Vroeger hebben wij in dit verhaal gemeld, dat mijnheer Pen, gedurende zijn verblijf in het ouderlijke huis, na de te Oxbridge geleden nederlaag, zich met het opstellen van verschillende letterkundige voortbrengselen bezig gehouden en, buiten andere werken, het grootste gedeelte van een roman geschreven had. Dit boek, ontworpen onder den invloed van jeugdige tegenspoeden in de liefde en in geldzaken, was van zeer opgewonden, somberen en hartstochtelijken aard; de wanhoop van Byron, de moedeloosheid van Werther, de bittere spot van den Mephistopheles van Faust, dit alles was in het karakter van den held herhaald en uitgewerkt; want onze jonge heer had pas Duitsch geleerd, en volgde, gelijk bijna alle jongelui van aanleg doen, zijne geliefkoosde dichters en schrijvers na. Bij verscheidene zinsneden in de werken, die hij eenmaal zoozeer op prijs stelde en thans zoo zelden leest, ziet men nog altijd de potloodstrepen, waarmee hij ze in die dagen merkte. Er droppelden wel eens tranen op de bladzijden van het boek, of op die van het handschrift, terwijl de hartstochtelijke jongen met vlugge hand zijne gedachten op het papier bracht. Als hij later het boek opnam, was hij niet meer geschikt of geneigd om de bladen met dien dauw van [19]den vroegeren tijd te besprenkelen, zijn potlood was niet meer zoo vlug met zijne goedkeuring aan te duiden; maar bij het doorloopen van zijn manuscript herinnerde hij zich welke hartstochtelijke aandoeningen het geweest waren, die hem de bladzijden met tranen hadden doen bevochtigen, welke smart het geweest was, die hem de regels in de pen had gegeven. Indien de geheime geschiedenis der boeken, de eigen gedachten en opwellingen van den auteur naast zijn werk konden neergeschreven worden, wat zouden vele dorre boeken belangwekkend, vele vervelende verhalen boeiend worden voor den lezer! Er kwam menige bittere lach op Pen’s gelaat terwijl hij zijn roman overlas, en zich den tijd en de aandoeningen te binnen bracht, die hem onder het schrijven bezield hadden. Wat schenen sommige der verhevene zinsneden hoogdravend, en daarentegen hoe zwak vele andere, waarin hij de volheid van zijn hart meende te hebben uitgestort! Hij zag en erkende thans volmondig, dat menige bladzijde eene navolging van een geliefkoosd schrijver was, ofschoon hij toenmaals oorspronkelijk meende te zijn. Terwijl hij over sommige regels peinsde, herinnerde hij zich de plaats en het uur toen hij ze geschreven had; de schim van dat uitgestorven gevoel keerde onder dit mijmeren terug en hij bloosde bij het zien van die verflauwde verschijning. En wat beteekenden die vlekken op de bladzijden? Als men in de woestijn eene plek aantreft waar de hoeven der kameelen zich in den grond hebben afgedrukt en nog overblijfselen van verdord gras zichtbaar zijn, weet men, dat daar eenmaal water geweest is, en evenzoo was de plaats in Pen’s gemoed ook niet langer groen; de bron der tranen was opgedroogd.
In deze beeldspraak liet hij zich op zekeren morgen tegen Warrington uit, die onder het lezen eene pijp zat te rooken, en Pen smeet met heftige gebaren, als naar gewoonte, zoodra hij in een opgewonden toestand verkeerde, en met een bitteren lach zijn handschrift zoo hard op de tafel neer, dat het theegoed er van rinkelde en de blauwe melk in het kannetje opsprong. Hij had het manuscript den vorigen avond uit eene kist te voorschijn gehaald, die lang onaangeroerd had gestaan, en oude jachtbuizen, oude geschriften uit zijn studententijd, zijn havelooze baret en tabbaard bevatte, met nog andere herinneringen aan zijne jeugd, zijne school en zijn ouderlijk huis. Hij ging in bed het handschrift zitten lezen tot hij er bij in slaap viel, want de aanvang van den roman was een beetje saai, en hij was vermoeid van eene groote partij thuis gekomen.
„Bij den hemel,” zeide Pen terwijl hij de papieren neersmeet, „als ik bedenk, dat ik dit slechts weinige jaren geleden geschreven heb, dan schaam ik mij over mijn geheugen. Ik schreef dit, toen ik voor eeuwig verliefd meende te zijn op die kleine coquette jufvrouw Amory. Ik maakte toen verzen op haar, die ik in den hollen boom verborg en „Amori” toewijdde.”
