De arme Foker vond het diner, te Richmond de vervelendste uitspanning, waaraan ooit een sterveling zijne guinjes verkwistte. „Ik verwonder mij, hoe ik ooit iets met die menschen heb opgehad,” dacht hij. „Ik kan de rimpels onder Rougemont’s oogen zien, en het blanketsel ligt zoo dik op hare wangen als bij een clown in de pantomime! De platte taal van die Calverley stuit mij; ik heb een hekel aan overmoed in eene vrouw. En die oude Colchicum! die oude Col, die in zijn brougham, met zijne kroon er op, hier komt en tusschen mademoiselle Coralie en hare moeder aanzit! Het is al te erg! Een pair van Engeland en eene paardrijdster van Franconi! Het deugt niet! bij den hemel, het deugt niet! Ik ben niet trotsch; maar daarmee wil ik mij niet meer inlaten!”
„Een dubbeltje om uwe gedachten te mogen weten, Foky!” riep juffer Rougemont, de sigaar van tusschen hare met vermiljoen beschilderde lippen nemende, tegen den in gepeins verzonken jonkman, die aan het hoofd der tafel zat bij versmeltend ijs en aangesneden ananassen en leege en volle flesschen en sigaar-asch, op de vruchten gevallen, kortom bij de ruïnen van een dessert, dat niets bekoorlijks voor hem had.
„Zou Foker ooit denken?” riep mijnheer Poyntz op lijmerigen toon. „Foker, gij hoort, dat eene schoone kapitaliste aan dit eind van de tafel eene aanzienlijke som biedt voor de vruchten, die uw hooggeschat en scherpzinnig brein op het oogenblik voortbrengt, ouwe jongen!”
„Waar drommel spreekt die Poyntz nu over?” vroeg mevrouw Calverley aan hare buurvrouw. „Ik heb een hekel aan hem, met zijne lijmerige en spottende spraak.”
„Wat een mal kereltje is die kleine Fokère, mylord,” zeide mademoiselle Coralie in hare eigen taal en met de neusklanken van dat zonnige Gascogne, waar hare donkere wangen en schitterende zwarte oogen hun vuur verkregen hadden. „Wat een kluchtig ventje! Hij ziet er uit, alsof hij nog geen twintig jaar was.”
„Ik wenschte, dat ik zijn leeftijd nog had,” zeide de eerwaardige Colchicum met een zucht, en boog zijn purperen gelaat over een groot glas wijn.
„C’te jeunesse! Peuh! je m’en fiche,” zeide mevrouw Brack, Coralie’s mama, en nam eene groote prise uit Lord Colchicum’s fraaie gouden snuifdoos. „Je n’aime que les hommes faits, moi. Comme milor. Coralie! n’est-ce pas que tu n’aimes que les hommes faits, ma bichette?”
„Gij vleit mij, mevrouw Brack,” zeide mylord met een grijns.
„Taisez-vous, maman, vous n’êtes qu’une bête,” riep Coralie, terwijl zij hare sterke schouders ophaalde; waarop mylord hernam, dat zij voorzeker niet vleide, en te gelijk zijne snuifdoos in zijn zak stak, daar hij niet verlangde, dat mevrouw Brack hare min zindelijke vingers al te dikwijls in zijne „macuba” zou dompelen. [12]
Wij behoeven geen breedvoerig verslag van het levendige gesprek te geven, dat gedurende het overige van het feest gevoerd werd, want het zou niet tot bijzondere stichting van den lezer kunnen bijdragen. We behoeven ook wel niet te verzekeren, dat niet al de dames van het corps de ballet op jufvrouw Calverley gelijken, evenmin als de pairs op hun doorluchtigen medebroeder, wijlen den betreurden burggraaf Colchicum. Maar wij herinneren er ons nog zeer goed, die aan het gezelschap der onstuimige jeugd de voorkeur gaven boven dat van mannen van hun eigen leeftijd en rang, en die met hunne kostbare ondervinding en voorbeeld de jongelui voorgingen; en eveneens hebben er zeer geachte mannen bestaan, die niet zoozeer tegen de soort der uitspanningen bedenking hadden, als wel tegen de ruchtbaarheid, die deze konden verkrijgen. Ik houd mij, bij voorbeeld, overtuigd, dat onze vriend majoor Pendennis, niets tegen zulk een partijtje zou gehad hebben, mits het en petite comité ware geweest en mannen als Lord Steyne en Lord Colchicum er aan hadden deelgenomen. „Laten de jongelui hun genoegen nemen,” zeide deze waardige leidsman meer dan eens tegen Pen. „Ik behoor niet tot de onhandelbare zedepreekers; ik ben voor den drommel een oud man van de wereld; en ik weet, dat jongelui jongelui zullen blijven, zoolang de wereld bestaat.” En er waren dan ook eenige jongelui, aan welke deze achtenswaardige wijsgeer ongeveer zeventig jaren vergunde, om uit te razen; maar dat waren lui van aanzien.
