In den George teruggekomen, zetten mijnheer Foker en zijn gast zich tot een fijnen maaltijd in de koffiekamer neer, waar Rincer den eersten schotel met eene zoo diepe buiging opbracht, alsof hij den lord-stadhouder van het graafschap bediende. Mijnheer Foker viel op de schildpadsoep en het wild met dezelfde graagte aan, die hij het jaar te voren aan den dag had gelegd, toen hij feest vierde met gemberbier en binnengesmokkelde taartjes. Pen moest wel ontzag voor hem als kenner krijgen, toen hij den champagne voor afgekeurden bessenwijn uitmaakte, maar bij den portwijn knipoogde. Dezen laatsten verklaarde hij voor echt, terwijl hij aan de knechts verzekerde, dat men hèm niet „beet” kon nemen. Hij kende al die gedienstige geesten bij hunne vóórnamen, en legde voor hunne huisgezinnen eene groote belangstelling aan den dag; en toen de Londensche diligences voorkwamen, welke in die dagen van den George afreden, wierp Foker het venster der koffiekamer open, riep de conducteurs en koetsiers ook bij hunne vóórnamen aan, vroeg evenzeer naar hunne respectieve familiën, en bootste met groote levendigheid en juistheid het hoorngetoet na, toen Jaap de stalknecht de dekkleeden van de paarden afwipte, en de diligences lustig wegreden.
„Eene flesch sherry, eene flesch champagne, eene flesch port en een kop koffie, – dat is nog al zoo kwaad niet, niet waar, Pen?” zeide Foker, en verklaarde, nadat al die lekkere dingen en een aantal noten en vruchten verbruikt waren, dat het tijd was om uit te rukken. Pen sprong met fonkelende oogen en een gloeiend gezicht van zijn stoel op, en beiden begaven zich naar den schouwburg, waar zij hun geld neerpasten bij de aamechtige oude jufvrouw, die in het hokje van den kassier zat te sluimeren. „Mevrouw Dropsicum, Bingley’s schoonmoeder, maak effect als Lady Macbeth,” zeide Foker tot opheldering aan zijn metgezel. Foker kende haar ook al. [32]
Zij konden bijna overal gaan zitten waar zij wilden in de loges van den schouwburg, die niet beter bezet was dan de schouwburgen in de provinciën doorgaans zijn, in weerwil van het „buitengewone succes en den ontzaglijken toeloop,” waarvan Bingley in de tooneel-affiches gewaagde. De banken van het parterre waren met een paar dozijn menschen bezet, op de galerijen stonden nog eenigen te stampen en te fluiten, en een dozijn anderen, die vrijkaartjes hadden gekregen, bevonden zich in de loges, waar onze jonge heeren zaten. De eerste luitenants Rodgers en Podgers en de tweede luitenant Tidmus, allen van de dragonders, hadden eene afgehuurde loge. De acteurs speelden genoegzaam alleen met het oog op deze heeren, die als het ware gesprekken met hen voerden als zij niet in hunne rol behoefden te spreken, en hen bij het applaudisseeren luidkeels met name noemden.
Bingley, de regisseur, die zich met al de groote tragische en comische rollen belastte, behalve wanneer hij bescheiden terugweek voor de beroemde acteurs uit Londen, die eene enkele maal naar Chatteries kwamen, was groot in de rol van den Vreemdeling. Hij droeg dan de nauwsluitende broek en de ruiterstevels, welke die miskende man volgens de tooneeloverlevering dragen moet, met een wijden mantel en een breedgeranden hoed en eene melancholische pluim, die over zijn oud en gerimpeld gelaat neergolfde en slechts ten deele zijne bruine krulpruik bedekte. Hij had dan de tooneeljuweelen ook aan, waaruit hij de grootste en flonkerendste ringen koos; en nu en dan kwam uit zijn mantel zijn pink te voorschijn met een valschen juweelen ring aan het eerste lid, dien hij in de oogen der toeschouwers in den bak liet flikkeren. Bingley rekende het de jongere leden van het tooneelgezelschap als eene gunst aan, dat zij in vroolijke blijspelrollen met dien ring mochten pronken. Het vleide hem als zij naar de geschiedenis van dat kleinood vroegen. Het tooneel heeft evengoed als de kroon en de aanzienlijke geslachten zijne erfjuweelen. Deze ring had aan George Frederik Cooke behoord, die hem van Quin had, die hem – misschien voor een shilling had gekocht. Bingley verbeeldde zich, dat de wereld betooverd werd door den luister van het gesteente.
