich had. Dat parlementslid, of die persoon van aanzien, wat zijn rang dan ook wezen mocht, was zeer opgewonden van den wijn, want hij wankelde en struikelde onder het gaan, en zijn hoed stond zoo schuins boven zijne woeste en met bloed beloopen oogen, als nooit een nuchtere hoed had kunnen staan. Zijn dik zwart haar was blijkbaar valsch, en zijne bakkebaarden kon men bij het purper van Tyrus vergelijken. [345]
Toen de lach van Strong, die op een zijner eigen gros mots volgde, door het venster naar buiten galmde, lachte en giggelde de heer aan het hek eveneens op de zonderlingste wijze, sloeg op zijne dij en keek naar James, die onder de portiek stond te peinzen, alsof hij zeggen wilde: „Jantje! beste jongen, is dat geen mooie historie?”
James’ aandacht was langzamerhand van de maan aan het hemelruim naar dit ondermaansche tooneel afgedwaald; en hij was verwonderd en ontsteld over de verschijning van den man met de glimmende laarzen. „Een twist,” merkte hij naderhand in de bediendenkamer op, „een twist met een kerel op straat dient nergens toe, en daar ben ik ook niet op gehuurd.” Na dus den man, die bleef lachen en zwaaien en met dronken gemeenzaamheid hem toeknikte, eenigen tijd in het oog gehouden te hebben, keek James uit de portiek naar buiten, riep zachtkens: „Diender!” en wenkte dien ambtenaar tot zich.
X. kwam dadelijk bij hem, met een zijner garen handschoenen in den gordel gestoken, en James wees eenvoudig met den voorvinger zijner rechterhand naar den persoon, die aan het hek stond te lachen. Geen enkel woord meer dan „diender” zeide hij, maar stond daar in den kalmen zomeravond kalm te wijzen: het was een verheven schouwspel.
X. begaf zich naar den aangewezen persoon en zeide: „Wilt gij zoo goed zijn, mijnheer, door te gaan?”
De vreemdeling, die in een zeer goed humeur was, scheen geen woord van den politieagent te verstaan, maar bleef grinnikend tegen Strong knikken, tot zijn hoed bijna van zijn hoofd binnen het hek viel.
„Kom, mijnheer, ga door: hoort gij mij niet?” riep X. op veel gebiedender toon, en raakte den vreemdeling zachtkens met een der vingeren aan, die in de garen handschoenen besloten waren.
De man met zijn overvloed van ringen schrikte of liever sprong achteruit in eene houding van zelfverdediging, begon den diender te dreigen en betoonde zich dapper en krijgshaftig, al was hij wat onvast op de beenen. „Hola! houd je handen van een gentleman af!” riep hij uit met een vloek, welken wij niet behoeven te herhalen.
„Ga van hier weg,” zeide X., „en belemmer de passage niet, door zoo in de eetkamers binnen te kijken.”
„Niet kijken – ho, ho! – niet kijken, – dat is wat moois!” hernam de ander met een spottenden grijns. „Wie zal mij beletten naar mijne vrienden te kijken als ik het goedvind? Gij niet, ouwe!”
„Vrienden? dat kunt ge begrijpen! Ga door!” antwoordde X.
„Als gij mij met een vinger aanraakt, vlieg ik je aan,” bulderde de ander. „Ik zeg je, dat ik hen allen ken: Dát is Sir Francis Clavering, baronet en lid van het parlement – ik ken hem en hij kent mij – en dát is Strong, en dát is de jonge snaak, die dat rumoer op het bal maakte. Strong! zeg eens, Strong!”
„Dat is die verd– Altamont,” riep de verschrikte Sir Francis daar binnen, met een zeer beangsten blik, terwijl Strong, eveneens met eene uitdrukking van ergernis op zijn gelaat, van de tafel opsprong en naar den indringer daar buiten liep.
Een heer met een wit vest, die blootshoofds uit eene eetzaal op straat vloog, een agent van politie en een fatsoenlijk gekleed persoon, die bijna aan het vechten waren, dit was genoeg om zelfs in die stille buurt ’s avonds ten half negen ure een oploop te veroorzaken, zoodat er dan ook eenige menschen voor Sir Francis Clavering’s deur begonnen samen te [346]te scholen. „Kom, in ’s hemels naam, binnen,” riep Strong, greep zijn bediende bij den arm, en zeide op zachten toon tegen den lakei: „James, wees zoo goed eene vigilante te laten halen,” waarop hij den opgewonden heer binnenbracht; de buitendeur werd gesloten en de kleine samenscholing ging uiteen.