Mijnheer Foker bracht dien avond zijne schoone gasten met zijn rijtuig naar haar huis in Brompton; maar hij was gedurende het kleine tochtje van Richmond af aanhoudend in gepeins en somberheid verzonken; hij luisterde niet naar de vrienden, die achter hem, of op den bok naast hem zaten, en wierp er niet als naar gewoonte zijne eigen grappen tusschen. En toen de dames, die hij reed, hare woning bereikt hadden en haar ervaren koetsier vroegen, of hij niet wilde binnenkomen, om nog een slokje te gebruiken, bedankte hij op zulk een melancholischen toon, dat zij onderstelden dat hij een twist met „zijn ouwe” had gehad, of dat hem eenige andere tegenspoed had getroffen; hij vertelde echter aan deze menschen niet wat de reden van zijn verdriet was, maar verliet mesdames Rougemont en Calverley, zonder acht te slaan op het roepen van deze laatste, die, als Jezabel over haar balkon gebogen, hem verzocht spoedig weer zoo’n partij te geven.
Hij zond het rijtuig met een der knechts naar huis en ging met de handen in den zak en in diep gepeins te voet verder. Maan en sterren prijkten kalm aan het hemelgewelf en zagen op mijnheer Foker neder, gelijk hij van zijn kant sentimenteel naar hen opkeek. Hij ging het huis op Grosvenor Place voorbij en staarde naar de vensters, welke hij voor die van het geliefde voorwerp hield, en daarbij zuchtte en kreunde hij zoo akelig, dat het de aandacht van diender X. trok, die aan de bedienden van Sir Francis Clavering vertelde, – toen zij, na mevrouw uit de Fransche opera thuis gebracht te hebben, aan de naaste herberg een glas bier dronken, – dat er dien avond weer een vent rondom het huis gezworven had, een klein kereltje, die nog al fatterig gekleed was.
Van nu af begon mijnheer Foker, met eene sluwheid, een overleg en een moed, die alleen aan zekeren hartstocht eigen zijn, jufvrouw Amory in Londen op den voet te volgen en zich overal te vertoonen waar hij hoop had haar te ontmoeten. Wanneer Lady Clavering naar de opera ging, waar mylady eene loge had, kon men mijnheer Foker, die – gelijk wij gehoord hebben – in de kennis der Fransche taal niet uitmuntte [13]in eene der stalles zien. Hij wist te vernemen waar zij genoodigd was (het is niet onmogelijk, dat zijn knecht Anatole met Sir Francis Clavering’s gentleman bekend was en op die wijze inzage kreeg van mylady’s zakboekje) en op vele dier partijen vertoonde zich ook mijnheer Foker, – tot verbazing van de wereld en inzonderheid van zijne moeder, die hij verzocht uitnoodigingen tot die partijen, waarvoor hij tot dusverre den grootsten afkeer aan den dag had gelegd, voor hem te vragen. Hij vertelde aan Lady Agnes, die er zeer verheugd over was en volstrekt geen achterdocht koesterde, dat hij naar die partijen wilde gaan, omdat hij wat van de wereld behoorde te zien; hij maakte haar diets, dat hij naar den schouwburg ging om zich in de taal te oefenen, daar men die niet beter kon leeren dan door een blijspel of vaudeville; en toen Lady Agnes, buiten zich zelve van verwondering, hem op een avond zag opstaan om te dansen en hem haar compliment maakte over zijne nette en vlugge passen, verzekerde haar de kleine schelm van een leugenaar, dat hij te Parijs het dansen had geleerd, terwijl Anatole integendeel wist, dat zijn jonge meester in stilte naar eene dansschool in Brewer Street ging en zich daar des morgens eenige uren oefende. De casino’s van den tegenwoordigen tijd waren nog niet uitgevonden of verkeerden althans in hunne kindsheid, en de heeren op Foker’s leeftijd hadden niet zooveel gelegenheid om de wetenschap van het dansen machtig te worden als de tegenwoordige jongelingschap.