„Eene heel lieve woordspeling,” zeide Warrington, terwijl hij eene rookwolk wegblies: „Amory – Amori. Er spreekt eene grondige geleerdheid uit. Laat me eens wat van dat prullewerk hooren.” En met die woorden boog hij zich in zijn leuningstoel voorover en pakte Pen’s manuscript met de tang, waarmee hij juist een kooltje aan zijne pijp had willen brengen. En na zich op die wijze in het bezit van het handschrift gesteld te hebben, begon hij te lezen in de Bladen uit het levensboek van Walter Lorraine.
„Zoo valsch als gij schoon zijt! even hardvochtig als bekoorlijk! Bespotting der Liefde!” voegde Walter aan Leonora toe; „welke booze [20]geest heeft u uitgezonden, om mij aldus te folteren? O Leonora.”
„Sla dat maar over,” riep Pen en trachtte het geschrift weer in zijne handen te krijgen, maar zijn makker wilde het niet loslaten. „Of lees het in elk geval niet hardop! Dat heeft betrekking op mijne andere geliefde, mijne eerste – die nu Lady Mirabel is. Ik heb haar gisterenavond bij Lady Whiston gezien. Zij noodigde mij op eene partij, die zij geven zou, en zeide dat wij, als oude vrienden, elkander meer moesten zien. Ofschoon zij sinds twee jaren wist dat ik in de stad was, kwam het niet in haar op, mij te noodigen; doch toen zij Wenham met mij zag spreken en monsieur Dubois, dien Franschen letterkundige, die met een dozijn ridderorden behangen is en er als een maarschalk van Frankrijk uitziet, verwaardigde zij zich mij te vragen. De Clavering’s zullen er dien avond ook komen. Is het niet piquant, aan dezelfde tafel met de twee vrouwen te zitten, voor welke men in liefdevuur geblaakt heeft?”
„Twee liefdevuren! – Twee hoopen uitgebrande sintels,” zeide Warrington. „Komen die beide schoonen in dit boek voor?”
„Allebei, of het lijkt er ten minste eenigszins op,” zeide Pen. „Leonora, die den hertog trouwt, is jufvrouw Fotheringay. Den hertog heb ik gevolgd naar Magnus Charters, met wien ik te Oxbridge was; het portret gelijkt eenigszins op hem; en jufvrouw Amory is Neaera. Waarlijk, Warrington, ik had die eerste vrouw lief! Ik dacht aan haar, toen ik in den maneschijn van Lady Whiston’s partij terugkeerde, en al die vroegere tooneelen stonden mij weer voor den geest, alsof zij pas gisteren gebeurd waren. En toen ik thuis kwam, haalde ik de geschiedenis voor den dag, die ik drie jaar geleden over haar en de andere geschreven had; hoe overdreven de roman ook zij, weet je, zit er toch wat goeds in, en als Bungay de uitgave niet ondernemen wil, denk ik dat Bacon het wel zal doen.”
„Dat is zoo de manier van de dichters,” zeide Warrington. „Zij worden verliefd, bedriegen het meisje, of worden zelf bedrogen; het doet hun pijn en zij schreeuwen het uit, dat zij meer lijden dan eenig ander sterveling; en als zij dan aandoeningen genoeg ondervonden hebben, schrijven zij die op in een boek en brengen dit aan de markt. Alle dichters en alle letterkundigen zijn kwakzalvers: want zoodra iemand zijne gevoelens voor geld verkoopt, is hij een kwakzalver. Als een dichter pijn in het lijf krijgt, omdat hij te veel gegeten heeft, schreeuwt hij harder ai! ai! dan Prometheus.”
„Vermoedelijk omdat een dichter gevoeliger is dan een ander mensch,” zeide Pen niet geheel ten onpas. „Dat is het, wat hem tot dichter maakt. Ik houd het er voor, dat hij scherper ziet en gevoelt; dat is het, wat hem doet spreken van hetgeen hij gevoelt en ziet. Gij, van uw kant, schreeuwt hard genoeg in uwe hoofdartikelen, zoodra gij eene drogreden bij uwe tegenpartij opmerkt, of een kwakzalver in het parlement ontdekt. Paley, die geen zier geeft om iets anders ter wereld, zal een uur lang over eene rechtsquaestie spreken. Gun een ander het voorrecht, dat gij u zelven toekent; gun hem het vrije gebruik van zijne vermogens en laat hem dát wezen waartoe de natuur hem gemaakt heeft. Waarom zou iemand zijne sentimenteele aandoeningen niet evengoed mogen verkoopen als gij uwe staatkundige denkbeelden, of Paley zijne rechtsgeleerde kennis? Dat is alles eene zaak van ondervinding en praktijk. Het is het geld niet, dat u eene valsche stelling doet ontdekken, of Paley een gevoelen doet volhouden, maar een natuurlijke en door oefening gescherpte aanleg voor die onderkenning der waarheid; en een dichter werpt zijne gedachten en ervaringen op het papier gelijk een [21]schilder een landschap of een gelaat op het doek brengt, naar zijn best vermogen en volgens den aard van zijn talent. Als ik me ooit verbeeld dat er genoeg in mij zit om een heldendicht te schrijven, bij den hemel, dan zal ik het doen! En als ik gevoel, dat ik alleen goed genoeg ben om eene aardigheid te vertellen, of een verhaaltje te schrijven, dan zal ik dat doen.”