Hij las uit het tooneelboek voor – dat verbazende tooneelboek, dat ingebonden is gelijk geen ander boek ter wereld, maar geblanket en opgeschikt gelijk de held of de heldin, die het vasthoudt, en wel op eene wijze zooals nooit iemand een boek vasthoudt; en die dan met zijn vinger op een regel wijst, en vervolgens oog en vinger naar de zoldering opheft en zich houdt alsof hij innigen troost put uit het werk, dat in eene zoo nauwe betrekking staat tot den hemel. Ieder, die ooit onzen grooten comiek X., in eene chitsen kamerjapon zooals nooit iemand droeg, gezien heeft, wanneer hij zich voordoet als een jong ongetrouwd edelman, die zijn tijd met een roman verdrijft tot zijn vriend Sir Harry zal verschijnen, of zijn vader beneden zal komen om te ontbijten, – ieder, zeg ik, die den grooten X. met een boek zonder letters heeft gezien, heeft waarlijk een uitstekend genoegen gesmaakt en zich eene duurzame bron van overdenking zien openen.
Zoodra de Vreemdeling de jonge heeren in het oog kreeg, speelde hij om hunne aandacht te trekken, en zag plechtig over zijn verguld boek heen, terwijl hij daar op de tooneel-zodenbank lag en zijne hand, zijn ring en zijne ruiterstevels liet zien. Hij berekende welken indruk elk dezer versierselen op zijne slachtoffers zou maken; hij had besloten hen [33]te betooveren, want hij wist, dat zij hun entrée betaald hadden, en in den geest zag hij hunne familiën van buiten komen en op de matten stoelen in zijne loges plaats nemen.
Terwijl hij op de bank lag te lezen, maakte Frans, zijn knecht, opmerkingen over zijn meester.
„Alweêr lezen,” zeide Frans: „zoo gaat het maar door, van den morgen tot den avond. Voor hem bezit de natuur geene schoonheid, het leven geene bekoorlijkheid. In drie jaren heb ik hem niet zien glimlachen” (de sombere uitdrukking, die Bingley’s gelaat bij deze opmerking van zijn trouwen dienaar aannam, was vreeselijk te aanschouwen). „Niets schenkt hem afleiding. O, hechtte hij zich maar aan eenig levend wezen, al ware het een dier – want iets moet de mensch lief hebben.”
Tobias (Goll), uit de hut komende, „O, hoe verkwikkelijk, na zeven lange weken deze warme zonnestralen weder te genieten. Dank, algoede hemel, voor het genot, dat ik smaak.” Hij neemt zijne muts af, houdt ze gedrukt tusschen beide handen, slaat het oog omhoog en bidt. De Vreemdeling ziet hem oplettend aan.
Frans, tot den Vreemdeling. „Deze oude man kan slechts een luttel deel van aardsch geluk bezitten; en zie toch hoe dankbaar hij is.”
Bingley. „Omdat hij, ofschoon reeds oud, slechts een kind is aan den leiband der hoop.” (Hij ziet strak naar Foker, die echter koeltjes aan den knop van zijn rotting blijft zuigen.)
Frans. „De hoop is de voedster des levens.”
Bingley. „En hare wieg – is het graf.”