De oude Pendennis verzuimde zelden den kerkgang. Hij achtte zich als gentleman verplicht de instelling van den openbaren eeredienst te ondersteunen en beschouwde het als plichtmatig, om zich des Zondags in de kerk te vertoonen. Op zekeren dag wilde het toeval, dat hij en Arthur samen ter kerk gingen; deze laatste, die thans hoog in de gunst stond, was ten ontbijt geweest bij zijn oom, van wiens woning zij nu door het Park naar eene kerk niet verre van Belgrave Square gingen. In St. James’ zou eene preek voor een liefdadig doel gehouden worden, zooals de majoor gezien had uit de aanplakbiljetten op de zuilen der kerk zijner wijk, en dit had hem waarschijnlijk bewogen – want hij was van nature zuinig – zijne kerk dien dag links te laten liggen. Maar bovendien had hij voor zich zelven en Pen nog iets anders op het oog. „Wij zullen door het Park heen naar de kerk gaan, neef, en ons dan bij de Clavering’s aanmelden en als vrienden om een tweede ontbijt vragen. Lady Clavering heeft gaarne, dat men haar een ontbijt vraagt, en is ongemeen vriendelijk en verbazend gastvrij.”
„Ik heb hen verleden week op het diner bij Lady Agnes Foker ontmoet, oom,” zeide Pen, „en de begum was inderdaad zeer vriendelijk. Dat was zij buiten ook, en dat is zij overal. Maar ik ben het met u eens ten opzichte van jufvrouw Amory, – of ik was het althans met u eens, oom, want de laatste maal toen wij over haar spraken waart gij veranderd.”
„En hoe denkt gij dan nu over haar?” vroeg de oude heer.
„Ik beschouw haar als de uitgeleerdste kleine coquette in Londen,” gaf Pen lachend ten antwoord. „Zij deed een geweldigen aanslag op Henry Foker, die naast haar zat en dien zij met hare gansche oplettendheid vereerde, hoewel ik het was, die haar naar tafel had geleid.”
„Kom! Henry Foker is, gelijk iedereen weet, met zijne nicht geëngageerd; geen slecht overleg van Lady Rosherville, want als de oude Foker sterft en hij is niet sterk; ik weet. Arthur, dat hij verleden jaar eene beroerte heeft gehad – dan zal de jonge Foker niet minder dan veertien duizend pond ’s jaars uit de brouwerij hebben, behalve nog [14]Logwood en de landerijen in Norfolk. Ik ben niet trotsch, Pen; wel wil ik bekennen, dat ik veel opheb met iemand van geboorte; maar voor den drommel, ik heb evenveel op met eene brouwerij, die veertien duizend pond ’s jaars geeft; hè, Pen? Dat zijn de soort van lui, die ik hebben moet. En nu gij voet hebt gekregen in de voorname wereld, geef ik u den raad u aan menschen van dat soort te hechten, – menschen, die bij de welvaart van het land betrokken zijn.”
„Foker hecht zich aan mij, oom,” gaf Arthur ten antwoord. „Hij is in den laatsten tijd meer dan eens op onze kamers gekomen. Hij heeft mij te dineeren gevraagd. Wij zijn bijna even groote vrienden als wij in onzen jongen tijd waren, en van ’s morgens tot ’s avonds heeft hij den mond vol over Blanche Amory. Ik ben zeker, dat hij smoorlijk op haar verliefd is.”