„Niet kwaad gesproken, jonge heer,” zeide Warrington, „maar dat neemt niet weg, dat alle dichters kwakzalvers zijn.”
„Hoe? – Homerus, Æschylus, Shakespeare en al die anderen?”
„Deze namen mogen niet in één adem genoemd worden met ulieden pygmeën,” zeide mijnheer Warrington; „er is onderscheid tusschen mannen en mannen, mijnheer.”
„Welnu, Shakespeare was een man, die om geld schreef, evenals gij en ik,” antwoordde Pen, waarop Warrington hem naar den drommel wenschte, tot zijne pijp terugkeerde en weer in het manuscript begon te lezen.
Er kon dus niet de minste twijfel bestaan, dat dit geschrift een groot gedeelte van Pen’s persoonlijke ervaringen bevatte, en dat de Bladen uit het levensboek van Walter Lorraine nooit zouden geschreven zijn, indien Arthur Pendennis’ eigen smarten, hartstochten en dwaasheden niet bestaan hadden. Daar wij die in het eerste deel dezer levensbeschrijving hebben leeren kennen, zullen wij geen lange uittreksels uit den roman Walter Lorraine behoeven te geven, waarin de jonge heer die voorvallen en gevoelens uit vroeger tijd had geschetst, welke hij meende dat geschikt waren om den lezer te boeien of den loop van het verhaal te bevorderen.
Ofschoon de roman nu was blijven liggen bijna de helft van den tijd gedurende welken een kunstwerk, volgens de bewering van Horatius, moet liggen om te rijpen (eene stelling, wier waarheid sterk betwijfeld mag worden), had mijnheer Pen dien niet zoo lang weggeborgen, opdat het werk des te beter zou worden, maar omdat hij niet wist wat hij er anders mee zou doen en geen bijzonderen lust gevoelde om het geschrift te zien. Een schrijver, die een werk tien jaar lang wegbergt alvorens hij het aan de wereld wil meedeelen, of er zijn eigen meer gerijpt oordeel over wil laten gaan, behoort wel heel zeker te zijn van de verdienste of de duurzaamheid van zijn arbeid; anders zou het wel eens kunnen gebeuren, als hij het uit zijn schuilhoek te voorschijn haalt, dat het, gelijk geringe wijn, den geur had verloren, dien het eenmaal bezat, en smakeloos bleek te zijn als het geopend werd. Er bestaan werken van allerlei smaken en geuren, lichte en zware, sommige, die door het liggen verbeteren, en andere, die in het geheel niet bewaard kunnen worden, maar bij den eersten teug aangenaam zijn en verfrisschen en schitteren.
Pen had zelfs in de dagen van zijne jeugdige onervarenheid en van zijne levendigste verbeeldingskracht geen oogenblik de meening gekoesterd, dat het verhaal, hetwelk hij schreef, een meesterstuk was, of dat hij op gelijke lijn stond met de groote schrijvers, die hij bewonderde; en toen hij nu zijn kleinen arbeid weer overzag, was hij ten volle overtuigd van de gebreken er van en zeer bescheiden gestemd ten aanzien van zijne verdiensten. Hij begreep, dat zijn werk niet heel mooi was, maar het was niet slechter dan de meeste boeken van dat soort, die in de leesbibliotheken gevraagd werden en gedurende een seizoen opgang maakten. Hij had zelf meer dan één gevierden roman van de toen populaire schrijvers moeten recenseeren, en hij was van oordeel, dat hij [22]evenveel gezond verstand had als die heeren en dames en evengoed Engelsch kon schrijven; en toen hij dus nu zijn vroeger werk doorliep, deed het hem genoegen, dat hij hier en daar zinsneden aantrof, waaruit verbeelding en kracht spraken, en trekken, zoo niet van genie, dan toch van echte hartstochtelijkheid en gevoel. In gelijken geest luidde ook de uitspraak van Warrington, toen de strenge criticus, na een half uur lang in het manuscript gelezen en een paar pijpen gerookt te hebben, met een geweldigen geeuw Pen’s boek neerlegde. „Ik kan nu niet meer van dien poespas lezen,” zeide hij; „maar het komt mij voor, Pen, mijn jongen, dat er wel wat goeds in zit. Er is iets ongekunstelds en frisch in, dat mij wel bevalt. Het waas gaat van de poëzie af, wanneer men zich begint te scheren. In latere dagen kan men er die natuurlijkheid en die onvervalschte rozenkleur niet meer op krijgen. Uw gelaat wordt bleek en krijgt eene vale tint door den invloed der avondgezelschappen; ge zijt genoodzaakt u van krultangen en Macasser-olie te bedienen en de hemel weet wat op uwe snorren te smeren; zij krullen prachtig en ge ziet er zeer indrukwekkend en voornaam uit; maar, och Pen, de lentetijd was toch de beste.”