Mijnheer Strong was voornemens geweest den vreemde in Sir Francis’ zitkamer te brengen, waar de hoeden der heeren hen lagen te wachten, en, na hem daar met zachte woorden tot bedaren gebracht te hebben, hem weg te brengen zoodra de vigilante voorkwam. Maar de kolonel gloeide van verontwaardiging over de beleediging, die hem was aangedaan, en zeide, toen Strong hem naar die andere deur leidde, met eene beschonken stem: „Dat is de deur niet – dat is de deur van de eetzaal, waar zij aan het drinken zijn, – ik ga daar binnen, want ik moet ook wat hebben, voor den drommel; ik moet ook wat hebben!” De hofmeester, die zich in de vestibule bevond, stond versteend over zooveel onbeschaamdheid en plaatste zich voor de deur der eetzaal, maar deze ging achter hem open en de heer des huizes vertoonde zich met onthutste gelaatstrekken op den drempel.
„Ik moet wat hebben, bij –, dat moet ik,” schreeuwde de indringer toen Sir Francis verscheen. „Hola! Clavering, ik ben gekomen om een glaasje met je te drinken, – hè, ouwe jongen? hè, ouwe vrek? Een flesch van je geellak, ouwe! – de allerbeste, van honderd roepijen de kist.”
De gastheer dacht een oogenblik over zijn gezelschap na. Daar is, dacht hij, alleen Welbore, Pendennis, en die twee jongens – en met een gedwongen lach en een pijnlijk gezicht zeide hij: „Wel, kom binnen, Altamont. Het doet mij genoegen u te zien.”
Kolonel Altamont – want de scherpzinnige lezer zal in den vreemdeling reeds lang zijne excellentie den ambassadeur van den nabob van Lucknow herkend hebben – waggelde de eetzaal binnen, met een zegestralenden blik op James, den lakei, alsof bij zeggen wilde: „Nu, kereltje, wat zeg je dáárvan? Ben ik nu een gentleman of niet?” en viel toen op den eersten den besten leegen stoel neer. Met bedeesde stem stamelde Sir Francis Clavering den naam van den kolonel tegen zijn gast, mijnheer Welbore-Welbore, en zijne excellentie begon dadelijk wijn te drinken en het gezelschap rond te kijken, nu eens met verbazend dreigende blikken en dan weer met zijne behaaglijkste lachjes, en hikte onderwijl allerlei lofspraken op den wijn, welken hij gebruikte.
„Zeer zonderling man. Heeft lang aan een inlandsch hof in Indië vertoefd,” zeide Strong, met den grootsten ernst, want de chevalier verloor nooit zijne tegenwoordigheid van geest. „Men doet aan die Indische hoven allerlei vreemde gewoonten op.”
„Zeer vreemde,” herhaalde majoor Pendennis droogjes en zat zich af te vragen in welk gezelschap hij geraakt was?
Mijnheer Foker zag den nieuw aangekomene met genoegen. „Dat is de man, die in de Achterkeuken dat Maleische liedje wilde zingen,” fluisterde hij Pen toe. „Proef die ananas eens, mijnheer,” voegde hij vervolgens Altamont toe; „zij is overheerlijk.”
„Ananas! Ik heb de varkens met ananassen zien voeren,” zeide de kolonel.
„Al de varkens van den nabob van Lucknow worden met ananassen gevoerd,” fluisterde Strong den majoor in het oor. [347]
„O, natuurlijk,” antwoordde de majoor. Sir Francis Clavering trachtte zich ondertusschen tegen Welbore te verontschuldigen over den toestand, waarin de vreemdeling zich bevond, en mompelde zoowat dat Altamont een zeer zonderling mensch en zeer excentriek was, Indische gewoonten had aangenomen en de regels der Engelsche samenleving niet kende, waarop Welbore, een slim oud heertje, die zijn glas zeer regelmatig ledigde, ten antwoord gaf, „dat dit wel te zien was.”