„En ik ben zeker, dat hij geëngageerd is met zijne nicht en dat men hem daaraan houden zal,” zeide de majoor. „De huwelijken in die soort van familiën zijn als het ware staatszaken. De vorige lord noodzaakte Lady Agnes den ouden Foker te trouwen, ofschoon men wist, dat zij verliefd was op haar neef, die later bij Albuera sneuvelde en haar te Drummington uit het water gered had. Ik herinner mij nog zeer goed, Arthur, dat Lady Agnes een buitengewoon schoon meisje was. Maar wat deed zij? Natuurlijk trouwde zij den man, dien haar vader voor haar gekozen had. Nu heeft mijnheer Foker tot op de invoering der reform-bill voor Drummington in het Lagerhuis gezeten, en verduiveld goed voor zijne plaats betaald ook. En reken er op, neef, dat de oude Foker, die een parvenu is en, evenals alle parvenu’s, zeer hoog loopt met groote lui, evenzeer voor zijn zoon als voor zich zelven groote plannen heeft en dat uw vriend Henry zal moeten doen wat zijn vader hem beveelt. Heere bewaar me! Ik heb wel honderd gevallen gekend, dat jonge heeren en dames op elkander verliefd waren. Maar begrijpt ge me wel, Arthur? Zij spartelen tegen en zijn weerbarstig en maken een geweld van belang, maar zij eindigen met naar rede te luisteren, voor den drommel.”
„Blanche is een gevaarlijk meisje, oom,” zeide Pen. „Eenmaal was ik zelf door haar bekoord, en het was ver genoeg gekomen; maar dat is jaren geleden.”
„Wezenlijk? En hoe ver was het gekomen? Moedigde zij u aan?” vroeg de majoor en keek Pen sterk in de oogen.
Lachend gaf Pen ten antwoord, dat er een tijd was geweest, toen hij meende vrij hoog in de gunst van jufvrouw Amory te staan. „Maar,” zeide hij, „mijne moeder was niet met haar ingenomen en de zaak sprong af.” Pen achtte het niet noodig zijn oom alles te vertellen, wat er gedurende die minnekoozerij tusschen hem en de jonge dame was voorgevallen.
„Men zou nog elders te recht kunnen komen en er slechter bij kunnen varen,” zeide de majoor, nog altijd zijn neef met een zonderlingen blik aanziende.
„Hare afkomst, oom! Haar vader was, naar men zegt, stuurman op een schip, en zij heeft ook geen geld genoeg,” merkte Pen met het air van een echten dandy aan. „Wat beteekenen tien duizend pond bij een meisje, dat opgevoed is gelijk zij?”
„Gij gebruikt mijne eigen woorden, en dat is heel goed, Pen; maar ik wil u wel in vertrouwen vertellen – onder stipte geheimhouding, onthoud dit, dat – ik geloof, dat zij een heelen boel meer dan tien duizend pond heeft; en naar hetgeen ik onlangs van haar gezien en – [15]en gehoord heb, komt zij mij drommels talentvol en schrander voor en dunkt mij, dat zij voor een verstandig man eene goede vrouw zou kunnen zijn.”
„Hoe weet gij van haar geld af?” vroeg Pen met een glimlach. „Gij schijnt op de hoogte van ieders zaken te zijn en iedereen in de stad te kennen.”
„Ik weet wel het een en ander, Arthur; maar, let wel, ik vertel niet alles wat ik weet,” antwoordde zijn oom. „En wat die bekoorlijke jufvrouw Amory betreft – want bekoorlijk is zij, dat moet erkend worden – ik zou evenmin boos als verwonderd wezen, indien ik haar mevrouw Arthur Pendennis zag worden; en indien gij tegen die tien duizend pond bedenking maakt, wat zoudt gij dan wel zeggen, mijnheer, indien zij er dertig, veertig of vijftig had?” en de majoor zag Pen met nog meer beteekenis en nog sterker aan.
„Wel, oom,” zeide Pen tegen zijn peetoom en naamgenoot; „maak gij haar dan tot mevrouw Arthur Pendennis! Gij kunt dat evengoed doen als ik.”
„Kom, gij moet den draak niet met mij steken, Arthur.” gaf de oom eenigszins netelig ten antwoord; „en ook moet gij zoo dicht bij de kerk niet lachen. Hier zijn wij bij de St. Benedictus. Naar men zegt, is dominé Oriel zeer welsprekend.”