„Wat drommel hebben mijne snorren met de zaak te maken waarover wij spreken?” vroeg Pen, wellicht geraakt door Warrington’s zinspeling op die gezichtssieraden, welke de jonge heer – om de waarheid te zeggen – op de overdrevenste manier verzorgde, krulde, met olie bestreek, met reukwater begoot en troetelde. „Denkt gij, dat wij iets met Walter Lorraine kunnen doen? Zullen wij hem naar de uitgevers brengen, of een auto da fé van hem maken?”
„Ik zie niet in, dat het tot iets zou dienen als wij hem verbrandden,” antwoordde Warrington, „ofschoon ik grooten lust heb hem op het vuur te werpen, om u voor uwe verfoeielijke kwakzalverij en huichelarij te straffen. Moet ik hem maar verbranden? Gij hecht te veel waarde aan hem, om een haar van zijn hoofd te krenken.”
„Doe ik dat? Daar gaat hij dan!” zeide Pen, en Walter Lorraine vloog van de tafel in den haard. Doch het vuur, dat zijn plicht had gedaan door den theeketel der jongelieden aan den kook te brengen, had zijn werk voor dien dag gestaakt en was uitgegaan, zooals Pen zeer goed wist, en Warrington pakte met een spottenden glimlach voor de tweede maal het manuscript met de tang aan en haalde het uit de onschadelijke sintels.
„O Pen, wat zijt gij toch een kwakzalver!” riep Warrington uit, „en wat nog het ergste is, een onhandig kwakzalver. Ik zag u kijken of het vuur wel uit was, eer gij Walter Lorraine achter de traliën van den haard smeet Neen, wij zullen hem niet verbranden, maar hem aan de Egyptenaren overleveren en hem verkoopen. Wij zullen hem verruilen tegen geld, ja, tegen zilver en goud, en tegen spijs en drank en tabak en lijfgewaden. Deze jongeling zal op de markt wel een goeden prijs opbrengen, want het is een fiksche knaap, al is hij niet oversterk; maar wij zullen hem vet mesten en hem een bad geven en zijn haar krullen, en dan zullen wij hem voor honderd piasters aan Bacon of Bungay verkoopen. Het geschrijf bezit koopwaarde, mijnheer, en ik raad u, als gij weer vacantie neemt, Walter Lorraine in uw valies te steken, hem een meer modern voorkomen te geven, sommige al te wilde ranken weg te snoeien, hoewel met omzichtigheid, en er wat vroolijkheid en spotternij en satire in te lasschen, en dan zullen wij hem ter markt brengen en verkoopen. Het boek is geen achtste wonder der wereld, maar het zal heel wel voldoen.” [23]
„Gelooft ge dat, Warrington?” vroeg Pen met opgetogenheid, want dit was in den mond van zijn cynischen vriend eene groote lofspraak.
„Jonge malloot, ik houd het voor buitengemeen verdienstelijk,” hernam Warrington op vriendelijken toon, „en daar houdt gij het ook voor.” En daarop gaf hij Pen met het manuscript, dat hij in de hand hield, een tikje tegen de wang, waarop deze kant van Pen’s gelaat zoo rood werd als ooit in de eerste tijden, toen hij bloosde, het geval was geweest; hij greep de hand van zijn makker en zeide: „Dank je, Warrington!” met den meesten nadruk. Daarop keerde hij met zijn geschrift naar zijne eigen kamer terug en bracht het grootste gedeelte van den dag met het herlezen van zijn werk op zijn bed door; en hij handelde naar Warrington’s raad en veranderde niet weinig en voegde er heel wat bij, totdat hij aan Walter Lorraine eindelijk ongeveer de gedaante had gegeven, waarin het boek, gelijk de geachte romanlezer weet, later verscheen.