De Vreemdeling sprak dit met het klagend geluid van een fagot, die op sterven ligt, en vestigde de oogen zoo onafgewend op Pendennis, dat de arme jongen geheel van zijn stuk geraakte. Hij dacht, dat al de aanwezigen hem zouden aanstaren, en sloeg de oogen neer. Zoo dikwijls hij ze echter opsloeg, ontmoette hij weer die van Bingley. Het geheele tooneel door speelde de regisseur voor hèm. Toen Bingley op het punt stond eene weldaad te bewijzen, en Frans met het boek wegzond, opdat die knecht geen getuige zou zijn van de edele daad, welke hij beraamde, legde hij er zorgvuldig eene vouw bij, zoodat hij de lecture, des verkiezende, zou kunnen voortzetten, zoodra hij van het tooneel af was. Maar dit alles werd rechtstreeks ten aanschouwe van Pendennis gedaan, dien de regisseur zich had voorgenomen onverbrekelijk aan zich te boeien. Wat viel den jongen een pak van het hart, toen dit tooneel was afgeloopen en Foker, met zijn rotting stampende, uitriep: „Bravo, Bingley!”
„Help eens een handje, Pendennis,” zeide Foker, „ge weet, iedereen heeft wel eens hulp noodig,” en de goedhartige jonge heer en de lachende Pendennis en de dragonders in de loge aan de overzijde begonnen met alle macht in de handen te klappen.
Eene kamer in het slot Wintersen onttrok Tobias’ hut en den Vreemdeling en diens ruiterlaarzen aan het oog, en er verschenen bedienden, die het druk hadden met stoelen en tafels aan te brengen. „Dat is Hicks en Jufvrouw Thackthwaite,” fluisterde Foker, „Eene aardige meid, vindt je niet, Pendennis? Maar wacht – hoera! – bravo! daar is de Fotheringay.”
Het parterre daverde en stampte met zijne paraplu’s; eene volle laag applaudissementen werd van de galerij afgevuurd; de dragonder-officieren en Foker klapten als razenden in de handen, en hunne toejuichingen waren zoo luidruchtig, dat men gedacht zou hebben, dat den zaal stampvol [34]was. Tusschen de coulissen zag men het roode gezicht en den haveloozen baard van mijnheer Costigan uitgluren. Pen spalkte de oogen wijd open, toen mevrouw Haller met een neergeslagen blik binnenkwam, vervolgens, door het gedruis der toejuichingen tot bezinning komende, met een erkentelijken oogopslag de zaal rondzag en, de handen voor hare borst kruisende, eene prachtige nijging maakte. Meer applaudissement, meer paraplu’s: Pen, door wijn en geestdrift opgewonden, klapte harder in de handen en riep luider „bravo” dan iemand anders. Mevrouw Haller zag hem en iedereen; en de oude Bows, de kleine eerste viool van het orkest (dezen avond, door welwillende vergunning van kolonel Swallowtail, versterkt met een detachement van het muziekkorps der dragonders) keek van den lessenaar, waar hij zijnen plaats had, met zijne kruk naast hem, op en glimlachte over de verrukking van den knaap.