De klokken luidden, de gemeente stroomde naar het lieve kerkje en de rijtuigen der bewoners van die deftige wijk brachten de schoone kerkgangsters aan, in wier gezelschap Pen en zijn oom, die een einde aan hun stichtelijk gesprek hadden gemaakt, den tempel binnentraden. Ik weet niet of ook de andere menschen tot aan de kerkdeur met de behandeling hunner wereldsche belangen bezig waren. Arthur, die uit gewoonte en gevoel altijd hoogst eerbiedig gestemd was op eene plaats aan den eeredienst gewijd, dacht misschien wel na over de tegenstrijdigheid van hun gesprek met de plaats waar zij heengingen; doch de oude heer, die naast hem zat, was geheel onbewust, dat er zulk een contrast bestond. Zijn hoed was netjes afgeborsteld, zijne pruik onberispelijk opgemaakt, zijne das onverbeterlijk vastgestrikt. Wel zag hij naar ieder lid der gemeente, naar de kale hoofden en de hoeden, de bloemen en de veeren; maar zoo onopgemerkt, dat hij ternauwernood de oogen van zijn boek ophief – zijn boek, dat hij niet zonder bril kon lezen. Pen, van zijn kant, zag zijn ernst op eene zware proef gesteld, toen hij, toevallig den blik op de banken der lakeien slaande, den weledelgeboren heer Henry Foker, die deze plaats des gebeds ontdekt had, naast een stemmig heer in livrei zag zitten. Toen Pen de richting van Henry’s oogen volgde, die dikwijls van zijn boek afdwaalden, bespeurde hij, dat die op een gelen en op een paarschen hoed bleven rusten, en dat die hoeden op de hoofden van Lady Clavering en Blanche Amory prijkten. Zoo, de oom van Pen niet de eenige man is geweest, die tot aan de kerkdeur over zijne wereldsche zaken sprak, zou dan de arme Henry Foker de eenige geweest zijn, die zijne wereldsche liefde in de kerkgewelven meebracht?
Toen de kerk uitging, behoorde Foker onder de eersten, die er uit kwamen, doch Pen voegde zich weinige oogenblikken later bij hem, toen hij nog rondom den ingang slenterde, welken hij liefst niet verlaten wilde voordat mylady en hare dochter in de barouchet met den gepruikten koetsier het tooneel harer godvruchtige oefeningen verlaten hadden.
Zoodra de beide dames naar buiten kwamen, vonden zij de beide [16]Pendennis’en, oom en neef, en Henry Foker, die aan den knop van zijn stok stond te zuigen, in den zonneschijn bij elkander. Hen te zien en ten eten te vragen, was hetzelfde voor de goedhartige begum, die de drie heeren onmiddellijk uitnoodigde het ontbijt bij haar te komen gebruiken.
Ook Blanche was ongemeen lieftallig. „Toe, gij moet komen!” zeide zij tegen Arthur, „als gij niet te voornaam zijt. Ik verlang zóó u te spreken over – maar hier mogen wij niet zeggen over wat, – dat begrijpt ge! Wat zou dominé Oriel er wel van denken?” En de vrome schoone sprong na hare moeder in het rijtuig. „Ik heb het van den eersten tot den laatsten regel gelezen. Het is adorable,” eindigde zij, nog altijd tegen Pen.
„Ik weet wel wie adorable is,” zeide mijnheer Arthur met eene veelbeteekenende buiging.
„Waar hebt ge het over?” vroeg mijnheer Foker, die niet wist hoe hij het had.
„Ik denk, dat jufvrouw Clavering Walter Lorraine bedoelt,” zeide de majoor, met een gewichtig gezicht en een knikje tegen Pen.
„Wel waarschijnlijk, oom. Er stond van morgen iets moois over in de Pall Mall; maar het was van Warrington en ik moet er mij dus niet te veel op verhoovaardigen.”
„Iets moois in Pall Mall! Walter Lorraine! Waar spreekt gij toch over?” vroeg Foker. „Walter Lorraine, dat arme schaap, stierf aan de mazelen, toen wij op de Grauwebroeders-school waren. Ik herinner mij nog, dat zijne moeder overkwam.”