Daarop kreeg de kolonel Pen’s open gelaat in het oog, keek hem eenige oogenblikken met zooveel vastheid aan als zijn toestand veroorloofde, en zeide toen: „Ik ken je ook, jongmensch! Ik herinner mij u van het bal te Baymouth. Gij wildet met een Franschman vechten. Ik herinner mij u zeer goed,” en daarop begon hij te lachen en de vuisten te ballen en scheen zich tot op den dronken bodem zijner ziel te vermaken, terwijl deze herinneringen hem door het brein schoten of liever waggelden.
„Mijnheer Pendennis, gij herinnert u zeker kolonel Altamont uit Baymouth nog wel?” zeide Strong, waarop Pen, met eene tamelijk stijve buiging, antwoordde, „dat hij het genoegen had zich hem zeer wel te herinneren.”
„Hoe heet hij?” riep de kolonel, waarop Strong mijnheer Pendennis nogmaals noemde. „Pendennis? Laat Pendennis naar den drommel loopen!” bulderde Altamont tot ieders verbazing uit, terwijl hij met zijne vuist op de tafel sloeg.
„Ik heet óók Pendennis, mijnheer,” zeide de majoor, wiens waardigheid boven alle beschrijving gekrenkt was door de gebeurtenissen van dezen avond, door de vernedering dat men hèm, majoor Pendennis, op zulk eene partij had durven vragen, en door de introductie van een dronken persoon in zijn gezelschap. „Ik heet óók Pendennis, en gij zult mij genoegen doen, dien naam niet zoo hardop te verwenschen.”
Kolonel Altamont wendde zich om, ten einde den majoor aan te zien, en scheen van dat gezicht plotseling nuchter te worden. Hij wreef zich het voorhoofd en verschoof daardoor zijne zwarte pruik een weinig. Met een vlammenden blik keek hij den majoor aan, die van zijn kant, als een onversaagd oud soldaat, zijn tegenstander zeer scherp en onafgewend bleef aanstaren. Na deze wederzijdsche inspectie begon Altamont zijn rok met de koperen knoopen dicht te maken, stond plotseling van zijn stoel op en waggelde, tot verbazing van al de aanwezigen, naar de deur, die hij, door Strong op den voet gevolgd, uitging; het eenige wat Strong hem nog hoorde mompelen, was: „Kaptein Snavel, kaptein Snavel, zoo waar ik leef!”
Er was geen kwartier verloopen tusschen zijne onverwachte verschijning en zijn even onverwacht vertrek. De beide jonge heeren en de oude Welbore verwonderden zich over dit vreemd tooneel en konden het zich niet verklaren. Clavering was buitengemeen bleek en ontroerd en wendde zich met angstige blikken tot majoor Pendennis, die zijn gastheer eenige oogenblikken zeer scherp had aangezien. „Kent gij hem?” vroeg Sir Francis aan den majoor.
„Ik weet zeker, dat ik den kerel vroeger ergens gezien heb,” antwoordde de majoor, met een gezicht alsof hij ook niet zeker van zijne zaak was. „Ja, nu ben ik er! Het was een deserteur van de rijdende artillerie, die dienst nam bij den nabob! Ik herinner mij zijn gezicht zeer goed.” [348]
„O!” zeide Clavering met een zucht, die bewees dat hem een pak van het hart genomen was, en de majoor zag met eene flikkering zijner slimme oude oogen naar hem op. De vigilante, die Strong had laten ontbieden, reed met den chevalier en kolonel Altamont weg; er werd koffie gebracht voor de achtergebleven heeren, die daarop naar de dames in de gezelschapszaal gingen, terwijl Foker aan Pen verklaarde, „dat dit de zonderlingste kerel was, dien hij ooit had ontmoet,” hetgeen Pen lachend deed antwoorden, „dat dit bewees, dat Foker een fijn opmerker was.”