Terwijl hij aan dezen arbeid bezig was, wist de welwillende Warrington de beide heeren, die voor Bacon en Bungay de ter uitgave aangeboden handschriften lazen en beoordeelden, met de grootste nieuwsgierigheid ten aanzien van Walter Lorraine te vervullen waarbij, hij de bijzondere verdiensten van den voornamen schrijver onder hunne aandacht bracht. Het was in de dagen, toen de roman de Man van de wereld opgang onder ons maakte; en Warrington verzuimde niet in het licht te stellen, gelijk hij ook vroeger gedaan had, dat Pen zelf een man uit de groote wereld was en ten huize van sommige der eerste personages des lands ontvangen werd. De eenvoudige en goedhartige Percy Popjoy werd in den arm genomen om zijn invloed op mevrouw Bungay aan te wenden, aan wie hij mededeelde, dat zijn vriend Pendennis bezig was met een werk van den piquantsten aard, dat de gansche stad zou willen lezen, een werk, overvloeiende van geest, genie, satire, gevoel en elke andere goede eigenschap, die men zich kon voorstellen. Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat Bungay even weinig verstand van romans als van Hebreeuwsch of algebra had, en geen der boeken, die hij uitgaf en betaalde, las of begreep; maar hij liet zich leiden door de personen in zijn dienst, die deze zaken beoordeelden, en door mevrouw B., en blijkbaar met het oogmerk om tot eene overeenkomst te geraken, vroeg hij Pendennis en Warrington weer ten eten.
Toen Bacon bemerkte, dat Bungay op het punt stond van in onderhandeling te treden, werd hij natuurlijk nieuwsgierig en naijverig en wenschte hij zijn mededinger de loef af te steken. Was er tusschen mijnheer Pendennis en dat akelige huis aan den overkant reeds iets bepaald omtrent het nieuwe boek? Mijnheer Hack, zijn lezer van manuscripten, werd gelast een onderzoek in te stellen en na te gaan of er iets aan kon gedaan worden, en het gevolg van de nasporingen van dien diplomaat was, dat Bacon op zekeren morgen zelf de trap in Lamb Court opzwoegde en aan de deur klopte, waarop de namen der heeren Warrington en Pendennis geschilderd stonden.
Wij moeten bekennen, dat de vertrekken, welke Pen met zijn vriend bewoonde, niet zeer geschikt waren voor een man van de voorname wereld, gelijk de arme Pen afgeschilderd was. Het havelooze karpet was in die twee jaren van gezamenlijke bewoning nog veel haveloozer geworden; de zitkamer was geparfumeerd met eene blijvende tabakslucht; Bacon tuimelde over de emmers der schoonmaakster in den gang; Warrington’s jachtbuis was doorgesleten aan de ellebogen, als gewoonlijk; en de stoel, dien Bacon bij zijne binnenkomst verzocht werd te nemen, [24]brak onder den uitgever in stukken. Warrington begon het uit te schateren en zeide, dat Bacon den verkeerden stoel gekregen had, zoodat hij Pen verzocht een anderen uit zijne slaapkamer te halen. En toen Warrington opmerkte, dat de uitgever met eene uitdrukking van diepe meewarigheid en verwondering de kale kamer rondkeek, vroeg Warrington hem, of hij de apartementen niet elegant vond en of hij hem met eenige meubelen voor mevrouw Bacon’s gezelschapszaal kon dienen? Bacon wist, dat Warrington een grappenmaker was. „Ik weet nooit hoe ik het met dien snaak heb,” had men hem wel eens hooren zeggen, „en of hij in ernst spreekt, dan wel een loopje met mij neemt.”
Het is zeer mogelijk, dat mijnheer Bacon de beide heeren als bedriegers zou beschouwd hebben, indien er niet op de ontbijttafel eenige uitnoodigingskaarten hadden gelegen, die de post van dien morgen voor Pen had aangebracht en die van eenige zeer aanzienlijke leden der beau monde afkomstig waren, tot wier huizen onze jonge heer toegang had. Toen Bacon er zijn oog op liet vallen, zag hij, dat de markiezin van Steyne op zekeren bepaalden dag „thuis” zou zijn voor mijnheer Pendennis en dat een andere voorname dame zich voorstelde op een anderen avond eene danspartij ten harent te geven. Warrington zag, dat de uitgever die documenten met bewondering beschouwde. „Ja,” zeide hij met het kalmste gezicht van de wereld, „Pendennis is een van de minzaamste jonge heeren, die ik ooit ontmoet heb, mijnheer Bacon. Hij dineert met al de voorname lui van Londen en zal toch met u en mij van harte gaarne eene lamscôtelet eten. Er gaat toch niets boven de minzaamheid van den oud-Engelschen gentleman.”
„Neen, niets,” zeide mijnheer Bacon.
„En gij verwondert u zeker, waarom hij met mij op eene derde verdieping woont, niet waar? Ja, het is inderdaad een zonderlinge smaak van hem. Maar wij houden zeer veel van elkander, en daar ik in geen mooi huis kan wonen, is hij zoo goed deze havelooze kamers met mij te betrekken. Hij is een man, die overal zou kunnen wonen waar hij verkoos.”