„Gij zijt geen letterkundige, Foker,” antwoordde Pen lachend en nam zijn vriend onder den arm „Gij moet weten, dat ik een roman geschreven heb, waarover sommige bladen zich gunstig hebben uitgelaten. Maar wellicht leest gij de Zondagsbladen niet?”
„Ja wel, ouwe jongen; ik lees geregeld Bell’s Life in London,” gaf mijnheer Foker ten antwoord, waarover Pen weer begon te lachen, en de drie heeren stapten in eene zeer opgeruimde stemming naar Lady Clavering’s huis.
Na het ontbijt werd het gesprek door jufvrouw Amory, die meer van dichters en letterkundigen dan van iets anders hield, en van nature veel kunstgevoel bezat, weer op den roman gebracht. „Sommige gedeelten van het boek hebben mij doen schreien, wezenlijk,” verzekerde zij.
„Het maakt mij gelukkig,” zeide Pen met eenige verwaandheid, „dat ik mij vleien mag, deel aan vos larmes te hebben, jufvrouw Blanche,” en de majoor (die zeker niet meer dan een half dozijn bladzijden van Pen’s boek gelezen had) trok zijn gezicht in eene deftige plooi en zeide: „Ja, er zijn heel aandoenlijke, verbazend aandoenlijke gedeelten in, en –”
„O, als het u aan het schreien brengt,” zeide Lady Clavering, „dan zal ik het niet lezen, – wezenlijk.”
„Kom aan, mama!” zeide Blanche met het schouderophalen eener Française, en daarop ging zij aan het uitweiden over den roman, over de hier en daar ingevlochten verzen, over de beide heldinnen, Leonora en Neaera, over de beide helden Walter Lorraine en zijn medeminnaar, den jongen hertog. „En in wat voornaam gezelschap brengt ge ons,” zeide de jonge dame schalks: „quel ton! Hoeveel jaren hebt ge wel aan het hof doorgebracht, mijnheer Arthur; zijt ge misschien de zoon van een eersten minister?”
Pen begon te lachen en zeide: „Het is voor een romanschrijver even gemakkelijk iemand tot hertog als tot baronet te verheffen. Wil ik u eens een geheim vertellen, jufvrouw Amory? Op verzoek van den [17]uitgever heb ik al mijne personen in rang verhoogd. De jonge hertog was aanvankelijk slechts een jonge baron, en zijn valsche vriend, de burggraaf, was een gewoon burgerman, en zoo is het met al de personen uit het verhaal gegaan.”
„Wat zijt gij toch ondeugend, en satiriek en scherp geworden! Comme vous voila formé!” zeide de jonge dame. „Wat een verschil met Arthur Pendennis op het land! Ach! ik geloof, dat Arthur Pendennis van het land toch nog de beste van beiden was!” en bij die woorden gaf zij hem de volle laag uit hare oogen, – zoowel den teederen en smeekenden lonk naar zijn gelaat, als den zedigen neergeslagen blik op het tapijt, die hare donkere oogleden en hare lange, zijdeachtige wimpers ten gunstigste deed uitkomen.
Natuurlijk beweerde Pen, dat hij in het minst niet veranderd was, waarop de jonge dame met een teederen zucht antwoordde; en nu van oordeel, dat zij genoeg gedaan had om Pen, naar gelang van omstandigheden, gelukkig of rampzalig te maken, ging zij tot het vleien van zijn vriend Henry Foker over, die onder dat letterkundige gesprek stilzwijgend aan den knop van zijn rotting had gezogen, heimelijk wenschende, dat hij zoo’n knappe kerel ware als die Pen.
Indien de majoor gedacht had, dat hij jufvrouw Amory zou weerhouden verder acht te slaan op den jeugdigen erfgenaam van Foker’s Bier, door haar te vertellen, dat mijnheer Foker met zijne nicht, Lady Anna Milton, geëngageerd was (hetgeen de oude heer haar zeer duidelijk meedeelde toen hij aan het ontbijt naast haar zat), dan vergiste hij zich ten eenemale. Zij scheen daardoor slechts des te beminnelijker jegens Foker te worden; zij prees hem, en alles wat hem toebehoorde; zij prees zijne mama, het paard, dat hij in het Park bereed, de lieve snuisterijen, die hij aan zijn horlogeketting droeg, en dat heerlijke rottinkje, en die allerliefste apenkopjes met robijnen oogjes, die Henry’s overhemd versierden en ook tot knoopen van zijn vest dienden. En na den zwakken jonkman aldus zoo lang geprezen en gevleid te hebben dat hij van verrukking bloosde en beefde, en Pen oordeelde dat zij ver genoeg gegaan was, wendde zij over een anderen boeg.