Zij, die jufvrouw Fotheringay eerst in later dagen, na haar huwelijk en hare introductie in de Londensche kringen, gezien hebben, kunnen zich bezwaarlijk voorstellen welk een prachtstuk van eene vrouw zij was, toen onze vriend Pen voor het eerst zijn oog op haar liet vallen. Zij was eene der rijzigste vrouwen en verkeerde op haar toenmaligen leeftijd van zes en twintig jaar – want zij was zesentwintig, ofschoon zij beweerde slechts negentien te tellen – in den bloei en de volheid van bare schoonheid. Haar voorhoofd was breed, het zwarte haar golfde er overheen met eene natuurlijke rimpeling (welke de dames in den laatsten tijd hebben trachten na te bootsen met behulp van friseerijzers) en was in glinsterende en dikke vlechten opgenomen langs een hals, gelijk men er een ziet op de schouders van de Venus in de Louvre – die aanbiddenswaardige, voor goden en menschen. Wanneer zij de oogen ophief om den blik op u te slaan, straalde, eer zij de purperen oogleden met de lange wimpers weer liet dalen, er eene onpeilbare teederheid en geheimzinnigheid uit. De Liefde en het Genie schenen daaruit te stralen en zich dan schuchter terug te trekken, als beschaamd, dat zij aan het venster gezien waren. Wie anders dan eene vrouw van grooten geest kon zulk een indrukwekkend voorhoofd bezitten? Nooit lachte zij (want hare tanden waren niet mooi), maar er speelde een onbeschrijfelijk teeder en zoet glimlachje om hare schoone lippen en in de kuiltjes van hare wangen en van haar snoeperig kinnetje. Haar neus tartte in die dagen alle beschrijving. Hare ooren waren als twee kleine paarlemoerschelpern, welke de oorringen, die zij droeg (ofschoon de fraaiste onder de tooneeljuweelen), slechts ontsierden. Zij was gedost in een lang en golvend zwart kleed, dat zij met verwonderlijke gratie heen en weer liet wapperen, en uit welks plooien men slechts nu en dan hare sandalen te voorschijn zag komen; zij waren niet al te klein, maar Pen vond ze betooverend als de muiltjes van Asschepoetster. Doch hand en arm waren de hoofdsieraden van dit heerlijke schepsel, en hoe het ook ging, men kon haar nooit zien dan daartusschen door. Zij omringden haar. Wanneer zij ze met gelatenheid over hare borst kruiste; wanneer zij ze in stomme smart liet neerhangen, of ze met eene trotsche, bevelende beweging ophief; wanneer zij in speelsche dartelheid de handen voor zich liet fladderen en huppelen als – wat zullen wij zeggen? – als de sneeuwwitte duiven voor de zegekar van Venus, – dan was het met die armen en handen, dat zij hare bewonderaars wenkte, terugwees, smeekte, omarmde – niet [35]één enkelen bewonderaar, want zij was gewapend met hare eigene deugd en met haar vaders dapperheid, wiens zwaard uit de scheede zou gevlogen zijn wanneer zijn kind de minste beleediging ware aangedaan, – maar de geheele zaal, die, gelijk men dat noemt, niet tot bedaren te brengen was als zij nijgde, en boog en het publiek verrukte.
Aldus stond zij een oogenblik, onberispelijk en schoon, terwijl Pen haar aanstaarde. „Nu, Pen, is zij geen juweel?” vroeg mijnheer Foker.
„Stil!” zeide Pen. „Zij gaat spreken.”
Zij begon hare rol met eene diepe liefelijke stem. Ieder, die Menschenhaat en berouw kent, weet, dat de opmerkingen der daarin optredende personen zich niet door veel verstand, nieuwheid of dichterlijkheid onderscheiden, ja, zoo men beweerde, dat het een onbeduidend stuk is, zou men niet ver bezijden de waarheid zijn. Nooit heeft iemand zóó gesproken. Indien wij in het dagelijksche leven dwazen ontmoeten, – hetgeen wel eens gebeuren kan, – is het een groot geluk, dat zij niet zulke onzinnig hoogdravende woorden gebruiken. De taal van den Vreemdeling is onecht, gelijk het boek, dat hij leest, en het haar, dat hij draagt, en de bank, waarop hij zit, en de diamanten ring, waarmee hij speelt, – doch door dat gebazel heen loopt dat echte gevoel voor liefde, voor kinderen, voor schuldvergiffenis, waarnaar men zal luisteren waar het ook verkondigd worde en dat de deelneming van iedereen eischt.