„Ik geloof niet, dat het hem hier veel kost,” dacht mijnheer Bacon, en op dit oogenblik trad het voorwerp dezer lofspraken uit het belendende slaapvertrek binnen.
Mijnheer Bacon kwam nu voor den dag met het doel van zijn bezoek. Hij had vernomen, dat mijnheer Pendennis een roman in manuscript had, dien hij gaarne eens zou willen zien, terwijl hij niet twijfelde of zij zouden het over de voorwaarden van uitgave wel eens worden. Welken prijs vroeg hij er voor? zou hij de uitgave niet aan Bacon willen vergunnen? hij zou ons huis zeer onbekrompen vinden, en meer van dien aard. De verrukte Pen zette een onverschillig gezicht, en zeide dat hij reeds in onderhandeling met Bungay was, zoodat hij geen bepaald antwoord kon geven. Dit dreef den ander tot zulke rijkelijke ofschoon nog altijd onbepaalde aanbiedingen, dat Pen begon te denken, dat zich een Eldorado voor hem opende en zijn fortuin van dien dag af gemaakt was.
Ik zal de som niet noemen, die mijnheer Arthur Pendennis eindelijk voor den eersten druk van zijn roman Walter Lorraine ontving, opdat andere eerstbeginnende letterkundigen niet zouden verwachten even gelukkig te zijn als hij, en personen, wier vak het niet is, hun beroep (van welken aard het ook zij) niet zouden laten varen om de wereld van romans te voorzien, waarvan er reeds meer dan genoeg bestaan. Laten jongelieden niet op een dwaalspoor geraken en zich ter kwader [25]ure aan het romanschrijven zetten: laten zij zich toch, tegen één boek dat opgang maakt, zich de vele herinneren, die te recht of ten onrechte mislukken, en zich er dus wijselijk van onthouden; of willen zij het toch wagen, laten zij het dan op eigen risico doen. Deze waarschuwing is natuurlijk niet gericht tot degenen, die reeds romans geschreven hebben. Laten zij hunne waar ter markt brengen; laten zij zich bij Bacon en Bungay en al de uitgevers in Paternoster Row, of in de gansche wereld vervoegen; ik wensch hun het meeste geluk op hunne onderneming. De wereld is zoo groot en de smaak der menschen loopt zoo uiteen, dat er altijd kans van welslagen voor iedereen bestaat en men door genie of goed geluk een prijs kan winnen. Maar hoeveel kans bestaat er om opgang te maken, of om te mislukken, om populariteit te verwerven, of die te behouden als ze eens verkregen is? De één gaat over het ijs, dat hem blijft dragen, en een dozijn anderen volgen hem en vallen er doorheen. Kortom, hetgeen met mijnheer Pendennis gebeurde, is eene uitzondering en alleen op hem zelven toepasselijk, en ik beweer plechtig en zal het tot mijn laatsten ademtocht volhouden, dat het heel wat anders is een roman te schrijven, dan wel geld er voor te krijgen.
Ten gevolge dan van verdienste of van geluk, of van den naijver tusschen Bungay en Bacon, dien Warrington behendig wist aan te vuren (en dien wij elk beginnend romanschrijver met genoegen zullen zien gaande maken bij twee uitgevers), werd Pen’s roman eindelijk voor zekere som gelds verkocht aan een van de twee uitstekende beschermheeren der letteren, met welke wij onze lezers hebben doen kennis maken. Die som was zoo aanzienlijk, dat Pen er aan dacht eene rekening-courant bij een bankier te openen, of een rijtuigje en paard te gaan houden, of naar de eerste verdieping in Lamb Court af te dalen en daar nieuw gemeubelde apartementen te nemen, of naar eene der fashionabele wijken van de hoofdstad te verhuizen.
Dit laatste plan werd door majoor Pendennis sterk aanbevolen. Hij zette groote oogen op, toen hij het fortuintje vernam, dat Pen weervaren was, hetwelk deze laatste, zoodra mogelijk, zich haastte aan zijn oom mee te deelen. De majoor was bijna kwaad, dat Pen zooveel geld ontvangen had. „Wie drommel leest dat soort van dingen?” dacht hij, toen hij vernam welk een koop Pendennis gesloten had. „Ik lees nooit romans of zulke zaken. Met uitzondering van Paul de Kock, die mij bepaald doet lachen, geloof ik niet, dat ik in dertig jaar zoo’n boek in handen heb genomen. Die Pen is toch een gelukskind! Mij dunkt, hij kan zoo’n roman wel in eene maand schrijven, – laten wij er eene maand voor stellen, dat is twaalf in een jaar. Wat drommel! hij kan dien onzin een jaar of vier blijven schrijven en dan is hij schatrijk. Intusschen zou ik wel wenschen, dat hij er fatsoenlijk van leefde, deftige apartementen nam en rijtuig hield.” En op grond van deze eenvoudige berekening gaf de majoor zijn raad aan Pen.