Jufvrouw Amory maakte nu, volgens hare belofte, muziek voor de jonge heeren. Foker stond verrukt over de gaven, die zij ten toon spreidde, en was zoo goed zijne stem aan de hare te paren, als hij de muziek kende. Pen veinsde zich alleen met andere leden van het gezelschap te willen ophouden, maar Blanche trok hem spoedig aan de piano door zijne eigen verzen te zingen, het gedicht namelijk, dat wij in een vorig hoofdstuk hebben meegedeeld, en hetgeen de sylphide zelve, naar zij zeide, op muziek had gezet. Ik kan niet verzekeren in hoeverre de melodie van haar zelve was, of hoeveel Signor Twankidillo, die haar les gaf, daarvan voor haar gearrangeerd had; maar, of de muziek goed of slecht, oorspronkelijk of wat anders was, zeker is het, dat zij mijnheer Pen verheugde, die naast haar kwam staan en nu de muziekbladen zeer vlijtig voor haar omsloeg. „Och, wat zou ik niet willen geven, om verzen te kunnen schrijven zooals gij, Pen!” bekende Foker later met een zucht aan zijn vriend. „Ik verzeker u, dat ik het doen zou, als ik het maar kon! Maar, ge weet, ik was nooit een held in het schrijven, en het spijt mij nu wel, dat ik op school zoo lui ben geweest.”
In tegenwoordigheid van de dames werd er niet gezinspeeld op het merkwaardige tooneeltje, dat beneden had plaats gehad, ofschoon Pen juist op het punt stond het aan jufvrouw Amory te beschrijven, toen die jonge dame naar kapitein Strong vroeg, met wien zij een duet wenschte te zingen. Toevallig naar Sir Francis Clavering ziende, nam Pen eene uitdrukking van buitengewone ongerustheid op diens gewoonlijk nietsbeteekenend gezicht waar, en daarom besloot hij maar te zwijgen. Het was een vrij vervelende avond. Welbore dutte in, gelijk hij na een diner en onder muziek altijd deed; en majoor Pendennis onthaalde de dames niet op tal van anekdotes en eindelooze, ondeugende geschiedenissen, gelijk hij anders gewoon was, maar zat meerendeels stil, en scheen te luisteren naar de muziek en de jonge en schoone musicienne te bewonderen.
Toen het uur van vertrek gekomen was, stond de majoor op en betuigde zijn leedwezen, dat zulk een genoeglijke avond zoo snel was voorbijgegaan, waarbij hij inzonderheid zijn compliment aan jufvrouw Amory maakte over haar heerlijk talent voor den zang. „Lady Clavering,” zeide hij, „uwe dochter is volmaakt een nachtegaal, volmaakt een nachtegaal, op mijn woord! Ik heb zelden iemand gehoord, die met haar vergeleken kan worden, en hare uitspraak van alle talen – ja, van alle talen – houd ik voor onberispelijk. De beste huizen van Londen moeten open staan voor eene jonge dame met zulke talenten en – vergun een oud man het te zeggen, jufvrouw Amory – voor zulk een gezichtje.”
Blanche stond even verbaasd over dit compliment als Pen, die zijn [349]oom nog zoo kort geleden in zeer af keurenden zin over de sylphide had hooren spreken. De majoor en de beide jonge heeren gingen te voet naar huis, nadat mijnheer Foker zijne moeder in haar rijtuig geholpen en zich een vlammetje voor eene reusachtige sigaar verschaft had.
Of het gezelschap, òf de tabak van Foker behaagde majoor Pendennis niet, want hij wierp verscheidene malen een schuinen blik op hem, waaruit duidelijk zijn wensch sprak, dat de jonge heer afscheid zou nemen; maar Foker bleef zich aan oom en neef vastklemmen en vergezelde hen tot zelfs aan de woning van den eerstgenoemde in Bury Street, waar de majoor de jongelieden goedennacht wenschte.
„Zeg eens, Pen,” zeide de majoor fluisterend tegen zijn neef, dien hij teruggeroepen had, „denk er aan, morgen eene visite in Grosvenor Place te gaan maken. Zij zijn buitengemeen beleefd geweest, – verbazend beleefd en vriendelijk.”
Pen beloofde het, vol verwondering, en toen Morgan de deur achter den majoor gesloten had, nam Foker den arm van Pen en wandelde, onder het rooken zijner sigaar, een tijdlang in stilte met hem voort. Toen zij eindelijk, op Arthur’s weg naar den Temple, Charing Cross bereikt hadden, luchtte Henry Foker zijn hart, en barstte los in die lofrede op de dichtkunst en dat beklag over zijne verwaarloosde jeugd, waarvan wij hierboven gesproken hebben. En den ganschen weg door het Strand en tot aan de trap van Pen, op het Lamb Court in den Temple, hield de jonge Henry Foker niet op met geestdrift over het zingen en over Blanche Amory zelve uit te weiden. [1]