Met welk eene gesmoorde smart, met welke treffende aandoening zeide mevrouw Haller hare rol op! Aanvankelijk, toen zij als graaf Wintersen’s huishoudster alles moest gereedmaken voor de komst van Zijne Excellentie en bevelen moest geven om het bed en het huisraad, den maaltijd enz. in orde te brengen, deed zij dit met de stomme radeloosheid der wanhoop. Maar toen zij van de botte bedienden ontslagen was en hare aandoeningen aan het parterre en de geheele zaal kon ontboezemen, stortte zij zich voor ieder toeschouwer uit alsof hij alleen haar vertrouwde was en zij hare smart aan zijn schouder uitweende: de kleine violist in het orkest (op wien zij niet scheen te letten, doch die onafgewend het oog op haar hield) schoof en draaide en knikte en wees, en toen zij kwam aan de beroemde woorden: „Ook ik heb een Willem, indien hij nog leeft – ach ja, indien hij nog leeft! En zijne kleine zuster ook! Waarom, o verbeelding, kwelt gij mij aldus? Waarom schildert gij mij mijne kinderen, wegkwijnende op het ziekbed, en roepende om – om – hunne moe – moe – oeder!” – toen zij aan die woorden kwam, begroef de kleine Bows zijn gelaat in zijn blaaw katoenen zakdoek, na eerst nog: „Bravo!” geroepen te hebben.
Het gansche gezelschap was aangedaan. Foker haalde een grooten geel zijden zakdoek te voorschijn en huilde als een kind. Pen, van zijn kant, was daarvoor te ver weg. Hij volgde die vrouw overal waar zij ging; was zij niet op het tooneel, dan waren tooneel en zaal ledig voor hem; de lichten en de roode officieren draaiden hem voor de oogen. Hij begluurde haar wanneer zij tusschen de coulissen op hare beurt stond te wachten om op het tooneel te komen en haar vader den shawl van hare schouders nam: toen de verzoening plaats had, en zij zich aan den hals van mijnheer Bingley wierp, terwijl de kinderen zich aan hunne knieën vastklemden, en de gravin (mevrouw Bingley) en baron Steinforth (met groote levendigheid en veel vuur door Garbetts voorgesteld) – kortom terwijl de overige personen eene groep rondom hen [36]vormden, zagen Pen’s gloeiende blikken alleen Fotheringay. Fotheringay. Het scherm viel als een lijkkleed voor hem neder. Hij hoorde geen woord van Bingley, die opkwam om het stuk voor den volgenden avond aan te kondigen en, als naar gewoonte, de daverende toejuichingen op zijne eigene rekening stelde. Pen begreep zelfs niet duidelijk, dat de toeschouwers mejufvrouw Fotheringay terugriepen, en evenmin scheen de regisseur te vatten, dat iemand anders dan hij de oorzaak was van den opgang van het stuk. Eindelijk echter begreep hij het; hij trad met een grijns terug, en verscheen onmiddellijk daarna met mevrouw Haller aan zijn arm. Wat was zij schoon! Haar haar golfde los neder, de officieren wierpen haar bloemen toe. Zij drukte die aan haar hart. Zij schoof het haar achterwaarts en keek met een glimlach rond. Hare oogen ontmoetten die van Pen. Andermaal viel het scherm en zij was weg. Hij hoorde geen noot van de ouverture, welke de blaasinstrumenten der dragonders speelden – altijd met welwillende vergunning van kolonel Swallowtail.
„Dat is een dooddoener, vindt ge niet?” vroeg Foker aan zijn metgezel.
Pen wist niet recht wat Foker zeide en antwoordde maar met een enkel woord. Hij kon den ander niet zeggen wat hij gevoelde; hij had op dat oogenblik tegen geen sterfelijk wezen kunnen spreken. Bovendien wist Pendennis niet juist wat hij vooralsnog gevoelde: het was iets overstelpends, verbijsterends, overheerlijks, een koortsachtig gevoel van woeste blijdschap en onbestemd smachten.
Thans traden Rowkins en jufvrouw Thackthwaite op, om de geliefkoosde dubbele horlepijp te dansen, en Foker gaf zich met evenveel geestdrift aan de genoegens van dit ballet, als eenige minuten vroeger aan de tranen van het treurspel over. Pen gaf er niet om, had zelfs geene aandacht voor den dans, dan om zich te herinneren, dat die vrouw met haar gespeeld had toen zij voor het eerst optrad. Toen de dans was afgeloopen, keek hij op zijn horloge, en zeide, dat het tijd voor hem was om heen te gaan.