Lachend vertelde Arthur aan Warrington wat zijn oom hem geraden had, maar gelukkig bezat hij een veel verstandiger raadgever in zijn vriend en in zijn eigen bewustzijn, die hem zeiden: „Wees dankbaar voor dit gelukje en bega nu geen buitensporigheden. Betaal Laura af!” Hij schreef haar dan ook een brief, waarin hij haar van zijn dankbaarheid en zijn achting verzekerde, en sloot er een zoo aanzienlijk gedeelte van zijn schuld in, dat deze er bijna geheel door werd uitgedelgd. Er was wel reden voor de weduwe en Laura zelve om aangedaan te worden door dien brief. Hij was met echte teederheid en zedigheid geschreven; en toen de oude doctor Portman dat gedeelte van den brief [26]las, waarin Pen, met een hart, van erkentelijkheid overvloeiende, nederig den hemel dankte, die hem thans met voorspoed gezegend en hem in zijn tegenspoed zulke dierbare en hulpvaardige vrienden gezonden had om hem te ondersteunen, toen bleef den ouden predikant de stem in de keel steken en kneep hij de oogen zenuwachtig dicht achter de glazen van zijn bril. En toen de doctor de lezing voltooid en den bril van zijn neus genomen en, na den brief weer te hebben toegevouwen, dien aan de weduwe teruggegeven had, ben ik verplicht te zeggen dat hij, na de hand van mevrouw Pendennis eenige oogenblikken te hebben vastgehouden, die dame naar zich toe trok en haar werkelijk kuste; na welke omhelzing Helena natuurlijk op des doctors schouder in schreien losbarstte, want haar hart was te vol om een ander antwoord te kunnen geven; en de doctor, die na dit bedrijf erg bloosde, geleidde de dame met eene buiging naar de sofa, waar hij zelf zich naast haar zette, terwijl hij op zachten toon eenige woorden herhaalde van den Grooten Dichter, dien hij zoo liefhad, waarin deze beschrijft hoe hij in de dagen van zijn voorspoed „het hart der weduwe van blijdschap had doen juichen.”
„De brief doet den jongen zeer veel eer, zeer veel eer, mijne waardste,” zeide hij en tikte op den brief, die op Helena’s knie lag, „en ik geloof, dat wij alle reden hebben om er dankbaar voor te zijn, – zeer dankbaar! Ik behoef u niet te zeggen waar wij onzen dank behooren uit te storten, mijne waardste, want gij zijt eene godzalige vrouw; ja, Laura-lief, uwe moeder is eene godzalige vrouw. En, mevrouw Pendennis, ik zal een exemplaar van het boek voor mij zelven, en een ander voor het leesgezelschap bestellen.”
Wij kunnen ons wel overtuigd houden, dat de weduwe en Laura den weg opwandelden, om de diligence te gemoet te gaan, die haar het exemplaar van Pen’s hooggeschatten roman zou brengen, toen dat werk gedrukt en ter verzending gereed was. Evenzeer kunnen wij verzekerd zijn, dat zij het aan elkander voorlazen, en het ook in stilte en afzonderlijk lazen, want toen de weduwe des nachts ten één ure in haar nachtgewaad met het tweede deel, dat zij juist uitgelezen had, uit hare kamer kwam, vond zij Laura in bed bezig met het derde deel te verslinden. Laura liet zich over het boek niet veel uit, maar Helena verklaarde, dat zij er Shakespeare, Byron en Walter Scott in terug vond, en hield zich overtuigd, dat haar zoon zoowel het grootste genie als het beste kind ter wereld was.
Dacht Laura niet over het boek en den schrijver, ofschoon zij er zich zoo weinig over uitliet? Zij dacht ten minste over Arthur Pendennis. De toon van zijn brief, hoe vriendelijk ook, deed haar zeer. Zijn verlangen om dat geld terug te betalen behaagde haar niet. Zij had liever gezien, dat haar broeder hare gift had aangenomen in den zin dien zij bedoeld had, en het griefde haar, dat zij geldzaken met elkaar hadden. Zijne brieven uit Londen, geschreven met de loffelijke bedoeling om zijne moeder te vermaken, waren vol beschrijvingen van de beroemde menschen en de uitspanningen en het prachtvertoon der groote stad. Zou hij niet naar een groot huwelijk uitzien, met dien listigen oom tot leidsman (van wien Laura altijd een grooten afkeer koesterde), dien onverbeterlijken wereldling, die aan niets dan vermaak en hoogen stand en rijkdom dacht? Hij gewaagde nooit van – van den ouden tijd, toen hij van haar sprak. Hij had misschien haar en hen allen verlaten; had hij andere zaken en personen niet vergeten?