„Ik geloof, dat die mijnheer Foker heel ondeugend is,” sprak zij, zich tot Pen keerende.
„Hij ziet er niet naar uit,” gaf Pen op spottenden toon ten antwoord.
„Ik meen, dat wij heel ondeugende dingen van hem gehoord hebben, niet waar, mama? Wat zeide mijnheer Poyntz ook onlangs over die partij te Richmond? O gij ondeugd!” Maar daar zij zag, dat Henry een zeer verschrikt gezicht zette, terwijl Pen het grappig scheen te vinden, wendde zij zich tot dezen met de woorden: „En ik geloof, dat gij even ondeugend zijt, en dat gij er ook wel bij hadt willen zijn; is het zoo niet? Ik weet, dat gij het wel gewenscht zoudt hebben, ja – en ik ook!”
„Heere bewaar me, Blanche!” riep mama uit.
„Wel, ik zeg het nog eens, dat ik er ook wel bij had willen zijn. Ik heb nooit eene actrice van nabij gezien. Ik zou er alles voor overhebben, er eene te zien, want ik aanbid het talent, en ik aanbid Richmond, dat doe ik, en ik aanbid Greenwich, en dus zeg ik, dat ik daar ook wel eens zou willen zijn.”
„Wel, waarom zouden wij drie heeren de dames niet verzoeken, ons de eer van haar gezelschap te Greenwich te willen schenken?” bracht de majoor hier galant in het midden, tot buitengemeene verbazing van zijn neef. „Moet Lady Clavering ons altijd gastvrijheid bewijzen, en [18]zouden wij haar daarentegen nooit iets mogen aanbieden? Spreek op, jonge heeren! Wel te drommel! daar hebt ge mijn neef met zijne zakken vol geld – zijne zakken vol! en mijnheer Henry Foker, die, naar ik gehoord heb, heel wel af is in de wereld – hoe vaart uwe schoone nicht Lady Anna, mijnheer Foker? – hier zijn nu deze twee jonge heeren, en zij laten een oud man gelijk mij het woord doen. Lady Clavering, wilt gij mij de eer bewijzen mijn gast te wezen? dan zal jufvrouw Blanche die wezen van Arthur, indien zij zoo goed wil zijn.”
„O, dat is heerlijk!” riep Blanche uit.
„Ik houd ook wel van een pretje,” zeide Lady Clavering, „en wij zullen dan een dag nemen, als Sir Francis –”
„Als Sir Francis uit eten gaat, – ja, mama,” liet de dochter er op volgen; „o, dat zal verrukkelijk wezen!”
En een verrukkelijke dag was het. Er werd een diner te Greenwich besteld, en mijnheer Foker, al had hij jufvrouw Amory niet genoodigd, vond eenige heerlijke oogenblikjes gedurende het diner om met haar te spreken, en daarna op het balkon van hunne kamer in het hotel, en andermaal gedurende den terugrit, in de barouchet van mylady. Pen kwam naar Greenwich in Sir Hugh Trumpington’s brougham, welke de majoor voor die gelegenheid te leen had gevraagd. „Ik ben een oud soldaat, voor den drommel,” zeide hij, „en ik heb reeds vroeg in mijn leven geleerd het mij gemakkelijk te maken.”
En daar hij een oud soldaat was, liet hij de beide jonge heeren dan ook gezamenlijk het diner betalen, en onder den ganschen tocht naar huis in den brougham schertste hij tegen Pen over de voorkeur, die jufvrouw Amory hem blijkbaar betoonde, over haar goed voorkomen, hare levendigheid en haar geest, terwijl hij nog aan Pen – onder de diepste geheimhouding – verzekerde, dat zij veel rijker zou wezen dan de menschen dachten.