„Wees niet mal!” zeide Foker; „ge moet de Bravo met de strijdbijl blijven zien; daarin is Bingley prachtig; hij draagt eene roode kniebroek en moet mevrouw Bingley over de Pijnboombrug van den Waterval dragen, maar zij is wat zwaar. Het is allergrappigst. Blijf maar!”
Pen keek de affiche in, met eene flauwe maar zoete hoop dat jufvrouw Fotheringay’s naam hier of daar in de lijst der personen van het nastuk zou schuilen; maar die naam was daar niet te vinden. Hij moest gaan. Hij had nog een langen weg naar huis te rijden. Hij drukte Foker’s hand. Hij wilde spreken, maar hij kon niet, de stem bleef in de keel. Hij verliet den schouwburg en liep, hij wist niet hoelang wel, de stad verbijsterd rond. Daarop steeg hij aan den George te paard en draafde naar huis, en de klok van Clavering sloeg één uur, toen hij het plein van Fairoaks opreed. De vrouw des huizes was misschien nog wakker, maar zij hoorde alleen van den gang buiten zijne kamer, hoe hij in bed vloog en de dekens over zijn hoofd haalde.
Pen was niet gewoon de nachten wakend door te brengen, en viel dus dadelijk in een gezonden slaap. Zelfs in latere dagen, wanneer zorgen en andere onderwerpen hem wakker houden, begint een mensch, door lange gewoonte of vermoeienis of wilskracht, met in te slapen als [37]naar gewoonte, en doet een dutje eer de Bezorgdheid komt. Doch spoedig maakt zij hare opwachting bij hem en trekt hem bij de mouw, met de woorden: „Kom, mannetje, werp die dommeligheid van u af; word wakker, dan zullen wij eens wat praten.” En dan beginnen zij te zamen in het holle van den nacht. Maar wat den armen kleinen Pen later ook mocht weervaren, vooralsnog was hij zoo ver niet gekomen; hij verviel in een diepen slaap, werd niet wakker vóór het vroege morgenuur, toen de kraaien in het boschje voor het venster zijner slaapkamer begonnen te krassen, en – op dat eigen oogenblik en toen zijne oogen opensprongen, stond hem het geliefde beeld voor den geest. „Mijn beste jongen,” hoorde hij haar zeggen, „gij laagt in een gezonden slaap en ik wilde u niet storen; doch ik heb al dien tijd naast uw bed gestaan, en ik wil niet, dat gij mij zult verlaten. Ik ben de Liefde! Koorts en hartstocht, woest verlangen en razende begeerte, rusteloos smeeken en zoeken breng ik met mij. Reeds sinds lang heb ik mij door u hooren roepen; en zie, hier ben ik nu!”
Was Pen door die woorden verschrikt? Gansch niet. Hij wist niet wat er komen zou; het was tot nog toe alles woest vermaak en genot. Drie jaar geleden, toen hij op school in de vijfde klasse werd geplaatst, had zijn vader hem een gouden horloge geschonken, dat de knaap als hij ontwaakte van onder zijn kussen te voorschijn haalde en bekeek; steeds zat hij het in het verborgen te poetsen en te polijsten en zonderde zich in stille hoekjes af, om naar het tikken te luisteren, zoozeer was hij met zijn nieuwen schat ingenomen; hij voelde in zijn vestzak, om zich te overtuigen, dat het daar veilig zat, wond het des avonds op, en drukte het, zoodra hij wakker werd, aan zijne borst en bezag het. – In het voorbijgaan zij gezegd, dat Pen’s eerste horloge een opzichtig, slecht bewerkt stuk was; van den beginne af ging het reeds niet goed en aanhoudend geraakte het van streek. En na het in eene lade weggeborgen en een tijdlang vergeten te hebben, verruilde hij het eindelijk tegen een uurwerk, dat meer nut deed.