Deze gedachten zijn wellicht bij jufvrouw Laura opgerezen, ofschoon [27]zij ze aan Helena niet toevertrouwde en ook niet kon toevertrouwen. Zij hield nog ééne zaak voor de weduwe geheim, welke zij niet openbaren kon, daar zij wist hoe de weduwe er zich over verheugd zou hebben. Dit had betrekking tot eene gebeurtenis, die voorgevallen was gedurende dat bezoek van Laura tijdens de vorige Kerstmisweek bij Lady Rockminster, toen Pen de vacantie bij zijne moeder thuis doorbracht en mijnheer Pynsent, dien men als zoo koel en eerzuchtig beschouwde, zijne hand bepaaldelijk aan jufvrouw Bell had aangeboden. Niemand wist van dat huwelijksvoorstel dan zij zelve, en haar aanbidder; niemand wist ook, dat zij Pynsent had afgewezen. De redenen, die zij den teleurgestelden jonkman daarvoor opgaf, waren waarschijnlijk niet die, welke haar in wezenlijkheid tot die afwijzing aanspoorden, noch die zij aan zich zelve wilde bekennen. „Ik zou een aanbod gelijk, gij mij doet, nooit kunnen aannemen,” sprak zij tot Pynsent, „want gij bekent, dat uwe familie er niet van weet, en ik ben zeker, dat het haar onwelgevallig zou zijn. Er bestaat tusschen ons een te groot verschil van rang. Gij zijt zeer vriendelijk jegens mij, al te goed en te vriendelijk, waarde mijnheer Pynsent, maar ik ben weinig beter dan eene dienstbare.”
„Eene dienstbare!” riep Pynsent uit „Wie heeft u ooit als zoodanig beschouwd? Gij staat met iedereen gelijk.”
„Ik ben thuis ook afhankelijk,” zeide Laura zacht, „en ik zou niet anders willen zijn. Ik ben reeds vroeg wees geworden en ik heb toen de hartelijkste en teederste aller moeders gevonden, die ik beloofd heb nimmer, nimmer te verlaten. Heb de vriendelijkheid hierover niet te spreken – noch onder de uwen, noch elders. Het is onmogelijk.”
„En als Lady Rockminster het u zelve vraagt, zult gij er dan anders over denken?” vroeg Pynsent hartstochtelijk.
„Ook dan niet,” antwoordde Laura. „Ik smeek u, er nooit meer over te spreken. Als gij het doet, zal ik moeten weggaan;” en met die woorden verliet zij hem.
Pynsent riep Lady Rockminster’s voorspraak niet in, want hij wist, dat het vergeefs zou zijn daarop te hopen, en ook sprak hij nooit meer met Laura of iemand anders over dit onderwerp.
Toen de veelbesproken roman eindelijk in het licht verscheen, verwierf hij niet alleen de goedkeuring van onpartijdiger beoordeelaars dan mevrouw Pendennis, maar hij viel ook in den smaak van het publiek en verkreeg snel eene groote populariteit. Eer twee maanden verloopen waren, zag Pen tot zijn genoegen en verrassing, den tweeden druk van Walter Lorraine in de nieuwsbladen aangekondigd, en smaakte hij het genot, de beoordeelingen der verschillende letterkundige bladen en tijdschriften over zijn boek te lezen en naar zijne moeder op te zenden. Hunne aanmerkingen troffen hem niet diep, want de goedaardige jongeling onderwierp zich met de meeste nederigheid aan de afkeuring van anderen. Door hun lof liet hij zich ook niet over het paard tillen, want gelijk de meeste rechtschapen menschen, koesterde hij zijne eigen meening over zijn werk, en als een recensent hem ten onrechte prees, deed het compliment hem meer leed dan genoegen. Maar als eene recensie bijzonder gunstig luidde, was het hem zeer aangenaam die aan zijne moeder te Fairoaks te kunnen zenden en zich de blijdschap voor te stellen, die ze daar verwekken zou. Er zijn karakters – en gelijk wij reeds zeiden, kon men Pen wellicht daaronder rangschikken – die door voorspoed en vriendelijke bejegening verteederd worden, evenals er andere zijn, die, wanneer het geluk hen meeloopt, aanmatigend worden en hard. Gelukkig degeen, die onder goede en kwade buien der Fortuin [28]zedig en welgezind blijft; die in zijne jeugd de voorbeelden der rechtschapenheid voor oogen heeft gehad en als kind het pad der eer heeft leeren betreden, en daardoor geschikt is geworden om aan het lot het hoofd te bieden!