Pen gevoelde zich vele jaren ouder sinds gisteren. Er was nu geene vergissing mogelijk. Hij was zoo echt verliefd als de beste held van den besten roman, dien hij ooit gelezen had. Met het grootste zelfvertrouwen verzocht hij Jan, hem zijn scheerwater te brengen. Hij trok dezen morgen eenige zijner beste kleederen aan en kwam met eene houding van gewicht aan de ontbijttafel. Hij nam een toon van bescherming tegen zijne moeder aan en tegen de kleine Laura, die reeds sinds uren hare muziekles zat op te dreunen, en hem, nadat hij het gebed gelezen had (waarvan hij geen woord verstond), met verwondering over zijn deftig uitzicht, verzocht haar eens te vertellen waar het stuk op neerkwam.
Pen weigerde dit lachend, en eigenlijk was het maar beter, dat zij het niet wist. Daarop vroeg zij hem, waarom hij zijne mooie speld en dat nette nieuwe vest had aangedaan.
Pen bloosde en deelde aan zijne moeder mede, dat de oude schoolkameraad, met wien hij te Chatteries gedineerd had, onder toezicht van een gouverneur, een zeer geleerd man, te Baymouth studeerde; en daar hij zelf naar de academie zou gaan en verscheidene jongelieden hunne studiën te Baymouth onderhielden, wilde hij wel eens daarheen rijden, om – te zien hoe zij hun werk inrichtten.
Laura zette een lang gezicht. Helena Pendennis zag haar zoon scherp aan, daar zij meer dan ooit beklemd werd door die onzekerheid en vrees, [38]die haar niet verlaten hadden sedert den vorigen avond, toen Gurnett, de boer, haar de boodschap had gebracht, dat Pen niet thuis zou komen eten. Arthur’s oog doorstond haar blik. Zij trachtte zich te troosten en haar angst te verdrijven. De jongen had haar nooit eene onwaarheid verteld. Pen gedroeg zich onder het ontbijt zeer verwaand en uit de hoogte, en, nadat hij afscheid van de oude en de jonge dame genomen had, hoorde men hem een oogenblik later het stalplein afrijden. In den beginne ging hij langzaam aan, doch, zoodra hij meende buiten het gehoor te zijn, begon hij als een razende te galoppeeren.
Smirke, die over zijne eigen zaken nadacht en zachtkens, met de teenen naar buiten, kwam aanrijden om Pen zijne drie uren les te geven op Fairoaks, ontmoette zijn leerling, die hem als een wervelwind voorbijvloog. Smirke’s hit werd schichtig, toen de ander als een bliksemstraal langs hem heen schoot, en de zachtzinnige hulpprediker tuimelde hals over kop tusschen de brandnetels bij de heg. Pen lachte toen zij elkander ontmoetten, wees op den weg naar Baymouth en was reeds eene halve mijl ver in die richting, eer de arme Smirke weer op de been kwam.
Pen had besloten, dat hij Foker dien morgen moest zien: hij moest van haar hooren spreken, alles omtrent haar vernemen, met iemand omgaan, die haar kende; en de eerzame Smirke overwoog van zijn kant met een spijtig gevoel, terwijl hij daar tusschen de brandnetels zat en zijn hit bedaard het groen van de heg afknabbelde, of hij zich wel naar Fairoaks behoorde te begeven, nu zijn leerling blijkbaar voor den ganschen dag was uitgegaan. Hij kwam echter tot de overtuiging, dat het hem vergund was. Hij mocht mevrouw Pendennis wel gaan vragen, wanneer Arthur zou terugkomen, terwijl hij de jonge juffer Laura dan iets uit Watts’ Catechismus kon overhooren. Hij klom weder op zijn kleinen hit – beiden waren aan zijn afglijden gewoon – en richtte zich naar het huis, waaruit zijn leerling zoo even als in een stormwind was weggevlogen.
Zoo maakt de liefde ons allen, groot en klein, tot dwazen; de hulpprediker was hals over kop geduikeld, terwijl hij haar najoeg, en Pen was uitgevlogen in het eerste vuur van de dollemansvaart.